De Pijp (noord)
De Pijp (zuid)
Nieuw Zuid

[Referentie]
[Terug]

Amsterdam Oud Zuid

De structuur van het gehele gebied is gebaseerd op drie uitbreidingsplannen: het Plan-Van Niftrik (1866), het Plan-Kalff (1876) en het Plan Zuid, ook wel Plan-Berlage (1915) genoemd. De drie plannen zijn ontstaan in een periode van een halve eeuw, waardoor de verschillende wijken een geheel eigen opzet hebben. Elk van deze plannen is gedeeltelijk, in min of meer gewijzigde vorm, gerealiseerd.

Plan-Van Niftrik (1867) Plan-Kalff (1875)
Plan-Berlage (1915)

Het huidige stadsdeel Amsterdam Oud Zuid bestaat uit drie deelgebieden: De Pijp, Oud Zuid en Nieuw Zuid. Elk deelgebied is weer onder te verdelen in verschillende wijken en buurten, die elk hun eigen karakter hebben. Hieronder leest u over de drie deelgebieden waarin de nieuwe rijksmonumenten zijn te vinden.

[De Pijp, noordelijk deel] [De Pijp, zuidelijk deel] [Nieuw Zuid]

De Pijp (noord): langgerekte bouwblokken

Het noordelijk deel van de Pijp behoort tot de ring, die vanaf de tweede helft van de 19de eeuw rond de bestaande stad werd aangelegd. De begrenzing van dit deel van de Pijp wordt gevormd door de Ruysdaelkade, de Stadhouderskade en het schuin lopende Noordelijke Zaagmolenpad, de huidige Gerard Doustraat.

Eerste J. van Campenstraat - hoek Ruysdaelkade

Hoewel het Plan-Van Niftrik in1868 door de gemeenteraad werd verworpen maakte Van Niftrik een jaar later wel een deelplan voor de noord-westpunt van het gebied. De buurt heeft een kenmerkend rechthoekig stratenpatroon dat de bestaande polderverkaveling van sloten en paden doorbrak. Vanaf omstreeks 1870 werd er onteigend voor de aanleg van wegen, drie jaar later was de bouw van buurt YY, zoals het gebied aanvankelijk heette, in volle gang.

De vroegste bebouwing vond plaats aan de Jacob van Campenstraat, de Gerard Doustraat en de Daniël Stalpaertstraat. De buurt was aanvankelijk bedoeld voor de burgerij, maar door verdichting van de bebouwing werd het een arbeidersbuurt. Omstreeks 1885 was het grootste deel van de huidige Frans Halsbuurt en de Gerard Doubuurt bebouwd.

Tweede Jan van der Heijdenstraat

In 1876 volgde het uitbreidingsplan van Kalff, dat in enigszins gewijzigde vorm in de jaren 1880-1890 grofweg tot aan de huidige Ceintuurbaan en het Sarphatipark werd uitgevoerd. Het voorzag in de aanleg van straten volgens het bestaande pre-stedelijke verkavelingspatroon met evenwijdig lopende straten (oost-west gericht) en langgerekte bouwblokken, zoals het blok aan de Tweede Jan van der Heijdenstraat tussen de Hemonystraat en de Van Woustraat. Kenmerkend voor de buurt is de dicht aaneengesloten en langgerekte bebouwing met lange zichtlijnen. De bouwblokken zijn gebouwd aan relatief smalle straten. Een ‘knik’ in de zichtlijnen duidt op het verloop van de vroegere paden en poldersloten. Het is vooral dit deel van de buurt dat veel mensen herkennen als de ‘echte’ Pijp.

