Jacobus Hendricus Van 't Hoff werd geboren op 30 augustus 1852. Hij was afkomstig uit een gegoede familie. Zijn vader was, zoals veel van zijn voorvaders, burgemeester van het Zuid-Hollandse dorp Groote Lind. Normaal gesproken zou een telg uit zo'n geslacht vanzelfsprekend naar een gymnasium gaan. Van 't Hoff toonde echter al vroeg een voorliefde voor de natuurwetenschappen en het onderwijs daarin stond inmiddels op de HBS op een hoog niveau. Na de HBS werd hem voor zijn studie in Leiden dispensatie verleend voor Grieks en Latijn. Hij behaalde zijn kandidaatsexamen en vertrok naar Duitsland en later naar Frankrijk, waar hij werkte in de laboratoria van twee grote mannen in de chemie in die tijd: Kekulé en Wurtz. In 1873 behaalde hij in Utrecht zijn doctoraal om daarna door te reizen naar Parijs. Een jaar later keert hij terug naar Utrecht om te promoveren. Zijn proefschrift was getiteld Bijdrage tot de kennis van het cyaanazijnzuur en het malonzuur.

Veel grotere faam maakte hij echter met een boekje dat enige maanden daarvoor verscheen: Voorstel tot Uitbreiding der Tegenwoordige in de Scheikunde gebruikte Structuurformules in de Ruimte, benevens een daarmee samenhangende Opmerking omtrent het Verband tusschen Optisch Actief Vermogen en chemische Constitutie van Organische Verbindingen. In dit boekje, dat slechts 13 pagina’s bevatte, zette hij een nieuwe visie op chemische structuurformules uiteen. Een structuurformule geeft inzicht in de chemische samenstelling van een stof. Zo kunnen verschillende stoffen die dezelfde elementen in dezelfde verhouding bevatten, toch worden onderscheiden. Dit bleek echter nog niet voldoende om verwarring over stoffen uit te sluiten. De Duitse scheikundige Wislicenus had al in 1873 zijn vermoeden gepubliceerd dat dit samenhing met een verschillende ruimtelijke uitwerking van de structuurformule. Van 't Hoff werkte dit verder uit, met behulp van kartonnen modellen en kwam tot een drie-dimensionale weergave van de structuurformules. Tot die tijd waren de tekeningen van moleculen altijd twee-dimensionaal geweest. Zijn ruimtelijke weergave van atomen en moleculen loste bovendien nog een aantal onverklaarde waarnemingen op. Hij was met zijn voorstel een van de pioniers van de zogenaamde stereochemie. Van 't Hoffs stelling was in het Nederlands geschreven en werd pas international bekend na de Duitse vertaling door een leerling van Wislicenus.

Maatschappelijk ging het Van ’t Hoff in eerste instantie niet voor de wind. Alleen de veeartsenopleiding in Utrecht had een baan voor hem. De nieuwe hogeronderwijswet van 1876, waarbij een aantal nieuwe universiteiten werden gecreëerd, gaf hem – zoals veel van zijn generatiegenoten – zijn kans. Na twee jaar kon hij zijn lectoraat al inruilen voor een voor een hoogleraarschap in de chemie, mineralogie en geologie in Amsterdam. Zijn inaugurele rede ‘Verbeeldingskracht in de Wetenschap’ toonde aan dat alle grote wetenschappers deze eigenschap in hoge mate bezaten. In Amsterdam werden vervolgens verwoede pogingen gedaan hem te behouden voor de universiteit; hij kreeg zelfs een eigen laboratorium. Toch vertrok hij in 1886 naar Pruisen, waar hij van de Pruisische Academie van Wetenschappen alle ruimte kreeg om aan zijn onderzoek te werken, iets waar hij in Amsterdam door de hoge onderwijsdruk nauwelijks meer aan toekwam. In 1911 overleed hij op 58-jarige leeftijd aan tuberculose.

Naast de ontwikkeling van de stereochemie werkte Van ’t Hoff aan twee andere belangrijke onderzoeksterreinen. In de eerste plaats was dit het chemisch evenwicht, een situatie waarin de verhoudingen tussen twee of meer stoffen stabiel zijn. Een ander onderwerp was de studie naar osmose. Osmose stelt plantecellen, rode bloedlichaampjes of andere cellen in staat om water uit de omgeving aan te zuigen en vast te houden. Er is echter een grens aan de hoeveelheid water die zo’n element kan opnemen. Van ’t Hoff leverde de theoretische onderbouwing van dit fenomeen, dat al enige decennia daarvoor was vastgesteld.

Van 't Hoff was de allereerste winnaar van de Nobelprijs voor de scheikunde. De Nobelprijs voor de Chemie werd hem toegekend voor zijn werk op het gebied van de osmotische druk en het chemisch evenwicht, niet voor de introductie van de stereochemie.