"Goudmijnveld Erica"

geen ontginning met winst

Gemeente-veldwachter J. Drivel stond op zondag 12 januari 1902 voor de deur van het Gemeentehuis van Hellendoorn met in zijn hand een blad papier.
De kerk ging uit. Tientallen kerkgangers in stemmig zwart liepen in het volle besef van een dag vrijaf te zijn door de Dorpsstraat.
Bij het Gemeentehuis hielden zij stil.
Als de veldwachter daar zo demonstratief met een vel papier stond dan was er weer wat bekend te maken.
Toen iedereen in afwachting stond, schraapte de veldwachter Drivel zijn keel en begon met luide stem te verkondigen:

"Gedeputeerde Staten van Overijssel maken bekend, dat de heren Emanuel Hompes uit Den Haag en Samuel Frank uit Watergraafsmeer een verzoekschrift hebben ingediend ter verkrijgen van een concessie om goud te graven in een terrein begrensd door.........Het verzoekschrift ter provinciale Griffie nedergelegd.
Betrokkenen kunnen hun bezwaren bekend maken. Hij zweeg en vouwde het papier dicht.

foto rechts het 't Stort bij Nijverdal, waar naar goud is gezocht

Het officiele verzoek luidt als volgt: Zwolle den 19 December 1901
Consessie tot het delven
Naar goud en het exploiteren van een goudmijn.
De Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel,hebben goedgevonden:
a)de navolgende bekendmaking te doen afgaan.
b) enz.
c) de heeren Burgemeester der Gemeente Hellendoorn, Zwolle, Almelo en Amsterdam bij extract dezes en onder toezending van de noodige afdrukken uit te nodigen deze bekendmaking gedurende vier achtereenvolgende maanden, aanvangende 6 Januari 1902 in hunne gemeenten te doen aanplakken op den voet en de wijze als in de artikelen 23 en 24 der wet van 21 April 1810 is bepaald, en na verloop der voorgeschreven termijnen daarvan eene verklaring aan hunne vergadering in te zenden, c.q. met overlegging van de bezwaarschriften te deze zake bij hen ontvangen.
d) den heer Burgemeester der Gemeente Hellendoorn te verzoeken die bekendmaking bovendien ten minste eenmaal in de maand telkens des Zondags, na afloop der godsdienstoefening voor de deur van het Gemeentehuis en voor die der hoofdkerk te Hellendoorn en die der kerk te Haarle af te kondigen en ook daarvan te zijner tijd de bewijzen te over leggen.
De Gedeputeerde Staten voornoemd,
De Voorzitter
De Griffier

Op de zondagen 2 februari, 2 maart en 6 april las hij dezelfde afkondiging af, op de zelfde plaats.
De aflezer aan de Hervormde kerk G. H. Miskotte, deed op die dagen hetzelfde voor de kerkdeur van de kerk.
Ook bij de katholieke kerk en in Haarle werd de bevolking op deze pittoreske manier in kennis gebracht met het "goud van Nijverdal.
De heren Hompes en Frank hadden er geen gras over laten groeien.
Na het bevrijdende moment waarop zij van hun assayeur bericht hadden ontvangen dat de monsters Nijverdalse grond inderdaad goud bevatten, lieten ze de zaken een paar dagen de zaken en stapten op de trein naar Amsterdam.
In een gematigd gangetje tsoekte de trein langs het ravijn.
Met enige trots blikten zij uit het raampje naar het glinsterende goudveld.
"Dat is van ons, dat is van ons, dat is van ons", bonkten de wielen.
Die middag zaten ze in het kantoor van Mr. Maurits. R. Cohen, advocaat en procureur in Amsterdam.
Met vuur bepleitten ze daar hun zaak, overlegden papieren aan de rechtsgeleerde en deze bleek gaarne bereid om het verzoekschrift te schrijven.