De Pijp (zuid): monumentale woningbouwcomplexen

Lutmastraat

In 1896 annexeerde Amsterdam een groot deel van de gemeente Nieuwer Amstel, waardoor verdere uitbreiding naar het zuiden mogelijk werd. Het betrof hier overwegend landelijk gebied met een agrarische functie, maar vanaf omstreeks 1885 werden er door Nieuwer Amstel op sommige plekken ook lage eengezinswoningen gebouwd. Lagere grondprijzen maakten het voor Amsterdammers aantrekkelijk om hier, net over de gemeentegrens, te komen wonen. Die bebouwing werd na de annexatie grotendeels gerespecteerd. Dit gold ook voor het kort tevoren gebouwde raadhuis, dat in 1914 de functie van Gemeentearchief van Amsterdam kreeg. De bestaande bebouwing lag op polderpeil en dus lager dan de nieuwbouw die op opgespoten zand werd gebouwd. Nog steeds zijn in dit deel van de Pijp voorbeelden van landelijke woonhuisarchitectuur zichtbaar, net als plaatselijke hoogteverschillen van het maaiveld. Een groot deel van deze pre-stedelijke bebouwing, globaal ten oosten van de Lutmastraat tot aan de Amstel, is overigens zonder uitbreidingsplan tot stand gekomen, wat ook geldt voor grote stukken bebouwing van het deelgebied Oud Zuid.

Toen verdere uitbreiding eenmaal mogelijk was werd architect H.P. Berlage gevraagd een nieuw uitbreidingsplan te maken voor geheel toenmalig Amsterdam Zuid. Berlage kreeg hierbij meer vrijheid dan zijn voorgangers, omdat onteigening (en invoering van het erfpachtstelsel) inmiddels als bestuursinstrument was aanvaard. In 1900 werd zijn Plan Zuid voltooid. Hoewel het plan in 1905 door de gemeenteraad werd goedgekeurd, was er ook de nodige kritiek. Berlage maakte mede naar aanleiding van die kritiek een geheel nieuw plan voor Amsterdam Zuid: het zogenaamde Plan Zuid II, dat in 1915 werd voltooid en twee jaar later door de raad werd vastgesteld. Karakteristiek voor dit plan is de monumentale stedenbouw die met grote verkeerswegen, kanalen en een zakelijk verkavelingspatroon tegemoet kwam aan de eisen van de moderne tijd. Ook was in het plan relatief veel ruimte voor groen en buurtpleinen vrijgemaakt. De Boerenwetering verdeelde het plan in twee delen.

Het zuidelijke deel van de Pijp is gelegen in het oostelijk plandeel van Berlage. In dit plandeel ligt ook de Rivierenbuurt die thans tot het stadsdeel ZuiderAmstel behoort. Het gebied wordt door de verlengde Ferdinand Bolstraat, de Tweede van der Helststraat en de Van Woustraat in vier segmenten verdeeld die naast elkaar aan het Amstelkanaal zijn gesitueerd. Het gedeelte tussen de Ferdinand Bolstraat en de Tweede van der Helststraat was bestemd voor een Volkspaleis (thans de plek van het Okura hotel), terwijl oostelijk daarvan een Academisch Ziekenhuis was geprojecteerd. Het gedeelte tussen de Van Woustraat en de Amstel en het meest westelijk gelegen deel van de uitbreiding, tussen de Ruysdaelkade en de Ferdinand Bolstraat, waren bestemd voor woningbouw. Van de vier segmenten aan het Amstelkanaal zijn de buitenste twee grotendeels uitgevoerd in de jaren ’20 van de twintigste eeuw. Het overige gebied kreeg echter een andere invulling dan was voorzien. Zo werd het geplande ziekenhuisterrein op een binnen het ontwerp passende wijze verkaveld door de Gemeentelijke Woningdienst en geschikt gemaakt voor de bouw van woningen.

De Dageraad, P.L. Takstraat / Jozef Israëlskade

Hier verrees de P.L. Takbuurt, die mede door de bijdrage van architecten als P.L. Kramer en M. de Klerk voor woningbouwvereniging De Dageraad kon uitgroeien tot een van de stedenbouwkundige en architectonische hoogtepunten van de Amsterdamse School.

