Boerenleven in Elen "deur dag en tied"

Olthofs-Schuttevaer liep vroeger 3 km met mud rogge op het hoofd

Zoals de Historie ieder plekje zijn eigen individualiteit en daarmee een zekere aantrekkelijkheid geeft, zijn het de markante figuren die voor een boerengemeenschap geschiedenis maken in het leven van alledag.

De Schuttevaers
Tot een der talrijkst vertegenwoordigde geslachten in Elen, mogen we zeker de Schuttevaers rekenen. Volgens een inwoonster van Elen, die mij een goede en betrouwbare vraagbaak leek, zou de stamvader van dit geslacht indertijd de schutstal (sluis) bij Havezathe Schuilenburg hebben bediend, vandaar de naam "Schuttevaer".Het schijnt vanouds een sterk geslachts te zijn geweest. De

overgrootvader van de huidige bewoner van de Oldenhof, "Olthofs-Schuttevaer" genoemd, liep vroeger met een mud rogge op zijn hoofd de bijna 3 kilometer lange weg van Elen naar de Schuilenburgermolen. Kwam hij onderweg een bekende tegen, dan maakte hij rustende op een knie met het mud rogge op zijn hoofd heel gemoedelijk even een praatje.

foto links weggetje bij de Eleres
foto J.H.Alferink

Ook had hij schijnbaar de gave,komende dingen aan te voelen. Menigmaal had hij gezegd tegen zijn kinderen "ik beleve 't neet meer, maar i'j leu solt nog wagens zeen lopen zonder peerde der veur". Ook had hij voorspeld dat men nog eens een mestsoort zou uitvinden die men "oet 't vestjestuk'n", zou kunnen uitstrooien, (kunstmest?). Het onderwijs dat hij in zijn jeugd door veelvuldig "lanbouwverlof" had moeten derven, poogde hij op latere leeftijd aan te vullen door in Zwolle waar hij naar de botermarkt ging, op de voddenmarkt aldaar allerlei boeken te kopen en hierin te studeren. Ook was hij een der eersten in Elen die er een krant las.

Gastvrijheid
Voor de kanalisatie van de rivier de Regge (rond 1900), was er op nog geen honderd meter afstand van de Oldenhof, een soort natuurlijke haven waar de schippers overwinterden. Boeren en schippers kwamen op de lange winteravonden dan dikwijls afwisselend in scheepskajuit en om haardvuur bij elkaar op bezoek. Deze 'kuieroavonde' zullen op het dialect van dit "havenplaatsje" en zijn omgeving wel enige invloed hebben laten gelden. Ook zwervers vonden vroeger op de Oldenhof veelal een gastvrij onthaal. Deze pasten bij dit logies-vragen

doorlopend hun "medelijtactiek" toe. Tegen de avond kwamen dan enkele vrouwen met kleine kinderen vragen of ze in de schuur op het hooi de nacht mochten doorbrengen. Wanneer de boer hiervoor zijn toestemming had gegeven, wenkten de vrouwen door handopsteken het in een kromming van de weg achtergebleven mannelijke deel van de groep, die dan met hun scharenslijperskarren en wagens soms een groot deel van het erf in beslag namen.

foto rechts landweggetje in Elen
Foto J.H. Alferink.

Al waren deze mensen dan meestal niet ondankbaar voor het gratis logies, toch kwam de boer er niet altijd zonder schade af. Eens op een morgen, toen de zwervers goed en wel vertrokken waren moest hij constateren, dat in het strodak van de schoppe (schuur), een flink gat gesneden was. Later bleek dat een zwerver die met een groep was meegekomen, maar er niet bij hoorde, het een van de vrouwen wat lastig gemaakt had en tengevolge daarvan door een ijllings in het strodak gemaakt gat, de vlucht had moeten nemen.

"Eigen volk"
Al werd dan in Elen ( en ook in Rhaan) traditiegetrouw over het algemeen gul gastvrijheid verleend aan zwerversvolk, in tegenstelling met de vele gangbare romantische kerstverhalen, nam men geen zwervers in huis op Kerst-of Oudejaarsavond. Op dit feest van "eigen volk onder mekare", dulde men geen vreemde indringers. De laatste avond van "t jaar was immers de enige waarop men zich tegoed kon doen aan lekkernijen die anders zelden of nooit op de boerendis verschenen, (dikkeboeksaovend). Het was en is hier en daar nog gebruikelijk, dat men op oudejaarsavond, in Salland en Twente zich te buiten gaat aan ongans eten.Is het wonderlijk dat een wat ongeduldige knaap, betrekkelijk kort na zo'n eetfestijn aan zijn moeder vroeg," moo wanneer hebbe wi'j now wier dikkeboeksaovend".

