Oude Twentse weg; vroeger belangrijkste verkeersader.


Hans-jaan met de helm zag "veurspooksels".

Gelegen aan de oude Twentse weg, destijds een belangrijke verkeersader, was de ligging van Schuilenburg niet alleen strategisch, maar ook economisch volkomen verantwoord.
Naast de opbrengsten uit de molen, zullen tolgelden en andere "heffingen", vooral in de tijd van algemene geldschaarste, zeker een niet te versmaden bijverdienste hebben opgeleverd.

foto links de oude Twentseweg, daar waar deze weg de gemeente Hellendoorn binnen komt
foto A.Twilhaar

Oude handelsroute
Wel jammer dat uit die "duistere" middeleeuwen zo weinig geschreven historie tot ons gekomen is.
Dat de straf expeditie van de bisschop van Utrecht tegen de roofsloten in Overijssel in 1380-1381, waarbij ook Huis ter Molen werd verwoest, was uitgelokt door de vaak ongebreidelde tol en andere "heffingen" op het handelsverkeer, langs de toen primaire wegen, mogen we gerust aannemen.
Hoelang de edele heren voordien reeds met dit bijltje hadden gehakt, vinden we niet vermeld, maar aangezien ook in die tijd de ambtelijke molens al langzaam maalden, hebben ze zeker ruimschoots de tijd gehad de buit binnen te halen
Nu moeten wij ons die oude Twentseweg uit de 14e eeuw niet voorstellen als een verharde weg met goed onderhouden bruggen.
Die bestonden toen practisch nog niet.
De oude handelswegen liepen meest over de hoge zandruggen, vaak parallel met een beek of rivier.
Aangezien ze toen nog niet werden afgebakend door bermsloten, kon men ze nog wel eens verleggen als de karresporen te diep waren ingereden.

Het "Vosken"
Niet alleen de oude Twentseweg (ook wel Zwolseweg genoemd), kwam bij schuilenburg uit.
De weg van Rijssen, naar Den Ham, die over de noordelijke wal van de Regge gelegen zandruggen door de buurtschap Notter (is afkorting van notenhaar, in dit geval hazelnoten) liep van daar over de Kollenstaart, naar de buurtschap Hulsen, kruiste ter hoogte van de oude herberg "het Vosken", die van 't Heksel komende en over Scharlebelt lopende Twentseweg.
Dit oude erf werd in 1776 door de toenmalige heer van Schuilenburg Frederik Lodewijk Christiaan van Rechteren verkocht aan "Gerrit Gerritsen uit den Vos".
Vandaar de latere naam "'t Vosken".
Deze, thans helaas verdwenen herberg was indertijd een geliefd verzamelpunt van jenever en zoutsmokkelaars, die hier vanuit de kleine zij-of spieraampjes zo mooi de weg konden verkennen.
Bij avond of nacht brande daar menigmaal een kaars of olielamp als teken voor de smokkelaars dar er onraad was.
Dat het "Vosken" een geduchte concurrent was van de herberg aan de Stalbrug bij Schuilenburg blijkt wel uit het volgende verhaal.
"En eindelijk soo soude de Holsener Erven en Meijeren de Herberge het Vossien genoemd mede verstaende (=inbegrepen zijn), de Herberge op den Schuilenburg door het intrecken (=opheffen) der eersten merkelijk verbetert kunnen worden, alsoo die al lange aen Schuilenburg seer naedelig is geweest".
Eeuwen lang ging het verkeer per as bij Schuilenburg niet over, maar door de Regge, een zogenaamde A-Voort (doorwaadbare plaats).

foto rechts de oude Twentseweg ten oosten van de rivier de Regge
foto A.Twilhaar

De Schuilenburger brug
Pas omstreeks 1662 horen we voor her eerst van de "Schulenborgse brugge".
Nu was het gemis van een brug in de zomermaanden niet zo erg.
De rivier lag dan dikwijls toch zo goed als geheel droog.
Een waarnemer uit het jaar 1847 schrijft hierover o.m. dat de Regge ook in dat jaar omstreeks augustus niet veel meer was dan "een samenhang van stilstaande kolken, door aanzienlijke verzandingen van elkaar gescheiden".
Dat de Regge dan zeer weinig water aanvoerde, bleek wel bij de stuw van Schuilenburg, die na ongeveer twee weken gesloten te zijn geweest, het water niet meer dan een goede 30 cm, had kunnen opvoeren.
Bij normale waterstanden werd dit schut meestal 36 uur gesloten en daarna weer 12 uur opengezet.
Dat pas in een oorkonde van 1662 wordt gesproken van de Schulenborgse brug, bewijst natuurlijk niet dat de brug er toen pas lag.
De heer van Schuilenburg had er als eigenaar van de Water -en Windmolen vanzelfsprekend belang bij dat de maalgasten uit "Overwater" door te hoge Reggewaterstanden niet verhinderd werden zijn molens te bezoeken.
Zolang de boer door als onderlaag eerst een stapel takkebossen of rijshout op de wagen te leggen, zijn koren bij het doorwaden der voorde (=het doorrijden van de rivier op een doorwaadbare plaats) nog droog kon houden, ging het nog wel.
Als het echter zo om middenwinter liep, was de stroom vaak zo sterk, dat het doorwaden van de rivier met paard en wagen gelijk zou hebben gestaan aan zelfmoord.

