COLLECTIE

Klik op de thumbnail voor de gehele afbeelding
Kom, 16e eeuw
Wanfried (Duitsland)

Bij archeologische opgravingen in Amsterdam is veel 16e eeuws aardewerk gevonden, afkomstig uit Italië, Spanje, Portugal en Duitsland. Veel van dit aardewerk is majolica. Dit type werd met tin-glazuur gebakken, waardoor het later makkelijk te beschilderen was. Deze kom is afkomstig uit Duitsland en werd gevonden bij opgravingen op het Waterlooplein.

WLO-292-5

Amsterdam in vogelvlucht, 1538
Cornelis Anthonisz. (ca. 1507-na 1553)

Dit is de oudste overgeleverde plattegrond van Amsterdam. Deze vogelvluchtkaart werd geschilderd in opdracht van het stadsbestuur en hing lange tijd op het stadhuis. Het noorden, waar nu het Centraal Station staat, ligt onder. De singelgracht liep (van rechtsonder naar linksonder) langs het huidige Singel, de Kloveniersburgwal en de Gelderse Kade richting IJ. Linksonder is de Schreierstoren afgebeeld en links staat de Waag, toen nog St. Antonispoort. Even verder was de Regulierspoort, tegenwoordig bekend als de Munt. De stad was ommuurd en de poorten en torens waren vestingwerken om de stad tegen invallende troepen te verdedigen. Het aantal inwoners in 1538 bedroeg ongeveer 12.000. Links (het oosten), buiten de stadsgracht, zijn scheepswerven met lijnbanen en houtzagerijen te zien. Dat was de zogenaamde Lastage, een gebied dat nu bekend staat als de Nieuwmarktbuurt.

SA 3009
Literatuur

Amsterdam in kaarten : verandering van de stad in vier eeuwen cartografie (Ede 1987)


Koopmansechtpaar, 1541
Dirck Jacobsz (ca. 1497 - 1567), toegeschreven

Vroeger werd aangenomen dat dit echtpaar de Amsterdamse burgemeester Egbert Gerbrantsz en zijn vrouw voorstelde. Hoewel op één van de brieven rechts 'Mr. Jan Egberts' staat geschreven, is die identificatie echter allerminst zeker. Over toeschrijving van het schilderij aan Dirck Jacobsz, zoon van de schilder Jacob Cornelisz, bestaan eveneens twijfels. Maar dit verandert niets aan de diepere boodschap die het schilderij de kijker meedeelt. De koopman en zijn vrouw waarschuwen ons voor de gevaren van rijkdom. Allerlei voorwerpen op tafel verwijzen naar het beroep en de materiéle welstand van de man. Maar links staat geschreven: CEDIT MORS NEMINI (de dood wijkt voor niemand). Deze moralistische boodschap wordt versterkt door de zandloper, de schedel in het venster en de doorkijk naar de Gekruisigde, symbolen voor de vergankelijkheid van het aardse leven. De teksten op de achterwand onderstrepen de plicht tot vroomheid en liefdadige werken.

SA 84
Literatuur

L. Kooijmans, 'De koopman', in: H.M. Beliën, A.Th. van Deursen en G.J. van Setten (red.), Gestalten van de Gouden Eeuw : een Hollands groepsportret (Amsterdam 1995) p. 64-92 | S.A.C. Dudok van Heel, 'Een kooplieden-patriciaat kijkt ons aan of de emancipatie van het Amsterdamse portret tot 1578', in: Renée Kistemaker en Michiel Jonker (red.), De smaak van de elite : Amsterdam in de eeuw van de beeldenstorm (Amsterdam 1986), p. 19-39


Wambuis of kolder, ca. 1550-1600

Opengesneden kleren waren een opvallend fenomeen in de 16de-eeuwse mannenmode. Deze zogeheten spletenmode was gebaseerd op de kleding van landsknechten en ruiters. Vooral het wambuis of kolder was een geliefd kledingstuk. Er bestonden verschillende uitvoeringen van de wambuis, al naar gelang de sociale groep waartoe de drager behoorde. In het 16de-eeuwse Amsterdam werden wambuizen door welvarende burgers gedragen, zoals te zien is op schuttersstukken en individuele portretten. In Nederland zijn dergelijke kledingstukken nauwelijks bewaard gebleven. Deze wambuis werd in 1978 opgebaggerd uit de Oudezijds Achterburgwal. Vanwege de zeldzaamheid werd besloten tot volledige restauratie en reconstructie.

