Cosmotheoros (1698)

Tegen het einde van zijn leven werkte Christiaan Huygens aan een "filosofisch geschriftje", dat opgedragen was aan zijn broer Constantijn en waarin hij zijn denkbeelden ontvouwde over de bouw van het heelal en de bewoonbaarheid van de hemellichamen. Christiaan baseerde zich daarbij op zijn eigen waarnemingen en die van andere sterrenkundigen.

Aanvankelijk wilde Christiaan dit werkje in het Frans publiceren maar hij besloot uiteindelijk om het in het Latijn uit te geven. Christiaan voltooide het manuscript in het begin van 1695 en op 7 januari schreef hij aan Constantijn dat hij ook al een uitgever had gevonden die bereid was om het uit te geven. Op 4 maart schreef hij echter dat de uitgave vertraging had opgelopen. De uitgever had het eerste blad laten drukken, maar had daarna aan andere werken voorrang gegeven. Christiaans gezondheid ging echter snel achteruit en hij overleed op 8 juli van dat jaar. In zijn laatste wilsbeschikking, die op 23 maart werd opgesteld, verzocht hij Constantijn om namens hem toe te zien op de uitgave.

De positie van Constantijn als secretaris van stadhouder-koning Willem III vereiste echter zijn regelmatige aanwezigheid in Londen en het zetten en drukken van Christiaans boek vorderde maar langzaam. Toen Constantijn op 12 november 1697 overleed was het boek nog steeds niet gereed. Uiteindelijk was het de Leidse hoogleraar in de wis- en natuurkunde Burchard de Volder die de uitgave tot een goed einde bracht.

Al spoedig na de uitgave van de Latijnse tekst van de Cosmotheoros bij de Haagse boekhandelaar Adriaan Moetjens, verschenen vertalingen van dit werk in het Engels (1698) en in het Nederlands (1699), onder de titel De Wereldbeschouwer, of Gissingen over de Hemelsche Aardkloten, en derzever Cieraad. In de daarop volgende jaren verschenen ook vertalingen in het Frans (1702), Duits (1703), Russisch (1717) en in het Zweeds (1774).

Deze online editie is gebaseerd op de Nederlandse vertaling van Pieter Rabus (1660-1702), praeceptor (leraar) aan de Latijnse School in Rotterdam en onder meer bekend als dichter, vertaler en tijdschriftredakteur. Zijn vertaling van Huygens' boek verscheen in het begin van 1699 bij de Rotterdamse boekdrukker Barend Bos. Een herdruk verscheen in 1717 en het werk werd nogmaals met een iets gewijzigde titel uitgegeven in 1754 bij Amsterdamse boekdrukker Steven van Esveldt (een facsimile van deze laatste uitgave verscheen in 1989 bij Epsilon Uitgaven, Utrecht). Klik hier voor nadere bijzonderheden over deze online editie.

De tekst van de Latijnse uitgave van 1698 is ook beschikbaar met een Franse vertaling en commentaar in de online editie van Huygens' Oeuvres Complètes [vol. 21, pp. 653-842].


CHRISTIAAN HUIGENS,
WERELD­
BESCHOUWER,
OF
ONDERZOEK OVER DE HEMELSCHE
AARDKLOOTEN,
EN DERZELVER CIERAAD.
Met noodige wiskunstige Afbeeldingen.
Uit het Latyn vertaald

DOOR
P. RABUS.
TE AMSTERDAM,
By STEVEN VAN ESVELDT,
In de Kalverstraat, het derde Huis van
de Roomsche Kerk de Papegaay,
1754.

[*2r]

DEN
ZEER GELEERDEN
HEERE
DR. HERMAN
LUFNEU,
ROTTERDAMMER
STADS GENEESHEER
KENNER
VAN
WIJSBEGEERTE,
EN
WlSKONST,
Zy dit
VERTAALD WERKJE
opgedragen
VAN
zijnen verpligten Dienaar
BAREND BOS,

[*3r]

PIETER RABUS
zegt den
LEZER
heil.

DE wijdberoemde Maker van dit Werkje de Heer Christiaan Hugens quam voor weinige jaren te sterven, als hy ’t zelve, volschreven zijnde, ter drukpers vervaardigt had; en beval by uiterste wille zijn Broeder Konstantijn, Hollandsch Geheimschrijver van den Koning van Engeland, die bezorging over te nemen. Dog deze wel Ed. Heer konde daar toe geen tijd uitbreken, dan een jaar na zijn’s Broeders overlijden: by welke tussenval, en ’t sukkelen der Letterzetters, wanneer het nu stond gedrukt te worden, de Heer Konstantijn zelf ook door het sterflot weggerukt, en dit maaksel van zijn tweede Vader beroofd is. Men heeft het dan in ’t ligt laten gaan, zonder eenige verandering, zoo als het van den wiskonstigen Schrijver aan den [*3v] wel gemelden zijnen Broeder was toegeëigend.

Dus word ons berigt in de Voorreden van de Latijnsche uitgifte, onlangs in den Hage gedaan; welk werkje, na dat het my ter hand besteld, en van my ook tot een uittreksel gebragt [Sedert in de Boekzaal gezet. Zie Herfst- en Wijnmaand 1698], was (niet zonder de grootste wellust, die my in het doorbladeren van eenig schrift ooit is overgekomen) hebben eenige vrienden raadzaam geoordeelt, dat de Drukker Barend Bos my zou verzoeken, ’t zelve Hollandsch te doen spreken: waar toe ik niet ligtelijk een besluit zou hebben genomen, by aldien de oververnuftige gissingen en uitvindingen, daar in vermeld, my niet al te waardig hadden geschenen, dan dat ze van kenners der Latijnsche taal alleen gelezen wierden. Ik wete wel dat onder onze Landsluiden sommige gevonden worden, dien deze Letterheiligdommen niet konnen vermaken, om dat zy die zoo luttel verstaan, als het inzigt, waar meê ze van my vertaald [*4r] zijn; maar voor die nam ik de moeite niet, gelijk de brave Schrijver ook zijne gedagten niet openbaarde voor zulke, die, schoon zy meinen Latijn te kennen, nogtans tor het verstaan van deze Latijnsche bladen geen raad weten.

Voor my, ik kan niet anders zien, of ik hebbe reden gehad, my zelven gelukkig te agten, in het achtereinde van een eeuw geboren te zijn, in welke eenige weinige Mannen met onvermoeide naarstigheid het pad gebaant hebben, waar langs weetgierige menschen konnen geraken tot een geheel andere bevatting van zaken, dan welke zy van hunne voorouders hadden overgenomen. Onder die weinige (ik zal hen hier niet noemen, en ’t is niet noodig) stelle ik den doorlugtigen Voorsteller dezer waarschijnelijke Gissingen, die met de verreziende oogen zijn’s verstands, en ’t behulp van Kijkglazen, de verr’gelegene Hemelsche lichamen nader dan eenig borger van ons Aardklootje heeft bekeken. Jammer is ’t, voorwaar, dat zulke vernuften zoo [*4v] lang niet mogen leven, als men beschreven vind, dat sommigen der Aartsvaders gebeurt is.

Maar waar toe dit vergeefs geklaagt!

Lees, en herlees dit, gy al wie op nieuwe ontdekkingen zoet zijt, en neem ten besten mijn arbeid van vertalen, die waarlijk grooter is geweest, dan misschien den onkundigen blijkt; om dat eenige zaken in ’t Latijn zoo kort afgebroken, en met zulk een schrijfwijse geschikt zijn, dat ze schijnen geen vertaling byna te willen lijden. Behaagt u mijn dienst om u wijzer te maken, zoo moet het u wel gaan.

[*5r]

SCHETS
van ’t Werk, aan den zeer geleerden Rotterdammer Stads Geneesheer
Dr. HERMAN LUFNEU.

Nog streelt dat Hemelwerk mijn zinnen,
En ’t komt my telkens weêr te binnen,
Hoe Hugens my van d’ Aarde om hoog,
Opvoerde boven ’t zwerk der Wolken,
En Dampen, na de Starrevolken,
Door kreits op kreits, door boog op boog.
Wist Griekenland zoo grof te liegen
Van Dedalus, en ’t konstig vliegen
Des Mans, door ’t ruime Luchtgewelf;
’k Lach met de leugenrijke Grieken:
Hier krijgt mijn geest heel and’re wieken,
En vliegt tot in Saturnus zelf.
[*5v] Geleerde Heer, die my quaamt vinden,
Wanneer ik my ging onderwinden
Zoo zwaar, zoo hachelijk een togt;
Gy hebt die reislust aangedreven.
Gy gaaft my moed om voort te streven,
Zoo verr’ ik ’t gispad volgen mogt.
Wie moet Kopernikus niet loven,
Die al het duister komt te boven,
En ons de gronden legt, ten blijk
Dat yders Dwaalstars rond gevaarte
In lichaams-vastheid en in zwaarte
Onze aardsche woonplek is gelijk.
Men denk niet dat die grooter ronden,
Naauwkeurigst in deze eeuw bevonden,
Het ciersel missen, ’t welk den Kloot
Van ons klein Wereldje doet pronken,
Maar dat z’ ook rijk’lijk zijn beschonken
[*6r] Met al wat spruit uit ’s Aardrijks schoot.
Niet slegts met Landen, Zeën, en stroomen,
Met Kruiden, Telgen, en met Boomen,
Maar Dieren, ja (gelooft het vrÿ
Gy trotse menschjes hier op Aarde)
Gedierte, dat geen minder waarde
Van Ziel en Reden heeft als gy.
Of zou ’t vernuft, dat ons by trappen
Opstijgen leert tot wetenschappen,
Ons stervelingen hier alleen,
En aan geen and’ren zijn gegeven?
Daar van is nooit tot ons geschreven
Daar toe zegt zelf de Reden neen.
Onnooz’le halzen, die voor dezen
Niet Wijzer plagt genaakt te wezen,
Dan dat dit Aardrijk vast en plat,
Met haar Gedierte, alleen den Hemel,
[*6v] En al dat heerlijk Star-gewemel,
Voor haar beschouwing open had:
En dat ’er geen Dwaalstarrelingen
De wondere veranderingen
Der Klooten digter zagen dan
D’Aard-borgers! Komt, volgt Hugens schreden,
En leert door Lucht en Wolken treden;
Zoo vat gy d’ er wat anders van.
En zijt gy gretig t’ overwegen
Waar yder Dwaalstar is gelegen,
Hoe lang of kort haar dagen zijn,
En hoe haar ingeboorne leven,
’t Getal der Manen, hen gegeven,
Of wat ons Maantje heeft, naar schijn?
Vliegt voort, tot dat gy zult ten lesten
Zelf in de Zon uw oogen vesten,
En zien dat allerheerlijkst ligt,
[*7r] Dat elks vernuft doet nederzinken,
En in haar denkbeeld als verdrinken;
Waar voor alle Aard- en Draaykloot zwigt.
Ja, ziet, met die ontelb’re Zonnen,
Zoo verre uw oogen reiken konnen;
De Vaste Starrer, die in ’t veld
Des Hemels van elkand’ren leggen
Met wijdtens, die men u zal zeggen,
Waarschijnlijk naar de konst gesteld.
Maar hier is alle kragt van talen
Onmagtig. Wie vind eind of palen
Van dit onmetelijk Heel al,
Oneindig uitgestrekt? Geen reden,
Geen maat, geen tal, kan dit ontleden.
Hier helpt geen maat, geen reken tal,
Hier zwijmen zinnen en gedagten.
’t Vernuft ontzinkt hier al zijn kragten;
[*7v] Wat voel ik? Houd een Hemelvlaag
My in de Starren opgetogen?
Och ’t ligt is my te sterk in d’oogen.
’k Word blind! Hoe raak ik weer om laag?
Is ’t waar? Of is de reis ten ende?
’t Wierd tijd dat ik mijn wieken wendde
Gy Heer
LUFNEU, die, nevens my,
’t Latijnsche maaksel hebt doorlezen;
Lees ’t nu nog eens: ’k schenk ’t u by dezen,
Herkleed in Hollandsche kleedy.

P. RABUS.

In Slagtmaand 1698.

[*8r]

DES WERKS
KORTE INHOUD

EERSTE BOEK.

Inleiding. Pag. 1
Dat ’er geweest zijn, die in de Dwaalsterren inwoners stelden. maar dat zy niets verders onderzogt hebben. 3
Oplossing van de tegenwerpingen der onbedrevene. 6
Dat deze Starreloopkundige Gissingen niet tegen de H. Schriften strijden. 7
Deze dingen onderzoek moet niet, als of het te nieuwsgierig was, berispt werden. 9
Gissingen zijn niet ydel, om dat ze niet te enemaal zeker zijn. 11
Zelfs helpt de verhandeling van deze zaken de Wijsheid en Godvrugteid bevorderen. 12
Stelsel van Kopernikus. 13
Redenen, die het zelve bevestigen. 16
Verrekening van de grootheid der Dwaalstarren tegen die van de Zon. 19
Dat de Schaaltjes, of kleine roedjes, in de groote Kijkglazen, beter zijn als de Kleinmeters. 20
Dat de Zon veel grooter is als de Dwaalstarren. 21
Dat de Aarde met regt by de Dwaalstarren, en de Dwaalstarren by d’ Aarde vergeleken worden. 22
Dus haalt men uit dit stuk met regt bewijzen uit de gelijkheid. 23
[*8v] De Dwaalstarren zijn vast; en hebben zwaarte. 24
Zy hebben ook Dieren. 25
En Aardgewassen. 26
Men moet geen al te groot verschil tusschen de dingen die in de andere Dwaalstarren, en op deze onze Aarde zijn, verbeelden. 28
In de Dwaalstarren is geen gebrek van Water. 31
’t Welk nogtans om Water niet teenemaal gelijk is. 33
De Aardgewassen groeijen aldaar ook als by ons. 35
Desgelijks de Dieren. 36
Groote verscheidenheid der Dieren by ons. 41
Die niet minder in de Dwaalstarren is. 43
’t Zelve heeft plaats in de Aardgewassen. 43
In de Dwaalstarren zijn ook Dieren die Reden gebruiken. 44
Dat het menschdom vol gebreken is, belet niet, dat de Aarde daar uit een byzonder cieraad heeft. 47
De Dwaalstarrelingen hebben geen andere Reden, als wy. 50
Zy hebben ook geen gebrek van Zinnen. 52
Zy hebben het Gezigt. 53
Het Gehoor. 58
Lucht, door welke het geluid gaat. 59
Gevoel. 60
Reuk en Smaak. 61
Hunne Zinnen zijn niet anders als de onze. 61
Zy hebben ook het zelve vermaak, en dezelve wellusten als wy. 62
In de Dwaalstarren is Vyer. 65
Wat belangt de grootte der lichamen van de Dieren. in de Dwaalstarren, men kan die uit de grootheid der Dwaalstarren zelve niet gissen. 68
[**r] Daar konnen Dieren van verscheide soorten met Reden begaafd wezen, gelijk by ons. 69
En onder die zulke, die den Menschen gelijk zijn. 69
De Reden in de Menschen munt boven die van de Dieren byzonderlijk uit in de beschouwing der Natuur. 70
Hier uit word beweert dat de Ingezetenen van de Dwaalstarren Wetenschappen oeffenen, en onder die de Starreloopkunde. 75
Ook Handwerken, daar toe dienende. 78
Mitsgaders de Meet- en Telkost. 78
De Schrijfkonst. 79
De Gezigtkunde. 81
Deze konsten heeft de mensch niet buiten de Natuur. 82
De Dwaalstarrelingen hebben Handen, Voeten, na boven ziende Oogen, en een opgeregt Wezen. van 85 tot 89
Nogtans volgt daar niet uit, dat hun gedaante de onze teenemaal gelijk is. 89
Want daar is geen reden, waarom een redelijke ziel niet in een andere gedaante zou geplaatst wezen. 91
De ingezetenen der Dwaalstarren zijn zoo groot als wy, of nog grooter. 93
Zy leven in maatshappy. 94
Zy hebben ’t vermaak van samenkouten, liefkozen, enz. 96
Zy timmeren huizen tegen den regen. 97
Zy kennen de Scheepvaardy, en de daar toe behoorende Konsten. 99
Ook de Meetkunde. 101
En de Zangkonst. 103
Welke echter verscheiden zoude konnen wezen van de onze. 106
[**v] Waarom de samenklank van een Quint na een andere Quint qualijk gestelt word? 108
Betoog van de matiging in het Stemgeluid. 110
Wederophaling van het nut en voordeel, dat wy uit Dieren, Kruiden, en Boomen trekken. 112
Uit Bergstoffen. 112
Uit Water, Lucht, en verscheide Konsten. 118
Uit de uitvindingen van onze eeuw. 120
Dat alle die dingen waarschijnelijk in de Dwaalstarren niet zijn, maar door andere, even zoo waardige, vergoed worden. 121

TWEEDE BOEK.

Onderzoek van Kirchers boek, Herssenschilderagtige Reis genaamd. 123
Hoe de stand der Zonne, en der Dwaalstarren, den bewoners van Merkurius moet voorkomen. 130
Hoe den ingezetenen van Venus. 134
En van Mars. 136
Dat Jupiter en Saturnus de andere Dwaalstarren verre overtreffen, zoo in groote, als in menigte van Manen. 138
Evenredenheid der Middellijnen van Jupiter, en de Kringen van zijne Trawanten, tot den Kring der Mane rondom de Aarde. 142
Tijden der omloopen van Jupiters Trawanten. 143
Bewijs van deze evenredenheid der grootte, uit waarnemingen van Schrijvers deze eeuwe. 145
Hoedanig de grootte, en ’t ligt der Zonne, in Jupiter schijnt, en hoe men dat kan weten. 147
Desgelijks in Saturnus. 148
In Jupiter zijn de dagen maar van vijf onze uuren. 149
Daar is ook een geduurige nagtevening. 150
[**2r] De Vaste Starren komen den inwoners der Dwaalstarren even zoo voor, als ons. 152
Wat gezigt der Dwaalstarren, en wat rekening van dagen, in Saturnus is. 152
En van zijn Ring. 154
Dat van de Maan niet veel kan gegist werden. 159
De Trawanten van Saturnus en Jupiter worden met die Dwaalstarren rondom de Zon gevoert, gelijk de Maan met onze Aarde. 160
In de Maan zijn Bergen, en Dalen. 161
Maar geen Zeen. 162
Nog Rivieren, nog Wolken, nog Lucht, nog Water. 163
Dus is het onzeker, al wat men van de Gewassen en Dieren in de Maan gist. 164
De Manen van Jupiter en Saturnus wenden, gelijk de onze na d’ Aarde doet, altijd dezelve zijde na hare Dwaalstarren. 166
Als ’er inwoners in de Maan waren, wat gezigt zy van de hemelen zouden hebben; en hoe ’t met hunne dagen enz. moet gelegen zijn. 168
’t Welk tot de Manen van Jupiter en Saturnus ligtelijk kan werden overgebragt. 172
Beschrijving van de Zon na haar waaragtige evenredenheid. 174
Allervervaarlijkste onmetelijke ruimtens tussen de Zon en de Dwaalstarren, opgehelderd met een vergelijking van een kogel uit een kanon geschoten. 176
Wat ’er in de Zon mag leven, daar over valt niets te gissen. 178
Van de toortsen in de Zon is geen zekerheid. 178
Maar wel dat ’er om de hitte zulke lichamen, als de onze zijn, niet konnen leven. 179
De Vaste Starren zijn zoo vele Zonnen. 181
Deze leggen door den overruimen Hemel, d’ een [**2v] van d’ ander af, met tussenwijdtens, gelijk als van d’ Aarde of de Zon tot de naaste, en zoo vervolgens. 182
En is de Zon niet grooter als die andere Zonnen. 183
Ja men heeft reden om te gelooven, dat yder Vaste Starre rondom zig hare Dwaalstarren heeft, gelijk ’er rondom de Zon zijn. 187
Manier, om waarschijnlijk den afstand der Vaste Starren van de Zon na te sporen. 191
Onbepaalde grootheid van ’t Heel al. 195
Eindelijk word hier uitvoeriglijk tegen Deskartes beweert, dat yder Zon van een heel anderen Draay-kring omringt word, als hy verziert heeft. 197

[1]

DE WERELDBESCHOUWER,
of
Gissinge over de Hemelsche Aardklooten, en der zelver cieraad
geschreven van
CHRISTIAAN HUGENS,
aan zijn Broeder
KONSTANTI]N HUGENS.

EERSTE BOEK.

HEt kan naauwlijks anders wezen, zeer waarde Broeder, of iemand, die met Kopernikus oordeelt, dat het Aardrijk [Terra], ’t welk wy bewonen, een van de Dwaalstarren [Planetæ] is, die rondom de [2] Zon draijen, en van de zelve haar licht krijgen, moet somtijds denken, dat het niet onredelijk is te stellen, dat alle de andere Klooten [Globi], zoo wel als de onze, hare cieraden, en misschien ook hare bewoners, hebben; voornamentlijk, zoo hy.daar by acht slaat op ’t gene, na Kopernikus tijd, in den Hemel is waargenomen: ik meine de Trawanten [Comites. Gezellen] van de Starren Jupiter en Saturnus, bergen en vlaktens in de Maan, en nog veel meer, waar door nier alleen de waarheid van zijn uitgevonden stelsel [Systema], maar ook de gelijkheid en verwantschap tussen de Aarde en de Lichamen der Dwaalstarren grootelijks word bevestigt. Ik gedenke nog, dat wy, wanneer we te zamen met zeer lange Verrekijkers [Telescopia] de gestarntens [Sidera] beschouwden (’t welk ons nu sedert vele jaren, ter zake van uwe bezigheden, en byna geduurige afwezendheid niet heeft mogen gebeuren) daar over dikwils praat hebben gehad. Maar hoedanig de werken der [3] Natuur in die gewesten [Regiones] waren; zekerlijk geloofden wy, at her niet te hopen was ’t zelve ooit te konnen geweten werden: derhalven dat het vrugtelooze moeite was, daar na te zoeken. My is ook niet bekend, dat oude of nieuwe Wijsgeren [Philosophi] iets dergelijks immer bezogt hebben. Want zelfs met den opkomst der Starreloopkunde [Astronomia], toen men eerst vernam dat de Aarde een Klootschen vorm [Forma Sphærica] heeft, en rondom van de Hemellucht [Æther] word omvangen, zyn sommige onder hen luiden geweest, die zig niet ontzagen te zeggen, dat ’er in de gestarntens andere, ja ontallijke, Werelden waren. Mannen van later tijden, als de Kardinaal Kusan, Bruin, Kepler (die ook schrijft: dat Tycho Brahe van ’t zelve gevoelen was) hebben wel aan de Dwaalstarren, gelijk Kusan en Bruin aan de Zon, en de Vaste Starren, hare inwoners toegeschreven; maar men vind niet; dat deze of gene iets verders gezogt hebben: zelfs niet de Franschman, [Fon[4]tenelles] die onlangs de vernuftige samenspraak van de veelvuldigheid der Werelden in ’t licht gaf. Sommige hebben alleenlijk, uit vermaak, eenige verdigtsels van de Maanvolkeren [Lunæ populi] opgestelt, niet veel waarschijnelijker als Lucianus vertellingen, die u bekend zyn; waar onder ik ook die van Kepler rekene, met welke het hem in zyn Starreloopkundigen Droom [Somnium astronomicum] lust te spelen. Ik evenwel, die my zelven geenzins achte doorzigtiger te wezen dan zoo vele brave Mannen, maar daarom te gelukkiger, om dat ik later dan zy altemaal, byna, ter wereld ben gekomen, hebbende een wijl tijds herwaarts daar over vlijtiglijk begonnen mijne gedagten te wenden, verbeelde my, dat de wegen om zoo vergelegene zaken na te sporen niet teenemaal af gesloten zijn, maar dat ’er overvloedige stoffe tot waarschijnelijke gissingen verschaft word. Welke mijne gissingen, zoo als ze my telkens zijn te binnen gekomen, op kladpapieren aangeteekend, ik thans heb willen by een schik[5]ken, en voor u open leggen, met eenig byvoegsel, zoo van de Zon, en de Vaste Starren, als van de grootheid des Werelds, van welke een zeker zeer klein gedeelte het begrip van ons gansche stelsel is. Gy, geloove ik, zult, volgens uwen gewonen yver om verhevene dingen te weten, die met lust doorlezen. Voor my, het schrijven derzelver is my vermakelijk gevallen, en ik hebbe, gelijk meermalen voor dezen, alzoo nu, ter zake, het gezag van Archytas waaragtig bevonden, By aldien iemand in den Hemel was geklommen, en de natuur van de Wereld, en de schoonheid der Starren doorzien had, dat die verwondering hem onvermakelijk zou zijn, daar ze hem anders groot vermaak zou gegeven hebben, ten zij hy iemand had, aan wien hy ’t konde vertellen. Het ware te wenschen, niet dat ik het mijn aan alle, man mogt verhalen, maar dat het my vry stond, behalven u, lezers na mijn willekeur te verkiezen, die in de kennis der Starreloop, en beste Wijsbegeerte niet onbedreven waren; van wel[6]ken ik konde vertrouwen dat zy mijn onderneming lichtelijk zouden goed keuren, zonder dat ze, nieuwheidshalven, behoefde verdedigt te werden. Maar dewijl ik voorzie, dat het ook in handen van onervarene zal geraken, en misschien het gestreng oordeel van sommige moeten uitstaan, meine ik het niet zonder reden te zijn, dat beider berispingen van my hier, naar vermogen, werden afgekaatst.

Eenige zullen d’er zijn, die, de Meetkunde [Geometria], of Wiskonstige wetenschappen, nooit geleert hebbende, die mijn opzet voor gansch ydel en belachelijk zullen houden; want het schijnt hen ongeloofelijk, dat men den afstand der Starren [Siderum distantie], of der zelver groote, kan meten: byzonderlijk oordeelen zy, dat men desen Aardkloot valschelijk een draaijing toeschrijft, of ten minsten dat dit tot nog toe geenzins is bewesen. Weshalven het geen wonder is, dat zy al wat op zulke grondvestten gebouwt word voor droomen en beuzelingen aanzien. En wat zullen wy tot zooda[7]nige zeggen, dan dat zy andere gedagten zouden hebben, indien zy hun zelven in die Wetenschappen, en in de natuur der dingen te beschouwen, geoeffent hadden? Maar nu weten wy, dat dit zeer velen niet heeft mogen gebeuren, of om dat zy daar toe geen verstands genoeg, of geen middelen hadden om die konsten te leeren, of om dat zy met hunne eigen en Staatszaken bezig zijnde zig daar toe niet konden verledigen. Wy willen dan deze niet beschuldigen, maar, zoo zy onze naarstigheid in die dingen versmadens waardig achten, wy beroepen ons op bequamer regters.

Daar zullen andere zijn, die zeggen, dat dat gene, ’t welk wy getragt hebben te toonen waarschijnelijk te wezen, tegen de Heilige Schriften strijd, zoo haast als zy bemerken, dat wy spreken van Aardklooten, en Dieren, zelfs met reden begaafd; van welker oorsprong, of wezendheid in de natuur der dingen, niets, maar veel eer iets waar uit het tegendeel blijkt, in den Bibel geschreven is: want (zeggen zy) daar in [8] word alleenlijk van deze Aarde, met hare dieren, kruiden, en van den mensch, aller dingen heer, gewag gemaakt. Dezen antwoorde ik, gelijk andere voor my reeds gedaan hebben, dat het genoeg blijkt, dat God van alles wat Hy gemaakt heeft, stuk voor stuk, ons geen berigt heeft willen geven. Derhalven nademaal in het eerste boek der Wereldmaking onder den naam van Starren, of van ’t Aardrijk, ook de Dwaalstarren begrepen worden, die d’er behalven de Zon en Maan zijn; desgelijks de Trawanten [of Omloopers] van Jupiter en Saturnus: dat daaronder niet alleen veel meer andere van beider soort te bevatten zijn, maar ook ontallijke zaken, dien het den grootsten Werkmeester in der zelver oppervlak [Superficies] geliefde te plaatsen. Wijders dat ze niet weten hoe men moet uitleggen, ’t welk gezegt word, dat alles om den mensch is gemaakt; en dat daar mee niet beduid word (zoo als van meer anderen aangemerkt is) dat zoo vele groote lichamen van Starren, die wy ten deele [9] zien, ten deele nooit gezien zouden hebben, indien de Verrekijkers ons niet geholpen hadden, om onze nutheid of beschouwing zijn geschapen; want dat zoude een ongerijmd zeggen wezen. En dewijl dan een groot deel van Gods werken buiten het gezigt der menschen is gestelt, en hen niet schijnt te raken; dat het niet vremd is te denken, dat ’er eenige [andere Schepsels] zijn, die de zelve van dichter by met verwondering konnen beschouwen.

