Doeskotte Fieje en haar verscheurende honden

Dit is een werkelijk gebeurd verhaal en gaat over de "Freule" Sophie van Duren en over de 14 jaar oude jongen Jacob Limbeek die bijna verscheurd is door haar honden.

Tussen Hellendoorn en Nijverdal ligt het Langoed Duivecate waar dit verhaal zich afspeeld.
Doeskotter Fieje verder genoemd de Freule woonde in het midden van de 19e eeuw op het Landgoed, waar zij als laatste uit het geslacht van Van Duren het huis Duivecate bewoonde.
In het Dorp Hellendoorn aan de noord kant gelegen heerste toen de ijzeren vuistregel van dood en geboorte en wat van mie is, is nie van oe, Nijverdal aan de zuidkant gelegen bestond nog nauwelijks.
De beste gronden van het dorp lagen langs de rivier de Regge, een in die tijd zeer kronkelige beek, waar veel over is geschreven.
Omdat deze gronden voornamelijk in handen waren van de voorname familie Van Duren uit Deventer, moesten de Hellendoornse boeren hun vee in karige tijden via de Koetree, naar de weidegronden brengen aan de andere kant van de Hellendoornse berg.
Dit gaf heimelijk gemurmereer, maar de Familie Van Duren die het Landgoed Duivecate in bezit hadden met de omliggende gronden vaarden blind op de Saksische volksmentaliteit, die wars is van revolutie.
Zo bleven de dorpelingen volharden in hun autoriteitenvrees.
Zij namen voor alle grote dieven getrouw de hoed af, terwijl zij de kleine dieven intussen flink te grazen namen.

Foto rechts het oude huis Duivecate

Het was in die tijd buitengewoon schraal in het dorp Hellendoorn, wat als een enclave lag in een woeste omgeving, waar slechts enkele gebrekkige wegen naar elders leide, de Oude Twentscheweg is daar de bekendste en belangrijkste van.
De Regge toen een belangrijke vervoersader is veel geschreven. Aan de hoge kant van de dam verzamelden zij hun zompen (platboomde vaartuigen).
Toen het water hoog genoeg gerezen was stak een van de schippers de dam door.
Allen stapten snel aan boord en zo liet de kleine vloot zich op de vloedgolf stroomafwaards voeren.
De kunst was om de stroom bij te houden.
Zo kwamen zij enkele mijlen verder waar alles weer opnieuw begon, als er teminste geen kapers op de kust stonden, want er stonden zware straffen op dit beverachtige gedrag.
Het was zomers de enige manier om de Regge te bevaren. In de winter was dat net andersom. Alleen hoorde men af en toe het geluid van emmers op een keienpaadje of de flubberwinden van de paarden in de stal.
Zomers bloeiden er langs de kronkelige wegen de sleedoorns en het bilzenkruit vermengden zich steevast met het gezaaide koren.

Foto links het Gagelmans veentje
Foto J.H. Alferink

Ik idealiseer niets. Stil maar!
Natuurlijk weet ik best dat het nu allemaal veel beter is dat toen rond 1850.
De handelswegen zijn nu allen geasfalteerd en de noodklokken luiden allang niet meer.
Laat staan dat er een zonderling 's nacht om drie uur te wapen roept.
Maar toch..... af en toe terug denken aan die tijd zal men ook hier in het Sallandse wel eens doen.
Terug denken aan de tijd van zandwegetjes en eeuwig zingende bomen in het akkermaalshout, de zandverstuivingen en aan "klepperderk", de ratelende nachtwaker, die in het brandspuithuisje op de schapenmarkt sliep en om het uur met de ratel door de straten ging en op vaste plaatsen de tijd moest roepen en de klep moest roeren.
Hellendoorn: een oud verhaal, dat nooit verstomd.
Als de geruchten oud zijn geworden, transformeren zij tot mythen.
Behoudzuchtige boeren met een gemoedelijke inborst wonen hier al eeuwenlang.
De Saksische mentatiteit! Dat betekend: de kat uit de boom kijken, geen kouwe drukte.
Ja zeggen als je nee bedoeld. Wie in zo'n dorp zondigde tegen de heersende mentaliteit kon maar beter een eindje omgaan.
Hier wordt gesproken over nu anderhalve eeuw geleden.

