Maar is het dan zo slecht dat kinderen werken?

Kinderarbeid in Pakistan is hardnekkig probleem


Door Hans Zomer
januari, 1998
OneWorld Europe, Islamabad

Zafaryab Emir is heel duidelijk: kinderarbeid is een groot kwaad, dat uit alle macht bestreden moet worden. "Er is toch geen ouder te vinden die vrijwillig zijn kind in een fabriek aan het werk zet?"

Zafaryab is journalist en een beroemdheid in Pakistan, sinds hij door de autoriteiten de gevangenis in werd gegooid omdat hij beweerd had dat er in Pakistan op grote schaal door kinderen wordt gewerkt. In de ogen van de regering moest hij wel een agent zijn van de RAW, de Indiase geheime dienst. Waarom zou hij anders zulke schadelijke en onzinnige dingen over Pakistan zeggen? Zafaryab dankt zijn huidige vrijheid aan de internationale campagne van Amnesty International en de veranderende houding van de Pakistaanse overheid. De bewijzen van grootschalige kinderarbeid zijn nu zo overweldigend dat geen enkele politicus meer durft te beweren dat Pakistan kinderarbeid-vrij is. Officiele cijfers spreken van 3.3 miljoen kinderen, maar ontwikkelingsorganisaties houden het op 5 tot 12 miljoen Pakistaanse kinderen tussen de vijf en veertien jaar.

Het bekendste voorbeeld van kinderarbeid in Pakistan is de tapijt-industrie, waar de fijne kindervingers "noodzakelijk" zijn voor goedkope kwaliteisprodukten. Volgens de Pakistaanse bond van tapijtproduceurs, bespaarde de sector op die manier 32 miljoen Rupees (1.5 miljoen gulden) in 1992. Veel minder bekend is dat het land barst van de autowerkplaatsen, bloemenstalletjes en naaiateliers waar kinderen lange dagen maken voor heel weinig geld. Ook al is het formeel verboden kinderen te werk te stellen, in de praktijk hebben veel Pakistanen kinderen als schoonmaker of kok in huis. En zelfs de formele export-industrie maakt gebruik van de goedkope en willige arbeidskracht van kleine kinderen. In de streek rond Sialkot, waar het gros van 's werelds voetballen gemaakt wordt, blijken honderden kinderen iedere dag te werken voor internationale bedrijven als Nike en Adidas.

Volgens mensen als Zafaryab doen die kinderen dat, omdat ze door hun ouders gedwongen worden een financieel steentje bij te dragen. De armen hebben geen keus, terwijl de werkgevers een gouden kans krijgen om voor weinig geld voldoende werknemers te vinden. Het argument is dan ook dat kinderarbeid (dwz. werk gedaan door mensen tussen de 5 en 16 jaar) de armoede vergroot, aangezien het volwassenen uit het arbeidsproces stoot. Kinderarbeid is daarmee niet alleen slecht voor de kinderen zelf, maar de ouders krijgen feitelijk minder geld binnen dan als de volwassenen het werk zouden doen. Bovendien lopen de kinderen vaak fysieke en psychologische schade op door van jongs af aan hard te moeten werken, zodat de toekomst van een hele generatie door kinderarbeid verpest kan worden.

Met deze argumenten in de hand hebben Europese en Amerikaanse hulporganisaties de laatste decennia vele pogingen ondernomen kinderarbeid wereldwijd te verbieden en producten die door kinderen gemaakt zijn te boycotten. Dat zulke welgemeende initiatieven soms desastreuse gevolgen voor de betrokken kinderen en hun gezinnen hebben, werd vaak over het hoofd gezien. Kinderarbeid is slecht en moet dus verboden worden. Kinderen horen te spelen en naar school te gaan, punt uit.

Helaas is de werkelijkheid gecompliceerder. Ervaringen in Bangladesh leren dat kinderen aan wie de kans op werk ontnomen wordt, niet braaf naar school gaan, maar juist illegale klusjes gaan opknappen, vaak in de drugssmokkel of de prostitutie. Als er geen school is, of geen betaalbare school, blijven kinderen werken, of dat nu verboden is of niet. Een onderzoek van de Britse ontwikkelingsorganisatie Save the Children Fund leert dat de kinderen in de Pakistaanse voetbalindustrie geen probleem hebben met het werk op zich. Het echte probleem, vinden kinderen zowel als ouders, is het chronisch gebrek aan scholingskansen. Zolang de lokale overheid liever geld besteedt aan snelwegen dan aan plattelandsschooltjes, blijft het probleem van kinderarbeid bestaan. School kost geld, en leert de kinderen niets wat van practisch nut is in hun dagelijks leven. Door te werken verdienen de kinderen geld en leren ze nog practische vaardigheden ook.

Save the Children probeert lessen te trekken uit deze ervaring. Samen met de lokale Kamer van Koophandel en de Internationale Arbeids Organisatie (ILO), die een wereldwijde campagne tegen kinderarbeid aan het voeren is, heeft de organisatie een grootscheeps programma ontworpen om kinderen een alternatief te bieden voor hun harde en onderbetaalde werk. In plaats van hun werk te verbieden, werken de organisaties samen om de kinderen en hun gezinnen training, spaarkredieten en vervangende bronnen van inkomsten te geven. Het doel is niet het uitroeien van de kinderarbeid, maar het helpen van die mensen die onder kinderarbeid lijden.

Maar dit laatste blijkt niet zo eenvoudig. De kinderarbeid in Pakistan is niet uit de lucht komen vallen. In een land met een arme en snel groeiende bevolking en waar opeenvolgende regeringen moedwillig de onderwijssector verwaarlozen, hebben de armen simpelweg geen andere keus dan hun kinderen aan het werk te zetten. Een laatste redmiddel dat hen door overijverige kinderarbeid-bestrijders ontnomen kan worden.

Eerdere artikelen van Hans Zomer uit Pakistan (in het Engels):