Beginpagina van Plantaardigheden.nl
Project
Rembert Dodoens / Rembertus Dodonaeus
Dodoens tuin
 
Beginpagina Plantaardigheden.nl | Sitemap (Index) | Beginpagina Leesmaar.nl
Zoek op deze site

Beginpagina Plantaardigheden

Leesmaar.nl
Bladeren in online
Cruijdeboeck
Cruydt-Boeck
Artseny-gewassen
meer...

Beginpagina
project Dodoens

Opmerkingen vooraf

Enkele transcripties

Rembert Dodoens'
leven en werk

Beknopte bibliografie

Rembert Dodoens' werk op het internet

Cruijdeboeck 1554
Opdracht aan de koningin

Over Griekse plantennamen en het wezen der kruiden

Dodoenstuin Schilde

Plantaardigheden Nieuw register op de Nederlandse namen 1554 Cruijdeboeck


Leesmaar.nl Dodoens 1554 Cruijdeboeck

Leesmaar.nl Dodoens 1644 Cruydt-Boeck

De website is het laatst bijgewerkt
op 17-03-2006

Project Rembert Dodoens (Rembertus Dodonaeus)

Rembert Dodoens: iets over zijn leven en werk

Rob van der Hoeden

Bijgewerkt 20-12-2005

Overzicht

Dodoens' verweerde borstbeeld - zonder enige naamsvermelding - op de binnenkoer van het Academiegebouw van de Leidse universiteit aan het Rapenburg

 

Korte chronologie

1517 29 juni: Rembert Dodoens te Mechelen geboren
1530 9 augustus: begin studie aan de universiteit van Leuven
1535 10 september: licentiaat in de medicijnen
1538 doctor in de medicijnen
woont aan de Lange Schipstraat te Mechelen
1539 eerste huwelijk, met Kathelijne De Bruyn(e)
lid van de Broederschap van St. Sebastiaan
1541 beëdigd tot stadsmedicijn (tot 1574)
1542-1546 reizen, verblijf in Basel (maar zie onder Jeugd en studie!)
1552 Cruijdeboeck is afgerond in handschrift
1554 eerste editie Cruijdeboeck verschijnt
1555 aankoop van twee huizen te Mechelen (Augustijnenstraat 6 en 8)
1557

aanbod leerstoel te Leuven, afgeslagen
Franse vertaling van het Cruijdeboeck verschijnt

1558 kerkmeester van de oude Sint Pieterskerk (tot 1573)
1563 aanbod om lijfarts van Filips II van Spanje te worden, geweigerd
tweede editie Cruijdeboeck
1572 tweede maal aanbod om lijfarts van Filips II te worden, wederom geweigerd
1574 begin september: vertrek naar Wenen, lijfarts van Maximiliaan II van Oostenrijk
11 october: in de adelstand verheven
1576 begin mei: tweede huwelijk, met Maria Saerinen
october: Maximiliaan sterft, lijfarts van Rudolf II van Oostenrijk
1578 11 maart: vertrek uit Wenen, verblijf in Keulen tot october 1581
1581 kort verblijf in Mechelen, later vestiging te Antwerpen
1582 10 october: geëerd door de stadsmagistraat van Antwerpen
15 december: krijgt leerstoel universiteit Leiden aangeboden, vertrek naar Nederland
1583 publicatie van Dodoens' laatste grote werk (in het Latijn):
'Stirpium historiae pemptades sex'
1585 10 maart: Dodoens sterft te Leiden

^Naar het begin van deze pagina

Afkomst en geboorte

Rembert Dodoens kwam op 29 juni 1517 te Mechelen ter wereld. Bewijzen hiervan zijn onder meer het feit dat hij zich in zijn werken 'Mechliniensis' of 'Mechliniates' (geboren Mechelaar) noemt, terwijl ook op zijn grafzerk in de Sint Pieterskerk te Leiden staat vermeld dat hij te Mechelen werd geboren. Een ander bewijs vinden we in een legitimatiebrief van keizer Karel V. Dodoens werd gedoopt in de Sint-Kathelijnekerk in Mechelen.

Remberts voorouders van vaderskant kwamen uit Friesland en droegen de achternaam Joenkens of van Joenckema (de uitgang -ma betekent: uit het geslacht van). Deze familie was een voorname Friese sibbe, afkomstig uit het stadje Stavoren aan de toenmalige Zuiderzee. De familie bekleedde generaties achtereen voorname ambten in de Friese steden en gouwen. De grootvader van Rembert, Rembert Jaricks Joenckema, was jarenlang vroedsman (senator) van Leeuwarden, en zijn overgrootvader, Jarick Joenckema, was olderman (burgemeester) van deze stad (1483).

De grootvader, Rembert Jaricks (de zoon van Jarick) Joenckema, ging in de handel en zijn werkzaamheden brachten hem onder meer in Mechelen. Hij huwde met Rixtia Doedes Siercksma, die hem een zoon schonk: Dodo (Denijs Joenckema, of Denijs van Leeuwarden, of Denijs Dodoen), de vader van Rembert. Diens naam, Dodoen, is afgeleid van de Oudgermaanse naam Dodo of Doede (een voornaam). Hij was een gezien inwoner van de stad Mechelen en werd bekend als Denijs van Leeuwarden. Hij was beëdigd geneesheer van de stad Mechelen van 1516 tot 1531 en verzorgde onder anderen Margaretha van Oostenrijk. Hij werd jong weduwnaar. Hij leefde van circa 1490 tot 1533, overleed waarschijnlijk aan de gevolgen van een lokale pestepidemie.

Remberts moeder, Urssula Roelands, tweede echtgenote van Denijs Dodoen, was familie van stadsgeneesheer Joachim Roelants (1497-1558). Deze was bevriend met de grote anatoom Andreas Vesalius (Andries van Wesel) en de vader van Rembert. Hij woonde op het Sint Romboutskerkhof te Mechelen en vermoedelijk is Rembert daar geboren. Rembert was een natuurlijk kind. Zijn ouders werden later pas in de echt verbonden en hij woonde met hen in de Bruul te Mechelen, vlakbij het Lekkernijstraatje. Rembert had nog twee zusters. De ene werd begijn en overleed rond 1565, de andere trouwde met Pieter Verbercht. Joachim Hopper, koninklijk groot zegelbewaarder aan het hof te Madrid, was een neef van Rembert langs vaders zijde.

Rembert ging zichzelf naar zijn vaders naam Dodoens noemen, dat wil zeggen, de zoon van Dodo. Zijn Vlaamse naam was dus Rembert Dodoens (-s betekent: de zoon van). Omdat hij naderhand veel in het Latijn publiceerde, latiniseerde hij zijn naam tot Rembertus Dodonaeus (in het Frans Dodonée).

^Naar het begin van deze pagina

Jeugd en studie

Over de jeugd van Rembert is vrijwel niets bekend. Hij ging school op de befaamde Grootschole van Mechelen, waar hij les kreeg van de grote humanist en priester Frans van Houwere (Hoverius), het hoofd van de school. De Grootschole was een oude kapittelschool, gelegen - hoe kan het anders - aan de Schoolstraat, met een uitgang langs de Wollemarkt. In feite was dit het eerste Mechelse College. Rembert volgde er eerst lager onderwijs, daarna in de humaniora (Grieks en Latijn).

In augustus 1530, hij is dan nog maar dertien jaar, werd Rembert ingeschreven aan de universiteit van Leuven, waar hij zich verder bekwaamde in de Griekse en Latijnse letterkunde, kosmografie, wiskunde en sterrenkunde, aardrijkskunde, botanie en medische vakken. Hij bleek een zeer schrandere leerling, muntte uit in studielust en had een grote oordeelskracht. Zijn docenten waren onder anderen Arnold Noot van Halle, Leonard Willemaers van Leuven, Jan Heems van Armentiers en Paul Roek van Dendermonde.

Op 10 september 1535 verwierf hij het licentiaat in de medicijnen. Hij was toen amper achttien jaar oud. De doctorstitel behaalde hij enkele jaren later (1538). In die tijd was deze titel nog uitsluitend voorbehouden aan professoren. Hij onderging sterke invloed van de anatoom Andries van Wesel (Vesalius, 1514-1564), wat onder meer blijkt uit verscheidene van zijn medische geschriften.

Ondertussen maakte hij, om zijn kennis te verdiepen, ettelijke wetenschappelijke reizen (zie echter de noot hierna) en bezocht zo de bekendste universiteiten van Frankrijk, Italië, Zwitserland en Duitsland. Hij verbleef onder meer van 1542 tot 1546 in Basel. Daar was hij samen met Vesalius, die in Basel in 1543 zijn beroemd geworden werk 'De humani corporis fabrica libri septem' (Over de anatomie van het menselijk lichaam in zeven boeken) het licht deed zien. Door zijn reizen kwam hij in contact met vele geleerden, met wie hij later een briefwisseling onderhield.

