DE VROEGERE MARKE HELLENDOORN

 

Wanneer wij nagaan, dat niet ver van Hellendoorn sterke kastelen stonden. Wij noemen o.a. Schuilenburg, den Dam, Rhaan, Egede en Eversberg in de nabijheid van het dorp Nijverdal. Maar dat vooral het huis Schuilenburg,vroeger gelegen aan de weg van Hellendoorn naar Twente (oude Twentseweg geheten), ter hoogte van de brug over het riviertje de Regge, veel vroeger Azoelen geheten een roofslot was, waarop de bisschoppen van Utrecht het in de middeleeuwen gemunt hadden en dat menige veldslag of plundertocht in of nabij het dorp Hellendoorn plaats vond.

Dan kan men zich zonder veel moeite indenken dat het dorp zo nu en dan wel eens onder de voet werd gelopen. Moord en brandstichting waren de geliefkoosde krijgsbedrijven van de middeleeuwse legers. Oorlogvoeren was in die dagen nog niet gemechaniseerd, zoals wij dat kennen, neen, het was alles handwek. Maar dat neemt niet weg, dat het eindresultaat hetzelfde was.

Meer dan eens, zal dan ook het kerkgebouw door vreemde krijgers ontheiligd zijn. Zeker, bewijzen zijn er niet van, maar wij weten maar al te goed, wat zich in de onmiddelijke omgeving van van het dorp afspeelde. Luister slechts, of beter gezegd, lees. Het sterke slot Schuilenburg lag in de middeleeuwen om zo te zeggen op een eiland. Even ten zuiden van het slot splitste zich de Regge in tweeen, om even later ten noorden weer samen te vloeien. Deze Reggearm was meer bedoeld als een omvloed voor de Schuilenburger watermolen die hier weleer draaide, maar de burcht had er tevens zijn ongenaakbaarheid aan te danken.

Want de molenstuw hield het water op peil en zo wisten de heren van Schuilenburg zich veilig en gingen zelf voor tijdverdrijf den over de Regge of langs de oude heirweg reisenden koopman te lijf. In het gunstigste geval namen zij hem alles af en maakte hem slaaf, om hem na een bepaalde tijd aan de een of ander slaven koopman te verpatsen. Dit gebeurde wanneer de koopman zonder verzet zijn spullen overgaf. Verdedigde hij zich flink en wist hij zich ten lange laatste niet door vlucht te redden, dan werd hij dood geslagen, opgehangen of in de Regge geworpen en zand er over.

links ziet u een foto van de Havezathe Schuilenburg omstreeks 1733; door C. Pronk

Dit is geen overdrijving, maar de ernstige waarheid. Menigvuldig zijn de klachten over de onveiligheid bij Schuilenburg. En de dorpen van Hellendoorn? Ach, zij durfden de stumpers die in des roofridders handen vielen, niet te helpen, want zij allen zaten min of meer onder de plak der burcht-heren langs de Regge en zouden hetzelfde lot der kooplieden gedeeld hebben.

Reeds in het jaar 1123 was de Schuilenburg een leen van het bisdom Utrecht, maar daarom waren de bewoners nog geen vredelievende burgers. Het is ons niet gelukt, de naam op te sporen van den ridder, die in 1123 het slot bewoonde. Maar de roverijen waren in dat jaar wel van dien aard, dat de Duitse keizer de Schuilenburg belegerde.

Een veldheer, met name Lotharius een zwager van den Graaf van Holland heeft in samenwerking met den Bisschop van Munster ook een flink leger op de been gebracht en deze laatsten gingen aan de andere zijde van de Schuilenburg hun tenten opslaan. Doch door de vele broeklanden en moerassen die tussenbeide lagen konden de beide partijen niet met elkaar slaags raken en besloot de veldoverste Lotharius, den keizerlijken burcht in of bij Deventer te beleggen, ten einde den keizer voor Schuilenburg weg te krijgen.

De list gelukte, de belegeraars van de Schuilenburg trokken naar Deventer, maar Lotharius snelde van daar naar de Schuilenburg en versterkte het kasteel geducht. Zie echter wat dit simpele verhaaltje uit de 12e eeuw voor Hellendoorn te betekenen had. Als nu deze partijen niet anders dan landbederven hadden uitgericht, is eindelijk deze twist in der minne geschikt. Hoeveel schade leed en jammer te Hellendoorn was teweeg gebracht, daarover vertellen ons de oude vergeelde papieren niets. Het sprak in die tijden zo vanzelf, het landvolk en de dorpelingen waren er om de vreemde legerscharen te voeden en te huisvesten en de dorpelingen mochten al heel blij zijn dat hun althans een deel van have en goed gelaten werd.

In de twaalfde eeuw werd de kerk hersteld. Zegt ons dit niets ten aanzien van het zoeven aangehaalde. Wie zal ons het leed en de armoede beschrijven veroorzaakt door de krijgsbedrijven in 1123 en dat was nog maar het eerste dat wij weten uit de historie, d.w.z. van vroegere tijden staan ons geen geschreven gebeurtenissen ten dienste. Maar wat zal er voor 1123 al niet gebeurd zijn? Hoe vaak was er voordien de vruchtbare bodem langs de boorden van de Regge al niet gedrenkt met bloed, gestroomd uit duizenden wonden?