Op 20 october gleed het in een net couvert door de brievenbus het Provinciehuis binnen en enkele uren later kreeg een provinciaal ambtenaar het volgende schrijven onder ogen.
Emanuel Hompes koopman, Jan van Nassaustraat 41, Den Haag en Samuel Frank, Breedeweg 26 Watergraafsmeer, beide domicilli kiezend ten kantore van Mr. Maurits. R. Cohen, Kloveniersburgwal 94 Amsterdam, dat zij zoo te zamen als elk afzonderlijk eene concessie wensen te erlangen tot het delven naar goud en het exploiteren van een goudmijn gelegen in de provicie Overijssel en wel in het terrein dat zich uitstrekt over de de gemeente Holten, Hellendoorn,Rijssen, Wierden en Raalte:dat verzoekers volkomen bekend en ervaren in de industrie van gouddelverij onderzoekingen hebben gedaan naar de aardlagen van den Holterberg, de Helhuizen, Haarlerberg en in de gemeente Noetsele en Hellendoorn en zich persoonlijk hebben overtuigd van de goudhoudendheid van dien bodem, maar bovendien het daar verkregen erts hebben doen onderzoeken door den essayeur Schone te Amsterdam.

foto links het Goudzoekerspad parallel aan gelegd naast de spoorlijn, door het ravijn

Gasten bij Budde
De heren Hompes en Frank hielden niet van halve maatregelen.
In Zuidafrika hadden ze ervaring met gouddelverij opgedaan.
Het had hun een behoorlijk kapitaaltje opgeleverd.
Nu de rijkdom zo dicht bij huis in de bodem bleek te zitten, waren ze wel tot enig risico bereid.
Ze informeerden wie de eigenaars waren van de bewuste gronden.
Het was een hele rij. Het eenvoudigst konden zij wellicht aankloppen bij landbouwer Rutgers (Kupers Teunis) in Hellendoorn, die bij het zogenaamde "Stort", ten noorden van de bungalows in de buurt van de Nijverdalse Trompweg, land in eigendom had.
Kupers Teunis wilde wel meewerken, hij verkocht het stuk grond aan de heren.
Zo de eerste etappe zat er op, het spel kon beginnen.

Met het koopcontract in de zak wandelden de heren opgewekt naar een boerenherberg in de buurt, cafe De Budde (nog steeds aanwezig bij de kruising Grotestraat-Smidsweg).
Toen de waard hun de bestelde koffie kwam brengen, nodigden zij hem uit om even bij hen te komen zitten.
"Wij willen hier voorlopig komen logeren, kunt u ons aan kamers helpen?
Zeker, zeker, dat kon de eigenaar van de herberg wel.
Zo is het gegaan .En op een dag heerste er spanning in het achter vertrek van cafe Budde.
De heren waren in afwachting van het onderzoek van de heer Schone.
De heren Emanuel Hompes en Samuel Frank hadden hun jas nog aan en hun bolhoed nog op.
Frank had met een korte blik op de enveloppe gezien, dat de afzender J.J. Schone was, essayeur in Amsterdam.

In het algemeen maakt hij zich niet gauw zenuwachtig, maar nu hij die brief had trilden zijn handen.
Met bevende handen schoof hij de brievenopener in de envelop en scheurde hem met "n snelle haal" open.
De brief gleed er uit en Samuel Frank gunde zich nauwelijks tijd hem open te vouwen.
Terwijl hij haastig las en Hompes over zijn schouder hing, om ook iets van het bericht te kunnen opvangen, verwijderden zijn bruine ogen zich en een bevrijdende glimlach trok over zijn gebruinde gelaat.
"Manuel", zei hij, het is voor elkaar. Er zit goud in de Nijverdalse bodem.
Hoor, het gezonden monster bevatte per Nederlands pond 25 miligram goud en 125 miligram zilver.
Dan hebben ze toch gelijk gehad. Kerel ik geloof dat het de moeite loont om nu een concessie aan te vragen.