(Noot: Bovenstaande is het traditionele verhaal. Er is echter een getuigenis dat een vraagteken plaatst bij Dodoens' reizen en verblijf in Basel. In een uitlating van Dodoens' vriend en collega Clusius in diens werk 'Rariorum plantarum historia' uit 1601 vernemen we dat Dodoens tot 1574 Vlaanderen nooit zou hebben verlaten! Zie http://caliban.mpiz-koeln.mpg.de/~stueber/ecluse/high/IMG_3766.html (pagina 155, Liber II, Cap. XII):

Sed qui quaeso scribere potuisset Dodonaeus de stirpibus in Hispania aut Gallia nascentibus, nisi alterius manu ducente, cum ante annum MDLXXIIII. quo ad Caesarem Maximilianum II. evocatus est, numquam Belgica excesserit?

Hoe zou Dodoens dan, zo vraag ik mij af, over de planten die in Spanje of Frankrijk groeien kunnen schrijven, wanneer niet iemand anders hierover eigenhandig had bericht; want vóór het jaar 1574, toen hij naar keizer Maximiliaan II [naar Wenen] werd geroepen, is hij nooit uit België weggeweest!

Bron: Inleiding bij de digitale facsimile van Dodoens' Cruijdeboeck uit 1563, op de website van de universiteit van Marburg: http://archiv.ub.uni-marburg.de/dodoens/.)

^Naar het begin van deze pagina

Verblijf in Mechelen

In october 1539 trouwde Rembert met Kathelijne De Bruyn, dochter van Antoon De Bruyn, curator (meester) van de artillerie en tresorier voor de oorlogsuitgaven van keizer Karel V. Zij kregen vier kinderen: Ursula (geboren in 1544), Antonia, Denijs (geboren in 1548) en Rembert (gestorven in 1605 te Rome). (Uit een tweede huwelijk van Rembert, later in Oostenrijk, sproot nog een dochter: Johanna.)

Dodoens bewoonde in deze jaren een huis aan de Langhe Schepstraete (Lange Schipstraat). Deze woning gaf via de tuin verbinding met de tuin van het ouderlijk huis in de Bruul. Samen met zijn vrouw liet Rembert zich inschrijven in de Broederschap van Sint Sebastiaan. In dit Sint Sebastiaansgilde werden slechts edelen of personen van hoog aanzien toegelaten.

Vanaf 1541 trad hij als arts in stadsdienst. Hij bekleedde dit ambt van beëdigd stadsmedicijn gedurende ruim dertig jaar, tot midden 1574, waarna hij naar het Oostenrijkse hof vertrok en lijfarts van keizer Maximiliaan II werd. Het ambt van stadsgeneesheer gaf heel wat verantwoordelijkheden. De stadsmedicijnen waren de enigen die in de stad een praktijk mochten uitoefenen. Zij moesten geneeskundige zorg verlenen aan de burgers, wanneer de stadsmagistraat dit vorderde. Ze mochten geen honorarium vragen, maar moesten zich tevreden stellen met wat hun patiënten hen wilden geven. Ze moesten regelmatig de hospitalen bezoeken. Ze kregen daarvoor een vaste bezoldiging van de stad en bovendien genoten zij van bepaalde voordelen in natura (zoals tien el zwart rooslaken, of een bepaalde hoeveelheid beuzelhout). Naast deze normale verplichtingen waren er speciale taken, waarvoor ze een aparte vergoeding kregen: geneeskundige zorg bij besmettelijke ziekten, zoals melaatsheid en pest (deze ziekten kwamen toen nog veelvuldig voor); verzorging van gewonden en zwakzinnigen; lijkschouwing; toezicht op, ofte wel raads- en leidsman, van de chirurgijns, apothekers en vroedvrouwen; het bijwonen van 'scherpe examinaties', dat wil zeggen het bijwonen van het folteren van misdadigers, alsmede van hun berechting.

De beëdigde geneesheren waren verdeeld over drie diensten: de hospitaaldienst, het toezicht op besmettelijke ziekten en de armenzorg. Door hun hoog aanzien en belangrijke maatschappelijke functie hadden de stadsmedicijns een ereplaats in de gemeentelijke hiërarchie. Zo volgden zij bij publieke plechtigheden onmiddellijk na de stadsschout, vóór alle andere hoge ambtenaren (bijvoorbeeld in een processie).

Van 1558 tot 1573 heeft Dodoens tevens het zo begeerde ambt bekleed van kerkmeester van de oude Sint-Pieterskerk. Hij was toen in de bloei van zijn leven en juist in die tijd regeerde de hertog van Alva over de Nederlanden. In die jaren woonde hij in de Augustijnenstraat, in de Sint-Pieters parochie.

^Naar het begin van deze pagina

Laatste levensfase

Het jaar 1572 was een rampjaar voor Dodoens. Op 30 april 1572 stierf op 55-jarige leeftijd zijn vrouw en een half jaar later, op 2 october (men bedenke dat de Nederlanden toen te lijden hadden onder de Spaanse bezetting, de Tachtigjarige Oorlog woedde in alle hevigheid), werd zijn huis, ondanks de hoge bescherming die hij genoot, leeggeplunderd door Spaanse soldaten van Alva. Mechelen werd in drie dagen volledig leeggeroofd, geplunderd en verwoest. Dodoens raakte zijn gehele fortuin en al zijn bezittingen kwijt. Zijn boeken werden verbrand, maar gelukkig kon hij zich met zijn familie in veiligheid stellen.

Niettegenstaande deze tegenslagen werkte hij, bijna als een gedrevene, voort. Het was een zeer ruwe tijd, die gebukt ging onder hongersnood en epidemieën. Er was veel werk voor een arts. De pest stak telkens de kop op, vooral in de jaren zeventig van de 16e eeuw. Daarnaast heersten verschrikkingen als de pokken, kinkhoest, de zweetziekte (als je die ziekte opliep, was je binnen een paar uur dood) en melaatsheid. De pest werd meestal overgedragen door soldaten uit den vreemde. Ook melaatsheid kwam veel voor in de 16e eeuw.

Begin september 1574 aanvaardde Dodoens het ambt van Keizerlijk Medicijn aan het hof te Wenen. Hij was toen al 57 jaar, niet direct een leeftijd om te verkassen, maar vermoedelijk werd hij door nood hiertoe gedreven. Het stadsbestuur van Mechelen liet hem node gaan en probeerde hem zelfs door een loonsverhoging tot andere gedachten te bewegen, maar tevergeefs. Het Weense hof beschouwde Dodoens als de bekwaamste en geleerdste dokter ("medicus celeber") van zijn tijd. Na een reis van twee maanden kwam hij in Wenen aan, waar hij buitengewoon hartelijk werd ontvangen door keizer Maximiliaan II en meteen ook maar in de adelstand werd verheven.

Maximiliaan was zelf een groot plantenliefhebber en had al verschillende andere illustere personen om zich heen verzameld, zoals de botanicus Carolus Clusius, de musicus Philippus de Monte en de beeldhouwer Alexander Colijn, die evenals Dodoens uit Mechelen afkomstig waren en met wie Dodoens al voor zijn komst naar Wenen vriendschappelijke betrekkingen onderhield. Clusius was beheerder van de plantentuin in Wenen (later ook van de Leidese hortus botanicus), Colijn was de beeldhouwer van de graftomben van de Habsburgers te Wenen en te Innsbruck, De Monte was hofmusicus. Het was voor Dodoens een verademing om aan het Weense hof temidden van zijn vrienden te verkeren.

Van februari tot augustus 1575 verbleef Dodoens onder meer in Praag in het gevolg van de keizer. Verder reisde hij door het toenmalige Oostenrijk, Duitsland, Hongarije en  Tsjechoslowakije en greep elke gelegenheid aan om te botaniseren en zijn plantenkennis uit te breiden.

Begin 1576 trouwde hij voor de tweede maal, met Maria Saerinen, een vrouw die hij in Wenen had leren kennen. Uit dit huwelijk kwam nog een dochter voort: Johanna. Op 12 october van hetzelfde jaar overleed Maximiliaan II. Diens zoon, Rudolf II, bevestige Dodoens in zijn ambt, maar eind 1577 vroeg Dodoens ontslag om naar zijn vaderland te kunnen terugkeren. Begin maart 1578 vertrok hij uit Wenen. De roerige omstandigheden in de Nederlanden weerhielden hem er echter van naar Mechelen terug te keren. Op 9 april 1580 werd zijn geboortestad zelfs voor de tweede maal geplunderd. Daarom verbleef Dodoens zolang (van 1578 tot october 1581) in Keulen, evenals vele andere vluchtelingen uit Vlaanderen. Ook hier was zijn faam hem reeds vooruitgesneld en door een aantal buitengewone genezingen genoot hij weldra het hoogste aanzien.