"t Grieze vul"
Dat Elen een zeer oude boerschap is wordt misschien wel bewezen door de ook hier gangbare overigens vrij zeldzame sage van het "grieze vul" (paard van wodan). De

"wiezemoor" (vroedvrouw) die vaak bij nacht en ontij op pad moest, had het komende uit Marle, gezien in de meene, een lage weide langs de Regge, tegenover de boerderij Overwater.

foto links is de Veldhuizerweg richting Marsdijk
Foto J.H. Alferink.

Toen ze er langs moest had ze het aangesproken met de woorden: "zi'j van de duvel staot dan op, moch i'j van God ween bliewt dan mar liggen". Hoe het "grieze vul", hierop gereageerd had wist de zegsvrouw niet te vertellen. Wel wist ze dat eens op een avond, toen haar moeder ernstig ziek te bed lag, een hele zwerm"katuilen" in de pereboom voor het huis was neergestreken. Ze had deze voorbode van ziekte en dood toen met een lange puthaak "afjacht" gegeven. De volgende avond waren er nog enkele teruggekomen. Nadat deze nogmaals verjaagd waren hadden ze zich niet weer laten zien. Moeder was daarna snel beter geworden.

"Snieder Wip"
Na deze afdwaling over folklore en volksgeloof, wil ik nu een wel zeer bijzonder Elerfiguur van omtrent de eeuwwisseling nog even voor het voetlicht brengen. Deze figuur was Snieder "Wip". De toevoeging "Wip" achter zijn beroepsnaam (kleermaker), had hij gekregen, "umdat het zo'n wipkeerken was, aaltied effen kwiek". Maar hij had nog een bijzondere eigenschap. Evenals indertijd "Hans-Jaan" van "'n botterschottel", had ook hij voorgezichten. Toen in de vorige eeuw de "botterschottel" afbrande, had Snieder Wip al dagen te voren "'t hoes gleujnig zeen staon", (in brand zien staan). 't Gebeurde ook wel eens dat Snieder Wip, als hij van zijn dagtaak bij de boeren over de eenzame landwegen weer huiswaarts keerde, plotseling hoorde roepen van ,"hee'j". Meteen werd hij dan als door een onzichtbare hand buiten het "wagenspuur" geduwd. 't Was het "veurspooksel" van een "groove" (begravenisstoet), die er binnenkort langs zou komen. 't Waren dus doorgaans geen prettige "veurgezichten" die Snieder Wip had en daarom was het misschien wel goed dat hij een nogal levenslustige natuur bezat.

"Sniedersbrulfte"
Ook toen Snieders Wip al aardig wat grijze haren begon te krijgen wou hij er toch nog jong blijven uitzien. Men beweert dat hij "s avonds alvorens uit te gaan ,

zijn haren door ze een tijdlang boven een walmende snotneus (olielamp) te houden, een donkerder tintje probeerde te geven. Toen zijn zoon ging trouwen zou hij een bruiloft geven zoals er in Elen nog nimmer was geweest. Acht dagen had hij er aan gespandeerd om de hele boerschap te "neugen" (uit nodigen). Idereen sprak dan ook over die komende "sniedersbrulfte". 't Werd echter voor Snieder Wip zelf een bittere teleurstelling. Tegen de middag liep de spanning met al dat "vromde" volk al zo hoog op, dat de oude snieder de benen moest nemen. Ze hadden hem in "veurrake" willen duwen.Een veurrake is het vuurgat van het open vuur wat vroeger in een "los hoes", aanwezig was.

foto rechts is een boerderij aan de Elerweg
Foto J.H. Alferink.

't Schijnt overigens wel een goede vakman te zijn geweest, al hield hij er dan ook een primitief "maatneemsysteem" op na. Alvorens hij met zijn werk (bij de boer in de keuken) aanving, moest men hem eerst een "koffietoet'n geven. Hieruit knipte hij dan een lange serpetine, waarin hij door het uitsnijden van kleine driehoekjes schouderbreedte, mouwlengte, enz, vastlegde.Naast het sniedersambacht had Snieder Wip ook nog de zorg voor zijn veestapel, bestaande uit een geit enige varkens en wat kippen. Deze laatste zaten meestal al lang op de stok als hun baas van zijn dag of nog vaker avondwerk, bij de boeren 't huis kwam. En waar geen enkele boer toen nog aan dacht, deed Snieder Wip. Hij lokte zijn kippen bij het schijnsel van een olielamp weer van "t rik om ze te voeren. En als de snieder dan vertelde dat hij altijd, "merakels volle eiers", (geweldig veel eieren), raapte van zijn kippen, nam men dit als bluf en het zou nog vele jaren duren voor men deze "sniederskunstjes" algemeen in praktijk ging toepassen. Mocht er in Elen eens een standbeeld te vergeven zijn, laat men dan deze pionier van de kippenverlichting niet vergeten.

Bewerkt naar een artikel van wijlen G.J. Eshuis.