De uit de heer Schone overlegde rapport blijkt verder dat een kilogram erts een waarde van vier cent aan goud gevonden is, of veertig gulden per duizend kilogram en als men in aanmerking neemt de gewone reductie bij goudcultuurondernemingen op tweeendertig gulden per duizend kilogram, dat dit rendement zoo uitnemende toekomst voor de door verzoekers op te zetten onderneming belooft, dat zij voornemens zijn voor eigene rekening de eerste vereischte werken tot ontginning te bekostigen, terwijl zij van kapitalisten reeds de verzekering hebben ontvangen van voldoende steun om de exploitatie verder voort te zetten.

foto rechts Cafe Restaurant Budde, waar de heren goudzoekers gelogeerd hebben,
hoek Grotestraat/Smidsweg te Nijverdal

Mijnveld Erika
Hieruit blijkt wel het grote optimisme van de twee heren.
In hun enthousiasme, waarvan zij Mr. Cohen in Amsterdam bepaald deelgenoot hadden gemaakt, bleek er niet voldaan te zijn aan alle eisen waaraan een verzoekschrift aan een dergelijk hoog bestuurslichaam als Gedeputeerde Staten nu eenmaal moet voldoen.
G.S. wilden een nauwkeuriger omschrijving van't gebied.
Het Terrein van het "mijnveld Erica", zoals het gebied inmiddels heel poetisch was herdoopt, omvatte 2047 hectare.
Ruwweg liepen de grenzen in het noorden van Haarle over de spoorlijn tot nabij de gemeentegrens van Raalte, dan in zuiderlijke richting van deze grens naar Hellendoorn, vanwaar de omgrenzing van het gebied naar het westen afboog tot ongeveer de weg Rijssen-Holten om dan in noordelijke richting weer bij Haarle te komen.

Hoe hoog de verwachting van de exploitanten van het mijnveld Erica gespannen waren blijkt wel uit hun toezegging om per hectare fl 12.50,- schadevergoeding te betalen aan de eigenaren van de grond bij ondergrondse exploitatie, maar fl 400,- als ook bovengrondse exploitatie nodig mocht zijn.

Boze eigenaren
Bij de eigenaars van het terein heerste ongerustheid en verontwaardiging.
Zij hadden in Haarle, in Hellendoorn, in Almelo, in Amsterdam, gehoord van de snode plannen van beide firmanten van Zuidafrika zaken.
Wat verbeelden die kerels zich wel.
Eerst hun grond omwoelen en dan maar zo'n schijntje schadevergoeding geven.
Niks ervan. Negen bezwaarden klommen in de pen en schreven kordate protesten, vele vellen vol, die neerdwarrelden op de bureaus van de provincie.
Al zou die grond stikken van het goud, wat kon het de eigenaren schelen.
Die kerels rijk laten worden van hun grond, waarop zij met zorg hun beplanting hadden gekweekt, de dierenbevolking waar ze zo trots op waren.
Nee heren Hompes en Frank daar beginnen wij niet aan.
Als je goud wil graven dan doe je dat maar in Zuidafrika, maar laat onze grond ongerept en als jullie het toch doen, dan schadevergoeding?
Ja, maar dan veel meer, he, niet zo'n beetje. Stel je voor fl 12.50,- per hectare.
Nee wij doen niet mee.

Nu werden zelfs de heren Hompes en Frank boos.
Hun optimisme begon toch al te zakken en nu nog dit gezeur.
Maakten die mensen zich druk over een stuk woeste grond.
Ze wilden de schade toch betalen?
Zij antwoorden heel zuur op de bezwaren.

Het delven
Onder leiding van een opzichter uit Hilversum, die in het cafe Budde in pension was, werd door een 25-tal arbeiders met de werkzaamheden begonnen.
Deze arbeiders verdienden toen een loon van fl 7,- per week, wat voor grondwerkers in die tijd geen slecht loon was te noemen.
Het werk bestond hieruit dat men eerst begon een loopgraaf te graven,(later groef men trechtervormige putten) van ongeveer 12 m diepte.
Van de verschillende lagen grond werd een deel afgegraven en in zakjes gedaan, terwijl ook verschillende stenen, die men vond, aan een grondig onderzoek werden SRC="images/ravijn.jpg"align=left vspace=10 hspace=10>onderworpen en fijngestampt in een grote ijzeren pot.
Deze monsters werden dan per trein verzonden naar een laboratorium.

foto links het ravijn bij Nijverdal

Expediteurs reden de zakjes van vijf tot tien kilogram met goede Nijverdalse grond erin naar het station, waar de trein aan het verdere transport naar Amsterdam begon.
Expediteur E.J.H. Hemmink was een van de mensen, die de zakjes aarde vervoerde.
Hij haalde de zakjes af bij Budde. "Dat was wel een sensatie".
Je ontmoette er een hoop vreemde mensen die hun neus overal in staken, "wijsneuzen waren het".