Na een kort verblijf in Mechelen (1581) vestigde Dodoens zich vervolgens in het veilige Antwerpen, waar Willem van Oranje en Marnix van Sint-Aldegonde de scepter zwaaiden. Op 10 october 1582 werd hij door de stad Antwerpen geëerd voor al zijn werken.

Eind 1582, op 15 december, bood de jonge universiteit van Leiden - in 1575 gesticht door Willem van Oranje - Dodoens een leerstoel aan. Dodoens ging op het aanbod in. Als 65-jarige vertrok hij naar Leiden, waar hij pathologie en interne geneeskunde ging doceren, naast zijn omvangrijke wetenschappelijk werk dat hij onverdroten voortzette. Misschien was de combinatie van lesgeven en het intensieve onderzoekswerk te veel voor hem. In elk geval heeft hij zijn taak in Leiden niet lang kunnen volhouden: na slechts twee jaar hoogleraarschap overleed hij. Hij stierf te Leiden op 10 maart 1585, 68 jaar oud. Hij werd begraven in de Onze Lieve Vrouwekerk in Leiden, maar zijn graf en grafzerk met inscriptie (epitaaf) werden later overgebracht naar de Leidse Pieterskerk en het epitaaf is daar nu nog te zien aan de linkerzuil van het hoogkoor.

Foto van het epitaaf in de Pieterskerk te Leiden (zie transcriptie hieronder).

Grotere afbeelding van het grafschrift in de Sint Pieterskerk te Leiden (foto Ton Boon, Pieterskerk)
Afbeelding van de omgeving van het grafschift, voor het terugvinden van de locatie

 



Tekening van het epitaaf in betere tijden. De bollen aan de bovenkant van de omlijsting zijn verdwenen.
De zeer vrome zoon (zie onderstaande tekst) heeft deze onttakeling vast niet kunnen voorzien.

Het epitaaf in het Latijn:

D. O. M.

REMBERTO DODONAEO MACHLIN.
D. MAXIMILIANI II ET RVDOLPHI II IMPP.
MEDICO ET CONSILIARIO
CVJVS IN RE ASTRONOMICA, HERB. MEDIC.
ERVDITIO SCRIPTIS INCLARVIT,
QVI IAM SENEX IN ACAD. LVGDVNENSI
APVD BATAVOS PVBLICVS
MEDICINAE PROFESSOR FELICITER OBIIT
AN. MDLXXXV AD VI IDVS MART.
AETATIS SVAE LXVIII
REMBERTVS DODONAEVS
FIL. M. P.

Nederlandse vertaling:

Aan God, de Opperste, de Grootste

Aan Rembert Dodoens uit Mechelen,
van de keizers Maximiliaan II en Rudolf II
de geneesheer en raadsman,
die inzake astronomie en geneeskrachtige kruiden door zijn kennis en geschriften beroemd is geworden,
die thans als 'éminence grise' aanj de Leidse universiteit van de Bataafse Staat
als professor in de medicijnen in zaligheid is heengegaan
in het jaar 1585 op de zesde dag voor de Idus van Maart,
op de leeftijd van 68 jaar.
Rembert Dodoens.
Een zeer vrome zoon.

D.O.M. = Deo Optimo Maximo, IMPP. = Imperatores, An. = anno
FIL. M. P. = filius maxime pius

^Naar het begin van deze pagina

Dodoens' werken

Hieronder volgt in vogelvlucht een overzicht van de voornaamste werken van Rembert Dodoens (auteursnaam van de werken in het Vlaams) of Rembertus Dodonaeus (auteursnaam van de publicaties in het Latijn). Uitvoeriger gegevens over zijn werken zijn te vinden in een afzonderlijke bibliografie, ook op deze website, zie:

In 1546 verscheen in Basel een herziene editie van De Re Medica, een medische encyclopedie door Paulus Aegineta. De vertaling van dit werk (van het Grieks naar het Latijn) was van de hand van Guinterius, een geleerde uit Zwitserland bij wie Dodoens in Leuven colleges had gevolgd. Dodoens keek de vertaling na en maakte vele verbeteringen.

In 1548 verscheen  in Antwerpen een boek in vier delen over sterrenkunde en kosmografie: Cosmographica in astronomiam et geographiam isagoge. Dit werk werd in 1584 herdrukt onder de titel De sphaera sive de astronomiae et geographiae principiis cosmographica isagoge.

In 1549 verscheen, eveneens in Basel, Den Nieuwen Herbarius, dat is dboeck van den cruyden, de Nederlandse vertaling van het in 1542 uitgekomen kruidboek 'De historia stirpium commentarii insignes' van Leonhart Fuchs. Wie de vertaling heeft verzorgd, staat niet vast, maar zij wordt wel aan Dodoens toegeschreven.
(Noot: Als publicatiedatum werd voorheen 1543 opgegeven, ofschoon in het gedrukte boek geen jaartal is te vinden. Het boek moet in elk geval ná 1545 zijn uitgekomen, omdat de houtsneden uit de 'klein Fuchs', een uitgave met alleen de afbeeldingen van planten op klein formaat, zijn overgnomen. Zie voor een bespreking van de datering van dit werk, de Inleiding op http://archiv.ub.uni-marburg.de/dodoens/, welke is gebaseerd op mededelingen hieromtrent in The Great Herbal of Leonhart Fuchs, Volume I, Commentary, door Frederick G. Meyer e.a., Stanford (CA), 1999.)

In hetzelfde jaar 1549 verleende Dodoens zijn medewerking aan de Almanach ende Prognosticatie, waaraan hij wat tabellen bijdroeg.

Rond 1550 stelde Dodoens, samen met een aantal van zijn studenten, een overzicht over de fysiologie van de mens samen. Dit werk, de Physiologices medicinae tabulae, werd pas veel later, in 1580 uitgegeven.

Intussen was Dodoens intensief bezig geweest met de voorbereidingen voor een eigen kruidboek. Eerst kwamen er een aantal 'plantenatlassen' van de pers, verzamelingen afbeeldingen (houtsneden) met beknopte aantekeningen ten behoeve van studenten in de geneeskunde. Eerste in de rij (1552) was De frugum historia, over granen en peulvruchten. Vervolgens kwam in 1553 (heruitgegeven in 1559) Trium priorum de stirpium historia commentariorum imagines, en in 1554 (eveneens in 1559 herdrukt) Posteriorum trium de stirpium historia commentariorum imagines.

Bovenstaande titels waren voorlopers van het Cruijdeboeck, dat in 1554 verscheen. Dit meesterwerk was na de bijbel in die tijd het meest vertaalde boek. Het werd gedurende meer dan een eeuw steeds weer heruitgegeven en gedurende meer dan twee eeuwen was het het meest gebruikte handboek over kruiden in West-Europa. Het is een werk van wereldfaam en grote wetenschappelijke waarde. De nieuwe gedachten die Dodoens erin neerlegde, werden de bouwstenen voor de botanici en medici van latere generaties. De tekst was in handschrift al begin 1552 voltooid, toen Dodoens 35 jaar was. Vervolgens besteedde hij nog ongeveer een jaar aan het herzien ervan, en ook de drukker had een jaar nodig om het boek gestalte te geven. Zie verder het aparte hoofdstukje over het Cruijdeboeck.

In 1558 verscheen een nieuwe aflevering van de Almanach, in 1559 herdrukken van de illustratieverzamelingen. Eerder, in 1557, was al de Franse vertaling van zijn Cruijdeboeck verschenen, onder de titel Histoire des plantes. Dit was niet alleen maar een vertaling, maar een herziening en uitbreiding, bezorgd door Carolus Clusius (Charles de l'Escluse) in samenwerking met de auteur. In 1563 kwam de tweede editie van het Cruijdeboeck uit.

