Nederlands Dagblad logo
Het overvolle programma van Johann Sebastian Bach

De wereld van de Bach cantates (red. Christoph Wolff) deel 2: Johann Sebastian Bachs wereldlijke cantates, ISBN 90 6825 161 9; deel 3: Johann Sebastian Bachs kerkelijke cantates uit Leipzig, ISBN 90 6528 162 7; Uniepers, Abcoude, 1997 (dl.2), 1998 (dl.3); Prijs per boek: fl59,95

door Marcel S. Zwitser

Ton Koopman en het Amsterdamse Barokkoor en -orkest zijn al een aantal jaren bezig alle cantates van Bach uit te voeren in vier Nederlandse concertzalen (in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) en op te nemen op cd. Het project vordert gestaag. Het bijzondere aan de cd-uitgaven met Koopman is dat de cantates zoveel mogelijk chronologisch geordend zijn. Toen de concertserie begon, werd bekend gemaakt dat het de bedoeling was naast de cd's ook een driedelig boekwerk uit te geven. In deze boeken zouden diverse Bach-specialisten facetten aan het rijk geschakeerde cantatewerk van Bach belichten. Onlangs verscheen het afsluitende derde boek over de geestelijke cantates die Bach in Leipzig schreef. Het tweede deel verscheen al eerder.

Het tweede boek behandelt de wereldlijke cantates van Bach. Wereldlijke cantates werden geschreven ter huldiging van vorsten, professoren of andere belangrijke mensen in de stad. De term 'wereldlijke cantate' is in de 19e eeuw door musicologen verzonnen. Er resten ons van Bach niet meer dan ruim twintig wereldlijke cantates. Zeer waarschijnlijk heeft hij er veel meer gemaakt. De wereldlijke cantates zijn eigenlijk altijd de stiefkinderen van Bachs oeuvre geweest. Hans-Joachim Schulze legt in het elfde hoofdstuk uit hoe dit komt. In de 19e en in de vroege 20e eeuw had Bach het stigma van de grote Duitse kerkcomponist. Al het Bach-onderzoek uit die tijd ondersteunde bewust of onbewust deze visie. In deze periode ontdekte men, dat Bach veel muziek uit zijn wereldlijke cantates in een later stadium in een geestelijk werk hergebruikte. Dit verschijnsel noemen we 'parodie'.

Om het kerkmuzikale stigma van Bach te benadrukken, werden de wereldlijke cantates bijna anderhalve eeuw lang als een soort voorstadium voor het latere geestelijke werk beschouwd: in de geestelijke compositie zou Bach pas de volle rijkdom van zijn oorspronkelijk wereldlijke muziek ontwikkeld hebben. Het gevolg was een jarenlange miskenning van Bachs wereldlijke cantates. Maar langzamerhand is het besef doorgedrongen dat dit een valse voorstelling van zaken is. De wereldlijke cantates hebben zonder meer als op zichzelf staande composities bestaansrecht. Dit tweede boek vormt een introductie tot de achtergronden van Bachs wereldlijke cantates. Vragen die in dit boek beantwoord worden, zijn onder meer: in hoeverre is Bach beïnvloed door Italiaanse cantates (van bijvoorbeeld Alessandro Scarlatti) of door de opera? Wie bestelden eigenlijk zulke cantates? Bij welke gelegenheden gebeurde dit? Wat kreeg Bach er voor? Wat zijn de onderwerpen? Wie schreef de teksten? Hoe zitten die teksten in elkaar?Het derde boek gaat over de kerkelijke cantates die Bach schreef als cantor van de Thomaskerk in Leipzig (1723-1750). Over de eerste jaren dat Bach als cantor werkte, gaat het bijna ongelooflijke verhaal dat hij elke week een nieuwe cantate schreef. In dit boek wordt duidelijk dat dit geen verzinsel is. Uitgebreide tabellen met titels van cantates en de data van de zondagen waarvoor ze bedoeld waren, tonen aan dat er inderdaad week op week een nieuwe cantate was.