foto links de oude Twenseweg vlak voor de Schuilenburgerbrug
foto A.Twilhaar

Een tolkwestie
Toen de heer van Schuilenburg had gezorgd voor een brug, wilde hij ook bruggeld beuren.
Het is in boven genoemd jaar (1662) dat Welner van Raesfelt, de toenmalige eigenaar van Schuilenburg, aan Gedeputeerden der provincie subsidie vraagt voor onderhoud van de brug en weg, "waar veel wagens passeren", of anders toe te staan tol of bruggeld te mogen heffen.
Toen Gedeputeerden aan Welner van Raesfelt hadden toegestaan om evenals Enter en Rijssen de zgn. halve tol te mogen heffen, kwam de heer van Almelo hiertegen aanstonds in het geweer en verbood de ingezetenen zijner heerijkheid "zowel burgers als boeren", aan de Schuilenburg tol te betalen "op straffe van een boete van 25 golt guldens".
Na dit protest van de heer van Almelo, wiens ingezetenen toendertijd tolvrijdom genoten in geheel Overijssel, werd de tol weer opgeheven en kende Ridderschap en Steden,(nu provinciale staten)aan de bezitter van huis Schuilenburg op 14 april 1663 een som van 2000 carolusguldens toe als bijdrage ineens voor een tijdvak van 15 jaar.

Handelsverkeer ging nieuwe wegen
Toen bovengenoemde termijn was verstreken, kreeg de heer van Schuilenburg van Ridderschap en Steden, een jaarlijkse bijdrage van honderd carolusguldens toegewezen.
Deze som is nadien geregeld uitbetaald.
Na de omwenteling van 1814 werd ze tot 1822 door het rijk voldaan.
Daarna kwam ze weer ten laste van de provinciale kas tot 1846, in welk jaar Provicinciale Staten besloten deze bijdrage in te houden.
Hieruit mogen wij opmaken dat de oude Twentseweg toen voor het handelsverkeer geen rol van betekenis meer speelde.
Dit bevreemd ons niets, de nieuwe weg Almelo-Zwolle over Wierden en Nijverdal (aangelegd in 1831) was immers al geruime tijd ingebruik geweest.

foto rechts de oude Twentseweg net ten westen van de Schuilenburgerbrug
foto A.Twilhaar

Bruggen werden zorgenkinderen
Het ophouden van de subsidie was oorzaak dat de eigenaar van Schuilenburg ook geen kosten meer aan onderhoud van de stuw en bruggen wenste te besteden.
Dat wordt ons te meer begrijpelijk als we weten dat zich hier (omstreeks 1846) over een afstand van een goede honderd meter niet minder dan drie bruggen bevonden.
Behalve de brug over de Regge en die bij de molenomvloed,lag er toen ook nog een brug aan de kant van Marle, die ook wel Bornse brug werd genoemd.
In het begin van de vorige eeuw moet deze brug er nog niet hebben gelegen.
De weg die toen nog aanmerkelijk lager lag werkte als overlast bij hoge Reggewaterstanden.
Het gemis aan onderhoud aan deze bruggen, vooral die over de Regge zou zich echter spoedig wreken.
Het gebeurde omstreeks 1850 tijdens een abnormale herfstvloed, dat de toen al bouwvallige brug door de sterke stroom werd weggeslagen.
Voordat er echter een nieuwe kwam, moest nog eerst geruime tijd de veerman dienst doen.
Het schijnt wel dat de nieuwe brug die er toen kwam, ook niet op een lange levensduur was berekend.
In het laatste kwart van de vorige eeuw moet de toestand hiervan zodanig zijn geweest dat wanneer er een "broedwagen", (bruilofswagen), of "grove",(begravenis stoet) over moest, alle opzittenden eerst afstegen.

