Koning en Keizerrijken  

Prins Bernhard: 'Onderkoning' van Nederland

| Koninkrijken | Nederland | Biografie | Fotoalbum | Artikelen | Video |


Prins Bernhard samen met president Dwight Eisenhower

De ster van prins Bernhard steeg snel nadat zijn vrouw Juliana haar moeder was opgevolgd in september 1948. De prins-gemaal werd de koninklijke pleitbezorger voor de Nederlandse export. Als 'gouden boodschappenjongen' van de Nederlandse regering haalde hij miljoenenorders binnen voor ons bedrijfsleven, stelde hij landingsrechten voor de KLM veilig en leverde hij door zijn goodwillreizen een belangrijke bijdrage aan de wederopbloei van de Nationale economie.

De Amerikaanse president Eisenhower, die in 1952 te gast was op Soestdijk, merkte over prins Bernhard op dat-indien deze niet met de koningin van Nederland was getrouwd-hij zeker een politicus van internationaal formaat dan wel president-directeur van een wereldconcern zou zijn geworden. Van 1954 tot 1976 was de prins de vaste voorzitter van de prestigieuze Bilderberg-groep, een club van gerenomeerde internationale politici en industriëlen die eens per jaar in ons land van gedachten wisselt over actuele buitenlandse politieke, economische en maatschappelijke problemen. In die functie groeide de prins uit tot middelpunt van een invloedrijke Atlantische club en werd op zijn beurt weer overal uitgenodigd voor bijeenkomsten van de groten der aarde.

Zo kon het gebeuren dat de sjah van Perzië in die dagen alleen met prins Bernhard wilde onderhandelen over herstel van de betrekkingen tussen Nederland en Iran en president John F. Kennedy zich tegenover de prins uitputte in verontschuldigingen over het mislukken van de onderhandelingen, waardoor de KLM in 1961 geen landingsrechten in Los Angeles waren verleend. In de hele wereld ging letterlijk de rode loper voor prins Bernhard uit, werd hij op zijn missies doorgaans met negentien saluutschoten ontvangen en zag zowel de internationale politieke als zakenwereld hem als de 'onderkoning' van Nederland.

In zijn boek De Prins-Gemaal hekelt journalist Harry van Wijnen het gebrek aan constitutioneel beleid, waardoor opeenvolgende regeringen tussen 1946 en 1976 de prins zijn gang lieten gaan.

"In plaats van duidelijkheid en consequentheid toonden zij gemakzucht en halfheid. In plaats van piketpalen uit te zetten en schrikdraad te spannen lieten zij wat prins Bernhard betreft Gods water over Gods akker lopen".

De struisvogelpolitiek over diens staatsrechtelijke positie vloeide voort uit de vluchtige verhouding die opeenvolgende regeringen onderhielden met de prins. Voor de regering telde alleen de koningin, in formele zin werd gedaan alsof de prins-gemaal niet bestond. Nadat zijn ster in de Tweede Wereldoorlog duizelingwekkend snel was gerezen, zochten in de naoorlogse jaren Nederlandse en internationale ondernemingen, bankiers, duizend-en-één stichtingsbesturen en charitatieve instellingen, gouddelvers van allerlei soort en gewicht, maar ook ministers om het hardst om prins Bernhards vriendschap.


Prins Bernhard begroet veteranen van de Tweede Wereldoorlog

Bedrijven hadden er grote bedragen voor over om zich via een donatie in de Prins Berhhardfonds of het World Wildlife Fund te verzekeren van de vriendschap van de prins, in ruil waarvoor hij menig nieuw kantoorgebouw opende. In 1951 werd prins Bernhard hard door het kabinet-Drees op pad gestuurd om voor Werkspoor een order van 258 miljoen gulden aan spoorwegwagons in de wacht te slepen bij de Argentijnse dictator Peron. Later bleek dat de directie van Werkspoor buiten de prins om 'een rivier van steekpenningen' had moeten betalen aan de perons.

Zijn talloze goodwillmissies voerden hem van Chilli en Mexico tot Amerika, van Indonesië tot Afrika. De prins vloog het liefst zelf het regeringsvliegtuig en maakte in zijn leven meer dan 12.000 vlieguren in meer dan 150 verschillende vliegtuigtypes, bijna evenveel als een KLM-gezagvoerder in zijn totale diensttijd. De Britse prins Philip zei eens:

"Waar ik ook kwam om de belangen van het Verenigd Koninkrijk te behartigen, Bernhard was mij altijd voor geweest".

Aan dit rimpelloze bestaan kwam in 1976 een einde door de Lockheed-affaire. In een commissie van de Amerikaanse Senaat, die beschuldigingen onderzocht van het betalen van steekpenningen door vliegtuigfabrikant Lockheed, viel de naam van prins Bernhard. Deze ontkende tegenover de toenmalige minister-president Den Uyl echter met nadruk. Onder voorzitterschap van mr. A.M. Donner werd de Commissie van Drie gevormde (met Peschar en Holtrop) die de beschuldigingen onderzocht. Deze rapporteerde op 26 augustus 1976 dat de prins

"in de overtuiging dat zijn positie onaantastbaar en zijn oordeel niet te beinvloeden was, zich aanvankelijk veel te lichtvaardig heeft begeven in transacties, die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten".