Door het grote succes van het Cruijdeboeck, een uitgave in het Vlaams, kwam er steeds meer vraag naar een editie van dit werk in het Latijn. Dodoens werkte hieraan, maar liet het boek door de enorme uitgebreidheid ervan eerst in delen verschijnen naargelang hij vorderde, en pas in 1583 het geheel. Zo verschenen successievelijk:  Frumentorum, leguminum, palustrium et aquatilium herbarum historia (Beschrijving van de graangewassen, groenten, moeras- en waterplanten, 1566), Florum, et coronariarum odoratorumque nonnullarum herbarum historia (Beschrijving van de planten die opvallen door hun bloemen en geur, 1568), Purgantium aliarumque eo facientium tum et radicum, concolvulorum ac deleteriarum herbarum historiae (een boek over purgerende planten, medicinale wortels, klimplanten en gifplanten, 1574) en Historia vitis vinique (een boek over de wijnstok, de druif en de wijn, 1580). In 1582 was het manuscript voor de Latijnse herbarius voltooid en in 1583 verscheen de integrale uitgave, getiteld: Stirpium historiae pemptades sex (Beschrijving der planten in zes delen), een standaardwerk dat weer tot nieuwe vertalingen aanleiding gaf en dat in 1616, postuum, werd herdrukt.

Al eerder, in 1581, was Medicinalium observationum exempla rara (een boek met de uitzonderlijkste gevallen uit de jarenlange praktijk van Dodoens als arts) verschenen, met als aanhangsel de Fysiologische tabellen, welke dertig jaar tevoren al waren geschreven. Het boek met casussen, een kostelijk werk, vol diepe geleerdheid en schrandere opmerkingen, beleefde ettelijke herdrukken, maar dan zonder het aanhangsel over de fysiologie. Ook in 1581 verscheen een korte studie over de eland.

De werken van Dodoens bleven ook na zijn dood in 1585 in trek. Er verschenen herdrukken en herziene edities van zijn hoofdwerken, en, posthuum, een nieuw werk. Uitgaande van de Latijnse uitgave van het Cruijdeboeck uit 1583 werd een nieuwe, geheel herziene en uitgebreide Vlaamse editie van het kruidboek voorbereid, die in 1608 verscheen. Dit was de eerste uitgave van het Cruydt-Boeck. Hiervan verscheen een bijgewerkte herdruk in 1618 en een nogmaals herziene (de laatste) druk in 1644. Ook van Stirpium historiae pemptades sex zelf kwam er een herziene editie, te weten in 1616. In datzelfde jaar verscheen de eerste editie van Praxis medica, de gebundelde colleges die hij in Leiden had gegeven (in het Latijn). In 1624 verscheen hiervan een Nederlandse vertaling, Ars medica, ofte ghenees-kunst. Zowel de Latijnse als de Nederlandse editie werd herdrukt.

Tot in onze tijd is de belangstelling voor het werk van Dodoens levend gebleven, waardoor een aantal van zijn voornaamste boeken in facsimile is herdrukt (Cruijdeboeck, Cruydt-Boeck, Histoire des plantes, Stirpium historiae pemptades sex en het boek over kosmografie).

^Naar het begin van deze pagina

Portretten van Dodoens

Het oudst bekende portret van Rembert Dodoens is een houtsnede, die voor het eerst werd gepubliceerd in zijn boek Trium priorum de stirpium historia commentariorum imagines uit 1553, zie:

Dodoens is hier afgebeeld 'ter halver lijve', met in de rechterhand een tak bloemen en in de linkerhand een rol papier, symbool van de wetenschap. Hij draagt de kledij van geneesheer (van die tijd). De afbeelding vermeldt zijn leeftijd: REMBERTI DODONAEI AETA. XXXV (35 jaar). Daaronder het motto van Dodoens: VIRTUTE AMBI. Betekenis: 'Deugd leidt tot verdienste' of 'Deugdzaamheid is lonend'. Rechts op de houtsnede prijkt zijn wapenschild: twee sterren op azuren veld, een halve maan in de punt en als helmteken een tussen twee uitgespreide vleugels uitkomende leeuw. Deze afbeelding, die misschien het bekendst is geworden, staat ook vooraan in zijn beroemde Cruijdeboeck van 1554.

Een portret op latere leeftijd is een gravure gemaakt door E. de Boulonois, waarvan verschillende versies (in spiegelbeeld) bekend zijn en die ook als model is gebruikt voor de afbeelding van Dodoens in het linkermedaillon op de titelpagina van het Cruydt-Boeck van 1608. We geven hierbij zowel het oorspronkelijke portret met een paar varianten, als de titelpagina van de editie 1608:

Er zijn nog andere portretten van Dodoens bekend, onder meer van de bekende Vlaamse graveur Philip Galle, die Dodoens in 1572 portretteerde. Het Prentenkabinet (Albertina) in Brussel bewaart een aantal fraaie afbeeldingen van Rembert Dodoens en ook de universiteit van Leiden heeft een zevental prenten van Dodoens in haar collectie oude portretten. Hiervan zijn helaas geen afbeeldingen op het internet.

^Naar het begin van deze pagina

Een nieuwe geest

Zowel in zijn botanische als in zijn medische geschriften toonde Dodoens zich doordrongen van een nieuwe geest. Hij had lak aan dogmatisme en academische beschouwingen en schonk liever zijn aandacht aan het nauwgezet onderzoek van plant of zieke. Nauwlettend volgde hij de uitwerking van zijn zorgvuldig voorgeschreven medicijnen. Nauwkeurige waarneming bij het ziekbed genoot zijn voorkeur boven diepzinnige bespiegelingen. Hij was een van de eersten die overgingen tot lijkschouwing in bijzonder moeilijke of duistere gevallen. In dit opzicht kan men hem beschouwen als een van de eerste patholoog-anatomen. Het is dus in de eerste plaats als arts dat Dodoens internationale vermaardheid verwierf.

In die hoedanigheid werd hem in 1557 een professoraat aan de universiteit van Leuven aangeboden, maar hij sloeg dat aanbod af. Door het hof van koning Filips II te Madrid werd hem tot tweemaal toe, in 1563 en in 1572, het ambt van koninklijk lijfarts aangeboden, maar ook nu weigerde Dodoens. Hij wilde zijn onafhankelijke positie, die hem veel gelegenheid tot eigen onderzoek bood, niet opgeven voor de benijdenswaardige post aan het vreemde Spaanse hof en bleef liever in Mechelen wonen en werken. In 1574 kwam het verzoek van het keizerlijke hof in Wenen om daar lijfarts te worden, en ditmaal zei hij wel ja, vermoedelijk vooral ingegeven door de benarde omstandigheden waarin de zuidelijke Nederlanden toen verkeerden vanwege de bezetting door de Spaanse troepen. En op het eind van zijn leven (1582) kreeg hij nog de  vererende uitnodiging om hoogleraar te worden aan de pas gestichte universiteit van Leiden, waar hij de laatste jaren tot zijn dood in 1585 doorbracht.

Dodoens' professie was de geneeskunde, maar zijn hobby was de botanie of kruidkunde, en altijd heeft hij de kruidengeneeskunde als een waardevolle hulpwetenschap van de geneeskunde beschouwd. Hij heeft echter in zijn liefhebberij zo geschitterd dat hij eerder als de befaamdste botanicus dan als een groot medicus de geschiedenis is ingegaan. Niettemin was hij ook een zeer bekwaam arts en patholoog.

Zijn grote verdienste was dat hij de werkwijze van al zijn voorgangers omkeerde. Tot en met Fuchs werden de plantenbeschrijvingen van de antieke experts, zoals Dioscorides en Plinius, hoofdzakelijk gekopieerd. Maar voor Dodoens was plantkunde iets dat je in de levende natuur leert en hij heeft altijd zoveel mogelijk de planten die hij beschreef zelf in het vrije veld of in tuinen bestudeerd. Hier bespeurt men wellicht de invloed van de grote humanist Erasmus, die ook de eeuwenoude sleur omverwierp. Dodoens durfde tornen aan de gezaghebbende uitspraken van zijn klassieke voorgangers. Hij steunde in de eerste plaats op eigen waarneming en bestudeerde de planten in hun natuurlijk milieu. Bovendien maakte hij nauwkeurige, uitvoerige beschrijvingen en liet hij natuurgetrouwe afbeeldingen (naar versgeplukte kruiden) maken. Hij leerde anderen naar de plant zelf kijken. Hij telde het aantal meeldraden en sprak van mannelijke en vrouwelijke planten, wat overigens niet wil zeggen dat hij al volledig inzicht had in de voortplanting van planten. En hij brak ook niet radicaal met de traditie. Hij behield wat hij bruikbaar achtte in de oude kruidboeken, maar dit wel na grondig onderzoek, en hij waarschuwde tegen de vaak heel vreemde geneesmiddelen die toen in zwang waren.

Een van zijn grote verdiensten ligt echter in de beschrijving van een groot aantal tot dan toe onbekende planten (minstens 100, waaronder 40 inheemse), een streven dat door zijn collega's en vrienden Clusius en Lobel werd nagevolgd.