"Veurspooksels"
Of de brug nu inderdaad zo slecht was, of dat het "veurspooksel" wat "Hans-Jaan" had gezien hier ook deels schuldig aan was, wie zal het zeggen.
Hans-Jaan woonde op "'n Botterschottel" (de eerste boerderij over de Regge aan de Katenhorstweg) met een maagd en een knecht.
Jaan lustte nogal graag een borrel, maar-hij had ook geen gemakkelijk leven, want hij was "met de helm geboren".
Vooral de maagd kon er over meepraten.
Het gebeurde meer malen dat zij Jaan 's nachts bij het zwakke schijnsel van een olielampje door de grote keuken zag strompelen en naar buiten gaan.
Als zij dan 's morgens vroeg "waor binste vannach weer hen ewest?", zei Jaan altijd: "Ik mos 't hekke weer los doon op'n liekweg".
Dikwijls was dit dan het voorteken van een aanstaande "groove" (begrafenis) in de "naoberschop".
Zodoende had Jaan ook het "veurspooksel gezien van de "broedwagen", die door de brug was gezakt.
Misschien is het wel voornamelijk te danken geweest aan de voorzichtigheid die naobers nadien bij het passeren van de brug in acht namen, dat het "veurspooksel" van Jaan gelukkig nooit is uitgekomen.

foto links de vijfsprong bij de leemkuilen, hier kan de weg zowel rechts als links gelopen hebben
foto J.H.Alferink

Toch had de brug nog bijna enkele slachtoffers geeist.
Het was op een dag zo omstreeks de eeuwwisseling dat brugwachter Rutgers-Huurman zoals gewoonlijk voor beurdschipper Van Egmond uit Nijverdal, die toen een geregelde dienst op Zwolle onderhield, de brug had opgehaald.
Toen hij deze weer liet zakken en samen met een boer uit Marle tegen het stroef dalende brugdek opliep, schoot deze plotseling uit zijn schanieren zodat beide mannen van het nu opeens in verticale stand geraakte brugdek in het water plonsden.
Brugwachter Huurman kon zich nog tijdig aan een brugpijler vastklampen en via de kruisbalken van deze uit het natte element naar boven klauteren.
De andere werd door ijlings toegeschoten hulp, zij het dan met moeite weer aan de wal gehaald.

Stalen brug
In het jaar 1903 werd door de aannemer Staal (die zijn naam in dit opzicht zeker alle eer aandeed) hier een nieuwe brug met stalen bovenbouw opgeleverd.
Mogelijk had ze er nu nog gelegen, was ze niet tijdens de laatste wereldoorlog opgeblazen.
Het schijnt wel dat men bij de bouw van de tegenwoordige brug heeft gerekend met de mogelijkheid, dat de oude Twentseweg nog eens weer een nieuw glorietijdperk zal beleven.
Een tijdperk waarin het roofslot als zijnde totaal verouderd, zijn plaats al sinds lang heeft ingeruimd voor moderne gelegenheden, waar men de aanslag op de beurs van de reiziger wat meer wetenschappelijk en bovenal minzamer ter hand pleegt te nemen.

foto rechts de oude Twentseweg daar waar deze de gemeente Hellendoorn binnen komt vanuit Luttenberg
foto A.Twilhaar

Waar liep de Oude Twentseweg precies
Er zijn verschillende visies over de juiste ligging van de oude Twentseweg.
De een beweerd dat hij gelopen heeft vanaf Schuilenburg, naar de vijfsprong bij de leemkuilen.
Vandaar via wat nu heet Nieuwe Twenseweg, ten noorden van huize De Eelerberg langs,dan richting Zwolle.
Deze route is goed mogelijk.
Als argument kan tevens worden aangevoerd dat men vroeger vast niet de veel steilere en hogere "bult" bij Kronnenzommer zou nemen, als er ook een gemakkelijkere route was te vinden.
Er is ook een andere visie, deze gaat vanaf Schuilenburg langs de Schuilenburger molen, tot de vijfsprong bij de leemkuilen, waarna de postroute zich voortzette via de weg die nu bekend staat als Holsenerweg.
Vervolgens de Ommerweg kruiste en verder de Sanatoriumlaan volgde, om halverwege de laan, in noordwestelijke richting dwars door de bossen van de Eelerberg te gaan en bij de gemeentegrens van Raalte aan te sluiten op wat daar nog de Twentseweg heet.
Dit is ook goed mogelijk, omdat men vroeger vaak de hoge delen in het landschap opzocht, vanwege de vaak grote overlast van hoog water.
Wat de juiste ligging is geweest blijft de vraag, misschien kunt u ons verder helpen,u kunt reageren via het E-mail adres op de openingspagina t.n.v. Adrie Twilhaar.

Bewerkt naar een artikel van
wijlen G.J.Eshuis in Dagblad v/h Oosten 20 nov 1958