Maar zy zullen misschien zeggen, vermits de opperste Maker ons deswegen niets meer berigt, of geopenbaart heeft; dat men moet geloven, dat Hy de wetenschap dier dingen voor Hem zelven heeft behouden: derhalven dat het een ligtvaardig en al te nieuwsgierig bedrijf is, die te gaan onderzoeken. Dog ik zegge daar tegen, dat zulke praters zig al te veel vermeten, zoo wanneer zy willen bepalen tot hoe verre de menschen in het navorschen der dingen moeten voortgaan, en hun naarstigheid een peil zetten, als of zy wisse kennisse hadden van de palen, die God [10] haar gesteld had, of dat het in der menschen magt stond dezelve voorby te streven. Zekerlijk indien degenen die voor ons geleeft hebben dus naauw gezet waren geweest, men zou tot nog toe niet weten, wat gestalte [Figura] of grootte het Aardrijk had, en of ’er wel eenig landschap van Amerika was: men zou niet weren of de Maan door de stralen van de Zon verligt, en door welke oorzaken d’een en d’ander verduistert [Deficere] wierd, met de meeste andere dingen, die we aan de naarstigheid der Starreloopkenners [Astronomi] verschuldigt zijn. Want wat scheen immer zoo verborgen, en onweetbaar, dan dat gene ’t welk wegens de Hemelsche dingen thans opentlijk in helderen dag staat? Waar uit te vatten is, dat de menschen met opmerking en snedigheid des vernufts begaafd zijn, om daar door allengs de kennisse van natuurlijke zaken te verkrijgen; en dat ’er geen reden is, waarom wy onze pogingen, en verder onderzoek, zouden staken. Nogtans weten wy, dat die verborgener dingen, welke wy hier [11] voornamentlijk op ’t oog hebben, van dien aart niet zijn, dat ze door onderzoek geheel en al konnen nagespoort werden. Des stellen wy hier niets voor wis en zeker (want hoe kan dat geschieden?) maar wy gaan alleen te werk met gissingen, over welker waarschijnelijkheid het een yder vry staat naar zijn zin te oordeelen. Wil nu iemand zeggen, dat wy dan vergeefschen arbeid doen, met gissingen te openbaren over zoodanige zaken, van welke wy zelve belijden nooit iets zekers te konnen werden begrepen: daar op antwoorde ik, dat de geheele oeffening der Natuurkunde [Studium Physices], voor zoo verre die in ’t uitvorschen van de oorzaken der dingen bezig is, om de zelve reden moest afgekeurt werden; waar in echter de hoogste lof is het waarschijnelijk gevonden te hebben, en waar in de nasporing der grootste en verborgenste dingen vermaak geeft. Dog der waarschijnelijke zaken zyn vele trappen, d’een nader aan de Waarheid, dan d’ander; waar omtrent naauwkeuriglijk acht te slaan het voor[12]naamste gebruik van ons oordeel te pas komt.

Mijn ’s bedunkens onderzoeken wy hier niet slegts dingen, aan welker kennisse ons zeer veel gelegen is, maar welker bespiegeling ook aan d’oeffening der Wijsheid groot voordeel kan toebrengen. Namentlijk het is nut, dat wy, gelijk als buiten dit Aardrijk gesteld, het zelve van verre konnen beschouwen, en eens gaan zien, of de Natuur daar aan alleen al het cieraad heeft bygezet. Want zoo zullen wy beter konnen verstaan wat het is, en waar voor wy het moeten te boek zetten: gelijkerwijs bereizers van vremde landen met meer waarheid van de zaken hunnes Vaderlands plegen te oordeelen, dan de genen, die d’er nooit voeten uit verzet hebben. Ook zal iemand zig niet zoo zeer verwonderen over de dingen, die men hier gemeenlijk voor zoo groot houd, indien hy, onze redenen in aanmerking nemende, hem zelven eens gaat voorstellen, dat ’er nog vele Aardrijken zijn, gelijk als het onze, ende dat die op dezelve wijze [13] met ingezetenen bevolkt zijn. En hoe kan ’t anders wezen, of zulk een zal God, den Maker van zoo groote dingen, met verwondering en eerbied verheerlijken; God, wiens wondere Voorzienigheid en Wijsheid hy doorgaans hier zal vinden bewaarheid, tegen de valsche gevoelens der genen, die gezegt hebben dat de Aardkloot uit een gevallige samenloop van lichaamtjes ontstaan [Fortuitus corpusculorum concursus], en sonder eenig beginsel, is. Maar laat ons nu ter zake komen.

Dewijl dan het grootste bewijs van ons voorstelsel zal genomen worden uit de schikking der Dwaalstarren volgens de stelling van Kopernikus [Ordinatio Planetarum Copernicea], die deze onze Aarde vastelijk onder de Dwaalstarren telt; zoo ga ik hier voor afbeschrijven twee verbeeldsels [Schemata].

Klik op de afbeelding voor een grotere weergave

Het een van die begrijpt de draaykringen [Orbes] der gezeide Dwaalstarren, rondom de Zon geschikt, en met de regte evenredenheid [Proportio] uitgedrukt; op de [14] zelve wijze als gy in mijn van-zelfsbewegend maaksel [Automaton. Een konstig Werkstuk van den Heer Hugens, waar in hy de beweging van de Dwaalstarren, en de evenredenheid van die beweging, zoodanig draaijende aanwees als ze in den Hemel is] dikwils gezien hebt: het ander toont de verrekening der grootheden, waar mede de lichamen der Dwaalstarren onder elkanderen, en met de Zon, vergeleken worden; ’t welk ook in het zelve Konstwerk gemerkt staat. In het eerste is de Zon het middelste stip [Punctum medium], waar van daan voorts, volgens den bekenden rang, de kringen [Orbitæ] zijn van Merkurius, Venus, d’Aarde, met de daar by gevoegde Maanweg [Superaddita via Lunæ], mitsgaders van Mars, Jupiter, en Saturnus; en rondom Jupiter en Saturnus, de kringetjes [Circelli] van der zelver Trawanten, vier van den eersten, vijf van den laatsten. En staat te letten, dat men die kleine kringen, met de gene, welke men onze Maan toeschrijft, hier veel grooter moet stellen, als naar mate van de kringen der voornaamste Dwaalstarren, om dat ze niet, klein[15]heidshalven, teenemaal ons gezigt zouden onslippen. Maar wat het waarlijk groot en ruim beslag der kringen belangt; die kan men daar uit afnemen, om dat de tussenwijdte [Distantia] van de Zon en d’Aarde tien of twaalf duizend van des Aardkloots middellijnen [Terræ diametra] vervat: van welke meting hier na breeder. Ook leggen ze altemaal byna in eene en de zelve vlakte [Planum]; zulks dat ze niet verre afwijken van ’t vlak, waar in de Aarde omloopt, en het welk men den naam geeft van de vlakte des Zonnewegs [Eccliptice planum]. Deze word scheef [Oblique] doorsneden van den As der Aarde [Axis Telluris], waar op ze, ten opzigt van de Zon, in vier en twintig uuren rondom loopt: en dezelve As blijft, behalven dat ze een zeer trage verandering krijgt, gelijk de Starreloopkenners weten, zig zelf evenwijdig [Paralellus], terwijl d’Aarde zelve rondom de Zon word gevoert; waar uit de beurten van nagten en dagen, desgelijks de wisselingen des Jaars, ontstaan, zoo [16] als hunne boeken doorgaans aanwijsen: en waar uit ik ook de tijden der omloopen [Periodi], in welke yder Dwaalstarre zijn kreits [Circuitus] volbrengt, hier naschrijve. Te weten van Saturnus in 29 jaren, 174 dagen, en 5 uuren: van Jupiter in 11 jaren, 317 dagen, en 15 uuren: van Mars ten naasten by in 687 dagen: van d’Aarde 365¼ dagen, van Venus in 224 dagen, 18 uuren, en van Merkurius in 88 dagen.

Dusdanig is die thans ter tijd zeer bekende rang der Hemelsche Lichamen, van Kopernikus uitgevonden, en met de eenvoudigheyt van de Natuur best over een komende: welke zoo iemand wil om ver werpen, of afkeuren, laat hem eerst uit de betoogingen der Starreloopkundigen [Demonstationes Astronomorum] leeren, hoe veel beter en ligter reden van alles, wat men omtrent de beweging der Starren bespeurt, in deze beschrijving gegeven word, als in het Stelsel van Ptolomeus of Tycho. Laat hem ook leeren uit de zonderlinge waarneming van [17] Kepler, hoe dat de afstandigheden [Distantiæ. Tussenwijdtens] der Dwaalstarren (onder die des Aardrijks) van de Zon met de tijden der Omloopen van my gemeld, in een zekere evenredenheid [Proportio. Evenbedeeling] over een komen, welke evenredenheid men daar na bevonden heeft, dat ook de Trawanten [Comites. Gezellen] van Jupiter en Saturnus, ten haren opzigte, behouden. Laat hem verstaan, hoe dat’er tegen de natuur der beweging iets moet verciert werden, om te toonen, waarom de Aspunt-Starre [Stella Polaris] aan ’t einde van de staart van den kleinen Beer [Ursa minor], thans in een kleinen kring omgaat, op den afstand van 2 1/3 graden van den Aspunt [Polus], daar ze voor achthonderd en twintig jaren, ’k wil zeggen ten tijde van Hipparchus, 24 graden, en 24 scrupels [Een woord, met geen anderen naam in de rekening van den Hemelloop bekend. Vier Scrupels zijn een weinig meer als een Graad] van den zelven Aspunt af was, na eenige eeuwen tot op 45 graden daar van zal afwijken, en na vijf en twintig duizend [18] jaren wederom keren ter eigener stand, waar in ze nu is. Zulks dat de gansche Hemel, zoo men zegt dat ze rondom gevoert word, telkens van As zou moeten veranderen; ’t welk slordig en ongerijmt te denken is; daar in tegendeel alles in d’onderstelling [Hypothesis] van Kopernikus gemakkelijk valt om uit te leggen. Eindelijk laat hem alles overwegen, ’t welk, gemeenlijk tegen de bewijsredenen [Argumenta] van Kopernikus ingebragt, van Galileus, Gassendus, Keplerus, en zeer vele anderen, is beantwoord: door welker aantooningen de zwarigheden, die nog overig waren, der mate zijn weggenomen, dat thans ter tijd alle Starreloopkundige, indien zy niet van een al te traag vernuft, of uit menschelijke overheering al te ligtgeloovig zijn, zonder de minste twijffeling vast stellen, dat de Aarde draait, en een van de Dwaalstarren is.

Klik op de afbeelding voor een grotere weergave

In het tweede verbeeldsel, waar van ik sprak, worden de Klooten dezer Dwaalstarren met de Zon in dier voegen voor oogen gestelt, als of ze ne[19]vens elkanderen gelegen waren: en daar in volge ik die uitrekening van der zelver Middellijnen, tegen den Middellijn van de Zon, welke ik in mijn boek van de Saturnus-verschijnselen [De Saturni Phænomenis. Hy meint zijn boek Systema Saturnium &c. in den Haag by A. Vlacq gedrukt 1659] hebbe aangewezen. Namentlijk van den ring van Saturnus [Annulus Saturnius], als die van 11 tot 37; van den daar ingesloten Kloot [Globi inclusi], byna tegen den zelven Middellijn der Zonne, als 5 tot 37, van Jupiter, als 2 tot 11; van Mars, als 1 tot 166; van d’Aarde, als 1 tot 111; van Venus, als 1 tot 84; waar by ik nu voege van Merkurius, welke is als 1 tot 290; volgens de opmerkinge van Helvelius, in ’t jaar 1661 gedaan, nogtans naar zijn tekening, niet de onze.

Hoe nu deze onze rekeningen der groottens [Magnitudinum rationes] uitgevonden zijn, hebbe ik eensdeels uit de bekende evenredenheid der afstandigheden van de Zon, ten anderen uit de maat der Middellijnen, met Verrekijkers genomen, in het voorzeide boek aangewezen. En [20] ik kan niet zien, waarom ik van ’t gene dat ik toen gestelt hebbe veel zou afgaan, schoon ik niet staande hield dat het in alles volmaakt was. Want dat vele meinen, dat in het meten van de zigtbare Middellijnen [Apparentes Diametri] het gebruik van mijne kleine schaaljes [Lamellæ] niet zoo goed zou zijn als dat van de Kleinmeters [Micrometrum. De Starreloopkenners hebben, na d’ uitvinding der groote Kijkglazen, in het verzamelpunt [of brandpunt] der twee glazen een net van zeer fijne draadjes gestelt, om alle de deeltjes van ’t lichaam dat zy in den Hemel beschouwden te konnen afmeten. Dit werktuig, of net, uit vierkante kleine ruitjes bestaande, hebben zy met een woord, uit het Griesch genomen, Micrometrum geheten] (gelijk men die noemt) in welke het net van zeer dunne draatjes in het verzamelpunt [Focus, anders Brandpunt] [der twee glazen] van het groote Kijkglas [Lens Major] word gestelt; dienaangaande kan ik hen geen gelijk geven, maar ik achte, dat die dunne kleine schaaljes of roedjes, welke ik daar ter plaatse hebbe aangewezen hoe men z’er moet voorhouden, veel bequamer zijn: waar uit niet lang [21] daar na die vond van de Kleinmeters, en de schikking van den Verrekijker tot Starreloopkundige werktuigen, gesproten is: even wel niet zonder lof der gener, die in het voltooijen van zulk een nutte uitvinding hebben gearbeid.

In deze vergelijking der' Dwaalstarren valt aan te merken de wijdlustige grootte van de Zon, met de vier binnenste Dwaalstarren [Te weten Mars, d’Aarde, Venus, en Merkurius] vergeleken zijnde; en hoe dat die wederom vervaarlijk kleiner zijn dan Saturnus en Jupiter. Want men moet letten dat hare lichamen niet in rang grooter worden met de afstandigheden van de Zon; dewijl de kloot van Venus veel grooter dan die van Mars is.

Dit van het tweederley voorbeeldsel [Of Voorschrift, Diagramma] ontvouwd zijnde, kan een yder, mijns oordeels, nu zien, hoe klaarlijk uit het eerste, waar in het Stelsel staat uitgedrukt [In quo Systematis typus est], moet volgen, dat het met onze Aarde op de zelve wijze als met de vijf andere Dwaal[22] starren gelegen is. Want het blijkt zelfs uit de gesteltheden [Positus] van de kringen [Circuli]. Ook heeft men door de Verrekijkers vernomen, en dat de lichamen van haar altemaal klootswijze [Globosa] gevormd zijn, zoo wel als dat van d’Aarde; en dat ze desgelijks haar licht van de Zon leenen: eindelijk dat ze voor zoo verre nog de Aarde gelijk zijn, dat ze in haar zelven rondom hare eigen Assen draaijen: want wie zal het van de overige in twijfel trekken, daar het in Jupiter en Mars zekerlijk bevonden is? Wijders gelijk de Aarde haar Gezellinne [Comes] de Maan heeft, zoo hebben Jupiter en Saturnus ook de hare. Wat is ’er dan waarschijnelijker, vermits de Aarde in zoo vele zaken met die voornaamste Dwaalstarren gelijk staat, dan dat de zelve Dwaalstarren ook van geen minder aanzien, schoonte, ja niet min gecierd en bebouwd zijn, als d’Aarde? Wat reden kan ’er dog bedagt worden, waarom het zoude anders wesen?

Wisselijk by aldien iemand in een op[23]gesneden lichaam van een Hond des zelfs ingewanden getoont wierden, het Hart, de Maag, de Longen, het Gedarmte, desgelijks de Bloedvaten, Polsaderen, en Zenuwen; hy zoude schoon hy nooit eenig ander geopend lichaam van een dier gezien had, naauwelijks twijfelen, of ’er dergelijk een maaksel en verscheidenheid van deelen ook in een Os, Varken, en andere beesten was. En zullen wy, zoo wanneer ons de natuur van een van de Trawanten van Saturnus of Jupiter kenbaar is geworden, niet oordeelen, dat by na het zelve, dat daar in gevonden word, ook in de anderen is te vinden? Even zoo zouden wy uit maar eene enkele Hairstarre [Cometa], indien men konde doorzien wat ze was, vast stellen dat zoodanig ook alle andere zijn. Weshalven dat bewijs [Ratio], uit een gelijkenisse gehaald, en van geziene tot nietgeziene zaken voortgebragt, zeer veel klem heeft: volgens ’t welk wy uit eene Dwaalstar, die wy voor onze oogen zien, van d’ andere diergelijke met regt zullen gissing maken.

[24] Voor eerst achten wy dat de Dwaalstarren, zoo wel als onze Aarde, uit een vast lichaam [Corpus solidum] bestaan, daar benevens honden wy ook voor waerschijnelijk, dat der zelver Klooten dat gene hebben, ’t welk wy zwaarte [Gravitas] noemen; door welkers kragt allerley lichamen, op haar oppervlak rustende, het zelve drukken, of zoo ze ’er van daan bewogen worden, gelijk als van alle kanten getrokken wederom neêr vallen. Dit blijkt ook uit de vorming [Forma] van een kloot zelve, dewijl ze uit de neiging van lichamen, na een middelpunt strevende, gemaakt word. Ja wy weten nu door een zekere vaste redenering [Ratiocinium] te rekenen, hoe veel grooter of kleiner het gewigt der zwaarte in Jupiter en Saturnus, dan by ons is. Van welke zaak, en des zelfs uitvinder, ik in mijn Verhandeling van de oorzaken der zwaartens [Diatriba] hebbe gesproken.

Laat ons nu voortgaan verder te onderzoeken, langs welke trappen men [25] kan geraken tot de kennisse van zekere verborgener dingen, die tot den stand en het cieraad van die [Hemelsche] Aardklooten behooren: en wel eerstelijk hoe waarschijnelijk het is, dat op der zelver oppervlak Kruiden en Dieren zijn, gelijk als op onze Aarde. Niemand, denke ik, zal ontkennen dat de gedaante [Forma], het leven, en de wijze van groeijen en voorttelen zoo in Planten als Dieren, iets grooters en verwonderlijkers is, als de levenlooze lichamen [Corpora vitâ carentia], hoe aanzienlijk van grootte [Moles] die ook zijn; gelijk als Bergen. Rotsen, Zeen. Men ziet in beide die soort der levendige, op een veel uitdrukkelijker wijze, de voortreffelijkheid der Goddelijke Voorzigt [Providentia]. Eenig navolger van Demokrijt, of ook van Deskartes, mogt voorgeven, dat hy de dingen, die we op de Aarde, en in den Hemel beschouwen, zoo verre weet te verklaren, dat by niets anders dan ondeelbare deeltjes [Atoma, vezelingen, zeer kleine lichaamtjes], en haar bewe[26]ging, daar toe nodig heeft; nogtans zal hy in de Kruiden en Dieren daar meê niet doorkomen, nogte van haren eersten opkomst iets waarschijnelijks bybrengen; nademaal het al te duidelijk blijkt, dat eenige zodanige dingen door een wilde en gevallige beweging van lichaamtjes [Vagus ac fortuitus corpusculorum motu] konden voortgebragt werden; als in welke men ziet dat alles treffelijk tot een zeker einde gepast en geschikt is, met de hoogste wijsheid, en uitgelezene kennisse van de wetten der natuur, en van de Meetkunde zelf: gelijkerwijs in ’t vervolg zal worden aangetoont; om nu nog van de wonderdaden in de voortteling niet te spreken. Derhalven indien in de Dwaalstarren niets anders is dan wilde woestijnen, logge en levenlooze lichamen, en buiten die geen dingen, waar in de Wijsheid des oppersten Bouwheers klaarst en zekerst uitblinkt, zoo zullen ze zonder twijfel in heerlijkheid, en schoonte by onze Aarde veel te kort schieten, ’t welk, als ik gezegt hebbe, tegen de Reden strijd [Rationi adversarium est].

[27] ’t Is ’er dan zoo niet meê gelegen; maar daar zullen ook zekere lichamen zijn, met beweging begaafd, ook die haar zelven bewegen, die niet onedeler zijn dan de gene welke op d’Aarde leven; en zulks Dieren: welke gesteld zijnde, moet men ook het zelve schier noodzakelijk toestaan van de Kruiden [en Aardgewassen] op dat ’er iets zy, waar mede ze gevoed werden. En dat dit alles alleen in de oppervlakte van de Klooten der Dwaalstarrelingen [Inwoners der Dwaalstarren, hier Planetarii genaamd] is, daar aan kan men niet twijfelen; vermits zy moeten beschenen en verquikt worden van de warmte der Zonne, voor welkers stralen zy, even gelijk onze Aarde, bloot leggen. Maar iemand zal zeggen, dat wy hier al te haastig voortgaan: want, hoewel niet omkent word, dat in het oppervlak der Dwaalstarren eenige dingen gevonden worden, die aldaar groeijen, en haar beweging hebben, ja ook, zoo wel als deze onze zaken, waardig zijn God tot haren Maker te hebben; dat nog[28]tans haar natuur heel verscheiden kan wezen, zulks dat ze in stoffe, in groeywijze, in uiterlijke gedaante [Forma extrinseca], of in inwendige deelen [Partes internæ], met de dingen, die by ons zijn, gansch geen gelijkenisse hebben: eindelijk dat ze zoodanig zijn, dat niets diergelijks in ’s menschen zin kan komen. Dit willen wy eens gaan zien, hoe waarschijnelijk het is, en of men niet liever mag gelooven dat het verschil [Diversitas] zoo groot niet is als gemeent word. Het gevoelen der gener, die zig alle de dingen daar heel anders verbeelden, schijnt daar door begunstigt te werden, om dat de Natuur gemeenlijk, en in de meeste zaken verandering schijnt te beoogen; en dat de mogendheid des Scheppers zelfs daar door te meer uitmunt. Maar zy behooren te denken, dat men met geen oordeel van menschen kan bepalen hoe groot die verandering en ongelijkheid is: en, om dat ze zeer groot kan zijn, en om dat die dingen van ons verstand en begrip teenemaal afgezonderd kon[29]nen wezen, dat zy daarom in der daad zoodanig niet zyn. Want al had God alle dingen in de andere Dwaalstarren zoo gemaakt, dat ze de dingen, die by ons zyn, gelijk waren, echter zouden der zelver beschouwers, zoo daar eenige zijn, geen minder verwondering hebben, dan of de dingen zeer veel van de onze verschilden; dewijl zy niet konnen weten wat in d’ anderen gemaakt is. God zou in de landen van Amerika, en andere vergelegene streken, eenige levendige schepsels konnen gemaakt hebben, die geen gelijkheid met deze onze hadden; nogtans heeft Hy ’t niet gedaan. Want Hy heeft wel gewilt, dat ’er eenig verschil van gedaantens was, waar door onze Dieren en Kruiden van die overzeesche zouden onderscheiden zijn; maar in deze gedaantens zelve, en in de wijzen van groeijen en voorttelen heeft Hy gemaakt dat vele in beiden overeen komen. De Dieren aldaar hebben ook Voeten, Vleugels; van binnen het Hart, Longen, Gedarmte, Baarmoeders; daar dit alles in een yder soort [30] van de zelve, zoo wel als in die van onze landen, door den oneindig-wijzen Werkmeester op een geheel andere wijze zon hebben konnen geschikt werden. Zoo heeft dan der dingen Maker niet alle verscheidenheid, dien Hy konde, daar in uitgedrukt; en dus moet men op dat bewijs, ’t welk uit de lust der Natuur tot nieuwheit gehaalt word, zoo vast niet staan, dat wy daar door zouden meinen dat al het cieraad van andere Dwaalstarren gansch verschillend is van het gene op onze Aarde word gezien. Maar het is daarentegen gelooffelijk, dat tussen de dingen, welke op d’ oppervlakte van die Klooten worden voortgebragt, en tussen de dingen, die by ons zijn, het voornaamste onderscheid bestaat in der zelver meerder of minder afstand van de Zon, die der warmte en des levens bron is. Door welk onderscheid nogtans niet zoo zeer de stoffe, als de gedaante der dingen moet verandert werden.

Wat de stoffe aangaat van alle zoodanige Aardgewassen, en Dieren, als [31] welke aan de Dwaalstarren cieraad geven, schoon wy niet konnen bedenken hoedanig die is; evenwel kan men naauwelijks twijfelen, of zy worden, gelijk alle de onze, uit een vogtige Hoofdstoffe [Elementum] in groey gebragt, en aangequeekt. Want byna alle Wijsgeren oordeelen, dat geen ding anders kan voortkomen; en daar zijn eenige voorname geweest, die het Water voor den oorsprong van alle dingen stelden. Al wat droog en dor is, heeft geen beweging; en nu is het zeker, dat zonder beweging den lichamen niets tot haar groey kan toe komen. Maar de deeltjes der vloeybare dingen [Liquidorum particulæ] worden geduuriglijk onderling bewogen, en vlijen zig over al gemakkelijk in; zulks dat ze niet alleen bequaam zijn om haar zelve, maar ook andere van verscheiden aart, die ze met zig voeren, aan de groeyende dingen by te zetten. Zoo zien wy, dat, door den toevloed van ’t Water, kruiden haar wasdom, bladen, en vrugten, krijgen, steenen uit zand te zamen groeyen. ’t Is ook ze[32]ker, dat de Bergstoffen, Kristallen, en Gesteentes, daar uit haar aanwas halen; hoewel men dat in de laatste zoo klaar niet kan bespeuren, ter zake van haren zeer langsamen voortgang, en om dat ze menigmaal in die plaatsen en holen, waar in ze gesproten zijn, niet gevonden worden, maar door instortingen en schuddingen des Aardrijks hier en daar geworpen leggen. Maar dat ’er van de Hoofdstoffen des Waters in de Dwaalstarren geen gebrek is, daar toe dienen ook waarschijnelijke gissingen, uit de ontdekkingen der Verrekijkers genomen. Want in Jupiter verneemt men eenige streken [Tractus], duisterder als het overig rond, en niet altijd dezelve gedaante behoudende; ’t welk den Wolken eigen is. Dog de vlekken [Maculæ], die men onveranderlijk op des zelfs Kloot ziet, blijven dikwils een lange wijl bedekt, namentlijk als ze van de Wolken onderschept worden, waar uit ze daar na wederom voor den dag komen. Zelfs, heeft men aangemerkt, dat ’er somtijds Wolken mid[33]den in het rond van Jupiter ontstaan, en zekere kleiner vlekken zijn, voor ’t overige van het lichaam helderder, en niet lang in wezen blijvende. Deze meinde Kassin dat van de sneeuw quamen, die op de toppen der bergen legt. My dunkt niet onwaarschijnelijk, dat het de blankste landstreken zijn, gemeenlijk onder het verdek der Wolken verborgen, en somtijds daar van vry zijnde.

Ook ziet men in Mars het onderscheid van ligt en duister, waar uit bevonden is dat zijn omkeering na de Zon [Conversio ejus ad Solem] in 24 uuren met 40 eerste scrupels [Zie pag. 17] volbragt word. Tot nog toe heeft men d’ er echter geen Wolken in bespeurt, om dat hy veel kleiner als Jupiter word gezien, zelfs wanneer hy naast aan d’Aarde komt. Behalven dat ook het sterker ligt van Mars, als meer van na by uit de Zon geschept, de kijkers belet. Het zelve ligt belet nog meerin Venus. Maar zoo de Aarde en Jupiter Wolken en Wateren hebben, men behoeft schier niet twijfe[34]len, of ze worden ook in de andere Dwaalstarren gevonden. Ik zegge nogtans niet dat dat Water het onze teenemaal gelijk is; hoewel tot den dienst, dien het doen moet, noodzakelijk vereist word dat het vloeybaar, en tot haar schoonheid, dat het helder is. Want dit ons Water zou in Jupiter en Saturnus, om den grooten afstand van de Zon gestadiglijk bevriezen. Men moet derhalven denken, dat de natuur van het Water in de Dwaalstarren, naar een ’s ygelijks gewest is gematigd; zoo dat het in Jupiter en Saturnus bezwaarlijker ys werd, en in Venus en Merkurius zoo ligt niet tot dampen vervliegt. In allen nogtans moet de vogt, welke van de Zon is opgetrokken, noodwendig weer nederzakken, en keeren waar van daan ze gekomen is, op dat de grond niet teenemaal dor blijve. Dog ze zal niet vallen, ten zy in droppels verdikt zijnde; ’t welk moet geschieden, gelijk als by ons, wanneer ze in een kouder plaats zal opgestegen zijn uit een plaats, die lager, en, om de nabyheid der Aarde, warmer is.

[35] Wy hebben dan in die Klooten velden, voor de zonnestralen bloot leggende, en met regen of dauw bevogtigd. Zoo daar iets in groeit, gelijk ik gezegt hebbe nutheids en cieraadshalven te moeten geschieden; ’t is waarschijnelijk, dat het daer meê toegaat, op dezelve wijze als by ons, dewijl het byna niet anders of niet beter kan: namentlijk dat het met zjjne wortelen vast: aan de grond hangt, en teffens door der zelver vezelen [Fibræ] daar uit de vogt na zig trekt. Ook zouden my die landen niet genoeg vercierd schijnen, indien ze geen hoog opwassende struiken hadden, die boomen, of gelijk als boomen, wierden: nademaal deze het grootste, en, behalven de Wateren, het eenigste tooisel zijn, ’t welk de Natuur aan landerijen kan geven; waar van het groot vermaak en de bevalligheid lichtelijk van een yder te bezeffen is: ’k zwijge het gebruik van de stoffe der boomen, tot alle ding te pas komende. Hier by meine ik, dat struiken [of heesters] niet voort [36] gezet konnen werden, of lang duuren, dan door zaadwinning; want die schijnt daar toe het eenigste middel, en teffens zoo verwonderlijk te wezen. dat ze voor onzen Aardkloot alleen niet is uitgevonden. Eindelijk niets strijd ’er tegen, dat de Natuur, gelijk in verscheide landen van deze Aarde, alzoo ook in die verr’ af gelegene gewesten, den zelven voet in het gene de Aardgewassen belangt, gehouden heeft.