Foto rechts boerderij op het landgoed Duivecate nog steeds aanwezig

De veldwachter was het gezag en steevast gewapend met een hartsvanger en twee pistolen.
Hij had maar een motto niet schieten is altijd mis.
Vaak joeg hij op olifanten en schoot hij op muggen.
Officieel heette hij "armenjager" zijn helpers waren bekend onder de verzamel naam "De Rode Roede", die naam was gekoppeld aan de rode stok, die ze bij wijze van gezag bij zich droegen.
Met "armen" werd bedoeld rondzwevende vagebonden, scharluinen en afgedankte huursoldaten.
De "Rode Roede" viel zonder waarschuwing aan en verjoegen de onverlaten het kerspel uit.
Maar een stomme schoen laat ook wel eens een onuitwisbaar spoor na, er vielen ook wel eens doden, dat was Hellendoorn ook. Hoe men dat zo precies weet is te danken aan wijlen meester A. Ponsteen, de Nijverdalse onderwijzer-geschiedforser, die alles haarfijn heeft uitgeplozen en beschreven in zijn vele boeken over Hellendoorn van weleer.

We krijgen nu het drama van de half-waanzinnige freule Sophie van Duren en haar verscheurende honden.
Deze gebeurtenissen speelden zich af in de eerste helft van de 19e eeuw.
Nog altijd doen sterke verhalen de ronde over deze vernijnige, gierige en steenrijke mannenhaatster.
Uit haar jeugd is nog een verhaal opgetekend.
Dat is een verhaal uit haar kinderjaren, dat de heer A.Ponsteen in 1922 optekende uit de mond van de toenmalige huisarts F.J.P. Moquette en dat afkomstig was van zijn oudoom dokter W.A. Te Wechel.
Dokter Te Wechel had veel van 't geen op Duivecate voorviel van nabij meegemaakt; de bron lijkt mij allezinds betrouwbaar schrijf de heer Ponsteen.
Het moet geweest zijn omsteeks het jaar 1820, dat Sophie, dus een meisje van een jaar of elf, twaalf haar zinnen er op gezet had een nieuwe jurk te krijgen.
Vader en moeder vonden, dat de tijd er niet rijp voor was en hoe Sophietje ook aandrong, ze bleven weigeren.
Het zat er niet aan! Dat geloofde Sophietje niet, ze zou en moest een "nieuw kleed" hebben.
Ze bleef die dag mokken en wrokken.

foto links laan op Duivecate
foto J.H. Alferink

Dan hoort ze in de namiddag, dat er bezoek is gekomen; uit de salon klinken stemmen.
Wie zou er zijn? Ze sluipt door de gang; de deur naar de salon staat op een kier.
Aan de tafel zitten vader Damian en zijn vrouw en een pachter van een van de erven van Duivecate.
Een zeer welkom bezoek: op de tafel liggen op stapeltjes honderd blinkende Zeeuwse daalders.
De boer kwam zijn pacht betalen en naar goed landelijk gebruik wordt er een glaasje ingeschonken en een sigaar gepresenteerd.

Dat overziet Sophietje met een enkele blik.
Opeens schiet ze naar voren en met een armzwaai schuift ze het geld in haar schort en onder de uitroep: "ik geen jurk, dan jullie geen geld", stuift ze de deur uit.
Voordat de ouders van de schrik bekomen zijn, is ze buiten en in het bos verdwenen.
En hoe men zoekt en roept de hele middag, Sophietje blijft spoorloos.
Pas tegen de avond keert ze doodkalm naar huis terug, maar zonder de daalders en hoe de ouders aandringen, haar lippen blijven gesloten en het lukt niet haar over te halen te vertellen waar het geld gebleven is.
De heer Ponsteen vertelde reeds, dat dokter Te Wechel in 1864 het vijvertje achter het huis liet uitgraven.
Hij had altijd zo zijn eigen gedachten gehad over de plaats waar het kind het geld gelaten kon hebben en inderdaad vond hij in de modder bijna al de geldstukken terug.
Dokter Moqette had er nog twee in zijn bezit.
Dit geeft aan hoe doorzettend Sophie van Duren was.

Jarenlang tiranniseerde zij ongestraft het dorp Hellendoorn, om het feit dat zij uit het reeds gemelde aanzienlijke Deventer burgemeestersgeslacht stamde.
Duivecate is een nog bestaand, vriendelijk landgoed, dat ligt tussen Hellendoorn en Nijverdal.
Twee eeuwen lang is het goed in het bezit geweest van de Van Durens.
Al direct na hun vestiging zijn deze patriciers in conflict gekomen met het markebestuur van Hellendoorn, nadat zij een deel van het aan niemand toebehorende "Gagelmans Veentje" hadden afgepaald en tot hun eigendom hadden verklaard. Hij liet een weduwe achter en een 29-jarige dochter; Wilhelmina Margaretha Sophia, in de volksmond "Doeskotter Fieje" genaamd.
Na de dood van Damian bleven de twee vrouwen op het landgoed achter, vervreemd van iedereen.
Groot was hun angst voor het verlies van hun bezittingen.
Ze schaften zich een koppel van de meest kwaadaardige honden aan, die twintig jaar lang een ware terreur op de omgeving hebben uitgeoefend.
Het regende al snel klachten en eisen van schadevergoeding maar de Deventer justitie hield zich oostindisch doof.