Rechts ziet u een foto van de eeuwen oude Twentscheweg, vroeger de enigste verbinding van Duitsland via Twente naar het noorden, nog steeds aanwezig.

Lang heeft het geslacht Schulenborg niet meer op het huis gewoond. Want een zoon van Rutger van den Boetselaer en Elburg van Langerak, met name Zweder, huwde ongeveer 1450 met de erfdochter van Schuilenburg, Hadewig van de Schulenborg genaamd. Met de intrede van dit geslacht was ook de oude toestand verdwenen. De van Boetselaers waren ordentelijke en vredelievende Jonkers, die het de bevolking van het Schoutambt Hellendoorn niet lastig maakten. Ofschoon Hellendoorn juist door de aanwezigheid van dit slot in de nabijheid van het dorp, meer dan eens ongewenst bezoek kreeg van Gelderse soldaten.

Stappen wij dan een eeuw over en laten de minder belangrijke gebeurtenissen bij Schuilenburg varen, dan zien wij plotseling in zijn dubbele functie van kapitein van een troep Voetvolk en tevens ritmeester van Paardevolk, de in zijn tijd zo zeer gevreesde Joachim Pruist opdagen. Hij was gedurende vele jaren op de Schuilenburg kind aan huis. De kapitein Pruist die vooraf in staats-dienst te zijn, beschouwde het Schoutambt Hellendoorn als zijn domein en ging van daar uren ver de omtrek rond om te roven en brand te stichten. Het was zelfs zo erg, dat wanneer een vreemdeling naar de weg vroeg, de Helendoornse huisman antwoorde, loop van de ene puinhoop naar de andere, daar is Pruist heengetrokken en die weet de weg. In 1585 eiste hij de stad Deventer op hoge toon de nodige kanonnen om de Schuilenburg des te beter te kunnen verdedigen. Doch er waren zoveel klachten over hem binnen gekomen aangaande roverijen en afpersing, dat Deventer besloot korte metten met den Hellendoornse rover te maken.

Bij de Staten werd een aanklacht tegen Joachim Pruist ingediend en tevens een lijst bijgevoegd van de vele wreedheden door hem bedreven. De regering greep in,nam hem de ruiters af en verbood hem voor het vervolg elk eigenmachtig optreden. Hierover ten zeerste gebelgd,pleegde hij verraad en speelde de Spanjaarden de kastelen langs de Regge in handen. Voor hij de Schuilenburg uitleverde stak hij eerst het slot in brand. Begrijpelijk is het dat er een stroom van Spaanse soldaten zich in het Schoutambt Hellendoorn legerde.

Maar laten wij even met Pruist afrekenen. Hij dankte bij gebrek aan geld zijn soldaten af en ging in zijn eentje op roof uit.In het laatst van 1585 werd hij te Zwolle gegrepen en berecht. Hij werd als straatrover gegrepen en als zodanig ook behandeld staande, werd hem in het openbaar het hoofd afgeslagen. Had men dit vele jaren vroeger gedaan, stellig zou de landrentmeester in Dec 1585 niet het volgende aangaande het Kerspel Hellendoorn verklaard hebben: In de rekeningen van de Hoofdelijke Omslag voor onderhoud van het Staatse leger, een omslag die in geheel Overijssel waar dat mogelijk was, geheven werd, heet het: Hellendoorn placht te geven f 597,-is nu verweustet (dit is vewoest) en betaalde geen cent.

links ziet u de oude oprijlaan naar de Havezathe Schuilenburg, nog steeds aanwezig.

Helllendoorn was echter het enige Schoutambt niet, zo was het meer dan dertig jaar in geheel Overijssel . Doch ondanks de ongunst der tijden herbouwde de Jonker van de Boetselaer het Schuilenburg even hecht en sterk als weleer, want toen in 1666 Spinola een aanval deed op het kasteel, werd het door hem gewonnen. Dit betekende natuurlijk, wij hoeven het niet te herhalen, vele onaangenaamheden voor de bevolking. Na, de verovering van Prins Maurits van een groot deel van Overijssel, werd de Schuilenburg ontvest. Opdat zich daar geen vijanden meer konden nestelen. Hij werd langzamerhand een gewone havezathe en haar bestaan te rekken tot op het einde der 18e eeuw en deelde toen het lot van vele harer zusteren en werd als een oud en vervallen bouwwerk gesloopt.

De Schuileburg had als vele andere kastelen haar tijd gehad en er kwam een nieuwe tijd. De eigen boer kwam op. Gedurende de gehele 18de eeuw moesten de grote bezittingen het veld ruimen voor de naar voren tredende boeren. De ene havezathe voor de andere werd geveild en het waren de Kerspelboeren die beslag legden op de geveilde grond.

 

Zover dit bewerkte verhaal opgetekend uit de krant "Huis aan huis" van 15 april 1938.