Bach lijkt niet erg veel op te hebben gehad met de prestaties van zijn voorganger Johann Kuhnau. Het was gebruikelijk dat de Thomaskerk na het overlijden van haar cantor zijn integrale werk kocht en in het archief plaatste. Het werk van Kuhnau ontbreekt echter grotendeels in het archief van de Thomaskerk. Het lijkt erop dat Bach van mening was, dat het tijd was voor nieuwe muziek. Waarschijnlijk heeft hij een negatief advies gegeven over de aanschaf van de nalatenschap van Kuhnau en heeft hij zich voorgenomen binnen het tijdbestek van een aantal jaren zelf een reeks cantatejaargangen te componeren.Werken als cantor van de Thomaskerk in Leipzig was zelfs zonder cantateproductie zeer intensief. Voor Bachs voorgangers en de studenten begon de werkdag om vier uur 's ochtends (in Bachs tijd begon men een uurtje later). De taak van de cantor was de muziek voor de diensten in de vier kerken van Leipzig te verzorgen. Vooral rond de feestdagen leidde dit tot een overvol programma met meer diensten op een dag. Onwillekeurig vraag je je af hoe Bach het klaargespeeld heeft, om in zo'n druk bezet bestaan zo veel cantates te componeren. Dit verbaast eens te meer, als we de cantates nader bestuderen. De diversiteit van de werken verraden een onophoudelijke drang naar variëteit en een afkeer van eenvormigheid en standaardpatronen.

Beide boeken bestaan uit twee delen. Het eerste deel heet steeds Bach en zijn wereld, het tweede deel De werken en hun wereld. Het eerste deel is vooral biografisch van aard. Deze hoofdstukken zijn goed leesbaar, ook voor de geïnteresseerde leek. Doordat het tweede deel technischer is, passeren hier veel vaktermen. Sommige passages zullen voor lezers met een bescheiden muzikale achtergrond moeilijk leesbaar zijn. De auteurs veronderstellen dat de lezers de cantates kennen. In hun hoofdstukken springen ze moeiteloos van de ene cantate naar de andere.De boeken zijn natuurlijk bedoeld om te lezen bij de cd-opnamen van Ton Koopman. In het hele boek worden de cantates meestal aangegeven met de BWV-nummers (om niet steeds een lange titel op te hoeven schrijven). Dit is praktisch voor de lezers die gepokt en gemazeld zijn in de Bach-cantates of voor hen die een goed cijfergeheugen hebben. Degenen die niet in een van deze twee categorieën thuishoren, zijn genoodzaakt herhaaldelijk terug te bladeren.

De boeken zijn mooi uitgegeven. Ze zijn fraai en uitgebreid geïllustreerd en de drukkwaliteit is goed. Jammer is, dat de redactie van het derde boek nogal slordig is. Het begint al bij de inhoudsopgave. Hoofdstuk 6, Teksten en tekstdichters, wordt vermeld als het laatste hoofdstuk van Deel I. In het boek is het echter het eerste hoofdstuk van Deel II. De slordigheden in de tekst zijn van allerlei soort, zoals spelfouten (p.181: 'gepeeld'; p.197: 'parallelle tertsen en sekten'; p.205: 'omgedraait'), incorrecte zinsbouw (p.132: 'voor zover deze nog de Duitse taal wordt gebruikt') of zetfouten (p.193: 'een een of vocale solo's'; p.198: 'driekwartsmaat maat'). In het notenvoorbeeld 3 op p.217 staat twee keer exact hetzelfde onder elkaar. De vertaler lijkt niet erg bijbelvast te zijn: de broedermoordenaar heette geen Kaën (p.134) maar Kaïn. Klaarblijkelijk is hij er niet van op de hoogte dat het Oude Testament twee boeken over Koningen bevat, gezien zijn afkorting Kon. 5: 8-11 (p.83). Zijn vertaling van Luthers uitleg van het Magnificat (p.72) vertoont een merkwaardige fout, die er op lijkt te wijzen dat hij niet goed weet waar hij over schrijft. Luthers woorden over Maria 'alleyn got macht sie grosz' vertaalt hij met 'Alleen God maakt haar groot'. Maar dat is natuurlijk de bedoeling niet. Het moet zijn: 'Alleen God maakt zij groot'. Luther refereerde direct aan de openingszin van het Magnificat: 'Mijn ziel maakt groot de Here' (Lukas 1:46). In Luthers tekst is Maria dus onderwerp en geen lijdend voorwerp.