foto rechts huis Duivecate nu

Er werd terug gepest: kleine diefstallen, strooppartijen in het Gagelmans veentje onrechmatig vissen in een stuk van de Regge dat ook al aan de Van Durens toebehoorde.
"Paasvuurslepers" haalden soms tientallen dennen en takkebossen uit het bos van Duivecate en daar joeg de justitie dan met veel verve achteraan.
De verhouding tussen de twee vrouwen en het dorp werd daardoor steeds slechter, vooral nadat door onachtzaamheid van freule Sophie bijna de kerk van Hellendoorn in brand was geraakt.
Ze had na de middagdienst "de door haar gebruikte stoof met vuur niet doen bergen".
Er kwam ook een klacht van de schippers, dat de bomen op de Regge-oever bij Duivecate gevaren opleverden voor de scheepsvaart.
Sophie ontving nu een ernstige waarschuwing van de burgemeester, oogenschijnlijk bleef het daarbij.
Dan onstaat er een situatie van regelrechte oorlog tussen de dames en het dorp.

Steeds feller worden de klachten over de honden, onder andere van een zekere Chalmot, die in een brief aan de burgemeester schrijft: Heden aangevallen door de honden van de wed. J.G. van Duren.
Een klein Engelsch hondje bij mij hebbende, scheen op deze de aanvallen der honden het meest gemunt te zijn, zodat ik eindelijk, nadat dit hondje mij kort voor de voeten kroop, genoodzaakt was gebruik te maken van een bij mij hebbende degenstok.
Hierop heb ik mij van dit wapen bediend en twee van de honden gestoken.
Chalmot dient ook een klacht in bij de kantonrechter te Raalte.
Deze spreekt Sophie echter vrij.
In het vonnis zijn de feiten opvallend verdraaid.
De algemene weg waarop Chalmot zich heeft bewogen heet hier een voetpad onder de bomen van Duivecate, het hondje van de wandelaar is een hond en de gevaarlijke honden worden hondjes genoemd.

Op een middag in mei treft de huishoudster Johanna Hendrika ter Meulen eenzelfde lot.
Ze weet maar nauwelijks aan de honden te ontkomen.
Haar klachten worden ongegrond verklaard. In 1853 overlijdt de moeder van Sophie.
Op zichzelf teruggeworpen gedraagt de freule zich nu nog exentrieker en egoistischer dan voorheen.
Haar enige contact met het dorp bestaat nog uit de zondagse kerkgang.
Er wordt vertelt dat zij voor de dienst bij kennissen aanging om centen voor "halfjes" te wisselen, want hele munten vond ze te veel voor de collectezak.
Intussen voerde zij het aantal honden drastisch op.
Uiteindelijk liepen er twaalf tot veertien van die hongerige pseudo-wolven op het landgoed en in de wijde omgeving rond.

foto links de laan vroeger, een ingekleurde foto

In november 1862 wordt een kind van de textielarbeider Pieter Schenk door de beesten aangevallen en ernstig verwond.
Datzelfde overkomt de huisvrouw van Hendrikus van der Berg.
Enkele weken later zijn het vier mannen, die de honden met stokken van zich moeten afslaan.
Nu schrijft de burgemeester een echte "brandbrief' aan de freule.
De veldwachter maakt proces-verbaal op, waarna zij tot enkele guldens boete wordt veroordeeld.
Op dinsdag 12 april 1864 moet de 14-jarige Jacob Limbeek uit Nijverdal naar de dokter in Hellendoorn om medicijnen te halen voor zijn doodzieke vader.
Op de eenzame openbare grintweg wordt de knaap door twee woeste honden, die ver van Duivecate zijn verdwaald, aangevallen en nagenoeg verscheurd.
Zijn gekerm wordt na enige tijd gehoord.
Meer dood dan levend, wordt hij de woning van veldwachter Baltes binnengedragen.