^Naar het begin van deze pagina

Het Cruijdeboeck van 1554

De eerste vrucht van Dodoens' jarenlange botanische studies was zijn Cruijdeboeck, waarmee hij een hoogtepunt in de kruid- en artsenijkunde van de 16e eeuw schiep. Het verscheen in 1554, toen de auteur nog maar 37 jaar oud was.

Dodoens was de eerste die met een botanische indeling begon. Voorheen waren de kruidboeken alfabetisch gerangschikt, maar Dodoens probeerde de planten in verschillende klassen in te delen. Hij plaatste de gelijkgebouwde planten bij elkaar en waar dit niet toereikend was, schiep hij andere categorieën. Hij beschreef van elke plant de verschillende soorten, de groei- en bloeiwijze en de onderdelen zoals de stand, de vorm, de bladeren en de bloemen; hij vermeldde de groeiplaats, de bloeitijd, de tijd van vruchtzetting en de geneeskrachtige waarde. Voorts voegde hij de Nederlandse, Duitse, Boheemse, Franse, Engelse, Italiaanse, Spaanse, Arabische, Latijnse en Griekse benaming toe, evenals de volksnamen. Hij voerde ook een deels nieuwe terminologie in, waaronder: radix (wortel), caulis (stengel), folium (blad), flos (bloem). Van sommige planten vermeldde hij ook de 'hindernisse' (het gevaar of de giftigheid) en het 'ondersceet' (onderscheid). In zijn tijd was deze indeling revolutionair en geniaal.

In de opdracht (inleiding) van het boek (aan koningin Maria van Hongarije en Bohemen, de regentes van de Nederlanden) legde Dodoens uit waarom hij er de voorkeur aan gaf zijn Cruijdeboeck in zijn moedertaal,  het Vlaams, te schrijven: " ... alzoo dat wy daer om oock desen onsen Cruydeboeck niet in Latijn, maar ghemeyne Neerduytsche tale hebben willen scrijven ende uutgheven, op dat hij alle cruytliefhebbers, ende alzoo wel den leecken van der latijnscher sprake ignorant, als den gheleerden dienstelick ende orboorlick soude moghen wesen ..." Hij begreep dus dat geleerdheid en geestesontwikkeling niet alleen het privilege van een select groepje burgers mochten zijn en dat men, om het volk toe te spreken, de taal van het volk moest gebruiken. Bovendien wist Dodoens zich zwierig, sierlijk en duidelijk uit te drukken. Dat is ook de reden waarom het Cruijdeboeck zo goed werd ontvangen en de bewondering van de gehele wetenschappelijke wereld oogstte.

Een andere bedoeling van de uitgave was de noodzakelijkheid de planten weer beter te doen kennen aan de artsen en apothekers. "Ende desen arbeyt hebben wy te willigher ende te liever aenghenomen, om dat in die landen van hertswaerts overe, tot noch toe niemant ghevonden es gheweest, die van den cruyden iet ghescreven ende int licht ghegheven heeft, hoe wel nochtans dat in dese landen veel schoone ende profijtelicke cruyden groeyen ende wassen, die noch seer qualicken oft luttel bekent sijn, die seer goet waeren in tlicht ende kennisse van alle gheleerde Medecijns ghebrocht, ..." luidt het in de opdracht van het Cruijdeboeck. Als men bedenkt dat in Dodoens' tijd de geneesmiddelen bijna uitsluitend uit het plantenrijk werden betrokken, dan beseft men het grote nut dat zijn boeken voor artsen en apothekers hadden. In de inleiding lezen we ook dat hij schreef voor medici om hen aan te zetten tot nader onderzoek naar de werkzaamheid van de kruiden, teneinde de juiste therapie te vinden. Te dien einde stelde hij ook een uitvoerig register samen om het opzoeken te vergemakkelijken.

Het Cruijdeboeck oogstte een geweldige bijval. Dit succes was ongetwijfeld voor een belangrijk deel te danken aan het therapeutische register. Binnen korte tijd was het boek uitverkocht, hoewel het voor de gewone man eigenlijk onbetaalbaar was. Het Cruijdeboeck kostte toch al gauw 2 gulden, wat voor die tijd een vermogen was: een meid verdiende 1,5 gulden, een schoenmaker 3,5 gulden, een bakker 12 gulden en een dokter 16 gulden. Het boek werd vertaald en uitgegeven in de meeste Europese talen en zelfs posthuum in het Japans (1792). Tijdens zijn leven maakte Dodoens de Franse en de eerste Engelse editie (1557 respectievelijk 1578) nog mee.

^Naar het begin van deze pagina

Dodoens' persoonlijkheid

De hoofdtrek van Dodoens' karakter was een tomeloze werklust gepaard aan ondernemingsgeest, wilskracht en moed. Met nooit versagende geestkracht wijdde hij zich aan de wetenschappen van de geneeskunde en botanie. Naast zijn veeleisende werk als arts vond hij de tijd om de resultaten van zijn onderzoek en waarnemingen op schrift te stellen. Hij schreef 25 werken over plantkunde, 8 werken over geneeskunde, 2 werken over astronomie en kosmografie en werkte mee aan verscheidene almanakken met raadgevingen over gezondheidsleer (waardoor hij met heel wat ingewortelde vooroordelen en bijgeloof kon afrekenen). Daarnaast correspondeerde hij met vele geleerden uit zijn tijd over medische, natuurkundige en botanische vraagstukken. Verscheidene van die brieven vonden een plaats in een van zijn werken. Van de overige is er een aantal afzonderlijk in druk verschenen.

Zijn geschriften getuigen van ernst en van nauwgezette waarneming van de natuur, van een scherp oordeelsvermogen en een bijzondere aanleg voor orde en rangschikking. Nooit liet hij een onderwerp rusten voordat hij het volledig had doorgrond. Voortdurend verbeterde en vervolledigde hij zijn geschriften en bestudeerde hij het werk van collega's. Op deze wijze had hij zich een zeer grondige kennis van de botanische geschriften uit de Oudheid en van die van zijn tijdgenoten verworven. Zelf vermeldt hij (in zijn Stirpium historiae pemptades sex van 1583) dat hij 206 auteurs over botanie geraadpleegd heeft. Met befaamde collega's, die tevens zijn vrienden waren (zoals Clusius en Lobel), voerde hij intensieve briefwisselingen. Hij mag de pionier van de classificatie van de planten genoemd worden. Hij was de eerste die afweek van een alfabetische opsomming en de planten probeerde in te delen in groepen. Dit was het uitgangspunt voor latere systematici als Linnaeus, die zeker van Dodoens' ideeën gebruik heeft gemaakt om tot zijn indeling in klassen, families, geslachten en soorten te komen.

Bovendien kon Dodoens vertrouwen op een zeer scherp geheugen. Hij was bijvoorbeeld heel goed op de hoogte van zijn Friese achtergrond en kende de stamboom en verwantschappen van de meeste Friese families van buiten en heeft in die hoedanigheid nog meegewerkt aan een boek over de geschiedenis van Friesland door Sjoerd Pietersz. alias Suffridus Petri (1527-1597), 'De sciptoribus Frisiae, decades XVI', ofte wel Over de schrijvers van Friesland, in zestien boeken. Deze noemde Dodoens de Fenix der dokters ("ille medicorum phoenix Rembertus Dodonaeus"). Dodoens' liefde voor arbeid en wetenschap verdient dubbel bewondering als men beseft dat hij leefde en werkte in een tijd die werd geteisterd door epidemieën (pest, cholera, melaatsheid), oorlogen (Tachtigjarige Oorlog, Spaanse bezetting), politieke troebelen, godsdiensttwisten en kerkelijk geharrewar, een tijd ook die werd gekenmerkt door de galg, de brandstapel en heksenvervolgingen, waardoor tal van zijn bekenden en tijdgenoten hun have en goed en vaak hun leven verbeurd zagen. Hoe sommigen zijn werk beoordeelden, wat ook een licht werpt op een bepaalde geestesgesteldheid van die tijd, blijkt bijvoorbeeld uit een tekst als: "sommige planten werden door de duivel op het pad der geleerden gezet". Anderzijds illustreert dit Dodoens' moed in een tijd waarin de jacht op ketterij hoogtij vierde.

Politieke en religieuze zaken lieten hem niet onverschillig. Dat bewijzen zijn relaties en vriendschapsbanden met de hoogste rijksambtenaren, onder wie Viglius (voorzitter van de Staatsraad der Nederlanden) en zijn neef Joachim Hopper (secretaris en raadsheer van de Spaanse koning Filips II). Maar Dodoens was te veel meester over zichzelf om zijn kalmte te verliezen en was te verstandig om zich onbesuisd te laten meeslepen. De meest schokkende gebeurtenissen konden hem toch niet van zijn studies weghouden.