Geen andere reden is ’er aangaande de dieren; waarom men niet zou meinen, dat de manier van weiding en voortteling in de Dwaalstarren even gelijk als by ons is. Daarom, te weten, om dat de dieren dezer Aarde, ’t zy van het soort der viervoetige, of vliegende, of zwemmende, of kruipende (zelfs die kleine beesjes die men gekorven [Insecta] noemt) altemaal een en het zelve voorschrift van de Natuur volgen, Zy eten of kruiden en vrugten, of dieren zelve, die daar van zijn gevoed geweest. De voortteling van haar allen geschied door vereeniging [37] van man en vrouw, en door de vrugtbaarheid der eijeren, die alomme bespeurt word. Want wisselijk kan het niet geschieden, dat de kruiden of dieren, die daar zijn, zonder voortfokking [Propagatio] van haar geslagt, in wezen blijven; om dat ze zelfs by toevallen [Casus fortuiti] zouden komen te vergaan, en te bezwijken, dewijl kruiden en aardgewassen uit een vogtige stoffe bestaan, en deswegen ook moeten verdorren; de dieren uit zagte en buigzame leden, die by geen harde keijen te noemen zijn. By aldien men nu in de dieren andere geboortewegen wilde gaan verzinnen, gelijk als uit boomen, uit welker zeker soort men langen tijd gelooft heeft, dat in Brittanje Endvogels geboren werden; straks blijkt hoe verre dit afwijkt van de Reden, wegens her byster groot onderscheid, dat tussen vlees en hout is. Of zoo wy wanen dat er dieren uit slijk voortkomen, gelyk vele van de Muizen in Egypten vertelt hebben, wie dog, die een weinig kennisse van de Natuur heeft, ziet [38] niet, dat dit geheel buiten en tegen hare wetten is? Wie zal niet achten met Gods grootheid en wijsheid veel meer over een te komen, dat Hy eenmaal allerley dieren heeft geschapen, en op een zekere wijze (die van geen mensch tot nog toe konde gegist werden) op het rand der Aardklooten gestelt; dan dat Hy geduuriglijk met nieuwe uit aarde voort te brengen zou bezig zijn? aan welker opvoeding en grootbrenging ook teenemaal zou ontbreken de zorg en liefde der Ouders, welke wy weten dat om een nootzakelijke reden alle soorten van onze dieren ingeplant en aangeboren is. Dog hoewel het misschien met de voortfokking anders mogt gelegen zijn, nogtans is uit de vorens bygebragte redenen genoeg bewezen, dat in de landen der Dwaalstarren aardgewassen en dieren gevonden worden, op dat men ze niet aanzie voor slegter dan d’ onze. Dit zoo zijnde, moeten die andere Aardklooten niet minder dan d’ onze gecierd wezen, op dat ’er in die beiderley soort geen minder verscheidenheid dan by [39] zy. En welke kan die dog zijn? Wanneer ik voorwaar overdenke, hoe alle soorten van onze dieren bewogen werden; zie ik, dat alles daar op uitkomt, dat ze op twee of vier voeten gaan, de gekorven op zes, of ook wel honderd voeten: of dat ze met een wondere snelheid en bestier van vleugels in de lugt vliegen: of dat ze zonder voeten kruipen: of dat ze met een gezwinde buyging van lichamen, of slaan van voeten, haar zelven in ’t water een weg banen. Buiten deze wijzen van voortgaan, schijnt naauwlijks een ander overig te zijn, of met gedagten eenigsins te konnen begrepen werden. De dieren dan, die in de Dwaalstarren zijn, zullen een van deze gebruiken, of sommige meer als een, gelijk by ons de Water- en Landvogels [Aves amphibiæ] die op haer voeten gaan, in ’t Water zwemmen, en in de Lucht vliegen; en de Krokodillen en Zeepaarden, zijnde van een middelsoort tussen de Land. en Waterdieren: behalven welk leven geen ander, zoo ’t [40] schijnt, te bedenken is. Want wat zou d’ er konnen zijn, waar in de dieren leefden, dan een vaste Aarde, of vloeybare Hoofdstoffe, gelijk als dat van ons Water, of noch veel vloeybaarder, als de Lucht, of dergelijke? Daar zou konnen zijn een Lucht, veel dikker en zwaarder als by ons, en daarom voor her vliegen des te bequamer, en nogtans niet te minder doorzigtig. Daar zouden ook meer soorten van vloeybare stoffen, d’ eene over d’ andere gebragt,konnen wezen: gelijk als of men zig verbeeldde, dat ’er boven over de Zee een zekere andere stoffe lag, die tienmaal ligter als ’t Water, en honderdmaal zwaarder als de Lucht was; zijnde wel buitenwaarts met haar oppervlakte bepaald, maar in dier voegen, dat de deelen der vaste Aarde buiten het zelve uitstaken, Maar daar is geen reden om te meinen, waarom dusdanige dingen meer in d’ andere Dwaalstarren dan in d’ onze zijn; en zoo z’er zijn, zullen de dieren echter op geen andere wyzen daar in konnen bewogen werden. Dog wat der zel[41]ver gedaantens aangaat, vermits wy in verscheide gewesten des Aardrijks zulk een wonderlijke en veelvuldige verscheidenheid zien, en dat ’er in Amerika gevonden worden, die men elders te vergeefs zon zoeken; zoo is ’er groote reden om te gelooven, dat wy ons geen van die gedaantens, welke in de Dwaalstarren zijn, konnen verbeelden. Hoewel, indien wy onze gedagten laten gaan over alle die wijzen van bewegen, die ik terstond hebbe aangehaalt, het niet wonder was, dat geen een van die dieren meer verschilde van eenig der onze, dan de onze verschillen van elkanderen. Ik spreke van zulke, waar in de minste gelijkheid is.

Hoe verscheiden wijders de soorten der dieren in de Dwaalstarren zijn, zullen wy daar uit best konnen afnemen, indien we op de genen, welke by ons zijn, en op haar wondere verscheidenheid van gedaantens, agt slaan. Gansch waarschijnelijk is het, dat ’er niet minder zouden ontmoeten, indien het iemand mogt gebeuren den Kloot van [42] Jupiter of Venus van na by te bezien, Dog laat ons de grootste (want alle zoude te langwijlig zijn) onderscheidenheden van onze Dieren slegts ter loops overwegen, en welke of in gedaante, of in eenige zonderlinge eigenschap aanmerkelijk zijn; zoo in de dieren, die op d’aarde, of in ’t water leven, als in het gevogelte. Laat ons denken welk een ongelijkheid men vind tussen een Paard, Olifant, Leeuw, Hart, Kemel, Varken, Aap, Stekelzwijn, Schildpad, en Chameleon: wat een onderscheid ’er is in de Watergediertens tussen een Walvis, en Zeehond, Roch, Snoek, Aal, Zeekat, Veelvoet, Krokodil, Vliegende vis, Krampvis, Kreeft, Oester, en Purper-mossel: hoe groot het verschil is van een Arend, Struisvogel, Paauw, Zwaan, Nagtuil, en Vleermuis. De kruipende beesten mogen slegts voor een soort gerekend blijven. Maar in gekorven hebben we te zien Spinnekoppen, Vliegen, Kapelletjes, en haar wonderbaarlijke natuur, dat ze van gewormte vliegende dieren worden. In alle dese we[43]ten wy, hoe groot daarenboven het getal is van zulke, die minder van den anderen verschillen.

Maar hoe groot dat getal ook zy, ’t is te denken, dat er geen kleiner is in een ygelijk van de overige Dwaalstarren. En schoon men over de gestalte [Figura] van die dieren vergeefsche gissingen maakt; echter dunkt ons, dat wy nu in ’t gemeen wegens haar leven iets vernomen hebben: van de Zinnen [Sensus] zullen we in ’t vervolg spreken.

Gelijkerwijs men de onderscheidenheden der gediertens bezien heeft, zoo konnen ook de voornaamste verscheidenheden van onze struiken en boomen overwogen werden: als daar is de Denneboom, Eikenboom, Palmboom, Wynstok, Vygeboom, desgelijks de Kokos-notenboom, en nog een andere lndiaansche boom, uit welkers takken nieuwe wortels uitspruiten, die zig in d’ aarde zetten. Voorts in de kruiden, Gras, Eulzaad, Kool. Klim-op, Pepoenen, lndiaansche Vijg met dikke bladeren, zonder steel, op[44]groeyende, Aloë, enz.: waar in wederom die bekende overvloed is van zulke, die minder verschillen. Men zie daarenboven de verscheide wegen van voortplanten, als uit zaden, kernen, poten, enten, en bollen: van alle welke men moet denken dat ’er niet minder of min verwonderlijker in de landen der Dwaalstarren gevonden worden.

Dog het gene in dit Onderzoek het voornaamste is, en het grootste vermaak geeft, daar toe schijne ik nog niet gekomen, zoo lang als ik niet gestelt hebbe, dat in die gewesten aanschouwers zijn, die zoo vele geschapen dingen genieten, en zig over der zelver schoonte en verscheidenheid verwonderen. Ik zie, dat byna niemand der gener, die maar ter loops hier over hunne bedenking nemen, in twijfel getrokken heeft, of men in de Dwaalstarren eenige aanschouwers mag stellen; juist niet menschen, gelijk wy zijn, maar nogtans dieren, die reden gebruiken. Namentlijk zy dagten, dat die Wereldsdelen, hoe cierlijk ze ook mo[45]gen wezen, gelijk als te vergeefs, en ten geenen einde of inzigt zouden gemaakt zijn, indien daar meê niet beoogt was, dat ze van iemand zouden gezien werden, die haar fraayheid konde bezeffen, teffens de vrugt daar van trekken, en de wijsheid des hoogsten Werkmeesters met verwondering beschouwen. Niet dat ik dit voor mijn wigtigste klemreden houde, waarom ik zoude meinen dat ’er redelijke dieren in de Dwaalstarren wonen: want men zou konnen zeggen, dat God zelf de dingen beschouwt, die Hy geschapen heeft (wel op een andere wijze, als wy; maar wie zal twijfelen of Hy, die de oogen gemaakt heeft, ziet?) en Hemzelven daarin verlustigt, zonder iets meer te vereissen. Want heeft Hy niet zelfs daarom ook de menschen gemaakt, en alles wat de Wereld bevat? Het gene my derhalven meest beweegt te gelooven, dat in de Dwaalstarren geen redelijke dieren ontbreken, is dit, dat de voortreffelijkheid en heerlijkheid van onze Aarde al te groot boven andere zou zijn, indien zy alleen [46] van dat Dier voorzien was, ’t welk zoo verre alle dieren, ik zwijge de aardgewassen. te boven gaat, dat Dier; ’t welk in zig iets goddelijks heeft, waar door het weet, verstaat, en ontallijke dingen geheugt; dat Dier; het welk bequaam is om de waarheid te overwegen, en te oordeelen; eindelijk om wiens wille alles wat de Aarde voortbrengt, schijnt toebereid. Want het wend alle dingen tot zijn gebruik. Het bouwt huizen van hout, steenen, en bergstoffen; het eet Vogelen, Vissen, Vee, en Kruiden, het bedient zig van de Wateren en Winden tot de Scheepvaart; het schept zijn wellust uit de reuk en schoone verwen der Bloemen. By aldien nu in de Dwaalstarren geen zoodanig een Dier is, wat kan ’er wezen, ’t welk zoo hoog te schatten is, of waar mee dat gebrek vergoed werde? Stel eens in Jupiter een veel grooter verscheidenheid van dieren, meer boomen, kruiden, en bergstoffen: in die alles zal niets zijn, waar door die Wereld zoo veel aanzien krijgt, als de onze door de wondere natuur van [47] het verstand der Menschen. Zoo my hier in mijn oordeel bedriegt, zoo bekenne ik onkundig te zijn van de dingen regt te waarderen.

Niemand zegge daar tegen, dat in dat zelve menschelijk geslagt zoo vele rampen en gebreken zijn, dat men met reden mag twijfelen, of de Werelden der Dwaalstarrelingen, door zoodanig een Dier aan haar toe te eigenen, in plaats van aanzienlijkheid en cieraad, niet veel eer het tegendeel zouden krygen. Want voor eerst, de ondeugden, die in het grootste deel der menschen leggen, belletten niet, dat die genen, die de Deugd en het regt gebruik der Reden navolgen, voor iets waardigs en treffelijks moeten gehouden werden. Daar by is her geloofelijk, dat zelfs die gebreken der ziele den meesten mensche niet zonder de grootste wijsheid gegeven zijn. Want dewijl door Gods wil en voorzienigheid de aarde en haar bewoners zoodanig zijn, als we zien dat ze zijn (en het zou ongerijmd wezen te denken, dat dit alles anders gemaakt is als Hy gewilt heeft, [48] en geweten, dat het zouden zijn) moet men oordeelen, dat zoo menigerley verscheidenheid [Animorum diversitas] van inborsten den stervelingen niet te vergeefs is ingeprent; maat dat die mengsels van goede met quade, en de daar uit voorkomende ongelukken, oorlogen, en rampen, ten dien einde daar nevens gaan, op dat, wanneer de nood dringt, en sterk aanzet, de vernuften opgewekt en geoeffent werden; als we gaan zoeken, waar mede wy ons tegen de vianden konnen beveiligen, en met welke werktuigen en wapenen hen vervolgen: desgelijks op dat wy, pogende ons zelven uit armoede en elende te houden, verscheide konsten zouden gaan uitvinden, en de natuur doorgronden, uit welkers kennisse men zig vervolgens moet verwonderen over de magt en wijsheid des Makers; die wy misschien anders Zoo dom als de beesten zouden hebben voorbygegaan. Want zonder twijfel, indien de menschen in een duurzame vrede en overvloed van alle dingen hunne dagen sle[49]ten, zy zouden eerlang niet anders als de redenlooze dieren leven; onkundig van alle wetenschappen, en zeer vele voordeelen, waar door het leven beter en vermakelijker word doorgebragt. Wy zouden ontberen de wonderbaarlijke Schrijfkonst, indien de hoogste nooddwang in den koophandel en oorlog dezelve niet had voortgebragt. Daar aan zijn wy ook schuldig de konst der Scheepvaardy, de konst van zaaijen, en het grootste deel der andere uitvindingen, van welke wy ons bedienen; mitsgaders byna alle andere Natuurgeheimen, die onder het navorschen ontdekt zijn. Dus konnen zelfs die dingen, waarom het vermogen der Reden berispelijk scheen, gezegt werden zeer veel te helpen om die te volmaken en op te scherpen. De deugden zelve, Dapperheid en Stantvastigheid, konnen naauwlijks anders als in gevaar en tegenspoed uitblinken.

Derhalven indien wy bezeffen dat in de overige Dwaalstarren een soort van redelijke dieren is, byna met de zelve deugden en gebreken voorzien, als.de [50] menschen; zoo heeft men dit van zoo grooten waardy te schatten, dat ze zonder die veel geringer als deze onze Aarde zouden zijn.

Maar gesteld zijnde, dat ’er dusdanige inwoners van de Dwaalstarren zijn, die Reden gebruiken, zoo kan men nog vragen, of ook dat zelve ’t welk wy Reden noemen aldaar zoo wel Reden is als by ons. Dit dunkt my dat met ja moet beantwoord werden, en niet anders kan geschieden, ’t zy dat wy het gebruik der Reden aanmerken in de dingen, die tot de zeden en billijkheid behooren, ’t zy in de dingen, die tot de beginsselen en grondvesten der Wetenschappen strekken. By ons is het de Reden, die ons ’t gevoelen van Regtvaardigheid, Eerlijkheid, Lof, Goedertierenheid, en Dankbaarheid inprent; die ons goed en quaad in ’t geheel leert onderscheiden; en die daar nevens het gemoed bequaam maakt om leeringen en vele uitvindingen te vatten. Zou elders wel eenige andere Reden zijn dan deze? en zou het in Jupiter en Mars wel voor onregtvaar[51]dig en schelmsch gehouden werden, ’t welk by ons regtvaardig en deftig word geacht? Dat is voorwaar niet waarschijnelijk, maar teenemaal onmogelijk. Want dewyl het bestier der Reden, hoedanig wy dezelve hier erkennen, noodig is tot behoud des levens en der maatschappy (deze zullen we toonen dat ook by de Dwaalstarrelingen in zwang gaat) zoo wanneer men dingen regtstrijdig tegen hare wetten stelt, daar zal een verval en omkeering volgen van die genen, die zulk een verkeerden zin gekregen hebben. Nu zien wy in tegendeel, dat de Stichter der dingen over al der zelver behoudenisse heeft voorgenomen. En of schoon de hartstogten [Affectiones animi] by die ingezetenen der vergelegene landen eenigzins van de onze mogten verschillen, neem eens wat de vriendschap, toorn, haat; eerlijkheid, eerbaarheid en aanzien belangt; nogtans is ’er geen twijfel aan, of in de betragting van de Waarheid na te sporen, in ’t oordeelen van de gevolgen der Redenen, en voornamentlijk in redeka[52]velingen, die tot de hoegrootheid en grootte behooren, waar omtrent de Meetkunde te pas komt (by aldien zy iets dergelijks hebben, ’t welk wy terstond zullen onderzoeken) daar is niet aan te twijfelen, zegge ik of henluider Reden is teenemaal gelijk de onze, en gaat langs de zelve weg: en ’t welk by ons waaragtig is, dat is ook waar in andere Dwaalstarren. Hoewel misschien hare bewoners met een grooter of kleiner kragt en vermogen in die dingen begaafd zijn, dan wy.

Maar ik voele reeds dat ik nu al te verre ben voortgestapt. Voor af moesten we eens gezien hebben, hoe ’t met de lichamelijke Zinnen [Sensus] van de ingezetenen der Dwaalstarren stond; welke als zy niet hadden, zoo moge het schijnen of zy naauwelijks met een leven, gelijk de dieren, voorzien waren, of met iets, waar in zy het gebruik der Reden konden oeffenen. Dog ik meine dat men met waarschijnelijke bewijsredenen kan betoonen, dat zoo wel de onredelijke als de met Reden [53] begaafde dieren over een komen wegens alles wat tot de Zinnen behoort, met de genen die deze Aarde bewonen. Want voor eerst als wy bedenken wat in de dieren is het vermogen van te zien, zonder ’t welk geen bescheid zou zijn van voedsel te nuttigen, of van gevaren te vermijden; en het leven niet anders als dat van Mollen of Pierwormen; zoo zullen we begrijpen, dat al waar beter dieren dan de laaste zijn, aldaar ook ziende dieren moeten wezen. Niets helpt meer tot behouding of verquikking des levens [dan het Gezigr.] Letten wy maar eens op de verwonderlijke natuur des Ligts, en de verbazende konstenary, waar meê de Oogen, om ’t Ligt te genieten, zijn toegesteld, we zullen wel haast leeren, dat de bezeffing [Perceptio] van verre afstaande dingen, met de omschrijving der gedaantens [Circumscriptio formarum], en het onderscheid der tussenwijdtens [Intervalla] op geen andere wijze, dan die uit het Gezigt is te halen, kan gemaakt werden. Want deze Zin, of [54] eenige andere der gener, die wy kennen, kan d’ er niet wezen, dan door een beweging, van buiten aankomende: een beweging, die, gelijk wy elders ontvouwt hebben [Zie zijn Traité de la Lumiere, in ’t jaar 1690 uitgegeven], van de Zon komt, of van de Vaste Starren, of van ’t Vyer; welker deeltjes, door een allervlugste beroering gaande gemaakt zijnde, de rondomgelegen Hemelsche stoffe geduriglijk voortstooten en aanstuwen; en welke voortstooting [Impulsus] van de digste tot de vergelegene stoffen zeer gezwindelijk voortgaat, byna op de zelve wijze als het Geluid door de Lucht. Zonder deze beweging, en fijne Luchtstoffe [Materia Ætheris], die de middelruimtens des Hemels vervult, zouden wy geen Zon, geen Starren, konnen zien; zelfs geen andere nader lichamen, vermits dezelve [Repercussus motus] te rug gekaatste beweging van haar wederom tot ons moet komen. Deze [beweging,] door het [Oculorum sensus] gevoel der oogen bevat zijnde, werd Ligt ge[55]naamt: waar in voor al wonderlijk is, hoe dat gevoel tot zoo groot een fijnheid heeft konnen gebragt werden, dat het door de minste beweging van de Hemelsche stoffe wierd aangeraakt, en teffens begreep van wat kant die voortquam: daarenboven hoe dat dergelijke ontelbare voortgangen van stootingen [Pulsus], en ronde vlaktens [Superficies Sphæricæ], d’ een d’ ander overdwerffende, malkanderen niet beletten. Dit alles is met zulk een wonder en scherpzinnig overleg toegesteld, dat de vernuften der menschen het kleinste gedeelte van dien niet zouden hebben konnen uitvinden, dewijl ze zelfs bezwaarlijk konnen vatten, hoe het daar meê gelegen is. Wat is zoo verwonderlijk, dan dat eenig deeltje van ’t lichaam zoo gesticht is, dat door des zelfs behulp een dier gewaar word de gestalte van verr’ af gelegene lichamen, allerley beweging, en afstand; en dat zelfs met de verscheidenheid der verwen, om die [lichamen] des te onderscheidentlijker te onderkennen? Buiten dat gaat het allerkon[56]stigste maaksel [Constructio] van ’t Oog, ’t welk bequaam is om een volmaakte schildery van uitstaande dingen in de holle vlakte van het netvormig Oogvlies [Chorois] in te prenten, zekerlijk alle verwondering te boven; en niets is ’er, waar in God zigtbaarlijker de Meetkunde geoeffent heeft. Ook zijn deze dingen niet alleenlijk met het grootste verstand uitgevonden en volwrogt, maar ze komen ons nog zoodanig voor, dat ze, by aldien men d’ er naauwkeuriger op let, op geen andere wijze hebben konnen volmaakt werden; dan dewelke wy zien. Want het Ligt konde niet anders, als met hulpe der beweging door de Hemelsche stoffe, de wijdafgelegene dingen voor onze zinnen brengen, en om de beeltenissen der dingen onderscheidentlijk te vertoonen kon d’ er geen ander konststuk dan dat van de Oogen zijn: zulks dat die genen, mijn’s oordeels, zig grootelijks bedriegen, welke durven beweren dat dit alles op velerley wijzen had konnen toegestelt werden. Waarom [57] het gansch geloofelijk is, dat het met beide die zaken even eens in de Dwaalstarren staat, als by ons, en dat de dieren aldaar geen andere wijze van zien hebben, dan de onze. Zy zullen dan Oogen hebben; en ten minsten ook twee, op dat ze de afstandigheden der dingen, die voor hare voeten zijn, konnen begrijpen; zonder ’t welke men naauwelijks veilig kan voortgaan. En dit moet noodzakelijk, tot dienst des levens, aan byna alle dieren in de Dwaalstarren werden toegeschreven: dog die met Reden en Verstand begaafd zijn, dewyl ze nog andere nutheden uit het Gezigt konnen trekken, dien past het des te meer, met zoo groot een gave vereerd te wezen. Want door het Gezigt bezeffen wy de fraayheid der verwen, de schoonheid der gedaantens, en al wat net is: met het Gezigt is ’t, dat wy lezen, schrijven, den Hemel en de Gestarntens beschouwen, en der zelver loop en groottens meten: ’t welk voor hoe verre het ook tot de Dwaalstarrelingen behoort, een weinig hier na van ons zal gezien worden.

[58] Laat ons nu eerst gaan onderzoeken, of het waarschijnelijk is dat ze ook van de overige onzer Zinnen niet zijn misgedeeld.

Wat het Gehoor belangt, vele redenen raden ons te gelooven, dat de dieren, die daar zijn, het zelve bezitten: overmits het grooten baat aanbrengt om het leven uit gevaar te redden, wanneer uit het geluid en gekraak dikwils een nakend ongeluk vernomen word; byzonderlijk des nagts, en in de duisterheid, als het behulp der Oogen weg is. Ook zien wy dat de meeste dieren door stemgeluid haar’s gelijken tot zig roepen, en elkanderen veel te beteekenen geven, ’t welk wy wel niet verstaan, maar misschien meer is, dan wy meinen. En als wy bedenken, hoe wonder wel de Stem en het Gehoor in de redelijke dieren te pas komt, zal het naauwelijks te gelooven schijnen, dat zoo dienstig een Zin en zoo groot een konst van spreken, alleen om onzer Aarde, en om ons menschen wille was uitgevonden. Hoe veel zoude tot de gemakken van ’t leven, en ons ge[59]lijken zegen, den genen ontbreken, die zoo groot een weldaad missen: of met wat anders zou die konnen vergoed werden? Indien wy voorts overwegen hoe fraay en vernuftig de Natuur die zelve Lucht, door welkers in- en uitademing [Respiratio] wy leven, door welkers wy t’ scheep varen, en die de Vogelen doet vliegen; hoe Zy, zegge ik, die zelve Lucht tot het uitdrukken en voortbrengen van ’t geluid heeft bequaam gemaakt, wederom het geluid om de spraak te vormen, en in de ooren in te voeren: wy zullen bezwaarlijk konnen gelooven, dat Zy dezen uitmuntenden dienst van de Lucht in die ver afgelegene Landen vergeten heeft. Want dat ’er Lucht is, die over de Aarde hangt, daar aan kan men schier niet twijfelen, overmits wy gezegt hebben, dat ’er in Jupiter Wolken gezien worden. En gelijk de Wolken uit zeer kleine dropjes water bestaan, alzoo word ook uit de byzonderlijk van malkander vliegende deeltjes des waters voor een groot gedeelte [60] de Lucht gemaakt, die nader om d’ Aarde gaat. Dat de Klooten der Dwaalstarren daar van geen gebrek hebben, zou men ook om die reden gelooven, om dat de Ademhaling [Respirandi ratio], waar door het leven van alle dieren, die by ons zijn, onderhouden word, geheel en al schijnt eene van de meest algemeene Wetten der Natuur te wezen, gelijk de Voeding uit vrugten der Aarde.

En om van de overige Zinnen der dieren vorders te spreken, het schijnt voorwaar dat het Gevoel, ’t welk uit aanraking spruit, als ten hoogsten noodzakelijk is gegeven aan alle zoodanige, die met een zagte en buigzame huid gedekt gaan, op dat ze zig wagten voor alles wat haar kan quetsen: daar ze anders menigvuldige wonden, slagen, en kneuzingen zouden krijgen. Waar in de Natuur zoo voorzigtig is geweest, dat Zy niet gewilt heeft dat zelfs het allerminste deeltje van de huid ongevoelig van smart zou zijn. Weshalven het ten vollen geloofehjk is, dat dit vermogen, tot behoud van den wel[61]stand der dieren zoo noodig zijnde, den ingezetenen van de Dwaalstarren ook is ingegeven.

Wyders wie weet niet dat de Reuk en Smaak noodig zijn voor alle, die voedsel nuttigen, om het nutte van ’t schadelijke en ’t onnutte te onderkennen? Zoo dat men mag gelooven, indien de dieren daar ter plaatsen met kruiden, zaden, of ook misschien met vlees, gevoed worden, dat zy insgelijks van die zinnen, zoo om te vermijden als om te begeren, voorzien zijn. Ik wete wel, dat sommige onderzogt hebben, of ’er, behalven de vijf gezeide, geen andere van de Natuur konden gegeven wezen: ’t welk toegestaan zijnde, zou men misschien moeten twijfelen, of niet de dieren in de Dwaalstarren heel andere zinnen hebben als de onze. En voorwaar hoewel niets daar tegen strijd, dat ’er andere wyzen van bevatten konden zijn; evenwel als we overwegen, tot wat diensten des levens een yder van die Zinnen, die wy hebben, gemaakt is; zoo schijnt het, dat ’er ten minsten geen [62] andere noodzakelijke konde bygevoegt werden. Namentlijk de Voorzienigheid heeft gemaakt, dat wy digt by- en ver af gelegene dingen, zoo als ze waren, met de Oogen; wederom dat wy dingen, van ons niet gezien, of achter ons rugge, of in ’t donker, door het Gehoor zouden gewaar werden. Desgelijks dat de dingen, van welke de Oogen of de Ooren ons geen bescheid konden geven, door een ander gevoel in de Neusgaten voor af zou werden opgespeurt; en dat in de Honden, gelijk wy weten, met een wonderbare fijnheid. Laatstelijk heeft Ze gemaakt, dat de dingen, welke die vier Zinnen ontvloden, op dat zy, tegen ons lichaam aankomende, ons niet mogten beschadigen, door het Gevoel bevat wierden. Alzoo is door Haar op alle manieren voor de welstand en behoudenisse der dieren zorge gedragen, en ’t schijnt niet, dat ’er iets meer kan bygedaan of vereist werden; zulks dat Ze de bewoners der Dwaalstarren schier niets anders, als het gene overtollig was, zoude verleent hebben.

[63] Dog nademaal het menschdom uit een ygelijk van de Zinnen, behalven de nutheid, ook eenige geneugte trekt, gelijk als uit de Smaak in spijzen; uit de Reuk in bloemen en specerijen; uit het Gezigt in de beschouwing van schoonheden en verwen; uit het Gehoor van welluidende klanken; uit het Gevoel in minnezaken (zoo men dit anders niet voor een zeker zonderling Gevoel moet te boek zetten) en de andere dieren uit sommige der zelver; zullen wy niet zeggen, dat deze gaven der Natuur byna op dezelve wijze aan de Dwaalstarrelingen zijn meê gedeeld? Dat schijnt, voorwaar, de Reden te vereissen. Want het zy we denken, hoe veel te vermakelijker en gelukzaliger daarom het leven gemaakt werd; wy moeten deszelfs hoogste goed niet aan onze Aardrijksbewoners [alleen] toeschrijven, en den genen, die in andere Aardklooten leven, ontnemen, als of onze zaken veel boven die van henluiden voor uit hadden: het zy dat wy opmerken op de wellusten, die uit het eten, en vereenigen van man [64] en vrouw spruiten, wy zullen bevinden, dat dezelve gelijk als zekere noodwendige geboden zijn van de voorzienige Natuur, die een stilzwijgende nooddwang geeft, om het geslagt der dieren te behouden en voort te zetten; of ook, dat wel in de beesten misschien het geslagt zelf voortgeteelt word, op dat zy beide die geneugtens zouden genieten: zulks dat het ten dien tweederleyopzigte voegelijk is, dat dezelve dingen ook in de overige Dwaalstarren zijn. Wisselijk als ik overdenke, van hoe grooten waarde die alles is, hoe groot een nutheid het in zig heeft, en hoe verwonderlijk het is dat zoodanig iets, als ’t welke Wellust is, in de natuur der dingen plaats heeft, word ik teenemaal van gevoelen, dat onze Aarde, een van de kleinste Dwaalstarren, alleen zoo groot een geluk niet gekregen heeft. En dit is, wat belangt die Wellusten, welke de lichamelijke Zinnen vermaken, dog het vermogen der Reden niets met al, of zeer luttel. De Mensch heeft, behalven die, nog andere, die alleenlijk met het vernuft [65] en door het gevoel der Reden, bezeft worden; sommige met blijdschap vermengd, andere ernstig, en daarom van geen minder waarde; gelijk als zoodanige, die uit de vermakelijkheid der Wetenschappen, uitvindingen, en kennisse der Waarheid, spruiten: van alle welke, of ze ook in de Dwaalstarrelingen plaats hebben, in ’t vervolg te spreken zal te pas komen.