Ook zou hij zich

"toegankelijk hebben getoond voor onoorbare verlangens en aanbiedingen alsmede initiatieven hebben genomen die het Nederlandse aanschafbeleid bij Lockheed wel in een bedenkelijk daglicht moesten stellen".

Hoewel in de verklaring niet met zoveel woorden werd gerept over het aannemen van steekpenningen-enig hard bewijs was er niet- betuigde de prins in een eigenhandig geschreven brief zijn oprechte spijt over de zaak.


Prins Bernhard als vliegtuigpiloot

"Het rapport van de commissie heeft mij ervan overtuigd dat in mijn jarenlange vriendschappelijke relaties met enkele hooggeplaatste functionarissen van Lockheed mijn betrekkingen met Lockheed zich verkeerd hebben ontwikkeld. Ik heb initiatieven die mij werden voorgelegd, niet voldoende kritisch beoordeeld. Ik heb brieven geschreven die ik niet had mogen verzenden. Ik aanvaard hiervoor de volle verantwoordelijkheid"

Om zijn brief te besluiten met de woorden:

"Ik hoop de gelegenheid te behouden het land te dienen en mede daardoor het vertrouwen in mij te herstellen".

Het kabinet-Den Uyl verbond aan de conclusies van het rapport geen strafrechtelijke consequenties, maar prins Bernhard werd wel dringend verzocht al zijn militaire functies en commissariaten neer te leggen en zijn uniformen niet meer te dragen. Wat hem restte, waren zijn culturele functies, zoals zijn werk voor het Wereld Natuur Fonds. Na de Werkspoor-reis van 1951 was al vast komen te staan dat "de collectieve ministriële verantwoordelijkheid voor de gedragingen van de prins had moeten worden geactiveerd". In plaats hiervan lieten opeenvolgende kabinetten hem decennialang zwemmen, hetgeen hen ten minste medeverantwoordelijk maakte voor de latere gebeurtenissen. Thans, een kwart eeuw na dato, blijkt de Lockheed-affaire niet meer dan een rimpeling in zijn veelbewogen bestaan te zijn geweest.

Het heeft de prins moeite gekost niet naar buiten te brengen wat er werkelijk speelde tijdend de Lockheed-affaire. Van zijn plan dit ooit nog eens de te doen kwam niets terecht. Zijn laatste kans, de brief aan het Nederlandse volk van februari 2004, ging niet verder dan de mededeling dat hij "wilde verwijzen naar het uitvoerige rapport van de commissie die deze zaak heeft onderzocht". Met vrijwel alle ondernemingen en instellingen waarmee de prins in 1976 zijn relatie had moeten opgeven, bleven nauwe banden bestaan. Zo bleef hij op Paleis Soestdijk het 'steering committee' van de Bilderberg-groep ontvangen, bleef hij eregast op diners van captains of industry en bleef ook de KLM zijn oud-commissaris op de oude voet bejegenen.

Stille loyaliteitsverklaringen kreeg hij van vroegere mede-bestuurders en militaire medewerkers. Op de Zwaluwenberg in Hilversum, waar hij kantoor hield als inspecteur-generaal van de krijgsmacht, hebben zijn opvolgers zijn werkkamer uit loyaliteit grotendeels in de staat gelaten waarin hij die in 1976 achterliet. En sinds dat jaar sloeg de prins op de Zwaluwenberg geen 'generaalsdiner' over, een traditie die hij zelf had ingesteld. Het militaire eerbetoon bleef door alle stormen heen bestaan. Ook de regering bleef uiteindelijk niet achter. Nadat premier Van Agt hem in 1979 al incidenteel toestemming gaf om het uniform weer te dragen, liet minister-president Lubbers de prins in 1991 bij diens 80e verjaardag weten dat de regering het op prijs zou stellen als hij bij voorkomende gelegenheden het uniform weer zou willen dragen:

"Daarmee zou u velen een groot plezier doen".



De prins zelf, die altijd betwistte dat de regering hem ooit een officieel uniformverbod had opgelegd, had hierover het laatste woord. Zo meldde hij Lubbers doodleuk:

"Daar doet u mij geen enkel plezier mee. Die uniformen kunnen mij gestolen worden".

Maar aangezien hij gevoelig was voor de gedachte dat hij er zeer velen een groot plezier mee zou doen, trok hij het in 1991 bij de herdenking van de Duitse capitulatie in Wageningen toch weer aan. Hetzelfde uniform dat hij in de oorlog had gedragen, zat hem nog als gegoten. "Er hoefde geen knoop te worden verzet". Tijdens de 50-jarige herdenking van D-day, in juni 1994, droeg de prins zijn admiraalsuniform. Zij aan zij met de Amerikaanse president Bill Clinton en de Britse koninklijke familie voer de toen 82-jarige prins met de Royal Brittannia vanuit Engeland naar de kust van Normandië voor het bijwonen van de plechtigheden.

De prins werd emotioneel tijdens herdenkingen, waarbij oude oorlogsherinneringen weer bovenkwamen. Zoals de mislukking van de Slag om Arnhem in september 1944. Hij, Bernhard, had de Britse veldmaarschalk Montgomery indertijd geadviseerd een week eerder vanaf de grond op te trekken tegen de Duitse bezetter. Deze had dit advies hooghartig in de wind geslagen met inmiddels bekende fatale gevolgen.



| Koninkrijken | Nederland | Biografie | Fotoalbum | Artikelen | Video |


terug naar boven