Alhoewel hij zelf een wetenschappelijk hervormer was, was hij wel zo voorzichtig zich niet in het openbaar voor de hervorming uit te spreken. In geen enkel van zijn werken uit hij kritiek op de religie of filosofie van zijn tijd. Maar in zijn persoonlijk leven was hij trouw aan zichzelf, hij liet zich door niemand van zijn stuk brengen, ook niet in geloofs- en godsdienstige kwesties.

Dodoens was vooral een baanbreker in wetenschappelijk opzicht. Hij was een van de eersten die zich los wisten te maken van de ruim vijftien eeuwen durende slaafse navolging van de klassieke auteurs van botanische en medische werken (Dioscorides, Galenus, Theophrastus, Plinius). Hij toetste het werk van de ouden aan eigen nauwkeurige waarneming en schrok er niet voor terug - een ongehoorde zaak voor zijn tijd - de fouten in hun beschrijvingen bloot te leggen. Hij deed niet mee aan het 'magister dixit' (het volgen van de autoriteit, de meester zei) van zijn voorgangers. Dit vergde grote moed en in dit opzicht kunnen wij hem zonder meer naast iemand als Andries van Wesel (Vesalius) plaatsen, die door eigen onderzoek van het menselijk lichaam door middel van sectie aantoonde dat de anatomische beschrijvingen van de oude geneesheren (zoals Hippocrates en Galenus) meer dan 150 ernstige fouten vertoonden. Wat Vesalius deed ten opzichte van Galenus, deed Dodoens ten opzichte van Dioscorides en Plinius.

Niet in de laatste plaats was Dodoens een in zijn tijd wereldberoemd patholoog (hij werd niet voor niets door de universiteit van Leiden gevraagd daar hoogleraar te worden, niet in de botanie, maar in de pathologie). Moest zijn betekenis voor de pathologie en fysiologie bestudeerd en geëvalueerd worden zoals dat gebeurde voor de kruidkunde en botanie, dan zou het ons niet verwonderen dat zijn plaats in de geschiedenis van de geneeskunde even roemvol zou zijn. En dan hebben we het nog niet eens gehad over zijn grote verdienste op het gebied van de Nederlandse taal. Door zijn Cruijdeboeck niet in de wetenschappelijk taal, het Latijn, te publiceren, maar in het Vlaams te schrijven, heeft hij echter in belangrijke mate bijgedragen aan de verspreiding van de volkstaal, zoals ook Simon Stevin met zijn wetenschappelijk werken over de wis- en natuurkunde deed. Zijn boeken hebben een zeer grote verspreiding gekend, niet alleen in de Nederlanden, maar over de gehele wereld, waar zij in veel families als kostbaar erfgoed werden en worden bewaard en bestudeerd.

Terecht mag men Dodoens de vader van de botanie noemen. Dat hij de kruidengeneeskunde zo geliefd bij het volk heeft gemaakt, is vermoedelijk zijn grootste verdienste en zijn mooiste eretitel. Tegenwoordig wordt hij beschouwd als een van de grootste geleerden van de renaissance, de prins der Nederlandse wetenschap.

^Naar het begin van deze pagina

Varia

In de annalen van de universiteit van Leiden is over Dodoens onder meer bijgeschreven

... et de eo hoc fatendum, in sua arte illi pares paucos sua aetate, superiorem neminem usquam extitisse ...

[... en over hem wordt gezegd dat niemand geleerder was in zijn vak en dat weinigen hem konden evenaren ...]

Dit is een uitlating van Johannes Meurs of Meursius, hoogleraar te Leiden, in 'Athenae Batavae sive de Urbe Leidensi et Academia', 1625. Bij een andere auteur lezen we"dat hij aan Aristoteles den titel mag betwisten van het grootste verstand der natuur en een getrouw vertolker harer geheimen". Dit laatste is een parafrase van een citaat van de geleerde Isaac Bullart in zijn 'Académie des sciences et des arts, contenant les vies et les éloges historiques des hommes illustres', een werk uit 1682. Het citaat is te mooi om het niet in zijn geheel hier in het origineel aan te halen (deel 2, blz. 99):

Peu d'écrivains parmy les anciens et les modernes ont traité de cette discipline [de geneeskunde] avec plus d'étendue et de solidité que luy : il en a possédé la theorie et la pratique avec autant d'avantages qu'aucun autre medecin de son siecle. La nature ne renferme rien dans la vertu des simples qui ait échappé à la connaissance de ce grand esprit : la terre ne produit point des plantes dans les marais, les campagnes, et les solitudes : le printemps ne voit point éclore de fleurs; ni l'esté meurir de grains, dont il ne nous ait donné le véritable portrait, avec une curieuse explication de leurs qualitez dans ses écrits; qui font avoüer que ce sçavant Homme peut disputer à Aristote ce glorieux eloge de grand Genie de la nature, et de fidele Interprete de ses secrets.

[Weinig schrijvers, evenzeer uit de klassieke als uit de hedendaagse literatuur, hebben zich met zoveel in- en overzicht en met zoveel autoriteit in deze wetenschap onderscheiden als hij : zowel theoretisch als praktisch kon geen enkele van zijn tijdgenoten bij hem in de schaduw staan. Welk geheim de natuur ook in de werkzaamheid van de kruiden legt, niets is aan de kennis van deze grote geest ontsnapt : alle planten die de aarde voortbrengt, in de moerassen, in veld, bos en wei, en op de eenzame heidevelden : alle bloemen die de lente ziet ontkiemen en alle zaden die de zomer ziet sterven, van dit alles heeft hij ons in zijn geschriften het levensechte portret geschetst, steeds speurend naar en getuigend van de bijzondere eigenschappen van elke plant die hij onderzocht; wat ons de uitlating ontlokt dat dit Genie Aristoteles de titel mag betwisten van het grootste verstand der natuur en een getrouw vertolker van haar geheimen.]

^Naar het begin van deze pagina

De grote plantensystematicus Linnaeus vereeuwigde de naam van zijn Brabantse vakgenoot en voorganger door een geslacht uit de familie van de Sapindaceae (Zeepboomfamilie) naar hem te vernoemen: Dodonaea. Verschillende botanici noemden een soort naar hem, zoals al eerder Leonard Plukenet, zelf een celibriteit (hij leefde van 1641-1705 en schreef onder meer het bekend geworden Phytographia, verschenen in 1691-92): Dodonaea viscosa (Kleverige Hopstruik), een soort uit Indonesië en Australië waarvan het hout wordt gebruikt voor wandelstokken en knuppels, en later Alphonse de Candolle (1806-1893):  Dodonaea salicifolia, een struiksoort waarvan het blad bij kneuzing een appelgeur verspreidt.

^Naar het begin van deze pagina

Een standbeeld van Dodoens staat natuurlijk in zijn geboorteplaats Mechelen. Het is te vinden in de stedelijke Kruidtuin aldaar. Het werd in 1849 gebeeldhouwd door Jozef Teurlinckx (1809-1873), die ook de toenmalige landvoogdes der Nederlanden, Margaretha van Oostenrijk, vereeuwigde (na 153 jaar op de Grote Markt te hebben gestaan, werd dit beeld naar een nieuwe locatie op het pleintje bij het Cultureel Centrum gebracht).

De Kruidtuin bevindt zich in het stadspark langs de Dijlerivier tussen de Bruul en de Zandpoortvest. De hoofdingang is langs de Bruul, terwijl er nog ingangen zijn langs de Pitzemburgstraat en de Zandpoortvest. Rond het standbeeld van Dodoens werden 250 verschillende kruiden in groepen per soort, ras en kleur ingeplant. (Het beeld in Mechelen is in feite een kopie naar een borstbeeld, het werd nagemaakt naar het gerestaureerde origineel dat bewaard wordt in de museumapotheek van Schoor, die samen met de apotheek Duwaerts deel uitmaakt van het Museum voor Volkskunde te Antwerpen. Deze apotheek van Oscar van Schoor dateert uit de 19e eeuw en komt oorspronkelijk uit Mechelen, en is de enige publieke officina in Antwerps museumbezit.)

Ook in Gent en in Brussel zijn er standbeelden voor Dodoens opgericht. In Brussel vindt men zijn beeld op de Kleine Zavel. In het midden van dit plein uit 1890 staat het standbeeld van de graven van Egmont en Hoorn, die onthoofd werden op de Grote Markt. Rond Egmont en Hoorn staan tien standbeelden van bekende figuren uit de 16e eeuw, onder wie Dodoens. Bij het bekijken van de namen op de standbeelden kan men vaststellen dat Brussel in 1890 al sterk verfranst was: op het beeld van Dodoens vindt men namelijk de naam Dodonée (Frans voor Dodonaeus).