Nu vallen d’ er nog meer dingen te overwegen, die na allen schijn in die Aardklooten de onze gelijk zijn. Wy hebben gezien, hoe waarschijnelijk het is, dat ’er van de Hoofdstoffen de Aarde, de Lucht, en ’t Water; in de andere Dwaalstarren geen gebrek is. Laat ons ook zien hoe ’t daar met het Vyer staat, ’t welk by ons niet zoo zeer een Hoofdstoffe moet genoemt werden, als wel een allervlugste beweging van deeltjes, die van zekere lichamen zijn afgerukt: en dat die, hoedanig het zy, ook den Volkeren in de Dwaalstarren is gegeven, kan door vele waarschijnelijkheden bewezen werden. Voor eerst, om dat de [66] regte zitplaats des Vyers niet zoo zeer op deze Aarde als in de Zon gelegen schijnt; en, gelijkerwijs hier de Kruiden en Dieren door de warmte haar wasdom en koestering krijgen, dat het zonder twijfel ook alzoo in de overige Dwaalstarren toegaat. En dewyl een heviger warmte het Vyer maakt, is ’t wel te denken. dat ook in die gewesten; en voornamentlijk zulke, die nader aan de Zon leggen, dezelve, of grooter trappen [Gradus] van warmte zijn, en dat uit de kragt van die Vyer spruit. Daarenboven zien wy, op hoe vele wijzen het Vyer verwekt word, gelijk als door verzameling van Zonnestralen; uit de wederomkaatsing van metale of glaze spiegels [Repercussus pelvium aut speculorum]; door samenbotsing van yzer en keijen; door onderlinge wryving van hout; door ’t ophoopen van hooy, dat niet wel gedroogt is; desgelijks uit den Blixem, en uit de ontstekingen van gebergtens, en zwavelachtige aarde, zulks dat het wel wonder mogt wezen, dat ’er niet op eenige wijze van alle de voorge[67]melde, ook Vyer in de landen der Dwaalstarren zoude ontsteken werden. Laat ons hier by bedenken, hoe groot het gebruik, hoe groot de nootzakelijkheid, van ’t Vyer by ons is. Door deszelfs behulp verdryven wy de ongemakken van de koude, in die gewesten, daar de warmte der Zon, om de scheuinsheid der stralen, minder kragt heeft; en dus maken wy, dat een groot deel landen niet onbebouwd en onbewoond blijft leggen: ’t welk in alle de klooten der Dwaalstarren, ’t zy dat ze de wisselingen van Zomer en Winter gevoelen, ’t zy dat ze in een geduurige Nagtevening [Æquinoctium] zijn, een even noodig hulpmiddel is; om dat aldaar de plaatsen, nader aan de Aspunten gelegen, door de warmte der Zonne zekerlijk ook weinig geholpen worden. Het Vyer dient ons wyders, om den nagt ligt, en als tot een tweeden dag te maken, waar door het leven veel verlengt word. Om alle het welke dan geheel waarschijnelijk voorkomt, dat zoo groot een zaak aan de [68] inwoners der Aarde niet alleen, maar ook aan de overige Dwaalstarren gegeven is.

Men kan ook vragen wegens de Dieren, zoo redelijke als onredelijke, mitsgaders wegens de Aardgewassen en Boomen, of de genen, die aldaar groeijen, met de onze in grootheid over een komen. Want als men dit natuurlijk ging afmeten naar de grootheid van de Klooten zelve, zoo zouden in Jupiter en Saturnus dieren zijn, tienmaal of vyftienmaal grooter als Olifanten, en even zoo veel langer als onze Walvissen: en die met Reden begaafd waren, zouden lichamen van Reuzen hebben, by d’ onze vergeleken. Waar omtrent ik niets zie, ’t welk te verwonderen, of onmogelijk is: zonder dat wy nogtans genoodzaakt zijn te gelooven, dat dat in der daad zoo is, dewyl in vele zaken blijkt, dat de Natuur zig niet aan die regelen van maat verbonden heeft, welke naar onze meening gevoegelijkst schenen? gelijk als dat de grootte van de Klooten der Dwaalstarren zelve geenzins naar der[69]zelver afstandigheid van de Zon geschikt is, want Mars is merkelijk kleiner als Venus, schoon hy verder aflegt; en de omdraajing van Jupiter op zijn As gaat in tien uuren om, daar de Aarde, die zoo veel kleiner is, den tijd van vier en twintig uuren in haar omwenteling doorbrengt. Nu mogt iemand twijfelen, overmits de Natuur in deze dingen geen evenredenheid waarneemt, of misschien de ingezetenen der Dwaalstarren geen Dwergen zijn, of niet grooter dan Kikvorschen of Muizen: maar ik zal hier na toonen waarom dit gansch niet voegelijk te achten zy.

Nog zoud ’er een andere twijfeling konnen rijzen, of ’er in yder Dwaalstarre maar een, of meer soorten van redelijke Dieren, en of die van een verscheiden vermogen van Reden, zijn. En dusdanig iets zien wy, voorwaar, dat op deze onze Aarde plaats heeft, Ik spreke nu niet van zulke, die een ’s menschen gedaante vertoonen (hoewel men het zonder ongerijmdheid ook van die zou konnen zeggen) maar indien [70] wy op den zin en het begrip [Sensus & intellectus] van sommige beesten letten, gelijk van Honden, Apen, Bevers, Olifanten ja ook van sommige Vogels, en der Byen; ’t zelve komt ons in dier voegen voor; dat men geenzins schijnt te moeten zeggen, dat het geslagt der Menschen alleen de Reden deelachtig is. Want in deze alle blijkt zoodanig iets, ’t welk men kan begrypen dat, zonder eenige onderwyzing of ervarenheid, in haar is gehuisvest.

Nogtans valt ’er niet te twijfelen, of des menschen verstand en vernuft [Intelligentia & ingenium], als zijnde bequaam tot ontelbare zaken, vatbaar van overleg tegen het toekomende, en begaafd met een oneindige geheugenisse van ’t voorleden, gaat dit verre te boven. Welk groot verschil van voorteffelijkheid van ons overwogen zijnde, zoo zullen we nier zonder reden gelooven, dat de Natuur in de overige Dwaalstarren ook aan een zeker soort den voorrang boven andere heeft gegeven; en wel te meer, om dat, by aldien d’ er meer van de zelve [71] schranderheid des vernufts waren, deze elkanderen zouden konnen beschadigen, en over de eigendommen en de heerschappy onderling twisten; ’t welk nu nog al te veel gedaan word van de genen, die op deze Aarde heerschen, schoon ze van eenerley geslagt zijn. Maar (het mag daar meê gelegen zijn zoo ’t wil) laat ons voortaan van die Dieren in de Dwaalstarren handelen, die allermeest door de Reden boven anderen uitmunten, en eens onderzoeken of het wetelijk is, in wat zaken zy het gebruik der Reden te werk stellen, en of zy ook hare konsten en wetenschappen hebben, gelyk wy in deze onze Dwaalstarre [d’ Aarde.] Een zaak, die onder dat gene, ’t welk haar natuur betreft, voor al overwegens waardig is. Dog, op dat dit te beter geschiede, moet men het van een weinig hooger beginnen, en het leven en d’ oeffeningen der menschen met wat nader aandagt beschouwen.

Mijns erachtens, voor zoo verre de menschen alleen bezig zijn, om hun zelven van noodige zaken te verzorgen; [72] namentlijk dat zy tegen de ongemakken van de Lucht beveiligde woningen hebben; dat zy in vestingen besloten tegen hunne vianden wagt houden; dat zy hunne kinderen op voeden; en voor die, en voor hun zelven, de kost winnen; in dit alles schijnt het gebruik der Reden niets groots te hebben, waarom wy ons boven de redenlooze dieren zouden stellen: want zy doen de meeste van die dingen met meer gemak, en eenvoudigheid, dan wy; en sommige hebben zy niet van nooden. Wat anders dog maakt de bevatting [Sensus] van Deugd, en Regtvaardigheid, om welke wy terstond zeiden dat het menschelijk verstand [Mens] uitmuntte, desgelijks van Vriendschap, Dankbaarheid, en Eerlijkheid; dan dat daar door de gebreken der menschen worden tegengegaan, of het leven gerust en vry gemaakt word van ’t ongelijk dat men elkanderen aandoet? ’t welke onder de Beesten van zelfs, en door de leiding van de Natuur, geschied. By aldien wy nu ons voor oogen stellen de veel[73]vuldige bekommeringen, ’t hartzeer, de begeerlijkheid, en vreeze des doods, welke altemaal onze Reden vergezelschappen; en indien wy die met het gemakkelijk, stil, en onnoozel, leven der Beesten vergelijken: zoo schynen de meeste derzelver, en voornamentlijk uit het geslagt der Vogelen, vermakelijker te leven, en een beter lot te genieten, dan de Menschen. Want wat de lijffelijke wellusten aangaat, de Beesten worden zonder twijfel daar door zoo wel bekoort als wy; wat ook daar tegen gezegt werd van zekere nieuwe Wijsgeren [Te weten de Kartezianen], die alle andere Dieren. behalven den Mensch, alle gevoel ontnemen, der mate, dat zy die voor enkele van-zelfs-bewegende konststukken [Automata], of goochelpoppen [Neurospasta] willen gerekent hebben; welker ongerymde en harde meining ik verwondere dat van iemand kan aangenomen werden; voornamentlijk daar de Beesten zelve met haar stem, en met slagen te ontwyken, en alzins, het tegendeel toonen. Ja ik [74] twijfele naauwlijks, of de Vogels voelen dat dat wonderlijk en aardig vliegen door de Lucht haar vermaakt; ’t welk zy nog meer zouden voelen, indien zy verstonden, hoe verre onze loome en lage gang voor haar snelheid en hooge vlugt moet wyken.

Maar wat is het dan, waar in het gebruik der menschelijke Reden meest uitsteekt, en maakt, dat wy andere dieren overtreffen? Niets zoo zeer, meine ik, als de beschouwing van de Natuur, en Werken Gods, voor al de oeffening der Wetenschappen, waar door wy de heerlijkheid en grootheid van die eenigermate leeren kennen. Want wat zou het beschouwen zonder de wetenschappen zijn? En hoe groot is ’t onderscheid tussen de genen, die de schoonheid, en het nut der Zonne, desgelyks den Hemel met Starren gecierd, zonder bezeffing aankijken, en tussen andere geleerder luiden, die den loop van alle die dingen nasporen; die het verschil der Vaste Starren, zoo men die noemt, met dat van de Dwalende, kennen, die met een scherpzinnige re[75]denkaveling de grootheid van de Zon en Dwaalstarren, same haar afstand, meten? Wat een onderscheid is ’er tussen zulke, die de verscheide bewegingen en gezwindheid der Dieren met verwondering aanzien, en tussen die genen, die het maaksel van alle leden, en daar in een allerkonstigste Samenstelling en Bouwkunde bespiegelen? By aldien dan de overige Dwaalstarren in aanzienlijkheid voor onze Aarde niet wyken, gelijk wy hier vorens voor een beginsel en grondvest stelden: zoo moeten daar ook Dieren zijn, die niet slegts de werken der Natuur zien en prijzen, maar welker Reden zig bezig houd in die te onderzoeken en te verstaan, ja die geen minder kennisse daar van hebben, dan wy. Dus aanschouwen de Dwaalstarrelingen niet alleen de gestarntens, maar zy oeffenen ook de Starreloopkunde; en niets belet ons dit voor waarschijnelijk te honden, dan die hoovaardige hoogachting van onze zaken, welke bezwaarlijk is af te leggen.

lk wete echter dat sommige hier tegen zullen zeggen, dat wy den inge[76]zetenen der Dwaalstarren deze dingen al te stoutelijk toeschrijven; want dat men dus verre geraakt is door een ophooping van vele waarschijnlijkheden, van welke indien ’er een anders gelegen is dan wy gestelt hebben, zoo moet alles wat daar op gebouwd is, gelijk als in een quaad gebouw, om verre vallen. Maar ik wil haar doen verstaan, dat dit [laatste] ’t welk van de Starreloopkennis gezegd is, met achterlating van alle de tot nog toe bygebragte redenen, had konnen bekragtigt; en daar van een aanvang genomen werden. Want na dat gesteld is, dat deze Aarde onder de Dwaalstarren, en niet waardiger of cierlijker dan die, moet gerekent werden; wie zal durven zeggen dat daar alleen Dieren zijn, die het Schouwspel der Natuur genieten, ’t welk het eenige allerfraaiste en heerlijkste is? Of dat onder de genen, dien dit gebeuren mag, wy alleen de luiden zijn, die een volkomener en grondiger kennisse van de geheimenissen des Hemels hebben? Zie hier dan zelfs op deze wijze de Starreloopkennis in de [77] [volkeren der] Dwaalstarren bewezen; waar uit ook volgde dat daar in geen redelijk Gedierte, nogte meer andere vorensgemelde dingen ontbreken: zulks dat deze laatst bewysreden de vorige helpt bevestigen. En, op dat het het waarschijnelijk zy, dat de Wetenschap van den loop der Starren ten minsten in de hoogste Dwaalstarren Jupiter en Saturnus plaats heeft; staat te letten, by aldien de verwondering en verbaasdheid over de Zon- en Maanzwijmen [Defectus Solis & Lunæ] de menschen tot het waarnemen der Gestarntens heeft aangezet, dat die reden in beide deze Dwaalstarren des te meer behoorden te gelden, om de menigvuldige Zon- en Maanverduisteringen [Defectus Solis & Lunæ], die aldaar byna dagelijks Voorvallen. Tot zoo verre, dat, indien men iemand stelde, die geheelijk niet wist wat ’er in alle Dwaalstarren omgaat, zulk een zou zeggen, dat de Starreloopkunde veel waarschijnelijker in die twee, dan in de onze, geoeffent wierd.

Nu eens gesteld zijnde dat de Dwaal[78]starrelingen de kennisse en het gebruik van deze Wetenschap hebben, hoe vele dingen volgen daarenboven hier uit; welke over hun leven en staat nog verder nieuwe gissingen voortbrengen?

Want voor eerst, geen waarneming der Starren, om hare bewegingen na te sporen, kan zonder Werktuigen [Organa] gedaan werden, ’t zy dat die van metaal, of hout, of andere vaste stoffe gemaakt zijn: waar toe zy geen tuig van handwerkluiden, zaag, bijl, schaaf, hamer, en vijl, konnen missen; en ’t welk zy zonder gebruik van yser, of eenige bergstoffe van dergelijk een hardheid, niet konnen hebben. Ook word in die werktuigen vereist een boogkring, in gelijke deelen [Circuli arcus in partes æquales divisi], of regte lijnen in ongelijke verdeeld [Lineæ rectæ in inæquales]: en hier moet dan de Meet- en Telkunde [Numerorum ratio] te pas komen. Voor al is het ook noodig, dat de geheugenisse der waarnemingen tot de nakomelingschap werde overgebragt, met aanteekening van tyden en tydwortels [Epochæ], welke men, naar ’t [79] ons toeschijnt, zonder schrift niet kan verklaren. Zoo moeten zy dan ook hunne Schrijfkonst hebben, misschien veel verschillende van de onze, die byna onder alle menschen gebruikelijk, en de allervernuftigste of lichtste om te leeren is. Want wie ziet niet, dat ze gewaardeert moet werden boven die ontelbare merkletters der Chinezen, en. veel meer boven de touwknoopen of geschilderde verbeeldsels, welke by de woeste Barbaren van Mexiko en Peru in gebruik waren? We zien, dat menschen van alle landen eenige konst van schrijven, of van aanteekenen, op allerley wyze gezogt hebben, waarom het minder te verwonderen is, dat ook de volkeren in de Dwaalstarren, uit nood, dezelve gevonden, en vervolgens tot de oeffening der Starreloopkunde en andere wetenschappen gebruikt hebben. En blijkt de noodzakelijkheid van ’t schrijven in de dingen, die tot de kennis der Starren behooren, zelfs daar uit, dewyl men, met verscheide onderstellingen, naar de bewegingen der Starren gelijk als moet gissen, en die vori[80]ge onderstellingen in de volgende verbeteren, naar dat derzelver misslagen door waarnemingen en meetkundige redeneringen worden aangewezen; dat van deze dingen den nazaten niets kan werden overgelevert dan ’'t welk beschreven, en met verbeeldingen beduid is.

Maar als wy henluiden dit alles hebben toegestaan, echter zal de Starrekunde by ons nog veel treffelijker en volmaakter zjjn, of om dat wy den regt waaragtigen vorm van ’s Werelds stelsel [Systematis universi verissima forma] kennen, of om dat wy het gebruik der Verrekijkers hebben, waar meê wy de lichamen, de groottens, en de verscheide gedaantens der Dwaalstarren beschouwen; waar meê wy in ’t oppervlak van de Maan bergen, en schaduwen der bergen, waar meê wy de groote menigte van Starren, en meer andere dingen, zien, die anders nooit te zien waren. Zoo dat het byna noodig is (ten zy wy ons zelven wederom willen vleijen, als of we in dit stuk gelukkiger waren) den Dwaalstarrelingen ook deze volslage kennisse der He[81]melsche dingen toe te schrijven; en daar nevens een scherp gezigt, ’t welk of het onze verre overtreft, of, gelijk ’t ons, door Kijkglazen [Lentes vitreæ] en Spiegels geholpen werd. Een stelling, die ik schrome staande te houden, op dat niet iemand meine, dat uit deze eene, wat te stoud beweerd zijnde, van alle d’ overige moet geoordeeld werden, en dezelve voor belachelijk uitkrijte.

Een ander zal, niet zonder reden, zoo ’t schijnt, weten in te brengen, dat onze Dwaalstarrelingen misschien van alle fijne wetenschappen ontbloot zijn, gelijk de Amerikaansche volkeren waren, eer dat de Europeërs tot hen quamen: want zoo wy op hen letten, en op zeer velen in Afrika, en Asia, die even zoo woest zijn; ’t schijnt of de hoogste Werkmeester alleen beoogt had, dat de menschen het leven zouden genieten, en met de goederen en vermakelijkheden der Natuur te vreden zijn, den Gever van alles met een dankbaar hart eerende: maar dat eenige weinige zig het onderzoek der we[82]tenschappen buiten de Natuur hadden aangematigt.

Die zoo spreken, konnen lichtelijk beantwoord werden. Zekerlijk heeft God voorzien, dat de vernufte der menschen zoo verre stonden gevordert te werden, dat ze de Hemelsche dingen zouden navorschen, konsten, nut tot het leven, uitvinden, Zeen bevaren, en bergstoffen opgraven: want zou d’ er iets van die dingen tegen verwagting van dat oneindig Verstand [Præter mentem infinitæ illius intelligentiæ] konnen gebeuren? Heeft Hy het nu voorzien, zoo zijn die dingen het geslagt der Menschen ook toegeschikt; en de oeffeningen van konsten en wetenschappen moeten niet gehouden werden, als of ze buiten de Natuur waren, dewijl ze in de Natuur zelve te doorgronden bezig zijn: voornamentlijk daar het niet te denken is, dat die zoo groote begeerte en liefde van weten vergeefs in de harten der menschen is ingeplant.

Wederom zullen sommige daar tegen inbinden, en zeggen, byzonder[83]lijk van de Starrekunde, indien de menschen daar toe ook geboren zijn, waarom zoo weinige zig daar aan laten gelegen leggen? Want voor eerst, Europe is byna het eenige van de vier Werelds-deelen, waar in de Starreloopkennis geoeffent word (de Starrekragtkunde om daar uit aanstaande dingen te voorspellen [Astrologia divinatrix futurorum], welke geen wetenschap, maar een zekere ellendige dweepeery is, achte ik niet noemenswaardig) en onder die Europische volkeren is ’er niet een uit honderd duizend, die deze Wetenschap bemint, of poogt te leeren. Voorts wat de tijd belangt, zy zullen zeggen, dat ’er vele eeuwen verloopen zijn, eer dat der Starreloopkennis of der Meetkunde, zonder welke d’ eerste niet te leeren is, eenige beginselen kenbaar wierden: want dat men den tijd weet, wanneer ze in Egypten en Griekenland eerst voortquamen. Ja zy mogen d’ er met regt byvoegen, dat ’er nog geen tachtig jaren voorby zijn, sedert dat de ware en eenvoudige beweging der Dwaalstarren uit[84]gevonden, en alzoo eerst de Starreloopkunde met de kennisse der Natuur vereenigt is: de verziersels der Bykringen [Epicycli] verworpen zijnde.

Om hier op te antwoorden, zal ik by de voorgaande oplossing, van de Goddelijke Voorzienigheid genomen, dit nog voegen, dat ’er geen twijfel aan is, of de menschen zijn in dien staat geboren, dat zy de konsten en wetenschappen allengs na veel tijdverloop moeten opwroeten; want dat geen derzelver hen ingeschapen, of schielijk van God ingestort is, en dat deze, van welke wy nu spreken, de moeyelijkste en verst afgelegene zijn; zulks dat het meer te verwonderen is, dat ze ooit een begin hebben konnen nemen, dan dat ze zoo traagelijk zijn ingezien. Weinige, ik bekenne het, in yder eeuw, hebben d’ er achting voor, of meinen dat het hun raakt: maar zoo men eens de tijden van vele eeuwen overweegt, het getal zal niet klein zijn van diegenen, welke, naar hun inbeelding, gelukkiger als andere zijn; en [85] wie zal het tegenspreken? Eindelijk was het genoeg, dat weinige hun naarstigheid in deze zaken oeffenden, vermits de nutheid van uitvindingen zig wijd en zijd tot gansche volkeren uitstrekt. Nademaal dan de ingezetenen dezer Aarde, hoewel weinige, het verstand en de bequaamheid om die te bevatten gekregen hebben, en niet beter of gelukkiger als de bewoners van d’ andere Dwaalstarren moeten gerekent werden; zoo blijft dan, voorwaar, onze uitgevonde waarschijnelijkheid, dat by die Dwaalstarrelingen ook zoodanige gevonden worden, die de wetenschap van de Starreloop kennen. Laat ons nu tot wat anders voortgaan, ’t welk daar uit noodzakelijk moet volgen.

Wy hebben aangetoont, hoe dat teffens met deze wetenschap niet alleenlijk de Meet- en Telkunde, maar ook de Handwerks-konsten [Artes mechanicæ], en werktuigen, den Dwaalstarrelingen moeten werden toegestaan. Straks komt ons nu van zelfs voor, te onderzoeken, hoe zy die gereedschappen, konstwer[86]ken, en werktuigen tot de waarneming der Starren konnen gebruiken, of hoe zy konnen schrijven; ’t welk wy alles door den dienst van handen doen. Zy zullen derhalven ook noodzakelijk Handen hebben, of eenig ander lid, dat den dienst van handen kan waarnemen: in welke iemand van de oude Wijsgeren zoo veel hulp voor het geslagt der menschen meinde te wezen, dat hy daar in de oorzaak van al hun wijsheid stelde; oordeelende, denke ik, dat de menschen zonder behulp van handen tot de oeffening van hunnen geest, en tot de kennisse der dingen, niet zouden geraken. En, zeker, de man had daar gelijk in. Want neem eens, dat hen, in plaats van handen, hoeven gegeven waren geweest, gelijk aan de Paarden en Ossen: zoo zouden zy, schoon met Reden begaafd, nooit huizen nog steden hebben gebouwt. Zy zouden niets gehad hebben, waar van zy konden spreken, als van het gene dat tot hun voedsel, huwelijk, of bescherming strekt. Zy zouden alle wetenschap en alle geheugenisse van zaken [87] ontbeert; kort om; zy zouden niet veel van de beesten verschilt hebben. En wat werktuig dog zou zoo net gepast konnen wezen, als handen, om die ontallijke zaken, tot welke ze ons dienen, uit te voeren? D’ Olifanten weten wonderlijk met hun snuit om te gaan, alles aan te vatten, en weg te werpen; zelfs allerley kleine dingen van de aarde op te rapen, waarom ook dat deel hun Hand gezegt word [Bij Plinius, namentlijk], daar het in der daad een lang-uitgestrekte Neus is. De meeste Vogels maken nesten, en zamelen voedsel, met haar bek. Maar dit beide komt by de bequaamheid van handen op verre na niet te pas. En zeker is het konstig maaksel van haar en van de Armen te verwonderen. Men kan ze uitsteken, te rug halen, en aan alle kanten roeren. Voeg hier by die Vinger- en Duimleden, zoo wonderlijk konstig toegesteld, dat ze door her toetrekken der Zenuwen alle dingen vatten, en vast houden. Op dat ik hier niet reppe van dat alleruitgelezenste fijn gevoel, ’t [88] welk wy in de tippen der Vingeren hebben: waar mede wy zelfs in ’t donker de meeste lichamen onderscheiden. Dus blijkt het, dat de volkeren der Dwaalstarren met Handen en Armen, of met iets anders in derzelver plaats (’t welk naauwlijks even zoo bequaam kan bedagt werden) voorzien zijn: op dat men niet meine dat de Natuur aan ons niet alleen, maar ook aan de Apen en Eekhorentjes meer dan aan henluiden gegeven heeft.

Of zy Voeten hebben, zal nog min twijfelbaar wezen, indien wy herhalen, ’t gene hier vorens gezegd is van den verscheiden gang der Dieren, welke op geene andere wijzen, dan die daar vermeld zijn, schijnt bedagt te konnen werden; of zy moesten in sommige van die Klooten het vermogen van te vliegen gekregen hebben: ’t welk echter niet wel te denken is, om een gezellig leven te leiden, waar van wy daar na zullen spreken.

Maar ’t is niet onwaarschijnelijk, dat zy nabovenstaande Oogen, en Aangezigten, hebben, om de Starren te aan[89]schouwen; nademaal dit door Gods Voorzienigheid in de lichamen der menschen zoo geschikt schijnt, en met regt van de Wijsgeren gemeenlijk hoog geroemt word. En indien wy omtrent het geheel van d’ andere leden de wijsheid des konstigen Makers lofwaardig achten, omdat Hy de Oogen in ’t bovenste deel des lichaams, en de slordiger ledematen verre daar van daan, als enigermate buiten het gezigt, geplaatst heeft; moet men niet denken, dat Hy byna den zelven voet heeft gehouden in de lichamen van die verr’ gelegene volkeren te maken? Daarom zeggen wy nogtans niet, dat hy henluiden een gedaante heeft gegeven, die de onze gelijk is: want men kan een oneindige verscheidenheid van mogelijke gedaantens met het verstand bevatten, waar door yder deel van die lichamen, en zoo wel de uit- als inwendige huishouding der lichamen in ’t geheel, van de onze kan verschillen. Wy zien, hoe voegelijk en gemakkelijk sommige van onze Dieren wolle of hair dragen: andere, nog zinnelijker, vederen en pen[90]nen. Waarom zouden de Dwaalstarrelingen, die wy gestelt hebben redelijke Dieren te zijn, niet op eenige dergelijke wijze konnen bekleed wezen? Waar omtrent het zelfs met de Beesten by ons beter gesteld schijnt, als met de Menschen. Ten zy dit aldus ten dien einde geschikt is, op dat de naaktheid zelve het menschdom zou noodzaken om verscheide soorten van dekkleeden te zoeken, en uit te vinden; waar uit ook stoffe zoude zijn om het verstand te oeffenen. En het blijkt klaarlijk, dat uit dezen nooddwang geen kleine gelegentheid van Koophandel, en Handwerken, ontstaat. Misschien heeft de Natuur ook daarom de menschen naakt voortgebragt, op dat zy naar hun goetdunken dunner of dikker gekleed zouden konnen gaan? en dus hun zelven schikken om allerley gewesten der Aarde te bewonen. Nog zou d’ er een ander veel grooter verschil, dan het vorensgezeide, tussen de lichamen der Dwaalstarrelingen en de onze begrepen konnen werden, want men vind sommige Dieren, van [91] de Natuur zoo gemaakt, dat ze gelijk als van buiten beenderen, en van binnen vlees hebben in de beenderen ingesloten, hoedanige zijn de Krabben en Kreeften, en, ten naasten by ook, de Schildpadden. Maar dit gestel van leden heeft de Natuur maar in weinige geringe dieren achtervolgt, en dat ik die den Dwaalstarrelingen niet kan toeschrijven, is daarom, om dat zy dan dat scherpzinnig en verscheiden gebruik van Vingeren zouden ontberen; ’t welk getoond is dat zy zoo zeer van nooden hebben: dog wat de misselijke gedaante [Absurda species] belangt, daar zou ik anders zoo zeer niet op staan. Want wy behooren ons ganschelijk te wagten van de doling des gemeenen volks, wanende dat de redelijke Ziel [Animus Rationis capax] in geen ander lichaam, als ’t welk het onze gelijk was, zon konnen wonen; waar uit byna alle volkeren, en zelfs eenige Wijsgeren, den Goden een menschelijke gedaante hebben toegeschreven; gelijk ook van dusdanig een waangevoelen een zekere gezindheid van Christenen [92] haar naam beeft gekregen. Wie ziet niet dat dat alleen van der menschen zwakheid en vooroordeel is voortgekomen? Als mede, dat men meent dat het menschelijk lichaam een zekere uitstekende schoonheid [boven andere] heeft: daar nogtans dat ook geheelijk van de meining en gewoonte afhangt; en van die zugt [Affectus], die de voorzigtige Natuur in alle Dieren heeft ingeschapen, dat zy in haar ’s gelijken het grootste behagen zouden hebben: Die gaat zoo verre, dat ik geloove, dat ’er een Dier zou konnen wezen, heel anders van maaksel als een Mensch, ’t welk men niet zonder schrik zoude aanschouwen, schoon het met Reden en spraak begaafd was. Want zoo wy ons maar zoodanig een gaan verbeelden of schilderen, het welk, voor de rest een Mensch gelijk, een viermaal zoo grooten Hals had, of ronde, en tweemaal zoo wijd van een staande Oogen; straks komen d’ er zulke beelden uit, die wy niet zonder afkeer konnen zien, hoewel d’ er van de leelijkheid geen reden te geven is.