En wat deed de Nijverdalse bevolking, behalve het rusteloos doorberichten van de wildste geruchten?
Van zes tot zes op de fabriek. Want eigenlijk ging het hele gedoe om dat malle goud een beetje langs hen heen.
Wat had je eraan. Wie had er van Klondyke gehoord, wie wist van de historische goudhonger van de Spanjaarden in Zuidafrika?
Laat Nijverdal gewoon Nijverdal blijven, een nijver dorp met een nijvere bevolking.

Intussen wachtten de heren Hompes en Frank in steeds stijgende spanning op de uitslag van monsteronderzoek.
Daarvan zou afhangen of ze er mee doorgingen of dat ze van verder risico nemen afzagen.
Iets van die spanning sloeg over op de arbeiders.

De heer Budde hoopte er maar op dat het bericht gunstig zou zijn.
Er kwam een gunstig bericht, het geluk lachte hen toe.
Maar de roem van Nijverdal als aanstaande goudstad was ook doorgedrongen tot de minister.
Ook ministers zijn nuchtere mensen, goud in Nijverdal? Ach kom, moet de minister gedacht hebben.
De bewindsman vaardigde een orde uit om die grond dan maar eens van overheidswege te laten onderzoeken.
Dr. S. Hoogewerff, hoogleraar aan de polytechnische School in Delft kreeg de leiding van het onderzoek.
Nu zou het wel eens deskundig gebeuren.
Voor de heren Hompes en Franken leek er echter geen vuiltje aan de lucht.
Hun onderzoek had immers een behoorlijk goudgehalte aangewezen?

Stemming zakt
Ja, de heren Hompes en Frank begonnen,hun optimisme nu ook te verliezen.
In het begin was het zo goed gegaan.
Elke dag zagen zij de goudschilfers schitteren in het rulle zand.
Waar was het goud gebleven. De mensen groeven en groeven en de stemming zakte.
Ze vonden niet meer zoveel als in het begin.
"Gek we zijn een half jaar bezig het lijkt wel of we in die tijd het meeste goud er uit hebben", sprak de heer Hompes eens.
Daarmee maakte hij zich de tolk van de gevoelens van zijn collega, die ook het voorhoofd fronsde en iedere dag minder optimistisch werd.
"We zitten misschien naast de eigenlijke ader" sprak hij zich zelf moed in.
Ook de arbeiders werden een beetje moe, nu er niet zoveel meer tevoorschijn kwam.

Toen verschenen de ingenieurs van de Staatsmijnen in Limburg, ervaren delvers, zij het van zwart goud.
Ze kwamen er met plechstatige deskundigheid.
Het geheim zou nu op hoog niveau ontsluierd worden.
Zat er een goudader, zo ja, waar liep die.
Ze verstuurden tien monsters naar Delft en verdwenen toen weer.
Zou de uitslag erg verschillen van die van Schone.
Terwijl de heren Hompes en Frank in het begin nog wel eens in hun verwachtingsvol enthousiasme vergaten dat je bij het aanpakken van zand en aarde vuile handen kunt krijgen, raakten ze nu helemaal geen grond meer aan.

Toen kwam het antwoord uit Delft, in een zakelijk doch duidelijk gesteld rapport "De monsters 1,2,3,4,5,7,en 10 bevatten goud, maar het resultaat heeft het tevens meer dan waarschijnlijk gemaakt, dat deze hoeveelheid uit een commercieel oogpunt geen waarde heeft.
Die hoeveelheden lagen per kubieke meter van 0,035 gram tot 0,086 gram.
"De waarde aan goud in het zand bedraagt hoogstens fl 0.08,- per 1000 kilogam of veertien cent per kubieke meter zand".
Dat was een heel ander geluid dan het resultaat van de heer Schone had meegedeeld.
En toch wees het officiele onderzoek uit dat de heer Schone de plank nou ook weer niet zo ver mis had geslagen.
Want er was nog een proef, die met een nummer 9 was genummerd.
De eerste honderd gram grond bevatte niets, maar de tweede honderd gram bleek 0,2 gram goud te bevatte een bedrag van achtentwintig cent per kubieke meter.