In het stadsmuseum van Mechelen, het Hof van Busleyden, bevindt zich een borstbeeld van Dodoens en een verkleind gipsen beeldje dat in een vitrine is opgesteld.
Ook in de bibliotheek van de Nationale Plantentuin te Meise is er een borstbeeld, alsmede een rijke verzameling van zijn boeken.
De stad Gent herbergt verscheidene borstbeelden van Dodoens: ze zijn te vinden in het Museum voor Wetenschappen, in de universiteit van Gent, op de afdeling biologie, en op de gevel van het huis aan de Hoogpoort 10, een oude apotheek, waar ook een beeld van Carolus Clusius is te zien.

^Naar het begin van deze pagina

Weg van alle gewoel overdenkt Dodoens zijn wedervaren in de verstilde binnenhof van het Academiegebouw van de Leidse universiteit aan het Rapenburg. Dit is een door weer en wind gehavende kopie, die samen met de beelden van Clusius, Linnaeus en Brugmans ooit een beeldengroep in de Leidse Hortus Botanicus heeft gevormd. Die beeldengroep is uit elkaar gehaald. De kopieën van de beelden van Clusius, Linnaeus en Brugmans zijn nog altijd in de Hortus te vinden (Clusius in zijn eigen Clusiustuin), maar Dodonaeus - zullen we nu maar zeggen - heeft zich dus teruggetrokken op de besloten binnenkoer.

De kopie van het borstbeeld vindt u zó: neem vanaf het Rapenburg de ingang richting Hortus, ga na het eerste hek linksaf het Academiegebouw binnen, en zoek vrijwel onmiddellijk aan uw rechterhand de drie treden en een klapdeur die leiden naar de receptiekamer, vlak vóór de opgang naar de afstudeerruimte. Vanuit de receptiekamer ziet u aan uw linkerhand op het binnenplaatsje het borstbeeld van Dodoens, zonder naamsvermelding.

Alle originelen zijn opgeknapt en worden thans in een van de vertrekken van het Academiegebouw bewaard. Het oorspronkelijke borstbeeld van Dodoens is een sculptuur in zandsteen (71 x 66 cm), frontaal en iets naar links kijkend, met gepijpte plooikraag en omgeslagen mantel. Het is gebeeldhouwd door Gilles Lambert Godecharle (1750-1835). Het beeld gaat terug op de prent door Philip Galle (in zijn 'Virorum doctorum de disciplinis bene merentium effigies XLIIII', Antwerpen 1572), of op de daarvan afgeleide portretten, zoals onder meer de prent door E. de Boulonois. De buste behoort bij de serie van vier beelden die hierboven al zijn vermeld en die Godecharle in 1815-1819 voor de Leidse Hortus vervaardigde. De beelden werden al eens eerder, in 1931-1938, ingrijpend gerestaureerd. Alleen het beeld van Brugmans is gesigneerd. De herkomst van de andere drie beelden is onbekend. Misschien werden ze vervaardigd in opdracht van professor Brugmans ter gelegenheid van de grote uitbreiding van de Hortus, die in 1817-1818 onder zijn leiding werd uitgevoerd. Het beeld van Dodoens was in 1817 nog niet geplaatst, het wordt tenminste niet genoemd door Patt. Neill, de secretaris van de Caledonian Horticultural Society, die in dat jaar een bezoek aan de Hortus bracht.

^Naar het begin van deze pagina

De naam van Dodoens is verder op vele plaatsen in Vlaanderen vereeuwigd in een straatnaam, onder meer in Mechelen, Gent, Ukkel en Antwerpen.

Ter ere van Dodoens werden gedenkpenningen geslagen, onder meer door het tuinbouwkundig 'vennootschap' van Mechelen in de 19e eeuw en door de Marnixkring Mechelen (1979).

Menige botanische vereniging draagt de naam van Dodoens. Om een gewichtige te noemen: het Koninklijk Natuurwetenschappelijk Genootschap Dodonaea (oorspronkelijk het Kruidkundig Genootschap Dodonaea, op 1 december 1887 door professor Julius MacLeod in Gent gesticht). Deze vereniging gaf een jaarboek uit, het Botanisch Jaarboek, waarvan tot 1935 25 afleveringen verschenen (1889-1934). Het jaarboek bleef, maar kreeg een andere naam: Biologisch Jaarboek.

Talrijk zijn de kruidentuinen die aangelegd werden onder inspiratie van Dodoens, vroeger en meer recent, onder meer in Mechelen, Antwerpen, Gent en Brussel en in Leiden en Breda (Begijnhof). In het Sint Janshospitaal te Brugge werd te zijner ere een kruidentuin aangelegd, evenals in het Begijnhof in Diest.

^Naar het begin van deze pagina

In Diest wordt nog jaarlijks bij de opening van het toeristisch seizoen in de lente Dodoens herdacht met een toneelstuk en het bereiden van kruidenkoeken naar een recept van de schrijver zelf. "In de lente pleeght men van de teere bladerkens van dit cruydt, sooi het erst uyt der aerden komt, en noch mals is, met eyeren koeckskens te maken," aldus Dodoens (naar een notitie uit 1550), waarmee hij verwees naar een al eeuwenoud  volksgebruik in de streek van Diest om met Reynvaert (Boerenwormkruid) in het vroege voorjaar pannenkoeken te bakken. De Confrerie van den Cruydtcoeck ondersteunt deze eetgewoonte om Diest als bakermat voor het bereiden van de reynvaertkoek te promoten.

In 1977 werd in Schilde een speciale Dodoenstuin geopend op initiatief van de Vereniging voor Ekologische Land- en Tuinbouw (VELT). In deze tuin werd tevens een gedenksteen met een afbeelding van Dodoens opgericht. De tuin is een kopie van de tuin van het Begijnhof te Breda.

Op 15 mei 1942 werd in België een postzegel van 1 Franc + 15c. met de afbeelding van Dodonaeus uitgegeven in een serie anti-teringzegels.

Het spreekt vanzelf dat Dodoens na zijn dood op veel plaatsen en op vele manieren is geëerd. Zijn werk is uitgebreid bestudeerd en daarover verschenen tal van studies. Diverse schrijvers hebben zich aan een biografie gewijd. Een aantal van die werken wordt genoemd in de bibliografie elders op deze website. Gehuldigd is hij vele malen. Ter gelegenheid van zijn 400e geboortedag werd in 1917 een grote overzichtstentoonstelling gehouden, waarvan ook een catalogus is verschenen. Bij de viering van het vijftigjarig bestaan in 1962 van de Mechelse Apothekersvereniging werd een tentoonstelling ter ere van Dodoens ingericht en een boek 'Mechelen en de farmacie' uitgegeven. En een tiental jaren daarvoor, op 17 october 1953, werd hij samen met Nicolaas Beets op grootse wijze gehuldigd in het Paleis der Academiën te Brussel, in aanwezigheid van de Belgische koning en een hele rij hoogwaardigheidsbekleders.

^Naar het begin van deze pagina

Bronnen

Voor bovenstaande tekst is met dank geput uit het boekje van Guido Thijs:
- Rembert Dodoens, een greep uit zijn leven, zijn tijd, zijn werken, dat in 1979 bij SPD-Rijperman in Delft verscheen (2e bijgewerkte druk, ter gelegenheid van het verschijnen in 1980 van de facsimile herdruk van het Cruydt-Boeck van 1644). (De gegevens in dit boekje werden niet alle klakkeloos overgenomen, omdat niet alle informatie bleek te kloppen. Felix Neefs wees mij er bijvoorbeeld op dat de toeschrijving van een Herbarium aan Dodoens, een vermeend jeugdwerk uit 1533, onjuist is. Zijn bewijsvoering is te lezen in de hieronder opgenomen Bijlage.)
Daarnaast werden onder meer geraadpleegd:
- Bloemlezing uit het Cruydt-boeck van Rembert Dodoens door A. Schierbeek (1941);
- Recherches historiques et critiques sur la vie et les ouvrages de Rembert Dodoens (Dodonaeus) door P. J. van Meerbeeck (1841, reprint Utrecht 1980);
- The Great Herbal of Leonhart Fuchs, 2 Volumes: Commentary & Facsimile, door Frederick G. Meyer, Emily Emmart Trueblood en John L. Heller, Stanford (California), USA 1999.
Veel informatie berust op eigen onderzoek.