Nieuw Zuid: appartementen en villa’s

Gerrit van der Veenstraat 102-106 hoek Minervalaan

Berlages Plan Zuid voorzag in stedelijke bebouwing in drie klassen. Woonblokken in klasse 3 waren bestemd voor arbeiders en klasse 2 voor middenstandswoningen. De aaneengesloten herenhuizen en vrijstaande villa’s van klasse 1 waren bestemd voor de hogere inkomensgroepen en welgestelden. Nieuw Zuid dat in het westelijk plandeel van Berlage ligt, was bestemd voor klasse 1. Het gebied werd dan ook voornamelijk volgebouwd door particuliere beleggers en door eigenaar-bewoners.

Plan Zuid laat zich het best begrijpen als een raamplan: een stelsel van brede verkeersaders met daartussen rustige en enigszins geďsoleerde woonstraten en pleinen. Aanpassingen ter plaatse kwamen tot stand zonder dat dit leidde tot aantasting van de essentie van het raamplan. Symmetrie is een belangrijk element in het plan, zowel op het niveau van de stedenbouw als van de architectuur. In de omgeving van de Marathonweg en de Minervalaan is die symmetrie goed zichtbaar.

Minervaplein

De Minervalaan vormde in de oorspronkelijke opzet de centrale middenas van de wijk (in noord-zuidrichting). Aan de noordzijde van deze as was in een Kunstacademie voorzien, aan de zuidzijde was een Spoorwegstation geprojecteerd. De Minervalaan was in Plan Zuid oorspronkelijk bestemd als brede ‘Stationsstraat’ naar Station Zuid . Aan deze as verrezen monumentale wooncomplexen naar ontwerp van de architecten G.J. Rutgers, J. Roodenburgh en C.J. Blaauw.
De architectuur in het hele gebied is over het algemeen van een hoge kwaliteit. De bebouwing wordt gekenmerkt door appartementengebouwen, villa’s en twee-onder-een- kapwoningen met markante, vaak steile kappen in vele varianten. De architectuur is doorgaans uitgevoerd in een sobere variant van de Amsterdamse School-stijl. De meest karakteristieke architectuur werd gebouwd tussen 1925 en1932 direct aan de centrale as Minervalaan-Minervaplein.

Het gebied ten zuiden van het Zuider Amstelkanaal is niet in de oorspronkelijke opzet gerealiseerd, omdat het station pas veel later werd gebouwd. De huidige bebouwing werd pas na het midden van de jaren ‘50 van de twintigste eeuw opgetrokken, volgens een geheel nieuw ontworpen stratenpatroon. Met het niet uitvoeren van Station Zuid verloren ook de aanvoerwegen naar dit station hun aanvankelijke functie en kwam het accent meer te liggen op de oost-west gerichte wegen, zoals de Apollolaan en de Stadionweg. De Apollolaan is in Berlages Plan Zuid bestemd als een 60 meter brede verkeersweg én wandelweg. De laan werd in het plan aangeduid als ‘Parkweg’. Aan de zuidzijde van de laan werden overwegend aaneengesloten herenhuizen gebouwd. Aan de overkant, aan de zijde van het Noorder Amstelkanaal, werden groepen van enkele of dubbele villa’s gebouwd. Het is vooral dit laatste type bebouwing, zoals bijvoorbeeld de villa ‘La Pergola’, dat deze buurt in de Amsterdamse volksmond de naam van ‘Goudkust’ heeft opgeleverd.
Bij de kruising van de drie belangrijkste waterwegen in Berlages Plan-Zuid werd in de jaren '30 de Apollohal gebouwd.

En Station Zuid? Dat is er uiteindelijk toch nog gekomen. In het begin van de jaren ’80 werd het als Station Zuid/WTC in gebruik genomen, op nagenoeg dezelfde plek als in het oorspronkelijke plan.