[93] Hier voorens, als ik van de grootte der Dwaalstarrelingen sprak, zeide ik waarschijnelijk te wezen, dat zy, by ons vergeleken, zoo heel klein niet waren. Voor eerst, om dat het wel te denken is, gelijkerwijs het met de lichamen der Menschen tegen de grootte van ’t Aardrijk zoo staat, dat zy het geheel konnen doorreizen, en aldus deszelfs vorm en grootte kennen; dat het op dezelve wijze ook met de overige Dwaalstarren, en derzelver redelijke bewoners, gesteld is; ten zy dat wy in deze zaak, waarlijk van gewigt, ons zelven wederom boven henluiden wilden waarderen. Ten tweeden, vermits wy aangetoont hebben, dat zy de wetenschap en waarnemingen der Starren oeffenen; zoo volgt, dat zy ook lichamen gekregen hebben, bequaam om hout en bergstoffen te behandelen, en daar van gereedschappen en konstwerken te maken: welke hoe grooter hoe beter zijn. En waarlijk indien wy ons zekere Menschjes niet grooter als Muizen gaan verbeelden; die zouden niet na behooren de Starren konnen waar[94]nemen, nogte daar toe bequame werktuigen maken. Weshalven ik teenemaal van verstand ben, dat ze zoo groot als wy moeten gehouden werden, of eer grooter; voornamentlijk in Jupiter en Saturnus, welker Aardklooten zoo veel grooter als de onze zijn.

Voorts om dat; als gezegd is, de Starreloopkunde zonder aanteekening van waarnemingen niet kan geoeffent werden; en de Schrijfkonst niet anders kan uitgevonden wezen dan in een maatschappy van Dieren, die Reden gebruiken, en uit vereisch van de noodwendigheden des levens: gelijk ’t ook met velerley werk- en de Gietkonst toegegaan is; zoo volgt daar uit, gelijk ik te voren aanwees, dat de ingezetenen der Dwaalstarren maatschappijen onderhouden, en elkanderen dienst doen: zulks dat in dien deele by hen een groote gelijkheid is van zaken die onze gewesten aangaan; en uit welken hoofde men moer zeggen, dat het met hun gelegentheid meer over een komt vaste en zekere woonplaatsen te hebben, dan een zwervend leven te lei[95]den. Wat dan? Zullen by hen ook andere eigenschappen van een gezellig leven zijn? Wetten, Overheden, Huizen, Steden, Koophandel, of Reuiling? Dit alles, voorwaar, ging reeds eenigzins by de woeste volkeren van Amerika, en de Eilanden, in zwang, toen ze d’ eerste maal van ons bezogt wierden. Nogtans zoude ik niet willen ontkennen, dat het met die dingen in d’ andere Dwaalstarren anders kan gelegen zijn, dan by ons; nademaal de maatschappy van redelijke Dieren sommige van die kan missen, welke daar toe alleenlijk zijn uitgevonden, op dat wy de Reden niet qualijk zouden gebruiken, met anderen te verongelijken, en alzoo de gezelligheid gebroken werde. Want zy konnen in die andere Klooten zoo grooten overvloed van alles hebben, dat zy niets van eens ’s anders mans goed begeren of plonderen. Zy konnen van die billijkheid wezen, dat zy altijd vrede houden, en elkanderen geen lagen leggen, of om hals brengen; ja zelfs geen haat of toorn tegen elkan[96]deren voeden; ’t welk dus zijnde, moeten zy veel gelukkiger als wy geacht werden. Maar het is waarschijnelijker, dat aldaar, gelijk by ons, goed met quaad, wijsheid met dwaasheid, oorlog met vrede vermengd word, en dat ’er ook geen armoê ontbreekt, die de meesteresse der Konsten is: om dat wy te voren hebben getoont, dat daar uit ook eenig nut komt; en zoo ’t er niet was, nogtans hebben wy geen reden om henluider dingen boven de onze te stellen.

Het gene ik nu ga zeggen, ik wete het, zal vry wat stout schijnen, en is echter niet zonder waarschijnelijkheid. Namentlijk, dat de Dwaalstarrelingen, indien zy (’t welk we reeds hebben vastgestelt) in maatschappy leven, behalven de daar uit spruitende nutheden, ook eenige wellust voelen, gelijk wy, uit gezelschappen, en samenkoutingen van vrienden, minnerijen, boertigheden, en schouwspelen. Dit, zegge ik, is waarschijnelijk, om dat anders, zoo wy den volkeren in de Dwaalstarren niets van die dingen toestaan, en [97] slegts denken, dat zy altijd stemmig en zonder eenige de minste vrolijkheid of uitspanning leven, de regte sausse des levens, die niet wel te ontberen is, henluiden ontnomen word; waar uit wy ons leven wederom gelukkiger zouden stellen: ’t welk de Reden zoo niet leert.

Om hunne verdere bezigheden en oeffeningen te onderzoeken, staat ons te bezien, welke van die, behalven de vorensgezeide, met de onze wel de meeste gelijkheid zouden schijnen te hebben. Dat zy voor hun zelven huizen timmeren, lust my daarom wel meest te gelooven, om dat ik bewezen hebbe, dat in die gewesten ook Regen valt: want dat volgde daar uit, om dat men in de Dwaalstarre Jupiter zekere veranderlijke streken van Wolken ziet, die, zonder twijfel, dampen in zig vervatten, en Water, van het welke ik met nog andere bewijsredenen aantoonde dat daar geen gebrek was. Slagregens en Winden zullen d’ er dan zijn, om dat de vogt, van de Zon opgetogen, wederom op de Aarde [98] moet vallen, en de dampen, door de warmte dun gemaakt [Vapores calore soluti], Winden veroorzaken; welker gewaay uyt die veranderlijke gedaante van Jupiter ligt te kennen is. Op dat zy dan des nagts veilig en gerust mogen leven (want zy hebben hunne nagten en slaap, zoo wel als wy) is ’t waarschijnelijk dat zy hun zelven daar tegen voorzien, huisjes en hutten bouwen, of holen graven: wel te meer, om dat by ons alle soort van dieren, behalven de Vissen, tot haar beveiliging daar voor zorg draagt. Dog waarom zullen wy gelooven, dat de Dwaalstarrelingen juist hutten, en geen groote en heerlijke huizen, bouwen, als om dat wy niet konnen nalaten te denken, dat onze dingen boven alle andere schoon en volmaakt zijn? En wat zijn wy dog? Wy, Dieren, levende in dat klein Klootje, dat geen tienduizenste deel van den Kloot van Saturnus, of Jupiter, kan halen, zoo men de groottens der lichamen by elkanderen vergeleek. Daar is dan geen reden by te brengen, waarom de fraay[99]heid en evenmeetbaarheid [Symmetria] der Bouwkunde in die en d’ overige Dwaalstarren niet immers zoo wel bekend zou zijn, als in de onze: en waarom daar geen paleizen, toornen, gedenkspitsen, hier en daar veel hooger, kostelijker, en met geen minder cierlijkheid. als d’ onze, gesticht werden. En dewijl der menschen vernuftigheid in deze dingen velerley is, gelijk als in steenen te houwen, kalk te branden, en tichelsteenen te bakken, yzer, lood, glas, en tot cieraad zelfs goud gebruikende; zoo is het waarschijnelijk dat alles daar niet minder in zwang gaat.

Voorts indien het oppervlak van hun Kloot by henluiden zoo verdeild is, dat een gedeelte van ’t zelve in Land, een gedeelte in Zee bestaat, zoo als uit de voorensgemelde waarnemingen kan afgenomen werden (om dat de Wolken naauwlijks uit iets anders dan uit de ruime streken van de Zee rijzen) hebben wy zeer groote reden om te denken, dat zy ook t’ scheep varen: anderzins zouden wy zoo groot [100] en zoo nut een zaak niet zonder laatdunkendheid onzen Aardkloot alleen toeschrijven. Voornamentlijk zou het in de Zeen van Jupiter en Saturnus gemakkelijk varen wezen, om dat daar wederzijds meer Manen zijn; op welker geley de afmeting der Lengtens [Mensura longitudinum], gelijk men die noemt, welke wy niet hebben, aldaar ligtelijk kan geweten werden. Weten zy nu met schepen om te gaan, wat zullen zy nog al hebben, dat daar toe behoort? Zeilen, ankers, touwen, takels, roers, en derzelver byzonder gebruik, zoo wel als wy; dat men byna tegen de wind, en zeer ligtelijk met een en dezelve wind na averegts gelegene kusten kan varen. Misschien zullen zy ook de uitvinding van het Kompas hebben; want de beweging van de stoffe des Zeilsteens, die geduuriglijk door den Kloot der Aarde heen gaat, is zoodanig iets, ’t welk men kan oordeelen met d’ andere Dwaalstarren over een te komen. Handwerkskonsten en Starreloopkennis is tot de Scheepvaardy noodzakelijk, en [101] dus ook dezer beider meesteresse de Meetkunde, waar van we nu te voren iets hebben aangeroert.

Mijns bedunkens, al zagen wy niet op deze of gene andere konsten, waar in by noodzakelijkheid of toeval de Meetkunde is begonnen uitgevonden te werden; zoo ontbreken d’ er geene redenen voor de waarschijnlijkheid, dat de volkeren der Dwaalstarren daar van [Te weten, de Meetkunde] kennisse hebben. Want het zy dat wy op de waardy en treffelijkheid van deze wetenschap zelve zien, in welke een zonderling gebruik des vernuft is, en zulk een wisse ontwijfelbare bevatting der waarheid, die in geene andere zaken of wetenschappen gevonden word; ’t zy dat het met haar natuur, en met hare algemeene kundigheden [Axiomata & Effata] zoo gelegen is, dat ze, in wat plaats en tijd, of in welke Werelden ze mag wezen, over al dezelve moet zijn: zoo schijnt zoodanig een zaak geenzins den ingezetenen van ons Aardrijk alleen te wezen toebereid en voorgesteld. Hoe? [102] de Natuur zelve brengt ons op vele manieren voor oogen Meetkundige gestaltens [Figuræ Geometricæ], als Kringen, Driehoeken, Veelhoeken, Bollen, en noodigt ons gelijk als tot derzelver eigenschappen na te sporen; in welker beschouwinge, zelfs buiten alle nutheid, een zeer groot vermaak steekt. Want wie verwondert zig niet, als hy de dingen leest, die wegens den kring in de Beginselen van Euklides, en in Apollonius boek van de vlakke plaatsen [Loca plana] worden geleeraart? Of het gene Archimedes [In zijn boek de Sphæra & Cylindro] wegens het Oppervlak eener Rondte [Sphæræ superficies], en de Vierkantig der brandsneê [Quadratum Parabolæ] heeft geschreven, en meer andere zeer spitsvindige zaken, die van later Mannen zijn uitgevonden? Aller welker eene en dezelve waarheid zoo wel in Saturnus en Jupiter als by ons te leeren, en van eene en deselve beginselen afhangende is: waar uit men te ligter kan gelooven, dat sommige in die en in andere Dwaalstarren deze allerfraaiste en [103] vermakelijkste oeffening deelagtig zijn: behalven dat de nutheid, die voor het gansche leven daar uit vloeit, byzonderlijk dit gevoelen kragt geeft. Voegde ik hier nu nog eens by, dat de Dwaalstarrelingen zoo verre in de Meetkonst bedreven zijn, dat zy ook de Tafels der Hoekmaten [Tabulæ sinuum], de Rekentalen [Logarithmi], en de Stelkonstige uitrekening [Calculus analyticus] hebben uitgevonden; zoo mogt ik ongerijmde en byna bespottelijke taal spreken. Nogtans is ’er geen reden, waarom zy niet iets van deze dingen zouden konnen gevonden hebben, of nog t’eeniger tijd zullen vinden; en misschien meer als wy: want (gelijk meermaals van my gezegd is) wy moeten ons zelven en onze zaken niet hooger stellen, dan die van de volkeren der Dwaalstarren.

Het zelve dat wy in de Meetkonst aanmerken eenig en eeuwig te wezen, word ook gewisselijk in de welluidende Maatzang [In Harmonicis] bevonden: dewijl alle eenstemmigheden [Consonantiæ] [of samenklan[104]ken] in een vaste maat en evenredenheid bestaan, en alle rang van klanken [Omnis pthongorum ordo], en alle zangvermaak, zelfs van yder woord, op eenstemmigheden gegrond is. Waar van daan het komt, dat by alle volken dezelve tussenvallen van Toonen [Tonorum intervalla] worden gezongen; ’t zy dat de stem by geduurige trappen, of met danssen, voortgaat. Geloofwaardige Schrijvers verhalen, dat ergens in Amerika een zeker Dier zes zangkunstige Toonen achter malkander met zijn stem uitdrukt; zoo dat het blijkt, dat de Natuur zelve met een onveranderlijke wet de Toonen heeft voorgeschreven.

Nademaal dan het gene hier aan vast is, ook op een wisse, eenige, en noodzakelijke wijze toegaat, zoo is ’t waarschijnelijk, dat het vermaak der Zangkunde [Musica] niet min dan der Meetkonst tot meer Dieren dan tot ons behoort. Want gesteld zijnde dat ’er andere Aardklooten zijn, en andere Dieren, met Reden en Gehoor begaafd, waarom zou[105]den onzen alleen dat vermaak gegeven zijn, ’t welk uit het geluid alleen kan genoten werden? Ik wete niet, hoe veel by anderen zal gelden het bewijs dat ik hier van de eenheid en onveranderlijke natuur van die konsten genomen hebbe; maar my schijnt het niet slegt of gering te wezen, nogte te wijken voor die manier van bewijzen, welke ik hier vorens gebruikte, in aan te toonen dat het den Dieren in de Dwaalstarren pastte Gezigt te hebben.

Zoo ze nu in Overeenstemmige Toonen [Toni harmonici], en in zingen vermaak hebben, kan ’t niet wel anders wezen, of zy zullen ook eenige Zangkonstige werktuigen hebben gevonden: om dat men ook by geval dergeljjke dingen ontdekt; als uit stijfgespanne pezen, geluid van Lucht, pieping van riet enz: van welke beginselen gelijk wy aan Luiten, Cythers- Fleuiten, en veelsnarige Speeltuigen geraakt zijn, alzoo hebben zy dergelijke niet minder fraaije konnen uitvinden. Maar op dezelve wijze als wy zien, dat, schoon d’ er [106] vaste en bepaalde Toonen, en tussenvallen van Toonen zijn, nogtans by verscheide volkeren een verscheide wijs en regel [Norma] van zingen is, als eertijds by de Doren, Frygianen, Lyders, en ten onzen tijde by de Franschen, Italianen, Perzianen; alzoo kan de Overeenstemmende Zangkonst [Harmonice] van de Dwaalstarrelingen, hoewel ze in hunne ooren zeer aangenaam is, van die altemaal veel verschillen. Maar dat wy dezelve voor slegter dan de onze zouden achten, daar toe is zoo weinig reden, als waarom dat zy ook van geen door malkander loopende [Soni Chromatici], of gansch overeenstemmende klanken [Enarmoniæ] zouden weten: vermits de Natuur zelve ook halve Toonen [Hemitonia] opgeeft, en met zekere evenredenheden bepaalt. Ja op dat zy dezenaangaande niet minder als wy zijn, zal men henluiden misschien ook de Samenzang [Conceneus], en konsttige vermenging van meer stemmen, of snaren, en het gebruik van wan[107]luidende Toonen [Dissonantes Toni], van den Drietoon [Tritonus], en van den valschen Quint [Diapente Diminuta. Ik houde dit woord Quint met voordagt, om dat het den Zangkundigen niet anders bekend is. Iemand zoo ’t misschien liefst Vijftoon willen vertaalt hebben? dog die van de konst zijn, weten dat Diapente [Quint] met zulk een vertaling niet kan volstaan], moeten toeschrijven. Dit zal by velen (ik ben des bewust) bezwaarlijk eenigen ingang vinden, en nog minder, wanneer ik zegge, dat de ingezetenen van Jupiter of Venus daar in immers zoo ervaren zijn, als de braafste Meesters van deze konst in Vrankrijk of Itaalje: en evenwel zouden zy die meesters daar in zelfs konnen overtreffen, en voornamentlijk in het bespiegelig deel [Pars Theoretica] van die wetenschap dat gene doorgezien hebben. ’t welk deze onze Aardrijksvolkeren tot nog toe luttel bekend is. Want vraagt men onze Zangkonstenaars, waarom de samenklank van den Quint qualijk achter een andere dergelijke gezet word, sommige zullen zeggen, om de al te groote zoetheid te mijden, die uit de herhaling [108] dier zeer aangename samenklank voortkomt? andere, om dat men in welluidende Zangkonst verandering moet volgen. Dit weten de voornaamste Schrijvers van die konst, en met hen Deskartes, by te brengen. Maar een inwoner van Jupiter of Venus zal misschien met een waaragtiger reden aantoonen, om dat met voort te gaan van den Quint tot een andere, zoodanig iets geschied, als of men straks den staat van den Toon veranderde; dewyl de Quint, teffens met de tussenkomende klank van den: Tweetoon [Ditonus. Dat twee heele Toonen van malkander is] (welke, zoo z’ er niet is, daar onder verstaan word) zekerlijk een soort van Toon maakt, en om dat zulk een schielijke verandering met regt geoordeelt word ruw en onbevallig in d’ ooren te klinken: daar zelfs die verandering gemeenlijk hard valt (behalven ter loops) welke komt van drie samenklinkende klanken tegen de overeenstemming van drie andere, als ’er geen der vorige blijft. Zulk een [Dwaalstar-borger] [109] zal misschien ook weten, ’t welk niemand van onze menschen tot nog toe heeft opgemerkt, waarom in een gezang van een of meer stemmen de Toon niet kan gehouden werden op dezelve hoogte en trant [Tenor], ten zy de eenstemmige tussenvallen [Intervalla consonantia] merendeels van zelfs, en zonder dat iemand daar op let, zoo gematigt werden, dat ze van de hoogste volmaaktheid een weinig afwijken. Desgelijks waarom in het stelsel van snaren die matiging de beste is, wanneer het vierde deel van Toonverdeeling [Comma] [of Toonsneê] in een Quint over al word uitgesneden: ’t welk wy onlangs ook aantoonden, dat zonder een gevoelig onderscheid uit de verdeeling van een achtste [Diaspon, gemeenlijk Oktaaf] in 31 gelijke deelen bykomt, en dat daar uit een zekere tot haar zelf wederkeerende Zangkring spruit [Cyclus quidam Harmonicus in se rediens]. Dit echter den Dwaalstarrelingen bekend zijnde, zoo moeten zy ook de Rekentalen verstaan.

Maar het gene ik van de Stem-toon [110] te matigen gezegt hebbe, is licht te bewijzen: en dat ga ik hier nog byvoegen, nademaal ik reeds al wat anders buiten mijne droomen hebbe ter markt gebragt. Ik zegge dan, indien iemand achter een zingt de klanken, van de Zangkundigen gemerkt met de letters C, F, D, G, C, by eenstemmige en gansch volkomen tussenvallen, beurtelings met zijn stem klimmende en dalende; dat nu deze laatste klank C een heele Toonsneê (zoo als men die noemt) lager zal wezen dan de voorste C, van waar hy had begonnen te zingen. Namentlijk om dat uit de volkomen rekeningen van die tussen vallen [Rationes], welke van 4 tot 3, 5 tot 6, 4 tot 3, en 2 tot 3 zijn, de rekening word gemaakt van 160 tot 162, dat is, van 80 tot 81, welke die van een Toonsneê is: zulks indien dat zelve gezang negenmaal herhaalt word, de stem byna een grooten Toon, welkers rekening is van 8 tot 9, noodzakelijk moet gedaald, en van de wijs af zijn. Dog ons gehoor lijd dat niet, [111] maar denkt om den Toon, waar mede begonnen is, en keert tot dezelve wederom. Derhalven worden we genoodzaakt een zekere verborgen matiging te gebruiken, en die tussenvallen onvolmaakt te zingen; ’t welk veel minder stoot. Dusdanig een matiging moet over al in ’t zingen plaats hebben; gelijk uit het opmaken der rekeningen, zoo als wy hier gedaan hebben, ligtelijk te vatten is. ’t Welk my, ten dienste der liefhebbers van die Konst, en zulke, die der Meetkunde niet onervaren zijn, gelust heeft te verklaren. Nu keere ik weder, van waar ik ben afgegaan.

Wy hebben gesproken van sommige konsten, en ontdekkingen, die de Dwaalstarrelingen, naar waarschijnlijkheid, met ons gemeen hebben, behalven welke nog andere zaken by henluiden moeten zijn, die tot dienst en gemak des levens, of tot vermaak, strekken. Dog hoe veel en hoe groot van waardy die zijn, daar van zullen we best konnen overslag maken, indien ’t ons zal lusten de meeste dingen, die [112] by ons gevonden worden, te gaan nazien, en voor oogen te stellen.

Hier vorens gewaagde ik van de soorten der Dieren, en Aardgewassen, die by ons in zeer verscheiden gedaantens zijn; behalven den grooten overvloed van min verschillende; en ik zeide; dat het te denken was, dat ’er niet weiniger van die twee soorten, hoe zeer verschillende ze ook mogten wezen, in de gewesten der Dwaalstarren zijn. Laat ons nu nog eens zien, wat baat en gemak wy trekken zoo uit de Dieren, als uit de Kruiden en Boomen en dan mogen wy gansch waarschijnelijk achten, dat de ingezetenen aldaar uit hunne dingen geen minder dienst trekken, dan wy uit onze.

Deswegen zal het der moeite waardig zijn, eens te gaan beschouwen, waar in onze velerley en groote rijkdommen bestaan. Want behalven dat de boomvrugten en kruiden ons voedsel verschaffen, d’ eerste met ooft, en noten; d’ andere met zaden, bladen, en wortels: en dat de meeste dezer haar gebruik in de Geneeskonst hebben: zoo [113] halen we van de boomen stoffe om huizen en schepen te timmeren. Van Vlas maken wy kleederen, door d’ uitgevonden konsten van spinnen en weven. Van Hennip of Spaansch Brem draaijen we garen, en touw; van garen maken we zeilen en netten; van touw, kabels en ankertouwen. De Bloemen verlustigen ons met hun verscheide reuk en verw: in sommige, al zijn ze vies om te rieken, gelijk men ook eenige schadelijke kruiden vind, schuilt nogtans menigmaal wat goeds; of de Natuur heeft misschien dat zoo gedaan, op dat het goede, in vergelijking van ’t quade, te meer zoude uitsteken: ’t welk Zy in vele zaken schijnt achtervolgt te hebben. Welk een nutheid komt ’er nu van de Dieren? Schapen verschaffen wolle tot kleedy, Koeijen melk; beide haar vlees tot spijze. Ezels; Kemels, en Paarden staan ons ten dienst om pakkaadje te torsse: deze ook om ons, daar op gestegen, te voeren, of, voor wagens gespannen, voort te trekken. Waar omtrent my te binnen komt die schoone uitvinding van wie[114]len, welke ik ook gaarne den Dwaalsttarrelingen zou toeeigenen, dewijl ik reeds byna overtuigender wijze hebbe aangetoont, dat zy in maatschappy leven, en huizen bouwen. Maar of zy dieren tot spijs gebruiken, dan of ze een leering als die van Pythagoras [Die men zegt dat, ter zake van zijn ingebeelde Zielverwisseling, het vlees eten verbood] volgen, kan ik niet verzekeren. ’t Schijnt dog den Mensch vergunt te zijn, dat hy alles mag nuttigen, wat op d’ Aarde of in de Wateren groeit, zoo d’ er eenig voedsel in steekt; als Kruiden, Ooft, Melk, Eyeren, Honing, Vis, en Vlees, zoo van een menigte Vogelen, als viervoetige Dieren. Waar in het voorwaar vremd voorkomt, dat dat Dier, met Reden begaafd, van het verderven en dooden van vele andere dieren leeft. Nogtans moet men niet denken dat zulks tegen het voorschrift van de Natuur strijd, nademaal wy zien dat het Haar behaagt heeft, dat Leeuwen, Wolven, en andere roofzugtige dieren, het Vee en allerley zwakker gedierte tot aas gebruiken; [115] dat de Aarenden op Duiven en Hazen ter jagt gaan; en dat zeer vele Vissen de kleiner visjes opslokken. Zelfs heeft Ze ons verscheide soorten van Honden om te jagen gegeven, op dat wy het gedierte, ’t welk wy met onze voeten niet konden achtervolgen, door de gezwindheid en snoffeling van die beesten zouden magtig werden. Behalven al deze nutheid uit levendige schepsels en kruiden, heeft der dingen Maker nog gewilt, dat wy daar uit het vermaak zouden trekken van te bespiegelen derzelver verscheide gedaantens, aarten, en wegen van voorttelen; waar in oneindige veranderingen zijn, en vele wonderheden, die by de Natuurschrijvers vermeld staan. Ja wie verwondert zig niet in de gekorve diertjes over de zeshoekige huisjes in den honigraat der Bijen [Hexagonæ cellulæ Apium], over de webben der Spinnekoppen, en voor al over de omzwagteling der Zywormen [Involucra Bombycum], waar uit wy met een ongeloofelijke abelheid d’ allerzinnelijkste kleedy maken; en wel in zoo grooten overvloed, dat ’er [116] geheele schepen meê geladen werden. Dit zy genoeg in ’t gros van de Dieren en Kruiden gezegd, voor zoo veel zy den mensch bate doen.

Men denke nu eens verder, hoe groot de menschelijke schranderheid is in het vinden, opgraven, toetsen, gieten, zuiveren, en mengen van berg-erts: hoe ze het Goud dun weet te slaan, of met Quikzilver week te maken, om met kleine kosten al wat men wil een glans en verw van goud te geven: hoe wonderbaarlijk en veelvuldig de nutheid van ’t yzer is; zulks dat de volkeren, die van dezelve onkundig zijn geweest, zonder kennisse van byna alle handwerkskonsten hebben geleeft, en zig, in plaats van wapenen, alleen met bogen, knodzen, en stokken beholpen. Wy hebben ook het Buskruid, een stoffe, met zwavel en salpeter gemengd, en wy kennen daar van ’t verscheiden gebruik ’t welk men met regt mag twijfelen of het meer goed dan quad doet. Want door derzelver wondere kragt, en door de konstrijke wetenschap van de Vestingbouwkonst [117] der steden, scheen men een wisser toeverlaat, dan oulinks bekend was, tegen viandlijke aanvallen gevonden te hebben: maar teffens zien wy, dat ook het geweld der vianden is aangegroeit, en dat de Dapperheid en kragt in ’t strijden nu minder in achting komt, dan voorhenen. Want het gene dat van een Grieksch Veldheer verhaalt word, die eertijds zeide, dat het met de Dapperheid gedaan was, toen de zware Stormtuigen om steenen te slingeren, en pijlen te schieten [Catapultæ ac Balistæ], eerst uitgevonden waren; ’t zelve mag men nu met regt klagen: voornamentlijk nu de Bomben uitgevonden zijn, die van geen steden, van geen kasteelen, met hare wallen of gelegenheid, konnen afgekeert werden, maar welke alle vestingen, hoe sterk ze zijn, om verr’ werpen, en ten gronde toe slegten: zoo dat men daarom alleen mag zeggen, dat de menschen de uitvinding van het Buskruid liever mogten ontbeert hebben. Nogtans moest het in ’t vermelden van de ontdekkingen, die [118] op onze Aarde gedaan zijn, niet verzwegen werden, vermits het waarschijnelijk is, dat ook in de andere Dwaalstarren zoo wel schadelijke als goede konsten zijn opgerezen.

Zegenrijker is by ons het gebruik van Water en Lucht; waar door de Scheepvaardy bestaat, en zulk een kragt verleent word, dat wy met dezelve, zonder eenigen arbeid daar aan te besteden, Molens en Konstwerken doen omgaan. En hoe velerley zijn deze, en tot hoe vele zaken worden zy niet gebezigt? Wy breken d’ er het koren meê, wy slaan d’ er oly meê, wy zagen d’ er hout meê, wy vollen d’ er lakens meê en wy malen d’ er stoffen meê voor ’t papier; welkers uitvinding ook anders treffelijk is, dat men van de slegtste linne-lorretjes zulk een schoonen overvloed van zuiver wit papier kan maken. Voeg hier nu by die treffelijke konst van Boekdrukken, door welkers behulp alle overige konsten niet alleenlijk behouden, maar ook veel ligter dan te voren verkregen worden: desgelijks de wetenschap van beeldsnijden, en [119] schilderen, uit kleine en ruwe beginselen zoo verre gevorderd, dat van der menschen vernuft niets fraayer voortgebragt schijnt te wezen. Laat ’er nog by komen de kennisse van Glas te blazen, en ’t zelve gemakkelijk in zoo vele vormen te buigen: daarenboven het slijpen der glaze spiegels, en het beleggen van die met quikzilver. Voornamentlijk ook dat wonder gebruik van ’t glas, in de natuur der dingen te doorzien, na de uitvindingen van het Verrekijk- en Vergroot glas [Microscopium]. Eindelijk men stelle daar ook by het maaksel der van zelfs-bewegende Uurwijzers [Horologium automatôn fabrica]; sommige zoo klein, dat ze, in de zak gedragen, geen beletsel zijn; sommige met zulk een uitgelesen even gelijkheid den tijd afmetende, dat ’er niets meer toe kan gewenscht werden, aan welke beiden uit te vinden wy zeer veel geholpen hebben.

lk zoude hier nog veel konnen aanlassen wegens de veelvuldige leering en kennisse van de natuur der dingen, wel[120]ke wy behalven de Meet- en Starreloopkonsten gekregen hebben, en wel meest in onzen tijd; als van de zwaarte des Luchts, en de kragt, waar door ze gedrukt te rug springt: van de zonderlinge ontdekkingen der Stofscheiders [Chymici], waar uit ontvlammende, en onlangs van zelfs ligt gevende, en door een zagte aanraking in brand rakende, vogten zijn voortgekomen: van den omloop des bloeds door slag- en bloedaderen, die voor dezen wel begrepen wierd, maar onlangs door het Vergrootglas zelfs met de oogen begonnen is gezien te werden in de staarteinden van sommige Vissen: gelijk ook van de voortteling der Dieren, waar omtrent bevonden is dat ’er geen geboren worden dan uit zaad van haar’ s gelijken; en dat het zelve ook waar is van de Kruiden: zelfs dat in het mannelijk zaad ontallijke duizenden van zeer levendige diertjes bespeurt worden, welke, naar alle waarschijnelijkheid, de regte afzetzels der Dieren zijn: een zaak, die verwonderlijk is, en van alle eeuwen onbekend was.