DV 1505

Jan Jelisz. Valckenier en zijn gezin, ca. 1560
Kunstenaar onbekend, tweede helft 16de eeuw

Jan Jelisz Valckenier (1522-1592) was handelsvertegenwoordiger van de koning van Denemarken in Amsterdam. Valckenier importeerde stokvis uit Noorwegen. De gebeukte en gevouwen stokvis in zijn linkerhand is een verwijzing naar zijn beroep. In zijn rechterhand heeft hij een aanbevelingsbrief. Valckenier staat afgebeeld met zijn tweede vrouw, Marij Jansdr. Tengnagel, en met negen van hun tien kinderen. Linksonder zijn twee vroeg gestorven zoontjes in doodshemd afgebeeld. Het gebarsten ei dat het broertje ernaast in zijn hand houdt, verbeeldt het in de knop gebroken leven van zijn twee broertjes. De vierde dochter werd geboren in 1560. Het schilderij is vrij nauwkeurig te dateren, want moeder Tengnagel stierf in 1562.

Bruikleen Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, Amsterdam

SB 1173
Literatuur

S.A.C. Dudok van Heel, 'Een kooplieden-patriciaat kijkt ons aan of de emancipatie van het Amsterdamse portret tot 1578', in: Renée Kistemaker en Michiel Jonker (red.), De smaak van de elite : Amsterdam in de eeuw van de beeldenstorm (Amsterdam 1986), p. 19-39


Hoorn van de Sint Joris- of Voetboogdoelen, 1566
Toegeschreven aan Frederik Jans (? - 1595)

Deze ceremoniële zilveren drinkhoorn werd gemaakt in 1566 voor de Voetboogschutterij, die Sint Joris als schutspatroon had. Er werd geen echte buffelhoorn gebruikt, zoals gebruikelijk, maar de hoorn werd nagemaakt in zilver. De Amsterdamse schutters lieten daarmee zien hoe welvarend ze waren. De patroonheilige is prominent op de hoorn afgebeeld. Het moment is weergegeven waarop hij de draak zal doden om zo de knielende prinses te redden. De constructie van de hoorn is zeer doordacht. De draak delft niet alleen het onderspit, maar houdt in zijn benarde positie tevens de hoorn vast. In de voet is de 'Hollandsche Tuyn' afgebeeld: een omheining met daarin een leeuw. Dit was het symbool van de eendracht van de Nederlandse gewesten.

KA 13965
Literatuur

Louise E. van den Bergh-Hoogterp, 'Der schutters schat' : het zilverbezit van de schutterijen in de Noordelijke Nederlanden', in: M. Carasso-Kok, J. Levy-van Halm (red.), Schutters in Holland : kracht en zenuwen van de stad (Haarlem 1988) p. 140-163


Terugkeer in Amsterdam van de tweede expeditie naar Oost-Indië 1599
Hendrick Cornelisz. Vroom (1566-1640)

Op 1 mei 1598 was admiraal Jacob van Neck met acht schepen uitgevaren naar Azië. Ruim veertien maanden later, op 19 juli 1599, kwamen de eerste vier rijkbeladen schepen terug voor de rede van Texel. Enige tijd later voeren de schepen door naar de thuishaven Amsterdam. Dat moment is op het schilderij vereeuwigd. De schepen hadden Bantam op West-Java bezocht. Dat was toen het belangrijkste centrum voor de inkoop van specerijen. Daar hadden ze 'de handel geplant', vertelt de tekst op de lijst. Drie jaar later, in 1602, werd de VOC opgericht.

Bruikleen Rijksmuseum, Amsterdam

SB 5825
Literatuur

Lodewijk Wagenaar, In het kielzog van de VOC : levende historie (Den Haag 1996) | Femme S. Gaastra, De geschiedenis van de VOC (2e dr.; Zutphen 1991)