Het is daarom interesant om de conclusie van Dr. Hoogenwerff te vernemen.
Hij schrijft: "dit goud is zeer waarschijnlijk in kwartskorrels besloten, kwartskorrels die weerstand boden aan een langdurige natuurlijk vergruizingsproces zullen niet gemakkelijk langs kunstmatige weg zo vergruisd worden dat ze hun zeer fijn verdeeld goud loslaten".
Dat was dat.

foto rechts huis Alaska,
dat nog verwijst naar de "gouden tijd"

Onbegonnen werk
De heer H. Krul heeft in zijn boekje "stenen zoeken" er het volgende over gezegd:
Het goud van Nijverdal, gelijk al het andere goud, dat in ons land in rivierzandlagen van oosterlijke en zuiderlijke herkomst kan worden aangetroffen komt voor in uiters kleine lichte schilfertjes en dunne blaadjes die zo licht zijn dat ze in het water zweven en dus bij normaal wasproces waarbij de zwaardere fracties van het zand en dus ook het goud worden afgescheiden, verloren gaan.
Er moeten dus bijzondere methoden worden toegepast om dat goud op te vangen, bijvoorbeeld met wollen doeken die op planken worden gespannen, een schapenvacht of iets dergelijks.
En dat is voor het Nijverdalse goud onbegonnen werk......".

Concessie terug
Een bittere teleurstelling voor de heren Hompes en Frank een ontgoocheling die ze met opgeheven hoofd aanvaarden.
Wat nu doorzetten en toch proberen het spatje goud uit Nijverdalse boden schrapen?
Welnee, daar waren deze mannen veel te verstandig voor.
Ze bogen deemoedig voor de werkelijkheid en gaven Mr. Cohen opdracht, om hun verzoek om consessie terug te nemen.
Daarmee was een streep gezet onder de romance van Nijverdal en het goud.
De heren Hompes en Frank pakten hun koffers.
Het personeel kreeg ontslag, behalve de heer Krukkert.
Hij kreeg opdracht om de verschillende kuilen dicht te gooien.
De werktuigen werden verkocht.

Later tijdens de werkloosheid gooiden werklozen de nog overgebleven kuilen dicht.
De heren Hompes en Frank bedankten hun gastheer Budde voor de gastvrijheid die zij een jaar lang hadden genoten.
Vervolgens wandelden ze door Nijverdal naar 't station.
Niemand besteedde bijzondere aandacht aan hen.
Niemand zij: dat zijn nou die goudgravers.
Nijverdal was de hele affaire al bijna vergeten.
Het was geen gat van verderf en ontucht geworden.
Geen gelukzoekers uit binnen-en buitenland zouden Nijverdal bekend maken tot over de grenzen.
Gelukkig maar zeiden verschillende mensen.
De twee ex-exploitanten stapten in de trein en de wielen roffelden voor de zoveelste maal langs het ravijn, waarvan het goud nog steeds glinsterd in de zon.

Wat er rest
In Nijverdal herinnneren nu nog slechts enkele feiten aan de "goldrush" in het land van Salland.
Boven op de Nijverdalse berg staat een huis met de naam Alaska, een camping heet de Gouden Bergen en de Wijlen de amateur-historicus en oud schoolhoofd de heer A. Ponsteen uit Nijverdal wijdt enkele pagina's aan de goudvelden van Nijverdal in zijn boek :"Van Noetsele tot Nijverdal" en brengt de ontstane goudmythe tot de werkelijke proportie's terug.

Bewerkt naar krantenartikelen uit het Twentsch Zondagsblad 4 october 1964
Twensche courant 2 februari 1974
Twensch Volksblad 11 februari 1966.