[121] Maar na dat wy nu alle deze ontdekkingen van de inwoners der Aarde hebben opgezamelt, mogen wy wel denken, dat sommige van die ook by de Dwaalstarrelingen konnen wezen; dog echter is ’t geloofelijk, dat zy het grootste deel derzelver niet kennen, Maar om die dingen, welke zy niet hebben, te vergoeden, moeten zy al zoo vele, fraaije, nutte, en verwonderens waardige zaken bezitten, als wy. Derhalven; hoewel wy met bewijsbare bindredenen hebben aangetoont, dat in die [Hemelsche] Aardklooten eenige met Reden begaafde, Meet- en Zang-kundige menschen zijn, die in maatschappy en in een gemeente leven, die met handen en voeten voorzien, en met huizen en wallen gesterkt zijn; nogtans is ’er geen twijfel aan, of het zou om de zeldzaamheid der gedaante, en van het bedrijf dat ze daar uitvoeren, een schouwspel zijn van meer verwonderlijkheid als men kan uitspreken, indien eenige Hemelbode [Hy zegt, Merkuur], of magtige Geley geeft, ons derwaarts voerde. Maar [122] dewijl alle hope van die reis te volbrengen weggenomen is, zoo zal ’t ons niet verdrieten dat eenigste, ’t welk wy konnen doen, na te vorschen, namentlijk hoedanig de gedaante der Hemelsche dingen zig opdoet voor de genen, die in een yder van die Klooten leven: om dat dit ook daar toe behoort. We zullen teffens eenige wetenswaardige zaken verhalen van een’s ygelijks voortreffelijkheid, zoo wegens de grootte, als het bygevoegde getal der Manen, die haar verzellen: eindelijk zullen we den ongeloofelijken afstand der Vaste Starren op een nieuwe wijze nasporen: dog eerst, na zulk een lange en aandagtige overdenking, hier een poosje rustende, en van dit boek, een eind makende.

[123]

DE
WERELD-
BESCHOUWER
VAN
CHRISTIAAN
HUGENS,
Of Gissingen over de Hemelsche Aard-
klooten, en derzelver cieraad,

geschreven aan
KONSTANTIJN HUGENS,
zijn Broeder.

TWEEDE BOEK.

ALs ik voor vele jaren het boek van Athanasius Kircherus las, ’t welk het opschrift van Herssenschilderagtige Reis [Of Reis in ziels-verrukking. Iter exstaticum] voert, waar in van de natuur der Starren, en van de dingen, die op d’ oppervlakte der [124] Dwaalstarren zijn, gehandelt word; verwonderde ik my, dat daar in niets bygebragt wierd van het gene, dat my reeds toen ter tijd als zeer waarschijnelijk voorquam; maar dat de man daar in van heel andere zaken sprak, meerendeels zonder grond, en tegen de Reden. Dit vernam ik nog meer, toen ik, na ’t afschrijven van het voorgaande, dat zelve werk wederom doorbladerde; en my dagt nu dat mijne gissingen iets te beduiden hadden, en zelfs eenig aanzien kregen, indien ze met die van Kircherus vergeleken wierden. Om hier van te konnen oordeelen, en op dat het blijke hoe vrugteloos die genen hier van pogen te redeneren, die de eenigste grondvesten der waarheid, van ons gebruikt, verwerpen? zoo zal het ter zake dienen, over dat werk sommige aanmerkingen gemaakt te hebben.

Deze zeer goede man dan, verzierende, op voorgang van zekeren Geleygeest, rondom door den ruimen Hemel, en de Starren, gevoert te werden, vertelt voor een gedeelte het ge[125]ne hy uit de Schriften der Starreloopkenners vernomen, ten deele ’t gene hy zelf van de Aardrijken der Dwaalstarren bedagt had, en ’t welk hy geloofde, dat den gemeenen man zou konnen behagen, even of hy het gezien had. Maar eer dat hy de lange reize aanneemt, stelt hy twee dingen als voor vast en zeker te houden; eerstelijk, dat men de Aarde geen beweging moet toeschrijven, ten andere, dat God gewilt heeft, dat ’er in de Klooten van de Dwaalstarren niets zou wezen met leven of gevoelen begaafd; en zulks ook geen kruiden. Derhalven het Stelsel van Kopernikus latende varen, kiest hy dat van Tycho om te volgen. Maar overmits hy de Vaste Starren voor zoo vele Zonnen houd, en rondom een ygelijk van dezelve hare Dwaalstarren stelt; zoo vloeijen daar uit alleen (ik wete niet of hy ’t wel bemerkt heeft) ontelbare Stellingen, die volgens Kopernikus zijn: welke hy, met de grootste ongerijmdheid, wil, dat, buiten hare eigen bewegingen, altemaal met een [126] vervaarlijke snelheid in vier en twintig uuren rondom onze Aardkloot omdraijen. En dewijl hy bekent dat het grootste deel derzelver verre buiten ’s menschen gezigt is afgelegen, vervalt hy ook tot dat ongemak, dat men moet zeggen dat zoo vele Zonnen vergeefs schijnen, en vergeefs hare warmte mededeelen aan zoo vele Klooten, die onze Aarde gelijk zijn, en die dezelve Hoofdstoffen (want dat stelt hy) en alle andere dingen hebben, behalven Aardgewassen, en Dieren. Van daar vervalt hy tot nog andere grooter ongerijmdheden. Want om dat hy zelfs van de Dwaalstarren, in ons Stelsel begrepen, geen ander gebruik weet, keert hy zig tot overlang uitgestampte beuzelingen van de starrekijkers, en wil dat zoo vele en zoo groote gevaartens [moles] van lichamen ten dien einde gemaakt zijn op dat door haren Verscheiden, en door zekere wetten geregelden, invloed [Influxus] het Heelal [Universitas mundi] behouden werde, en duurzaam blijve; en op dat dezelve invloejingen daarenboven [127] ook op de gemoederen der menschen hare kragten zouden oeffenen. Hy vertelt dan, ten welgevalle van de Voorzeggingkunst uit de Starren [Ars Astrologica], dat in de Dwaalstarre Venus hem een geneugelijke en schoone gedaante der dingen voorquam, met een liefelijk ligt, zoetstroomend Water, zeer aangename reuk, en van alle kanten schitterend kristal, In Jupiter een gezonde en zoetriekende Lucht, zeer helder Water, en zilverglanssige Aarde: namentlijk op dat van den invloed dezer twee Starren alle voorspoedige en heilzame dingen op d’ Aarde en de Menschen zouden afzakken; zulks dat ze die of mooy, en minnelijk, of tot voorzigtigheid, en deftigheid genegen, zouden maken. In Merkurius vond hy ik wete niet wat voor een helderheid en levendigheid, waar uit den menschen in haar geboorte vernuft en schranderheid kan ingeboezemt werden. Maar in Mars vertelt hy alles vuil, verderfelijk, stinkend; vlammen, en rook van pik, gezien te hebben. In Saturnus niets als [128] droevige, afschuwelijke, leelijke, en donkere dingen; op dat uit die Dwaalstarren (ik wete niet waarom van alle, die zig met de kragten der Geboortestarren [Apotelesmatici] bemoeijen, zoo gehaat zijnde) quaadaardige en viandelijke invloejingen de Wereld en ’t Menschdom zouden overkomen, ten zy die door de stralen van de gunstiger Dwaalstarren verbetert en verzagt wierden. Dit; te weten, en dergelijke dingen, leert hy uit dien Hemelschen Geleygeest:, met wien hy verzeld gaat; en den welken hy ook in ernst doet antwoorden, op de vraag, of met het water, dat in de Dwaalstarre Venus vloeit, een Hebreer of Heiden, derwaarts gevoerd zijnde, wel behoorlijk kan gedoopt werden. Ook leert hy uit onderrigting van dien zelven Meester, dat de Starredragende Hemel [Cælum stelliferum] niet uit een vaste stoffe samengezet is, maar gansch vloeibaar, waar in ontallijke Starren of Zonnen wijds en zijds verspreid leggen? nergens vast gebonden (die is voor zoo verre wel) en welke altemaal in den [129] tijd van een dag hare zeer wijduitgestrekte omloopen; gelijk ik gezegt hebbe; volbrengen. In welke beweging, als die zoodanig was, hy niet eens gedagt heeft, met hoe groot een geweld zy van alle kanten hier en daar moesten afweiden, om de rondomgaande beweging van zulk een vervaarlijke snelheid. Maar op dat ze zoo niet zouden afvliegen, en in oneindige ruimtens uitspatten, daar voor, denk ik, zullen de beweging-gevende Verstandelijkheden [Intelligentiæ motrices] een schot schieten. Want hy voegt by yder Vaste Starre, ja ook by yder Dwaalstarre, hare Verstandelijkheden, of Engelen, die haar aandrijven, en haren loop bestieren; waar in hy een hoop van sommige Leeraars volgt, die het allerbeuzelachtigste verzierzel van Aristoteles onbedagtelijk, en tegen de Reden, hebben aangenomen. Maar Kopernikus ontneemt den zaligen Geesten zoo groot een moeite door de aangewezen beweging van de Aarde alleen; welkers noodzakelijkheid, voorwaar, en ygelijk zelfs [130] daar uit alleen ziet, uitgenomen die genen, die willens en wetens blind zijn. Ik dagt zekerlijk somtijds, dat van Kircher wat beters konde verwagt zijn geweest, indien hy zijn gevoelen rond uit had durven bloot leggen; maar dewijl hy dat niet darde bestaan, wete ik niet, waarom hy niet liever zig geheel en al van die stoffe heeft willen onthouden. Laat ons nu dien zeer vermaarden Schrijver laten voor den genen die hy is; en nademaal wy geen zwarigheid gemaakt hebben, met onze gissingen, aanschouwers in de Dwaal-Starren te stellen; laat ons die eens, een voor een, gaan bezoeken, en vervolgens overwegen wat jaren, wat dagen, en eindelijk wat Starreloopkennis zy hebben.

Om dan te beginnen van de binnenste, en die naast aan de Zon is; wy weten, dat Merkurius driemaal nader aan dat groote Gestarnte [Sidus] komt als onze Aarde. Waar uit volgt, dat deszelfs ingezetenen de Zon ook driemaal grooter zien, ter zake van den Middel[131]lijn, en haar ligt en warmte negenmaal grooter voelen dan wy; zulks dat ze voor ons ondragelijk zou zijn, als welke drooge kruiden, hooy en stroo, zoo als die by ons groeijen, in brand zou steken. Maar ’t kan wel wezen, dat de dieren, die daar leven, zoo gesteld zijn, dat zy in die hitte een gewenschte gematigdheid voelen; en dat de kruiden van dien aart zijn, dat ze de kragt der Zonne veel meer konnen uitstaan. Ook zou ’t niet wonder zijn, dat de inboorlingen van Merkurius meinden dat wy van een onlijdelijke koude geknelt wierden, en weinig ligt hadden, om dat wy zoo veel te verder van de Zon af zijn; gelijk wy ons van de Saturnus-bewoners ligtelijk inbeelden. Daar ontbreekt wel geen reden van twijfelen, dewyl het leven afhangt van de warmte, die aan het lichaam en verstand kragt en wakkerheid geeft, of niet deze Merkurius-bewoners, van wegen de nabyheid van de Zon, geacht mogen werden ons in verstand te overtreffen? Dog dat ik die niet geloove, is daarom, om dat de volkeren, die [132] de Warmste landen van onze Aarde bewonen, in Afrika en Brazijl, in wijsheid en schranderheid by de inwoners van gematigder landstreken niet konnen halen; ’t welk ook daar uit blijkt, om dat zy byna van alle wetenschappen en konsten onkundig zijn, en dat zelfs de genen, die aan de stranden wonen, maar een zeer kleine kennisse van de Scheepvaart hebben. Ik zoude ook den ingezetenen van Jupiter en Saturnus daarom geen lompe plompe verstanden, of een bevattelijkheid, minder dan de onze, toeschrijven, om dat zy zoo veel te verder van de Zon afleggen, nademaal beide die Klooten van zulk een voortreffelijke grootte zijn, en, met zoo groot een trawantschap verzeld, worden omgevoert. Dog hoedanig een Starreloopkennis de Saturnus-bewoners hebben, en hoe zy op zekere tijden de andere Dwaalstarren tegen de Zon gesteld zien, is uit de verbeelding van het stelsel in ’t eerste boek ontvouwd, zeer gemakkelijk te bevatten en in die tijden van tegenstel[133]lingen [Oppositiones] moet Venus en de Aarde aldaar met een zonderlingen glans schijnen. Want dewyl Venus ons zoo helder voorkomt, ten tijde als ze maar een klein gedeelte van een opkomende Maan verbeeld, zoo moet ze zig, tegen de Zon gesteld, zesmaal helderder, of nog meer, vertoonen, wanneer men half uit den Kloot van Merkurius in haar volle rondte, en in kleiner afstand ziet: en alzoo moet ze dan ook by dat volk, dat geen Maanligt heeft, de duisternissen des nagts niet weinig verdrijven. Hoe lang nu wyders by henluiden de dagen zijn, en of ze verscheide getijden des jaars hebben, is tot nog toe onzeker, om dat men niet weet of de As van de dagelijksche omdraajinge van Merkurius scheuins is ten opzigt van den kring, in welke hy om de Zon word gevoert, en in hoe veel tijds die omwenteling geschied. Dat zy dagen en nagten hebben, daaraan is niet te twijfelen, dewyl in de Aarde, Mars, Jupiter, en Saturnus, die beurtwisseling zekerlijk vernomen word: maar de tijd van hun jaar kan naauwlijks een vierde deel van ’t onz’ halen.

[134] Die in den Kloot van Venus zijn gesteld, moeten byna dezelve verschijnselen in den Hemel zien, die wy van Merkurius hebben gezegt: behalven dat zy Merkurius nooit tegen de Zon gesteld zien, vermits hy d’ er maar omtrent 38 graden afwijkt. De Zon schijnt henluiden in den Middelijn anderhalfmaal, en in de rondte tweemaal, grooter als ons; waarom ze ook tweemaal zoo veel ligt en warmte moet geven. Dus komt die Aardkloot nader met de gematigdheid van d’ onze over een. Hun jaar loopt in zeven onzer maanden, en een halve byna, ten einde. Maar deze onze Kloot moet des nagts in plaatsen, tegen de Zon gesteld, veel helderder schijnen aan de Venus-bewoners, dan Venus ooit aan ons verschijnt: en dan zien zy ook ligtelijk de Maan, onze Gezellinne, indien zy maar oogen hebben, die niet zwakker als d’ onze zijn. Maar ik hebbe my dikwils verwondert, als ik met lange Kijkers van 45 of 60 voeten de Dwaalstarre Venus bekeek, naby aan d’ Aarde, en niet ongelijk een halve Maan, of die [135] haar hoornen begint te krommen, dat deszelfs oppervlakte met een gansch eenparige glans overdekt was; dermate, dat ik naauwlijks zou durven zeggen, iets daar in bespeurt te hebben, ’t gene na eenige vlek geleek, hoedanige nogtans klaarlijk gemerkt worden in Jupiter en Mars, schoon zy in een veel kleiner rondte voorkomen. Want indien in den Kloot van Venus Zeen en Landen waren, zoo moesten wy de Zee-streken duisterder, en de Landstreken helderder zien; gelijk de Zee, van zeer hooge rotsen bekeken, niet zoo helder als het daar om gelegen land schijnt. Ik geloofde dat de al te groote glans van Venus de oorzaak was, waarom de verscheidenheid des ligts zoo wel niet konde vernomen werden: maar wanner ik het glas, dat digtst aan mijn oog was, met rook had bezwalkt, om een gedeelte der stralen wech te nemen; scheen het ligt egter in de gansche oppervlakte even eenparig. Zijn daar dan geen Zeen, of word het Zonligt meer als by ons van ’t water, en minder van d’ aarde, we[136]derom gekaast. Of zou daar wel een dikker Dampgewest [Vaporum regio], als in Jupiter of Mars zijn (en dit schijnt my geloofelijkst) ’t welk, van de Zon verligt, en den Kloot van Venus omringende, byna al dat ligt, dat we zien, na ons weder toe keert, en het onderscheid van d’ ondergelegene Zeen en Landen bezwaarlijk toelaat te merken? Want het is zeker, dat ook onze Dampkring [Atmosphæra], zoo men d’ Aarde van verre konde zien, met haar ligt grootelijks zou beletten, en maken, dat zulk een verscheide helderheid van Land, en Zee zoo wel niet zou blijken, als wanneer iemand dezelve van een hooge rots ziet: om geene andere reden, als waar door die zelve dampen niet teelaten, dat men de vlekken van de Maan over dag minder ziet, als by nagt; om dat ze dan ook tussen de Maan, en onze oogen gelegen, en door ’t ligt van de Zon verhelderd, het gezigt benevelen: en ’s nagts zoo niet.

Maar in Mars ziet men vlekken, die, gelijk ik gezegt hebbe, duisterder als de [137] overige deelen van des zelfs rond zijn, uit welker wederomloop overlang opgemerkt is, dat aldaar de dagen en nagten byna met even zoodanige tussenpoozen als by ons beurt houden. Dog tussen de Winter en Zomer gevoelen de inwoners maar een klein onderscheid; om dat de As der dagelijksche omdraajing slegts een weinig na den kring van de Dwaalstarre helt, gelijk uit de beweging der vlekken is aangemerkt. Die nu uit dien Kloot onze Aarde beschouwen, moeten dezelve zoodanig zien, als ons de Venus schijnt, en haar verscheide gedaante moet henluiden voorkomen als die van de Maan, wanneer men dezelve door een Verrekijker ziet; desgelijks dat de Aarde niet verder dan 48 graden van de Zon afwijkt: ze kan ook somtijds in ’t rond van Mars gezien werden; zoo wel als de kleine lichamen van Venus en Merkurius: en dit gaat nooit anders. Venus word ’er zelden gezien, gelijk by ons de Merkurius: maar het is te gelooven, dat de grond van d’ aarde in Mars uit een zwarter stoffe bestaat als in Jupiter, of [138] ook in onze Maan; en dat het daar van daan komt, dat men Mars roodachtiger ziet, en dat hy niet, naar mate van den tussenstand, welke hy van de Zon af is, het ligt weder geeft. Zijn Kloot is kleiner als die van Venus. schoon hy verder van de Zon afstaat, gelijk we reeds hier vorens hebben aangemerkt. Ook heeft hy geen Maan tot gezelschap, en schijnt deswegen, zoo wel als Venus en Merkurius, min aanzienlijk dan onze Aarde. Wederom voelen de ingezetenen van den zelven Mars het ligt en de warmte der Zonne tweemaal, en somtijds driemaal, minder als wy doen: dog, naar ons oordeel, zonder eenig ongemak.

Maar als men moet zeggen, dat deze Aarde, om haar bygevoegde Maan, de andere Dwaalstarren, die ik tot dus verre behandelt hebbe, overtreft; want in grootte komt ze daar by niet veel te kort, nog te boven: hoe veel te meer moeten dan de Starren Jupiter en Saturnus boven die drie, en de Aarde zelf, gestelt werden! Want het zy wy [139] het gevaarte derzelver Klooten overwegen, ’t welk de kleine lichamen van die alle te zamen heel verre te boven gaat, of dat we letten op de meenigte der Manen, die daar om gaan; het is gansch waarschijnelijk, dat men deze twee moet houden voor de voornaamste Aardklooten, die omtrent de Zon zijn, by welke de vier overige iets zeer klein zijnde geenzins in vergelijking komen.

Klik op de afbeelding voor een grotere weergave

Om dit groot onderscheid des te beter te bezeffen, hebbe ik goed gedagt alhier [Zie de derde Print], volgens de ware, of niet veel van de waarheid afwijkende, evenredenheden, voor oogen te stellen, eensdeels onzen Aardkloot, met den omgaanden kring van de Maan, en daar in het Maanklootje zelf, ten anderen de stelsels van Jupiter en Saturnus, den eenen vercierd met vier, den anderen met vijf Manen, van welke een yder desgelijks in haar kring staat. ’t Is bekend, dat men de Manen van Jupiter aan [d’ uitvinding van] Galileus schuldig is; en elk een kan ligtelijk by hem zelven denken, met [140] hoe grooten blijdschap des harten die van hem eerst vernomen zijn. Een van de Saturnus-Manen, die helderder dan de andere, en op een na de uiterste is, viel onder mijn gezigt, en ik was d’ eerste, die haar zag in ’t jaar 1655, met mijn Verrekijker, niet langer dan twaalf voeten. De overige zijn ontdekt van Dominikus Kassinus, met behulp van glazen, die Joz. Kampanus had geslepen, eerst van zes en dertig, daar na van honderd en zes en dertig, voeten. De derde en vijfde hebbe ik in ’t jaar 1672 gezien, als ze my van Kassin zelf getoond wierden, en daar na meermalen. De eerste en tweede heeft hy ook gevonden, gelijk hy aan my in den jare 1684 schreef. Zy worden zeer bezwaarlijk gekeken, en ik kan met waarheid niet zeggen, dat ik ze tot nog toe gezien hebbe; dog daarom make ik gansch geen zwarigheid in den beroemden Man te gelooven, en deze Gezellinnen ook aan Saturnus toe te schrijven: ja men heeft reden om te denken, dat ’er, behalven het getal van deze, nog een of meer andere [141] schuilen. Want nademaal tussen de twee uiterste grooter ruimte is dan naar de afstandigheden van d’ andere; zoo zou daar een zesde Trawant konnen geplaast zijn, of meer andere buiten den vijfden omzwerven, die duisterheidshalven nog niet gezien zijn, dewyl die vijfde zelf alleenlijk in dat deel van zijn kring, ’t welk na het Westen strekt, gezien word, en in ’t overige nooit verschijnt: waar van wy de reden, ligt genoeg om te vatten, daar na zullen bybrengen.

Misschien, als Saturnus tot de Noorder-teekenen zal wederkeeren, en hoog boven den Gezigt-einder [Horizon] verheven worden (want op dezen tijd wanneer ik dit schrijve gaat hy zeer laag) zal men iets nieuws dezen aangaande konnen opmerken; by aldien iemand dan met uwe Kijkglazen, zeer waarde Broeder, die tot Verrekijkers van honderd en zeventig, en twee honderd en tien, voeten gemaakt zijn, in de Starren kijkt, welke glazen ik meine de grootste en volmaaktste te wezen [142] van alle die d’ er tot nog toe geweest zijn. Want hoewel wy daar meê nog nooit Hemelwaarts hebben gekeken, ’t zy om de moeite van die werkstellig te maken, of om dat uw vertrek deze onze oeffeningen en pogingen heeft afgebroken; echter zijn wy verzekerd, dat ze zonder het minste gebrek zijn, na dat wy daar van by nagt in de wandelgalerijen van onze landwoningen die gemakkelijke proeven hebben genomen, dat wy van verre een brief konden lezen, daar ligt by stond: waar aan ik voorwaar met lust gedenke, en teffens aan onzen vermakelijken arbeid, dien wy in ’t bewerken, en slypen van dergelijke ronde glazen plagten te besteden; uitvindende nieuwe konstenarijen, en werktuigen, en altijd bezig met nog verder te geraken. Maar ik keere weder tot de vorens-beschrevene verbeeldsels, van welken nog wat te zeggen was.

Daar in hebbe ik den Middellijn van den Kloot van Jupiter gemaakt omtrent van twee derden van die tussenwijdte, welke tussen ons en onze Maan legt; [143] om dat de Middellijn van Jupiter meer als twintigmaal den Middellijn van d’ Aarde begrijpt, en de Maan dertig Middellijnen der Aarde van de Aarde af staat. Den kring van Jupiters uiterste Trawant hebbe ik tegen den kring van onze Maan gestelt, als van 8½ tegen 1. overmits dergelyk een evenredenheid tussen haar in der daad word bevonden. En deze Trawanten, ’k wil zeggen yder van deze Manen, schijnen niet kleiner als ons Aardrijk te zijn, gelijk uit hare schaduwen, dikwils in de rondte van Jupiter waargenomen zijnde, kan bewezen werden. De tyden nu der omloopen (om dit daar nog by te voegen) onder den Teeken-kring [of Zonneweg] zijn by Kassin deze; te weten van den naasten [Intimus] der Jupiters-Trawanten, 1 dag; 18, 28', 36" uuren: van den tweeden, 3 dagen; 13, 52' uuren: van den derden, 7 dagen; 3, 59', 40" uuren: van den vierden, 16 dagen; 18, 5', 6" uuren. De afstandigheden van Jupiters Middelpunt zijn, van den naasten Tra[144]want, 2 5/6 van Jupiters Middellijnen: van den tweeden, 4½; van den derden, 7 1/6; van den vierden, 12 2/3. In de Saturnus-Trawanten zijn de Omloop-tyden van den naasten, 1 dag, 21, 18', 31" uuren, van den tweeden, 2 dagen; 17, 41', 27" uuren: van den derden, 4 dagen; 13, 47', 16" uuren, van den vierden, 15 dagen; 22, 41', 11" uuren; van den vijfden, 79 dagen; 7, 53', 57" uuren. D’ afstandigheden van het Middelpunt van Saturnus, met de Middellijnen van zijn Ring afgemeten, zijn, van den naasten Trawant 39/40, van den tweeden 1¼; van den derden 1¾; van den vierden 4, by my 3½; van den vijfden 12: alles met grooten arbeid en vlijt ondervonden.

Wie dog, die deze stelsels inziet, en met elkanderen vergelijkt, staat nu niet verbaasd over de grootheid, en groote toerusting van die twee Klooten, by dat klein en gering Klootje van onze Aarde? of wien kan het nu in zijn herssens komen, dat van alle de Klooten, die rondom de Zon draaijen, in dit ons Aardklootje alleen al het [145] cieraad word gevonden, alle dieren. en alle de schepselen, die de dingen des Hemels met verwondering beschouwen; En dat de Maker der dingen aan de anderen niets daar van heeft gegeven, en zulke overgroote gevaartens van lichamen ten geenen anderen einde geschapen, dan op dat wy menschjes derzelver ligt zouden zien, en misschien haar loop nasporen?

lk geloove zekerlijk, dat ’er sommige zullen zijn, die voor valsch en onzeker uitkrijten, het gene we hier van de grootte der Hemelsche ruimtens gestelt hebben: want my is niet onbekend, hoe bezwaarlijk men iemand, die zig gemeenlijk over de wijduitgestrektheid van den Aardkloot, en daar in over zoo vele volkeren, steden, heerschappijen, verwondert, kan wijs maken, dat ’er elders nog andere Aardklooten zijn, uit welker vergelijking deze onze gansche Aardkloot zoo klein is, als die afbeeldingen vertoonen. Maar het zijn de schriften van de grootste Starreloopkenners dezer eeuw, die my dat gene geleert hebben, [146] waar uit die onderlinge rekeninge der stelsels moet volgen. Want indien de Aarde tien of elf duizend van hare Middellijnen af is van de Zon, gelijk Kassin in Vrankrijk, en Flamsteed in Engeland, met de allerscherpzinnigste waarnemingen van de Verscheelligten [Parallaxes] in Mars, weten op te rekenen; en dewijl ik zelf met een bewijsbare gissing twaalf duizend Middellijnen gevonden hebbe, zoo zullen ook die groottens der ronde Klooten onder den anderen zoodanig wezen als ik hier hebbe beschreven.

Laat ons voortgaan te spreken van Jupiter, uit wien de Zon gezien zijnde haar Middellijn vijfmaal kleiner heeft als by ons; zulks dat in die Dwaalstarre slegts het vijf en twintigste deel des ligts en der warmte van de Zon kan gevoelt werden. Maar men moet dat ligt gansch niet flaauw rekenen: en dat toont ons de uitstekende helderheid van Jupiter by nagt: daarenboven om dat in de Zonverduisteringen, die by ons voorvallen, schoon het vijf en twin[147]tigste deel van deszelfs rond niet overig blijft (gelijk my heugt gezien te hebben) geen groote verduistering bemerkt word. Dog zoo iemand lust heeft te onderzoeken hoe groot dat Zonligt in Jupiter is, laat hem een Kijker nemen van een zekere grootte, en dezelze aan d’ eene kant toestoppen met een plaatje, in welkers midden een rond gat is, van die breedte, welke tot de lengte van den Kijker zoo staat, als de ondergetogen zijde der 6 eerste scrupels tot den Straal [Substensa sex scrupulorum primerum ad radium], dat is; byna, als 1 tot 570. Laat hem voorts den Kijker na de Zon houden, en haar stralen door het gat ingekomen zijnde, met het ander end’ op een blad wit papier vangen, mits dat ’er geen ligt elders van daan kan invallen, zoo zullen die straten in een kring het afbeeldsel van de Zon maken, welkers helderheid even zoodanig is, als die de ingezetenen van Jupiter by mooy weêr hebben. Het papier weggenomen zijnde, zoo hy ter zelver plaats zijn oog houd, zal hy hier de Zon in die grootte en glans [148] zien, waar in ze iemand zou voorkomen, die in den Kloot van Jupiter was.

By aldien in den zelven Kijker het gat gemaakt word met een tweemaal naauwer Middellijn, zoo zal op het papier, of op het oog, zoodanig een ligt vallen, als de Saturnus volkeren scheppen: ’t welk zijnde slegts het honderdste deel van het ligt, dat wy van de Zon krijgen, nogtans den Saturnus by duister nagt helder genoeg aan ons vertoont. Maar de bewoners van beide die Dwaalstarren moeten, zoo wanneer het daar somtijds donker weêr is, geen goed ligt hebben; indien men dat volgens onze oogen zal oordeelen: dog zonder twijfel voor die ingezetenen zoodanig, dat zy over de schaarsheid niet hebben te klagen: gelijkerwijs de Nagtuilen, en Vleermuizen meer dienst en vermaak halen uit het schemerligt, of uit het ligt, dat in de nagt zelve nog overig is, dan ’t welk by dag de Lucht en ’t Aardrijk helder maakt.