Elders op het internet vindt men een uitvoerige inleiding (in het Duits) over Dodoens en zijn werk, in het bijzonder over diens Cruijdeboeck uit 1563, op:

Bijlage
Rembert Dodoens, auteur op 16-jarige leeftijd: een hardnekkige legende door Felix Neefs
(ingezonden december 2005)

Rembert Dodoens, vader van de moderne plantkunde, was genomineerd voor De Grootste Belg, maar heeft de shortlist niet gehaald. Dit niettegenstaande dat hij, als wetenschapper, een 35 werken schreef, waaronder het fameuze Cruijdeboeck.
Op de website van de VRT, die De Grootste Belg organiseerde, leest men o.a. over hem: "Dodoens' eerste publicatie, Herbarium, schrijft hij als hij zestien is."
Dit is een hardnekkige legende die al meer dan een eeuw de geschriften over Dodoens teistert. Wij gaan proberen de bron van deze legende te achterhalen, haar te dempen en definitief naar het land der fabelen te verbannen.

De VRT haalde haar gegevens op een andere website, waarnaar verwezen wordt (www.plantaardigheden.nl). Deze gaf - de pagina is inmiddels herzien - in een korte chronologie van Dodoens het jaar 1533 op voor zijn eerste publicatie. En in de korte beschrijving van zijn werken luidde het: Dodoens' eerste publicatie was een Herbarium. Dit jeugdwerk (hij was pas zestien jaar) verscheen in 1533 bij Claes De Graeve in Antwerpen en bevatte naast de beschrijving van de kruiden en hun werking een verhandeling over de urinen, de pokken en andere ziekten.

Als bron gaf de website plantaardigheden.nl : Voor bovenstaande tekst is met dank geput uit het boekje van Guido Thijs: Rembert Dodoens, zijn leven, zijn tijd, zijn werken (2e bijgewerkte druk 1979).
Guido Thijs is een Mechelaar en oprichter in 1975 van de vereniging Marnixring Mechelen Dodoens. Hij schreef toen voor de leden een eerste druk van zijn boekje over hun schutspatroon. Er bestaat ook een gestencilde samenvatting van zijn tekst verspreid in 1978.
In de drie teksten schrijft G. Thijs: Zijn eerste publicatie (pas zestien jaar oud) een Nederlands Herbarium (1533), verscheen bij Claes De Graeve te Antwerpen waarin naast de beschrijving der kruiden en hun krachten reeds een traktaat over de urinen, over de pokken en andere ziekten, voorkomt.

Op wat of wie baseerde G. Thijs zich om dit te beweren?
In de lange lijst van de geraadpleegde werken in Thijs' werkje vinden wij onder nummer 8: Andries, Raymond: Rembertus Dodoens 1517-1585, zijn leven en zijn werken. Uitgegeven te Antwerpen in 1917.
Dit werkje verscheen ter gelegenheid van de 400e verjaring van de geboorte van Rembert Dodoens, herdacht te Mechelen door het Comiteit der Volksvoordrachten met medewerking van het stedelijk bestuur aldaar. Er werden 1000 exemplaren gedrukt en in de jaren zeventig was dit werkje nog gemakkelijk tweedehands te vinden in Mechelen.
Op bladzijde 8 van zijn boekje schrijft Andries: Pas zestien jaar oud, liet hij reeds een Nederlands Herbarium verschijnen bij Claes De Graeve te Antwerpen, in 1533, waarin nevens de beschrijving der kruiden en hunne krachten, reeds een tractaat over de urinen, over de pokken en andere ziekten voorkomt.
Deze twee aanhalingen lijken veel op elkaar en het is nu zoeken naar de bron van de Andries.

Raymond Andries geeft geen bronnen! Hij was geneesheer te Mechelen en schatbewaarder van de Mechelse Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst.
Hij kende dus G. Van Doorslaer (1863-1944), ook geneesheer te Mechelen en ook lid van dezelfde Kring sedert 1891 (zelfs voorzitter van 1919 tot 1929). Over hem lezen wij in zijn In Memoriam: ... als jong geneesheer publiceerde hij zeer gewaardeerde bijdragen over de geschiedenis van de geneeskunde in onze stad. Zijn ontdekkingen over afkomst en leven van Rembert Dodoens zijn in ruime kring benuttigd.
Onder andere dus door Raymond Andries. In het boek van zijn vriend Georges van Doorslaer, Aperçu historique sur la Médecine et les Médecins à Malines avant le XIXe siècle, uit 1900, vond hij volgende tekst onder de bibliografie van Rembert Dodoens (blz. 162-163 in een herdruk uit 1988):
6° Dodonaeus Herbarius - Den grooten Herbarius met al syn figuren der cruyden, om die crachten der cruyden te onder-komen, met een tractaet om alle urinen te indiceren, id. om die operacien van alle droogherien ende medecynen te kennen, id. van de pocken, enz. Gheprint Thantwerpen bi mi Claes De Grave, 1533.
Van Doorslaer gaat verder: Cet ouvrage, non encore mentionné dans une des bibliographies des travaux de Dodoens, date de l’époque ou celui-ci était au début de ses études à l’Université de Louvain.
Zo ontstaan legenden. Zelfs Prof. Dr. Armand Louis, de kenner bij uitstek van Dodoens, nam deze tekst letterlijk over in een artikel in het Bulletin de la Société Royale de Botanique de Belgique, Tome 82 (1950), pagina 272.

Van Doorslaer vervolgt: Cet ouvrage se trouve dans la liste des envois d’ouvrages faits en septembre 1587, à Gérard Mercator, par la librairie Plantinienne. Hij geeft in een voetnoot als bron een artikel van Dr. J. Van Raemdonck, getiteld Relations commerciales entre Gérard Mercator et Christophe Plantin in het Bulletin du Cercle archéologique du pays de Waes, tome X, pagina 105.
In dat artikel analyseert Dr. Van Raemdonck (die een biografie over Gerard Mercator had geschreven in 1869) de commerciële relaties van 1555 tot 1604 tussen de Plantijnse drukkerij in Antwerpen en Gerard Mercator in Duisburg (enerzijds verkoop van boeken en anderzijds levering van landkaarten).
In 1877 werd in het archief van het Plantin-Moretus museum de boekhouding teruggevonden. Van Raemdonck analyseert in zijn artikel de Journalen, Grootboeken en Kasboeken van deze drukker-boekhandel. Hij beschrijft in detail de werken die naar Mercator werden gestuurd. Bij een zending in september 1587 van vijf boeken noteert en beschrijft hij vier uitgaven van Plantijn. Het vijfde boek staat in het Journaal vermeld als: Dodonaeus Herbarius, in folio à fl 6. Zonder verdere toelichting geeft Van Raemdonck in een voetnoot de titel van het boek dat we reeds kennen.
Waarom hij dat boek kiest is (voorlopig) nog een raadsel. Het is inderdaad eigenaardig dat Plantijn boeken door hem in de vorige jaren uitgegeven zou laten vergezellen van een boek dat vijftig jaar vroeger werd uitgegeven door een andere drukker. Het was trouwens niet eens opgenomen in Plantijns fondscataloog van vreemde werken die hij kon leveren.

Bovendien had Plantijn net in 1583 het magnum opus van Dodoens laten verschijnen: Stirpium historiae pemptades sex. Men zou veeleer verwachten dat een uitgever dat boek naar een goede klant als Mercator zou sturen en niet een uit 1533. In de Duisburger Forschungen band 6 (1962) staat een artikel over hetzelfde onderwerp van Dr Leon Voet, toen conservator van het Plantin-Moretus museum. In een voetnoot vermeldt deze: Il s’ agit ici probablement des Stirpium historiae pemptades sex.
Prof. Louis gelooft ook niet meer aan een Dodoeniaans jeugdboek uit 1533, maar wel aan een uit 1543 (Handelingen Oudheidkundige Kring Mechelen 1985, blz. 57).

Het boek Den Groten Herbarius gedrukt in 1533 bestaat wel, maar is niet van Rembert Dodoens. Het is een tweede herdruk van een boek uit 1514. Toen leefde Dodoens nog niet! In zijn boek Wetenschap in de taal der Vlamingen (1991) schrijft R.A. Blondeau over dit boek: Het gaat hier om een verkorte volkse bewerking, in het Middelnederlands, van het toen zeer verspreide Ortus sanitatis (Hof der gezondheid) van een of meer onbekende auteurs uit het einde van de 15e eeuw. Van dit werk verscheen bij dezelfde drukker een tweede uitgave in 1526 (Dodoens was toen 9 jaar) en een derde in 1533. In 1538 en 1547 volgden nog herdrukken bij andere uitgevers. Het is dus wel duidelijk dat Dodoens op 16-jarige leeftijd Den Groten Herbarius niet heeft geschreven of vertaald.
Waarom Dr. Van Raemdonck dit werk wel toeschrijft aan Dodoens is voorlopig nog een raadsel en wordt verder onderzocht.

^Naar het begin van deze pagina