Eindelijk is de maat vol bij de dorpelingen.
Dezelfde middag nog stuurt de burgemeester een "expessebrief per dilligence" naar de officier van justitie in Deventer.
Hij moet de bui hebben voelen hangen.
Ook hij kent de Sallandse mentaliteit: het kan lang duren, maar als de maat vol is.....
Hij is bang voor en volksgericht.
Wekenlang, zweeft Jacob Limbeek tussen hemel en aarde.
Pas een maand na de gebeurtenissen lijkt het onmiddelijke levensgevaar geweken.
Maar dan sterft Jacobs vader.
Dit brengt de gemoederen, vooral onder de Nijverdalse industie-arbeiders, opnieuw heftig in beroering.
De bang geworden autoriteiten verlenen hun bemiddeling bij de komst van de Duitse dokter Aschendorf.
Deze beroemde Konigliche Hannoveranischer Hofmedicus und Brennenartz komt naar Hellendoorn, maar meer dan adviezen verstrekken inzake de behandeling van de verminkingen kan hij niet.
Dan volgt de ontknoping van het volksdrama.

foto rechts huis Duivecate gezien vanaf de Jipkesbelt

Het is 18 mei 1864.
Om half tien 's avonds wil Sophie van Duren van haar schuur naar het huis lopen.
Van dichtbij knalt een schot.
Er licht een vuurstraal op.
Zwaargewond valt de freule neer.
Zijn er nog meer schoten te horen?
Heeft iemand buiten Duivecate iets vernomen?
De officiele lezing na het gebeurde is dat de freule door een schot hagel in de mond is getroffen.
Maar in het dorp kent men een andere versie van de moord.
De sluipschutter is van "onder de wind" op het huis aangekomen en heeft niet alleen de freule, maar ook de honden- een voor een -met gedempte knallen naar de eeuwige jachtvelden gezonden.

Hoe het ook zij: de dader ligt inderdaad op het kerkhof, maar gepakt is hij nooit.
Sophie heeft de aanval twee dagen overleefd en stierf op 20 mei 1864.
Dokter Te Wechel stond haar bij in haar laatste uren. De arts heeft nog geprobeerd een belangrijk deel van Sophies nalatenschap te reserveren voor de hervormde diaconie in Hellendoorn ten behoeve van de armen.
Maar met lachende stem riep zij uit:"De armen hebt altied mien hundjes eploagd, die kriegt niks".
In het dorp wemelde het ineens van de politiemensen en justitieautoriteiten.
Veldwachter van Egmond, aan wie de tijdelijke bewaking van het verlaten landgoed werd opgedragen, vond, verborgen onder hondenvuil grote hoeveelheden baar geld.
Het smerige geld werd met wannen in het Reggewater schoongewassen, wordt gezegd.
Sophies nalatenschap beliep intussen een miljoen gulden.
De familie van de verminkte Jacob Limbeek ontving als smartegeld een "scheet en drie knikkers": enkele honderden guldens.

foto links de theekoepel bij Duivecate

Tietallen dorpelingen werden ondervraagd of vastgehouden.
Maar nu kreeg justitie toch een koekje van eigen deeg.
De Hellendoorners hadden de rijen gesloten: de waarheid verzwijgen is nog geen liegen, immers.
Een tipje van de sluier werd pas opgelicht, toen omstreeks 1890 een zekere Jan Matjes twee ouderlingen van de Afgescheiden Gemeente aan zijn sterfbed liet komen.
Hij wilde nog een belangrijke kwestie van zijn geweten afwentelen.
Op de avond van de moord was hij door het bos gekomen, had een vuurstraal gezien, schoten gehoord en even later was hem een man voorbijgeslopen in wie hij duidelijk Dirk van Haarst had gekend. En Jacob Limbeek bleef leven, zij het getekend, gelijk de klokkenluider van de Notre-Dame.
Over de dader van de moord wordt verteld dat hij heimlijk naar Amerika is geemigreerd, nadat in het dorp een inzameling voor hem was gehouden.
Voor de juisheid hieromtrend kan niet ingestaan worden.
Doeskotter Fieje werd begraven in het praalgraf van de Van Durens te Deventer.
En ook Jacob Limbeek, veldwachter van Egmond en dokter Ter Wechel zijn inmiddels al lang aan boord gestapt van het "schip der schaduwen".
Maar een vuisregel bleef, gelijk de laatste dikke beuk van Duivecate fier overeind : wat van mien is, is nog steeds niet van oe".

Bewerkt naar:Het kerkdorp Hellendoorn in vroegere eeuwen door wijlen A.Ponsteen
Twee vreemde verhalen uit panorama 1978 door Peter Gerritse.