Voorts dat in Jupiter de dagen maar [149] vyf van onze uuren lang zijn, en de nagten ook niet langer, schijnt wat wonders, om de bystere grootte van deszelfs Kloot by d’ onze. Namentlijk hier uit blijkt ook, dat de Natuur in die zaak geen evenredenheit gehouden heeft, na de grootheid der Klooten, of hunnen afstand van de Zon; dewyl zelfs in Mars de dagen met de onze byna gelyk staan. Maar in de lengte der jaren, dat is, in den tijd van den omloop rondom de Zon, heeft Ze een teenemaal vaste evenredenheid gehouden van de afstandigheden, welke de Dwaalstarren van de Zon af zijn. Want gelijk de Teerlingen [Cubi] dezer afstandigheden zijn, zoo zijn ook de Vierhoeken [Quadrata] van de omlooptijden; ’t welk Kepler eerst gemerkt heeft: en men heeft in de Trawanten van Jupiter en Saturnus bevonden, dat het op dezelve wijze gelegen is. Derhalven, vermits de tijden van ’t jaar, en van de dagen in Jupiter veel van de onze verschillen, zoo hebben de dagen nog dat onderscheid, dat ze ’t [150] altijd even lang zijn. Want daar is een altijd duurzame Nagtevening, om dat Jupiters As byna regt staat, in opzigt van de vlakte zijn’s wegs om de Zon, en niet scheuins, gelijk die van de Aarde; zoo als dat uit de waarnemingen met Verrekijkers kennelijk is. De landen, die aldaar nader aan d’ Aspunten leggen, zijn daar ook vry koud, om de scheuinsheid der Zonnestralen; maar ’t volk heeft ’er geen lange nagten, gelyk als de gene; die digt by de Aspunten der Aarde zijn: maar daar is ligt en duisternis van vyf uuren, als ik gezegt hebbe; en dat overal, en altijd. Ons, voorwaar, zouden zulke korte dagen niet aanstaan, en wy meinen beter gesteld te zijn, om dat wy meer als tweemaal langer dagen hebben: dog evenwel met geen reden, dan om dat wy gemeenlijk de dingen, waar aan wy gewoon zijn, voor de beste schatten.

D’ Inwoners van Jupiter zien maar een van de Dwaal-starren, Saturnus; om dat de andere al te digt aan de Zon leggen, en Mars zelfs niet boven de 18 [151] gr. daar van afgaat. Maar dat zy uit de vier Manen, die zy hebben, veel meer dienst trekken, als wy uit onze eene; dat kan niet geloochent werden, al was het slegts daarom, om dat zy zeer zelden nagten hebben, zonder ligte Maan. En indien zy nu hunne Zeen bevaren (waar van wy hier vorens spaken) zoo konnen zy met behulp van die Manen fraaijelijk hun koers bestieren: zonder dat ik hier nog reppe van die vermakelijke beschouwing van derzelver verscheide voegingen, en verduisteringen [Conjunctiones & Eclipses], welke zy dagelijks aanzien.

Den zelven dienst, en dezelve, ja nog grooter, vertooningen moeten de Saturnus-borgers hebben, zoo om het getal van zijn vijf Manen, als om het verwonderlijk gezigt van zijn Ring, dat hen nagt en dag voorkomt. Maar wy moeten hunne geheele Starreloopkunde verklaren, gelijk wy in de andere Dwaalstarren gedaan hebben.

Vooreerst: zullen wy hier aanteekenen, het gene van haar alle konde ge[152]zegt werden, dat de vaste Starren uit Saturnus met byna dezelve gedaantens, en verscheidenheid van ligt, gezien worden, als by ons; en dat om derzelver vervaarlijk-groten afstand, waar van we hier na zullen spreken: by welke een tussenwijdte, die een kogel, uit een kanonstuk geschoten, in vijf en twintig jaren zou voortvliegen, zeer klein moet gerekent werden.

Dus zien de Starreloopkenners aldaar ook dezelve teekenen van den Orion, den Beer, den Leeuw, en de andere, dog niet rondom dezelve Aspunten als by ons omdraayende, maar zulke, die aan yder Dwaalstarre eigen na verscheide deelen des Hemels strekken.

Maar gelijk de Jupiter-bewoners van de voorname Dwaalstarren Saturnus alleen zien, al zoo zien de Saturnus-bewoners alleen Jupiter, die henluiden dezelve is als ons de Venus, en niet meer dan omtrent 37 gr. van de Zon afwijkt. Hoe lang hunne dagen zijn, kan men niet zeker weten: maar uit den afstand en den omloop van den naasten Trawant, en uit dezelver vergelijking [153] met den naasten van Jupiters-Trawanten, is het waarschijnelijk dat de dagen daar niet langer zijn dan in Jupiter welke ik getoont hebbe van tien uuren, of een weinig minder, te wezen. Dog nademaal die even gelijk in ligt en duisternis verdeelt worden, zoo hebben de Saturnus-bewoners een merkelijke ongelijkheid, en grooter als wy; desgelijks een grooter onderscheid van Zomer en Winter, om de neiging van den As van den Saturnus-kloot na bet vlak van zijn kring [Inclinatio axis globi Saturnii ad planum orbitæ suæ], welke is van 31 deelen, daar de As van onze aarde alleen een scheuinsheid van 23 en een half heeft. Deze zelve ashelling [Declinatio] in Saturnus maakt ook dat zijne Manen verre afwijken van den Zonneweg, of die zy daar voor houden; en is ook de reden, waarom zy hunne Manen nooit in volle rondte zien schijnen, als ten tijde der Nagteveningen; welke in dertig onze jaren aldaar tweemaal komen. Ook geeft die gesteldheid van den As aan de inwoners van die Dwaalstarre [154] verscheide en wonderlijke verschijnselen [Phenomenî], om welke te verstaan, zullen wy de verbeelding van den ganschen Saturnus met zijn Ring hier wederom beschrijven; waar in, gelijk wy voor dezen reeds bepaalt hebben, toen wy dat wonder gewelfsel eerst uit de duisternisse in het ligt bragten, tussen de Middellijnen van den Ring en den Kloot de evenredenheid zal wezen welke is van 9 tot 4: en de ledige ruimte, die tussen beiden is, sal dezelve breedte hebben als de Ring heeft. Uit waarnemingen blijkt, dat de dikte van den Ring klein is, dog deze zal, naar d’ evenredenheid van den Middellijn, niet te groot gesteld wezen, al wierd ze op zes honderd Duitsche mijlen gerekent.

Klik op de afbeelding voor een grotere weergave

Laat dienvolgens dit de Kloot van Saturnus wezen [Zie de vierde Print], wiens Aspunten zijn AB: en de Middellijn van den Ring GN, scheef ingezien zijnde, zulks dat ze met haar omtrek [Circumferentia] een smal langwerpig rond [Ellipsis] verbeeld. Dus [155] zijn rondom beide de Aspunten de deelen der oppervlakte met de bogen CAD, EBF van 54 deelen, bepaald: welker bewoners (of de koude maakt die misschien onbewoonbaar) den Ring nooit konnen zien. Uit al de overige oppervlakte zien zy hem veertien achtereenvolgende jaren en negen maanden; ’t welk by hen een half jaar is: d’ andere helft is hy verborgen. Die gene derhalven, die den zeer wijden Luchtstreek [Zona] bewonen tussen den Aspuntkring [Circulus Polaris] CD en TV, welke onder den Evenaar [Æquator] en den Ring gelegen is, zien, zoo lang als de oppervlakte van den Ring, tegen henluiden gekeerd, door de Zon verligt word, ’s middernagts desselfs gedeelte KGL in de gedaante van een ligtschijnenden boog, die wederzijds van den Gezigt-einder oprijst, maar in ’t midden benevelt word door de schaduw, welke het gedeelte van den Saturnus-kloot GH, gemeenlijk tot aan het einde van den rand, bedekt. Na de middernagt wijkt die schaduw allengs na de regte zjjde [156] voor iemand, die in het Noorder Halfrond [Hemisphærium Boreum] is; en na de slinke zijde voor den genen die daar tegen over is. Ze verdwijnt ’s morgens, en daar blijft evenwel een gedaante van een boog, dien zy den ganschen dag konnen zien, dog flauwer schijnende dan wy onze Maan by dag zien, Want zy hebben hun Dampgewest, of Lucht, die van de Zon verhelderd is; gelijk wy hier vorens getoont hebben bewijffelijk te zijn. En indien zy zoodanig iets niet hadden, zy zouden den Ring, en hunne Manen, en de vaste Starren niet anders by dag dan by nagt zien schijnen. Nu moet die vertooning van den Ring ook zoo veel te fraayer zijn, om dat zy uit zekere vlekken, of uit den oneenparigen glans, konnen bespeuren, dat hy zig omwentelt. Want het kan niet anders wezen, of zy moeten dat van zoo naby konnen bemerken, daar men zelfs van onze Aarde de ongelijke helderheid in de oppervlakte van den Ring kan zien, welke in den uitersten rand kleiner is als in den binnensten. [157] Maar zoo als de schaduw van den Kloot op het gedeelte van den Ring GH valt, zoo verduistert de schaduw van den Ring teffens het gedeelte van den Kloot omtrent PF ’t welke anders het zonligt zou genieten: zoo dat ’er altijd een zekere Luchtstreek is PYEF, dan breeder, dan smaller, welkers bewooners een langen tijd geen gezigt van de Zon hebben, nogte ook van den Ring, die henluiden dan ook eenig deel van de Starren ontneemt. En dit moet dat volk als een wonderwerk schijnen, wanneer ze, de Zon hen ontnomen zijnde, in een duistere nagt vervallen, en niet zien, waar dat van daan komt. Geduurende dien tijd moeten zy hun zelven alleen met het ligt der Manen troosten. In de andere helft van ’t jaar, als de Zon het tegenoverstaande oppervlak des Rings verligt, dan schept het Halfrond TBV op de zelve wijze ligt, als te voren TAV; ’t welk dan wederom die lange Zonverduisteringen moet uitstaan. Alleen in de tijden der Nagteveningen, wanneer de Zon op het uitge[158]breide vlak van den Ring zelf valt, kan ze, van ligt beroofd zijnde, by de Saturnus luiden niet gezien werden; en dan konnen wy haar ook met onze hoog en wijdmeters [Dioptræ] niet vernemen: te weten, wanneer Saturnus, als men hem uit de Zon zag, in de een en twintigste en een halve gr. van het Maagde- en Vissen-teeken is; gelijk ik voor dezen in het stelsel van Saturnus verklaart hebbe. Alwaar ook reden word gegeven van de Zonne-opgangen op het vlak van den Ring, het gansche jaar van Saturnus lang. By dit verbeeldsel hebbe ik, nevens Saturnus, de Klooten van onze Aarde en Maan gestelt, naar de ware evenredenheden der groottens, op dat men daar uit nogmaal begrijpe, hoe klein onze woonplek is, by den Kloot en Ring van Saturnus vergeleken zijnde; ’t welk noodig is geduuriglijk in gedagten te houden. De verbeelding van de nagt in Saturnus, met een dubbele tegenoverstaande boog van een ligtgevende Ring, en vijf Manen, vercierd, zal een yge[159]lyk nu uit het vorensgezeide konnen maken. En dit was het, dat ik meerendeels van de voornaamste Dwaalstarren te zeggen had.

Nu rest ’er nog, dat wy over de Manen, die Jupiter en Saturnus bygevoegd zijn, en byzonderlijk over de onze, eens gaan onderzoeken zoo wel het gene dat tot Starreloopkundige verschijnselen behoort, als wat in derzelver oppervlakte tot cieraad moet gevonden werden: voor al, of daar in, na waarschijnelijkheid, wel eenig cieraad is; ’t welk ik tot dus verre hebbe uitgestelt.

Het schijnt, nademaal de Kloot der Maan ons zoo naby is, en den genen, die Verrekijkers gebruiken, vele byzonderheden laat zien; als of ook van haar geheele natuur meer en waarschijnelijker zaken zouden konnen gegist werden, dan van der andere Dwaalstarren, om dat die zoo veel verder leggen. Maar daarentegen staat het daar zoo meê, dat ik naauwelijk iets van de Maan-dingen vinde te zeggen; en dat daarom, om dat het my niet heeft [160] mogen gebeuren eenige dergelijke Dwaalstarre van na by te beschouwen. En dit is met die voorname Dwaalstarren heel anders gelegen: want zy zijn, gelijk reeds ten vollen blijkt, van dezelve soort als ons Aardrijk, in ’t welke wy van dicht by bezien wat m’ er doet, en wat ’er in, waar uit reden vloeit om ook sommige dergelijke zaken van de overige te gissen.

Maar dit konnen wy zonder eenigen twijfel vast stellen, dat de [Manen] die we gezegt hebben dat Jupiter en Saturnus verzellen, van dezelve natuur als onze Maan zijn; dewijl ze geheel en al op een en dezelve wijze rondom deze Dwaalstarren gaan; en, teffens met haar, rondom de Zon gevoert worden, even als de Maan met de Aarde. Maar dat ’er nog een andere wederzijdsche gelijkheid is, zullen wy daar na zien: derhalven, indien men iets van den stand der Maan kan gissen (en dat is zeer weinig) ’t zal te denken zijn, dat het in die vier Jupiters- en in die vyf Saturnus-Manen ten naasten by ook zoo staat; be[161]houdens altijd wel te gedenken, dat die niet slegter of minder gecierd zijn.

Dit blijkt in onze Maan (zelfs met kleine Kijkers, drie of vier voeten lang) dat haar oppervlakte in vele gebergten, en wederom met zeer breede vlakke dalen verdeeld is. Want men ziet ’er de schaduwen der bergen aan die zyde, die zy tegen over de Zon hebben; en dikwils word men daar in zekere kleine dalen gewaar, die in bergtoppen, welke byna kringswijze staan, besloten zijn: daar dan weder een of meer bergjes in ’t midden uitsteken. Kepler nam uit die rondheid der dalen een bewijs, dat dit overgroote gebouwen waren van de Maanlingen [Of Maan-bewoners, Lunicolæ], die met Reden werken: dog dat is teenemaal ongeloofelijk, eensdeels om de al te groote grootheid van die gevaartens, ten anderen, om dat dergelijke ronde holtens uit natuurlijke oorzaken konnen gemaakt werden. Maar ik vind ’er niets dat na Zeen gelijkt, schoon de gemelde Kepler, en meest alle andere [Starrekenners] het [162] tegendeel gevoelen. Want in de groote vlakke landstreken, die veel duisterder als de bergachtige zijn, en welke ik zie dat gemeenlijk voor Zeen gehouden, ja met de benamingen van Oceanen verheerlijkt, worden, in die landstreken zelve, zegge ik, met een langer Verrekijker bekeken zijnde, bevinde ik, dat zekere kleine ronde holtens zijn, met binnen invallende schaduwen; en dat kan met de oppervlakte van de Zee niet over een komen: daarenboven die zelve ruime velden, als wy haar wat aandagtiger beschouwen, vertoonen geen oppervlak, dat geheel effen is. Zoo konnen het dan geen Zeen wezen, maar moeten bestaan uit een stoffe, zoo blank niet, als die, welke in de oneffener deelen is; waar in wederom sommige met een kragtiger ligt boven anderen uitmunten. Ook schijnt het my niet toe dat ’er eenige Rivieren in de Maan zijn: want zoo z’ er waren, zy zouden de scherpzigtigheid van mijne Kijkglazen niet konnen ontslippen; ten minsten, indien zy, gelijk de meeste [163] by ons, tussen bergen, of zeer hooge rotsen, stroomden. Daar zijn ook geen Wolken, waar uit regen zou spruiten, om aan de Rivieren vogt te verschaffen: want indien z’ er waren, men zou dezelve dan het een, dan het ander Maangewest zien bedekken, en voor ons gezigt verbergen; ’t welk geenzins geschied, maar daar blijft een geduurige helderheid.

Het is ook blijkelijk, dat de Maan van zoodanig een Lucht, of Dampgewest, als rondom ons Aardrijk gaat, niet omringt word: om dat, zoo het daar ergens was, de uiterste rand van de Maan zoo nettelijk rondgetrokken niet zou schijnen, als ze dikwils door ‘t onder heen gaan van eenige Starren gezien is; maar ze zou in een zeker verdwynend ligt, en gelijk als met een vezelachtigheid, eindigen: om hier nog niet te zeggen, dat de dampen van ons Dampgewest meerendeels uit waterdeeltjes bestaan, en derhalven, daar geen Zeen nog Stroomen zijn, dat daar geen overvloed van water kan opgetrokken werden. Dit groot [164] onderscheid, het welk tussen de Maan en onze Aarde gevonden word, laat ons naauwlijks toe iets daar van te gissen. Want zoo d’ er Zeen en Vloeden in gezien wierden, ’t zoude geen klein bewijs zijn, dat het overige cieraad der Aarde haar ook wel voegde, en dat het gevoelen van Xenofanes waaragtig was, zeggende dat de Maan bewoont wierd, en een Aardrijk was van vele steden en bergen. Maar nu dunkt my niet, dat in een dorre, en ganschelijk van water beroofde, grond Kruiden of Dieren konnen leven; dewyl die haar stoffe en voedsel uit vocht moeten krijgen.

Zal men dan gelooven, dat zoo groot een Kloot daar toe gemaakt is, om ons by nagt een klein ligt te geven, of d’ ebbe en vloed van de Zee te verwekken? Zal daar niemand zijn, die zig vermaakt met dat heerlijk gezigt van onze omdraaijende Aarde, dan eens Afrika met Europe, of Asia, of Amerika, vertoonende, dan eens met een vol, dan eens met een half, rond schynende? Zullen ook alle de Manen, die [165] rondom Jupiter en Saturnus staan, even ledig en onnut worden omgevoert? Ik wete, voorwaar, hier op niets te zeggen, vermits daar van uit iets dergelijks geen gissing te maken is. Nogtans om de voortreffelijkheid van die lichamen is ’t waarschijnelijker, dat in hare oppervlakte iets gedaan word, en iets groeit, en leeft, hoedanig het ook zy, en hoe veel het ook van onze zaken mag verschillen. Misschien zou daar ’t een of ’t ander, dat heel anders als ons Water is, de Aardgewassen en Dieren konnen doen leven. Misschien zou een weinig vocht in de aarde, niet als d’ onze het Water indrinkende, voor de Zonnestralen genoeg zijn, om daar uit een dauw te trekken, die tot voeding van kruiden en boomen bequaam was: ’t welk ik zie dat ook Plutarchus meining is geweest, in zijn Samenspraak van de Gedaante in het Maan-rond. Want zelfs by ons zou niets meer van nooden wezen als het hoogste oppervlak van de Zee, en gelijk als een dun vliesje, om aan d’ Aarde en het gezaaide vocht te leveren, die door de kragt [166] der Zonne was opgehaald, en alleenlijk tot dauw, niet tot Wolken, zou verdikken. Dog dit is maar ligt giswerk, of liever vermoeden, en we hebben niets anders, waar uit iets wegens de natuur van onze Maan, of ook van d’ andere, kan besloten werden: want de natuur van haar altemaal moet, gelyk we gezegt hebben, voor eene en dezelve gehouden werden; ’t welk behalven de vorens bygebragte reden, ook nog met deze andere bevestigt word, om dat, gelijk onze Maan altijd dezelve zijde [Facies] na ons heeft toegekeerd, alzoo ook de Manen van Jupiter en Saturnus na hare voorname Dwaalstarren. Vremd mag het schijnen, dat men dat heeft konnen weten, maar ’t was niet moeijelijk te gissen, na dat men, zoo als ik een weinig te voren zeide, bemerkt heeft, dat men de verste van de Saturnus-Manen alleenlijk dan ziet, wanneer ze, ten opzigt van die Dwaalstarre, na ’t Westen staat; maar na ’t Oosten altijd verborgen is. Dit word ligtelijk bevat daar [167] van daan te komen, om dat deze Maan voor een groot deel een duister oppervlak heeft; welk duister gedeelte, wanneer het na ons gekeerd is, als dan wegens de kleinheid des ligts niet kan gezien werden. En dewyl ze in de zijde van haar kring, die na ’t Oosten ziet, verduisterd word bevonden, in d’ andere nooit; zoo is dat een klaar bewijs, dat dat zelve gewest van haar Kloot altijd na Saturnus ziet, om dat die daar uit moet volgen. Wie zal nu twijfelen, daar de zijde van die allerverstgelegene, en van onze, Maan altijd een en dezelve uit haar voorname Dwaalstarre gezien word, of de Natuur heeft in de andere, die rondom Jupiter en Saturnus draaijen, het zelve gedaan? Dog de reden waarom dat geschied, kan niet wel elders van daan gehaalt werden, dan om dat de stoffe van alle de Manen dikker en zwaarder is aan die kant, waar mede zy altijd van hare Dwaalstarren zijn afgekeerd: want zoo zal dat zelve deel met grooter kragt van het middelpunt zijner omdraaijing tragten af te wyken, daar anderzins, [168] volgens de wetten der beweging, altijd dezelve zijde niet na de Dwaalstarre, maar na dezelve Vaste Starren geduuriglijk moest werden toegekeert.

Uit dit gestel der Manen, ten opzigt van hare Dwaalstarren, moeten hare inwoners sommige wonderlijke vertooningen hebben; welke inwoners, of zy d’ er zijn, gelyk we nu gezien hebben, byster onzeker is: maar laat het ons zoo eens nemen, of zy d’ er waren: en het zal genoeg zijn, die van de ingezetenen van onze Maan gezegt te hebben. De Maan-kloot is by henluiden in twee Halfronden verdeeld, zoodanig, dat, die in het eene wonen, altyd het gezigt van onze Aarde genieten; die in het ander leven, dat gezigt altyd missen: behalven dat sommige, omtrent de grenzen van beiden wonende, het zelve gezigt somwylen verliezen, somwylen wederkrijgen. Zy nu, die onze Aarde zien [Gæoscopi], zien dezelve altyd in de Lucht hangende, en veel grooter dan de Maan ons voor[169]komt, als byna met een viermaal grooter Middellijn. Maar dat is wonderlijk, dat zy dezelve altyd by nagt en dag in dezelve plaats van den Hemel, gelyk als onbewegelijk, zien hangen, sommige regt boven hun hoofd, sommige in een zekere hoogte van den Gezigteinder afstaande, andere in den Gezigteinder zelve gelegen, en ondertussen om haar As omdraaijende, vervolgens in den tijd van vier en twintig uuren vertoonende alle de gewesten die ze behelst; en derhalven ook die (het ware te wenschen dat wy ze ook mogten zien) welke aan beide de Assen ons, Aardrijk-bewoners, nog onbekend blijven. Daarenboven zien zy haar ook in ligt aangroeijende, en in den maandelijken omloop verminderd; en aldus by beurten vol, half, en tot hoornen verkleind, met dezelve verandering van gedaantens, die de Maan-kloot aan ons vertoont. Maar het ligt, dat de Maanlingen van onze Aarde krygen, is vyftienmaal grooter als dat wy van haar ontfangen; zulks dat zy in het beste Halfrond, na ons toege[170]keerd, uitstekende heldere nagten hebben: nogtans kan die helderheid hen geen warmte geven, schoon Kepler van andere gedagten was. De Zon gaat by hen op, en onder, yder van onze maanden eens, en dus hebben zy dagen en nagten vyftienmaal langer als wy, en met elkanderen eenparig in een geduurige nagtevening: door welke lange dagen, nademaal de Zon van henluiden niet verder af is als van ons, noodzakelijk moet volgen, dat die gene, by welke de Zon nog boven den Gezigteinder klimt, door een ongemakkelijke hitte gebraden werden, indien hunne lichamen zoo gevoelig als d’ onze zijn. By die genen nu, die omtrent de gezeide samengrenzingen van de Halfronden wonen, klimt de Zon wel meest; maar die daar verre van af zijn, en omtrent landstreken wonen, welke onder de Aspunten van de Maan leggen, zullen om die lange dagen niet meer warmte voelen, als de menschen, die in de Zomer by Ysland of Nova Zembla Walvissen vangen, welke menigmaal groote koude lij[171]den, zelfs ten tijde van den Zomerschen Zonnestand, en als zy drie maanden dag hebben [Solstitii tempore ac trium mensium diebus]. Dog de Aspunten van de Maan, rondom welke hare bewoners zien dat de Vaste Starren omdraaijen, zijn geenzins dezelve met de onze, en komen ook met de Aspunten der Zonneweg niet over een, maar ze worden met deze laatsten omgevoert; altyd vyf gr. afstaande, en dat in den omloop van vyftien jaren [Rabus vergist zich hier, moet 19 zijn]. De tijd van ’t jaar is daar dezelve als by ons, en zy meten die na de beweging der Vaste Starren, en derzelver wederkeering na de Zon: ’t welk henluiden zeer ligt is, dewyl zy by dag zoo wel als by nagt de Starren zien, zonder dat de helderheid van de Zon het belet, vermits zy, gelijk hier boven getoond is, geen Dampkring hebben, zonder welke wy ook by dag den Hemel vol Starren zouden zien. Daar zijn ook geen Wolken, die hunne waarnemingen ooit beletten; zoo dat zy den loop der Dwaalstarren beter als wy konnen nasporen, dog echter veel [172] bezwaarlijker als wy het stelsel vinden: want die daar aan begonnen, hebben niet anders moeten zien, dan of hun Aardrijk vast stond; waar in de doling hen verder als ons vervoert heeft.

Dit alles word overgebragt tot de Manen van Jupiter en Saturnus, aan welken hare voorname Dwaalstarren het zelve zijn, dat ons de Aarde is. Yder dag en nagt te zamen genomen word afgemeten naar den omloop van yder Maan; welke omloopen ik hier vorens hebbe te boek gezet. Waar door het geschied, dat de bewoners van de vyfde Saturnus Maan, welkers omloop was van 80 onzer dagen, hunne dagen en nagten zoo lang hebben als veertig van d’ onze. Ook hebben zy, ter zake van Saturnus dertigjarigen omloop, yder Zomer en Winter zoo lang als vyftien van onze jaren. Om zoo langwylige koude dan, en om zoo langwylig een slapen en waken, al was het daarom alleen, is het klaar, dat ’er een heel ander leven als by ons moet zijn.

Dus verre hebben wy dan verklaart [173] het gene tot de voornaamste, en daar aan volgende rondom de Zon gelegen, Dwaalstarren, behoort. Maar eer wy hier van daan tot de Zon zelf en de Vaste Starren (namentlijk het derde soort der Hemelsche lichamen) voortgaan, schijnt het der moeite waardig te zijn, dat we de grootheid en heerlijkheid van de gansche Zonnewereld [Mundus Solaris], met eenige evenredenheid, en duidelijker als tot nog toe gedaan is, uitdrukken: ’t welk met een verbeeldsel in deze bladen geschetst zijnde niet wel kan geschieden, om de kleinheid van de lichamen der Dwaalstarren, by hare vervaarlijke groote kringen vergeleken zijnde; maar ’t welk niet ten vollen kan afgebeeld werden, zal men met woorden voorts aanwijzen. Laat men dan, het verbeeldsel in ’t begin van het eerste boek [Figura. Zie de eerste Print] herhaald zijnde, dusdanig een gestel bedenken, en dat daar meê in evenredenheid overeenkomt, maar als of het verbeeld was in een zekere overgroote en zeer nette vlakte, waar van de uiterste [Of laatste] kring, [174] het rond van Saturnus verbeeldende, drie honderd zestig voeten in den halven Middellijn bevat, en in welkers omtrek de Kloot van Saturnus met zijn Ring gestelt word, zoo groot als hy in de tweede print verbeelding [Figura altera. Zie de tweede Print] voorkomt, daar de lichamen van de Zon en Dwaalstarren zijn. Laat ook de andere Klooten dus yder in zijn kring geplaatst worden, en in ’t midden van alle de Zon, in zulk een grootte als ze daar geschetst word, te weten met een Middellijn van vier duimen. Zoo zal de omloop van de Aarde, dien de Starreloopkenners het groote rond noemen, een halve Middellijn hebben van zes en dertig voeten: waar in men moet denken dat de Aarde zelf niet grooter als een geers-greintje word omgevoert, en haar gezellinne de Maan naauwlijks grooter als een zigtbaar stipje, in een kringetje niet veel breeder dan twee duimen, als uit het bygevoegd afbeeldsel [Zie de vijfde Print] blijkt.

Klik op de afbeelding voor een grotere weergave

De lijn AB verbeeld het gedeelte van dien omtrek der [175] gezeide Aardkrings, welkers halve Middellijn zes en dertig voeten beslaat. Daar in is de Aarde het kringetje C, en de weg van de Maan rondom d’ Aarde de kring DE; in welke het klein lichaam van de Maan zoodanig als by D is uitgedrukt.

Maar de uitterste van de Saturnus-Manen zal omgevoert worden in een kring, welkers halve Middellijn is van 29 duimen; en de uitterste van Jupiters-Manen in een wat kleiner kring, welkers halve Middellijn is van 19¼ duimen.

Zoo zal men eerst hebben de regte en in allen deele volmaakte print van het Rijk der Zonne, waar in nu de Aarde 12000 van hare Middellijnen van de Zon zal afstaan. Een ruimte, zoo groot, dat, indien ze met getal van mijlen gerekent werde, meer als zeventien millioenen (gelijk men zegt) Duitsche mijlen zal uitmaken. Maar wy zullen deze overgroote wijdte misschien beter met het verstand bezeffen, indien we dezelve met de snelheid van zekere beweging afmeten, op ’t voorbeeld [176] van den Dichter Hesiodus, die, de hoogte des Hemels en de diepte van de Helle mee gelijke wijdtens bepalende, schreef, dat een yzer aambeeld, uit den Hemel nedergeworpen, negen dagen en negen nagten lang onder wegen is, en den tienden dag eerst op de Aarde komt. Wy zullen hier liever niet den val van een aambeeld bybrengen, maar de geduurige snelheid van een kogel uit een zwaar kanonstuk geschoten, welke bevonden is dat yder tweede scrupel van een uur, of klopping van een slagader, omtrent honderd maatstokken van zes voeten verr’ vliegt, gelijk Mersennus in zijne betoogingen van ’t geschut vermeld: daar in dien zelven tijd het geluid zig tot honderd en tagtig van de gezeide voetmaten uitspreid.

Ik zegge dan, indien een kogel met die zoo groote gezwindheid vliegens van d’ Aarde na de Zon wierd gevoert, dat ze byna vijf en twintig jaren tijds zou doorbrengen, eer dat ze die reis volbragt: zulks dat ze van Jupiter tot aan de Zon 125, van Saturnus 250 jaren van [177] nooden heeft. Een rekening, die van de maat van de Middellijn der Aarde afhangt, zijnde, volgens de beste waarnemingen der Franschen; van 6538594 Parijsche zesvoetige maatstokken, daar de eene graad van den grootsten kring 57060 derzelver maten uitmaakt. Hier uit kan men verstaan hoe groot de ruimtens van die ronde lichamen zijn, en hoe klein, ten haren opzigte, het Klootje der Aarde is, waar in wy menschen zoo veel voor hebben, zoo veel t’ scheep varen, en zoo vele oorlogen voeren. ’t Welk te wenschen was dat onze Koningen en Alleenheerschers leerden en bedagten; op dat zy mogten weten, in wat een kleine zaak zy hun zelven afslooven, als zy om een hoek lands in te nemen, tot groot verderf van velen, alle hunne kragten inspannen. Maar laat ons weder tot het onze keeren, en nog wat gaan zien van de Zon, welkers groote teffens, ten opzigt van de Dwaalstarren, en derzelver kringen, uit die breede beschrij[178]ving, die wy gedaan hebben, word bewezen.

Sommige hebben gedagt niet onwaarschijnelijk te zijn, dat zelf in deze Zon dieren konden leven: maar dewyl hier alle gissing nog minder plaats kan hebben als in de Maanen, wete ik niet, om wat reden zy dit gevoelt hebben.

Tot nog toe heeft men niet duidelijk bevonden, of de stoffe van die vervaarlijk groote Kloot hard of vloeybaar is; hoewel men, om de natuur des ligts, van my elders ontvouwd, liefst mag gelooven dat ze vloeybaar is: ’t welk haar volmaakte rondheid en het eenpariglijk door deszelfs oppervlak verspreid ligt, ons schijnt te raden. Want een zekere kleine ongelijkheid, die in den omtrek van het Zonne-rond blijkt, en met Verrekijkers (nogtans altijd niet) gezien word; waar uit sommige hun zelve hebben gaan inbeelden wonderlijke zwalpingen van baren, en uitberstigen van vlammen, is niets anders als een lillende beweging van dampen digt by onze Aarde, die ook de Starren by nagt doet flikkeren. Ook [179] hebbe ik die kleine fakkels van de Zon, welke teffens met hare vlekken van elk een zoo breed vermeld worden, nooit konnen bespeuren, schoon ik de laatste dikwils hebbe gezien; en ik twijfel grootelijks, of in de Zon wel iets helderder schijnt, als de Zon zelf. Want getrouwer waarnemingen naziende, bevinde ik, dat slegts in die duisterachtige wolkjes, die gemeenlijk de vlekken omringen, en somtijds alleen zweven, zekere helderder stipjes zoo nu en dan gemerkt worden, welke indien ze van wegen de nabyheid van dat duistere klaarder schenen dan ze zijn, geen wonder zou wezen. Men moet voor vast gelooven, dat in de Zon de grootste warmte en hitte is; waar in niets het minste dat onze lichamen gelijkt zou konnen leven of een oogenblik in wezen blijven. Derhalven zou men een ander soort van levendige schepsels moeten bezeffen, heel verscheiden van alle natuur der gener, die wy ooit gezien of gedagt hebben. ’t Welk even het zelve is, als of wy zeiden dat men deswegen niets kan gissen. Zonder [180] twijfel is zoo heerlijk en zo groot een lichaam met de allergrootste reden, en tot een zekeren voortreffelijken dienst, gemaakt. Maar blijkt nu deszelfs nutheid niet overvloedig in die wonderlijke verspreiding van ligt en warmte over den ganschen rey der Dwaalstarren; waar door het leven van alle dieren niet alleen bestaat, maar ook vermakelijk word? En dat niet slegts in die kleine Klooten, hoedanig een onze Aarde is, maar in de Klooten van Jupiter en Saturnus, die zoo veel te grooter zijn, en welker grootte, by de Zon vergeleken, niet gering is. Dit is van zoo grooten gewigt, dat het geen wonder ware, dat de Zon daarom alleen gemaakt was. Want dat Kepler meende, dat de Zon nog een andere bediening had, namentlijk, dat ze de beweginge van alle de rondom haar loopende Dwaalstarren in haar kringen met haar eigen omwenteling rondom haar As zou aanzetten, ’t welk hy in zijn kort begrip van Kopernikus stelsel poogt te bewijzen, dat kan ik hem niet toestaan, om ’t gene nog in ’t vervolg zal gezegt werden.

[181] Dat de Zon een van de Vaste Starren was, scheen tegen het gevoelen van Kopernikus te strijden, eer men de Verrekijkers had uitgevonden; om dat, dewijl de Starren, welke gezegt worden van de eerste grootte zijn, gerekent wierden op een Middellijn van drie scrupels, en, volgens Kopernikus stelsel, zoo verre afgelegen waren, dat dat gansche groote rond, waar in de Aarde word omgevoert, gelijk een stip was, by het rond der Vaste Starren vergeleken zijnde (nademaal het geheele jaar lang, schoon de Aarde van plaats veranderde, nogtans in de afstandigheden der Starren geen verandering konde bespeurt worden) zoo volgde daar uit, dat een yder van dezelve, die helderder dan de andere schijnen, grooter waren als die geheele ommegang van dat groote rond: ’t welk ongerijmd was. En dit bragt Tycho Brahé, als het voornaamste bewijs, in, tegen de leering van Kopernikus. Maar na dat de Verrekijkers de stralen van de Starren, die aan ’t bloot gezigt verschijnen, hebben weggenomen (’t welk ze best [182] doen, als men het kijkglas, dat naast aan ’t oog is, met wat rook verduistert) en aldus dezelve niet anders vertoont dan ligtende stipjes; zoo is ook die zwarigheid weggenomen, en niets belet ons die Starren voor zoo vele Zonnen te achten. Het word ook daar uit bet bewezen, om dat het blijkt, dat ze met haar eigen ligt schijnen: want haar afstand is zoo groot, dat zy het ligt geenzins van de Zon kannen ontleenen: en dat yder van haar niet kleiner is als de Zon, mag men ook vry gelooven, dewijl ze uit zulk een ongemeten tussenwijdte zoo helder een ligt geven. Dit gevoelen word nu doorgaans beweert van de genen, die zig by Kopernikus stelsel houde: en daar by ook met regt vast stelden, dat die Starren niet in een en het zelve oppervlak hangen; eensdeels om dat daar van geen reden is, ten anderen om dat de Zon, die een van de vaste Starren is, in het zelve rond niet kan gebragt werden. Derhalven zal ’t nader aan de waarheid zijn, dat zy door de wijde ruimtens des Hemels worden ver[183]spreid, en zoo veel ruimte als ’er van de Aarde of de Zon tussen de naaste legt, dat ’er omtrent zoo veel tussen de volgende, en wederom daar van daan tussen de verdere legt, met een geduurigen voortgang.

Ik wete wel dat Kepler hier van ook een ander gevoelen heeft, zoo als in het voorzeide kort begrip blijkt. Want hoewel hy meint dat de Starren door de geheele diepte des Hemels verspreid zijn, echter wil hy, dat deze onze Zon een veel grooter wijdte rondom zig heeft, gelijk als een ledig rond, boven ’t welk de digter met Starren bezaaide Hemel een aanvang neemt. Anders, meinde hy zouden wy maar weinige Starren konnen tellen, en die met een zeer groote verscheidenheid van grootte; want dewijl de allergrootste zoo klein scheijnen, dat zy met werktuigen naauwelijks konnen vernomen of gemeten werden, dat daar uit volgt, dat die gene, welke tweemaal, driemaal enz: verder staan, tweemaal of driemaal kleiner zouden schijnen; gesteld zynde dat hare waaragtige groot[184]tens even gelijk waren: en dat men wet haast zou komen tot die, welke teenemaal onbespeurlijk wierden: zulks dat we zeer weinige Starren zouden zien, en dezelve zeer veel verschillende; daar we ’r in tegendeel meer als duizend zien, en die in grootte niet heel veel onderscheid hebben. Dog daar uit word geenzins bewezen dat hy zeggen wil: en de Man is voornamentlijk daar in bedrogen geweest, dat hy niet bemerkte, dat de natuur van vyer en vlam zoodanig is, dat men die van zeer verre kan zien, en wel van zoo verre, waar van daan andere lichamen, in even kleine hoeken begrepen, teenemaal verdwijnen. Dit blijkt aan de ligten, die ’s nagts in de straten van onze steden worden ontsteken; van welke, schoon ze honderd voeten van malkander afstaan, nogtans twintig of meer, in een doorgaande ry verder en verder afstaande, konnen getelt werden; hoewel het vlammetje van de 20ste naauwelijks in een hoek van 6 tweede scrupels gezien word. ’t Zelve moet in dat uitmuntend ligt der Starren veel [185] meer geschieden; zoo dat het niet wonder is, dat men duizend of tweeduizend van haar met oogen kan bespeuren, en met Verrekykers nog wel twintigmaal meer. Maar daar lag een reden in, waarom Kepler begeerde, dat de Zon iets byzonders boven de andere Starren zoude hebben; en dat rondom dezelve het eenige stelsel der Dwaalstarren in de Natuur was, en dat in ’t midden van de Wereld gelegen. Want dit had hy van nooden tot bevestiging van zijn Wereldbeschrijfkundig Geheim [Mysterium Cosmographicum], waar mede hy wilde dat in zekere evenredenheden overeenquamen de afstandigheden der Dwaalstarren van de Zon, met de Middellijnen der rondtens, die in alle de veelzydige lichamen, by Euklides vermeld [Corpora Polyedra Euclidea], worden in en omgeschreven. ’t Werk dan eerst waarschijnelijk konde schijnen, zoo d’ er in het gansch Heelal maar eene rey van rondom de Zon afzwevende Starren, en alzoo de Zon zelf d’ eenigste van haar soort, was.

[186] Maar dat gantsche geheim, wel overwogen zijnde, schijnt een droom te wezen, uit de wijsbegeerte van Pythagoras of Plato gesproten. De evenredenheden komen ook niet genoeg over een, gelijk Kepler zelf bekent; maar waarom dat zoo is, daar toe verziert hy andere teenemaal blaauwe redenen. Zoo wil hy ook met nog slegter dringredenen bewijzen, dat het uiterste oppervlak des Werelds, waar in alle de Starren worden begrepen, van een ronde gedaante is; en dat daarenboven derzelver getal noodzakelijk eindig is, om dat yders grootte eindig is. Dog dat is slegtst van allen, dat hy van de Zon af tot de holle oppervlakte van de vaste Starren een ruimte bepaalt van zesmaal honderdduizend Middellijnen van den Aardkloot, om dat namentlijk, gelijk de Middellijn van de Zon tot de Middellijn is van den kring van Saturnus (welke hy onder malkander stelt als 1 tot 2000) alzoo ook deze Middellijn is tot die van het naaste rond der Vaste Starren; ’t welk op geen reden steunt. En het is wonder dat de[187]ze dingen den hoogverstandigen Man, en grooten Hersteller der Starreloopkennis, ontvallen zijn. Laat ons liever, met de voornaamste Wijsgeren van onze eeuw, geen zwarigheid maken de natuur van die Starren en van de Zon voor eene en dezelve te achten: waar uit nu een veel grooter denkbeeld des Werelds rijst:, dan ’t welk uit het gene tot nog toe geleert is begrepen wierd. Want wat weêrhoud ons nu te gelooven, dat een yder van die Starren, of Zonnen, zoo wel als onze Zon, rondom haar Dwaalstarren heeft, die wederom met hare Manen verzeld zijn? Ja dat dit zoo is, leert ons, zie daar, de Reden zelf. By aldien wy ons zelven met gedagten in de Hemelgewesten stellen, niet min afgelegen van de Zon dan de vaste Starren, zoo zouden wy tussen die Starren en de Zon gantsch geen onderscheid bemerken. Want het is ’er verre van daan, dat wy de lichamen der Dwaalstarren, die rondom de Zon draaijen, zouden zien; of om derzelver zeer klein ligt, of om dat alle de kringen, [188] waar in ze worden omgevoert, tot een en het zelve ligte punt met de Zon zouden vermengt werden. Wy dan, daar gesteld zijnde, zouden billijk oordeelen, dat het met den aart en de natuur van alle Starren even eens gesteld was, en wy zouden niet twijfelen, of men konde uit een derzelver, van naby bekeken zijnde, ook oordeelen van de andere. Maar nu zijn wy door Gods goedheid by een van die, te weten onze Zon, geplaatst, en zoo digt daar by gekomen, dar wy zes kleiner Klooten daar rondom zien draaijen, en rondom sommige van die andere van een tweeden rang omgaan. Waarom zouden wy dan dat oordeel niet gebruiken, en gansch waarschijnelijk achten, dat het deze Starre niet alleen is, die van zoodanig een trawantschap omringt word, of in eenig ding boven de anderen uitmunt? Gelijk ook dat zy ’t alleen niet is, die rondom haar As ombeuitelt, maar veel eer dat alle d’ andere daar in met haar gelijk staan? Het zal derhalven voegelijk zijn, om deze reden ook te gelooven, dat alle die [189] dingen, welke wy gezegt hebben dat na de gelijkheid van onze Aarde in de rondom de Zon gelegen Dwaalstarren [Planetæ circumsolares] zijn, ook behooren tot ontallijke andere Dwaalstarren, die by zoo vele duizenden van Zonnen gevoegd zijn. Daar zullen dan ook Aardgewassen en Dieren wezen, zelfs ook met Reden begaafd, die de Hemelgewelfsels met verwondering aanschouwen, die de Starren opmerken, die derzelver bewegingen verstaan; en eindelijk al dat gene hebben, zonder ’t welke wy hier vorens aantoonden, dat ook deze niet zouden konnen bestaan.

Welk een wonderbaarlijke, welk een verbazende grootte en heerlijkheid van de Wereld moet men dan met het verstand bezeffen! Zoo vele Zonnen, zoo vele Aardklooten, en een yder van haar met zoo vele Kruiden, Boomen, Dieren, met zoo vele Zeen en Bergen vercierd! Een verwondering, die nog zal vergroot worden, indien iemand in overweging neemt het gene wy van den afstand en de menigte der Vaste Starren gezegt hebben.

[190] Het is dan, uit meer als eene reden, zeker, dat deze afstandigheid zoo groot is, dat die, welke tussen de Zon en d’ Aarde legt, en twaalfduizend van des Aardrijks Middellijnen begrijpt, daar by vergeleken zijnde, teenemaal klein moet gehouden werden. En onder die redenen is deze eene, dat als men eenige Starren naast by malkander ziet, die in helderheid zeer veel verschillen, gelijk midden in de Staart (die dubbeld is) van den grooten Beer; zoo word ’er geen verandering van derzelver schijnende tussenwijdte bemerkt,’t zy in wat tijd des jaars men die beschouwt: ’t welk nogtans noodzakelijk zou moeten geschieden, om de verscheide stellingen van het gezigt door den omgang van den jaarlijkschen kring; en daar zoude eenig verscheelzigt spruiten, indien, gelijk het behoort, die Starre nader is, welke ligter schijnt. Andere, die voor my ondernomen hebben zoo vervaarlijk grooten ruimte te bepalen, konden niets zekers begrijpen, om dat ’er al te veel scherpzinnigheid van noodzakelijke waarnemingen in[191]steekt, die alle naarstigheid te boven gaat. Dus heeft my deze weg, dien ik nu ga inslaan, overig geschenen, om ten minsten iets waarschijnelijk in een zaak van zoo moeijelijk een nasporing uit te vinden.

Dewyl dan de Starren, als gezegt is, zoo vele Zonnen zijn, zoo wanneer wy stellen dat een van die even groot als de Zon is, zoo zal deszelfs afstand zoo veel te grooter dan die van de Zon zijn, als de schijnende Middellijn kleiner dan de Middellijn van de Zon zal wezen. Maar de Starren schijnen zoo klein, zelfs die van de eerste grootte zijn, ja ook met een Verrekijker bekeken zijnde, dat ze, gelijk ligtende slippen, zonder zigtbare breedte flikkeren: zulks dat uit dergelijke waaneemingen geen maat van haar kan genomen werden. Als dit derhalven niet gelukte, hebbe ik een proef genomen, op wat wijze ik de Middellijn van de Zon zoo konde verkleinen, dat ze geen grooter ligt als de Hondstarre [Sirius], of eenige andere van de helderste Star[192]ren, tot het oog zou brengen. Ik stopte dan weêr, als vorens, de eene opening van een ledig Kijkglas, twaalf voeten lang, met een zeer dun plaatje, in welkers midden ik zoo klein een gat maakte, dat het niet boven een twaalfde deel van een lijn, of 144ste deel van een duim haalde. Dit Kijkglas wendde ik met die zijde na de Zon; met de ander zijde hield ik het voor mijn oog; en daar meê zag ik toen een deeltje van de Zon, welkers Middellijn, tot de Middellijn van haar in ’t geheel, was, als 1 tot 182. Dog ik bevond dat deeltje veel helderder dan de Hondstarre by nagt schijnt. Derhalven als ik zag dat de Middellijn der Zonne veel enger moest gemaakt werden, verhielp ik dat zoo, dat ik in zoodanig een plaatje met een gat een zeer klein glaze klootje stelde, ten naasten by van een gelijke Middellijn als welke dat eerste gat had, van my voor dezen tot ten Vergrootglas gebruikt. Wanneer ik aldus door het Kijkglas in de Zon keek, met mijn hoofd aan alle kanten bewonden, op [193] dat het dagligt niet zou hinderen, scheen de helderheid der Zonne niet minder als die van de Hondstarre. Maar de rekening gemaakt zijnde volgens de regelen der Verrekijkkunde [Leges Dioptrices], wierd nu de Middellijn van de Zon 1/152ste van dat 182ste deeltje, ’t welk ik eerst door het klein gaatje gezien had. Nu is het zeker, dat 1/152 en 1/182ste, met malkander vermenigvuldigd zijnde, 1/27664 uit maken. De Zon dan dus verre verkleind, of dus verre in afstand gebragt zijnde (want het zal op een uitkomen) dat haar Middellijn is 1/27664ste van die, welke wy in den Hemel zien, zoo heeft ze dat ligt nog over, dat voor het ligt van de Hondstarre niet wijkt. D’ afstand van de Zon, dus verre afgelegen, zal noodzakelijk zijn tot die, welke ze nu heeft, als 27664 tot 1, en haar Middellijn zal een weinig meer wezen als vier derde Scrupels. Derhalven als de Hondstarre met haar gelijk word gestelt, zoo volgt, dat de Middellijn van de Hondstarre ook van even zoo veel Scrupels is; desgelijks haar afstand [194] tot die, welke wy van de Zon afzijn, als 27664 tot 1. De ongeloofelijke grootheid van deze tussenwijdte zal blijken uit dezelve reden, die wy in ’t opmaken van den afstand der Zonne gebruikten. Want zoo een kanon-kogel, met zulk een geduurige snelheid als ze geschoten word [Tormenti bellici globus continua velocitate, quanta exploditur, incedens] voortvliegende 25 jaren van nooden heeft om van de Aarde tot de Zon te komen, zoo moet het getal 27664 nu vyf en twintigmaal vermenigvuldigt werden, en dit maakt 691600 uit: zulks dat een kogel in zoo groot een gezwindheid byna zeventig duizend jaren zal doorbrengen, eer dat ze tot de naaste Vaste Starren komt: daar wy, des nagts by helder weêr onze oogen na die Starren slaande, meinen, voor zoo veel als we daar meê konnen oordeelen, dat ze naauwlijks eenige mylen boven ons hoofd staan. Ik hebbe de naasten onderzogt: want dewyl de andere, gelijk we reeds gezegt hebben, zoo veel verder in den Hemel staan, dat ’er geen minder ruimtens [195] van de naaste tot de volgende, dan van de Zon tot die zijn, wat is ’er niet een onmetelijke grootheid over! Want zoo men d’ er meer als duizend met het bloot gezigt ziet, en met Verrekijkers tien- of twintigmaal meer, hoe kan men weten, of bepalen, hoe groot de menigte is van de genen, die verder staan, welke wy met dit behulp niet konnen bereiken? Of wat getal kan al te groot gezegt werden, als wy op Gods mogendheid zien? Ik, voorwaar, dit dikwils overwegende, ben van gedagten, dat alle onze getalen slegts de eerste talbeginsselen afdoen: want dat ’er in derzelver oneindigen rang zijn, die niet alleen met twintig, of dertig; of honderd, of duizend talmerken in onzen voortgang van tienen geschreven worden, maar die in zoo vele talmerken bestaan, als ’er greintjes zand in het gansche gevaarte des Aardrijks zouden gaan. Wie durft zeggen, dat de menigte der Vaste Starren dat getal niet te boven gaat? Want zy gingen nog verder, die het zelve oneindig noemden; gelijk sommige van de ouden de[196]den, en ook Jordaan Bruin; die dit met vele klemredenen meint bewezen te hebben, dog my niet vast genoeg. Nogtans agte ik dat ook het tegendeel met geen klare bewijzen kan goed gemaakt werden. Dat is zeker, dat de ruimte van de geheele Natuur van alle kanten oneindiglijk word uitgestrekt; maar het kan wel wezen, dat God, behalven het bepaalde gewest der Starren, ontallijke dingen heeft gemaakt, die zoo verre van onze gedagten als woonplaatsen zijn afgelegen.

Wie weet, of Hy niet, zonder die ontallijke dingen gemaakt te hebben, buiten de Starren een oneindig ledig vak gelaten heeft, op dat dat Geheel, ’t welk Hy wilde dat ’er zou zijn, gelijk als niets zou wezen by dat gene dat zijn Almagt had konnen voortbrengen? Maar ik zal het verder onderzoek van die zaken, en die gansche zeer moeijelijke redenering over het oneindige, niet vervolgen; op dat ik, na zoo vele zeer groote dingen begrepen en afgedaan te hebben, geen nieuwen [197] arbeid op den hals krijge. Ik zal hier nog maar iets by voegen, waar uit men kan weten, wat mijn gevoelen van de gansche ruimte des werelds is; namentlijk voor zoo verre die openstaat met hare Zonnen, of Vaste Starren, welke ik te voren toonde, dat, na waarschijnlijkheid, hare stelsels van Dwaalstarren rondom zig hebben.

Ik oordeele derhalven, dat een yder Zon [dat is, yder Vaste Starre] omringt word van een zekeren Draaykring [Vortex], uit een snelbewogen stoffe bestaande, maar veel verschillende van de Draaykringen van Deskartes, zoo ten opzigte van grootte, als manier van beweging, waar door de stoffe in haar bewogen word. Want Deskartes maakt die Draaykringen zoo groot, dat elk van die de andere omstaande raakt, en met de vlakke oppervlakte een yder tegenkomt, gelijk wanneer de kinderen in zeep zop blaasjes maken; en hy stelt, dat een ’s yders geheele stoffe bewogen word met op de zelve zijde om te rollen. Dog deze [198] beweging moet niet weinig belet werden om de veelhoekige oppervlakte der Draaykringen. Daarenboven, dewyl ze zoodanig is, dat de gansche stoffe gelijk als om den As van een ronden zuil [Cylindrus] draait, zoo rijst hier uit daar na geen kleine zwarigheid, als hy den klootschen vorm der Zonne uit die beweging poogt af te leiden; teenemaal vrugteloos, en met zulke redenen, die voor onbedrevene wat schijnen te wezen, daar ze in der daad niets ontvouwen. Nog wil hy, dat de Dwaalstarren in deze fijne lugtstoffe [Materia ætherea] zwemmen, en met dezelve worden omgevoert; en dat ze daarom namentlijk in hare kringen gehouden worden, om dat zy met geen grooter kragt, als die stoffe zelve, van het middelpunt der beweginge pogen af te wijken. Maar hier worden uit de Starreloopkunde vele zaken tegengeworpen, van welker sommige ik in mijn Schrift van de Oorzaken der zwaarte gerept hebbe; waar in ik ook een andere reden hebbe verklaart, waarom de Dwaalstarren binnen de palen [199] van hare rondtens warden gehouden: deze is hare zwaarte na de Zon, en waar die van daan komt, hebbe ik aangetoont: waarom ik my te meer verwondere dat Deskartes die heeft voorbygegaan, om dat hy de eerste is, die van de zwaarte, waar door de lichamen na de Aarde worden gevoert, beter dingen dan men gewoon was te hooren, had begonnen aan den dag te brengen. Plutarchus verhaalt in het vorensgemelde boek van de Gedaante in het Maan-rond, dat ’er onlinks iemand geweest was, meinende dat de Maan daarom in haar rond bleef, om dat de kragt van de Aarde af te wijken, van wegens de rondomgaande beweging, belet wierd door de evengelijke kragt der zwaarte, waar mede zy de Aarde poogde te naderen. ’t Zelve heeft in onze eeuw Alfonsus Borel niet alleenlijk van de Maan, maar ook van de andere Dwaalstarren gestelt; te weten, dat de voornaamste derzelver hare zwaarte hebben na de Zon, en de Manen na de Aarde, Jupiter, en Saturnus, die zy verzellen. Dog Izaak Newton heeft [200] dat onlangs met meer vlijt en keurlijkheid verklaart; en daar nevens, hoe de langwerpige van Kepler uitgevondene rondtens der Dwaalstarren [Orbes elliptici] uit deze oorzaken voortkomen, in welker tweede brandpunt de Zon word gestelt. Maar volgens mijn gevoelen over de natuur der zwaartens, moet, om te weten hoe de Dwaalstarren door haar zwaarte na de Zon neigen, de Draaykring of kolk der hemelsche stoffe rondom dezelve werden omgevoert; niet geheel na dezelve zijden, maar in dier voegen, dat ze door verscheide, en zeer snelle, bewegingen aan alle zijden, na de verscheide deelen van haar zelf, gevoert werd, en nogtans niet kan afvallen, om de rondomstaande Hemellucht, die door zoodanig en zoo gezwind een beweging niet bewogen word. Door dusdanig een Draaykring hebbe ik de zwaarte der lichamen na de Aarde, en alle hare uitwerksels, in de gemelde Verhandeling getragt te verklaren: en deze is dezelve reden, meine ik, van de zwaarte der [201] Dwaalstarren na de Zon; en daar uit volgt de rondheid zoo van onze als van d’ andere Aardklooten, en ook van de Zon, welke in het onderstelsel van Deskartes [Hypothesis Cartesiana] zoo veel zwarigheid heeft.

Ook stelle ik de ruimtens van die Draaykringen, als gezegd is, veel naauwer dan hy. Want ik stelle, dat ze byna op die wyze in de overgrootte diepte des Hemels verspreid zijn, gelijk de kleine draaykolken, die met de beweging van een stok hier en daar in een breed meir, of staande water, gemaakt worden, met groote tussenwydtens en geheele mylen van elkanderen af. En gelijkerwijs derzelver bewegingen geenzins van d’ eene tot de andere komen, en dienvolgens elkanderen wederzijds niet beletten, alzoo meine ik dat het ook met de bewegingen der Hemelsche Draaykringen rondom de Starren of Zonnen gelegen is.

Derhalven kan d’ een den ander niet verbreken, of inslorpen, gelijk Deskartes verciert heeft, toen hy wilde [202] toonen hoe eenige Star of Zon in een Dwaalstarre verandert werd. Het schijnt, dat hy, toen hy dat schreef, geen acht nam op den ongemeten afstand der Starren van elkanderen: en dar blijkt zelfs daar alleen aan, dat, wanneer een Hairstar eerst binnen onzen Draaykring, welkers middelpunt de Zon beslaat, nederdaalt, hy dan wil dat ze voor ons zigtbaar werd; ’t welk zeer ongerijmd is. Want hoe zou dergelijk een Star, die alleen uit het wedergekaatste Zonligt flikkert, gelijk hy zelf met de meeste Wijsgeren stelt, hoe, zegge ik, zou ze konnen gezien werden van zoo grooten tussenwijdte, die ten minsten tienduizendmaal den afstand des Aardrijks van de Zon zou bevatten? Hy konde niet onbewust zijn van die vervaarlijk-groote ruimte, die aan alle kanten rondom de Zon is uitgestrekt; daar hy wist, dat in het stelsel van Kopernikus het groote rond, dat is, de kring der Aarde, daar by vergeleken zijnde, als een stip was. Maar al dat geschrijf van den oorsprong der Hairstarren, als mede [203] van de Dwaalstarren, en van de Wereld, is by Deskartes met zulke slegte bewijzen samengeweven, dat ik my menigmaal verwondere, hoe hy zoo veel moeite heeft konnen nemen in zulke verdigtsels op te schikken.

lk zal meinen iets groots verkregen te hebben, indien wy verstaan mogen, hoe ’t in de Natuur gelegen is met de dingen, van welke wy nu zeer verre af zijn. Dog hoe een yder derzelver gemaakt is, en begonnen heeft te wezen dat gene, dat ze zijn, dat achte ik geenzins met het menschelijk verstand te konnen bedagt of gegist werden.

UIT.

Zoo iemand, in de Wiskonst niet bedreven,
    De Stelsels van Heer Hugens wederspreekt,
Hy denk’, de Man heeft gissingen geschreven,
    Waar aan de schijn van Waarheid niet ontbreekt.
In and’re stoffe is ’t Wijsheid niet te missen,
Al gist men hier, ’t is Wijsheid dus te gissen.

W. RABUS Pieters-zoon,
Mathes. Stud.

[204]

BERIGT
Aen den
BOEKBINDER.

Gelieft de zes Figueren als

Fig: 1.
        2.
        3.
        4.
        5.

agter den andren te plaatsen, agter ’t eynde van het werck, aen een lange strook, zoo datze buyten ’t boek uytslaan.


Keer terug naar het begin van de pagina Keer terug naar het begin