Het Romeinse onderwijs


Terug naar de inhoud



Alle Romeinse jongens, arm en rijk, gingen van hun 7e tot en met hun 12e jaar naar de lagere school. De meisjes bleven thuis om van hun moeder te leren hoe ze later het huishouden moesten regelen. Na de lagere school hield het voor de arme kinderen op met onderwijs. De jongens uit de hogere kringen gingen dan naar het middelbaar onderwijs. Tot 15-jarige leeftijd bleven ze daar. Een klein select groepje jongens uit de hoogste kringen van Rome ging na de middelbare school naar de retorenschool. Deze jongens kregen later een hoge functie in de politiek of advocatuur.


Zo zaten de Romeinse kinderen in de klas, maar dan met veel meer leerlingen.

De Lagere School
Op de lagere school kregen de kinderen les van de magister, de schoolmeester. Het beroep van magister had geen goede reputatie. Een schoolmeester verdiende erg weinig, en had het erg moeilijk. In de klassen zaten 20 tot 30 leerlingen, alle leeftijden door elkaar. Op die manier moest de leraar alle jongens apart aan het werk zetten, uitleg geven of controleren. Het is begrijpelijk dat het zo wel eens uit de hand liep. De leerlingen hadden vaak geen respect voor de leraar, waardoor de magister vaak moest straffen. Lijfstraffen waren dan heel normaal: met een roede een paar tikken op de handen of ontblote rug waren vaak het enige wapen van een schoolmeester.




Een schrijfplankje met een schrijfstift.













Een stukje papyrus.
De jongens leerden op de lagere school lezen, schrijven en rekenen. Dat deden ze zittend op krukjes. Ze schreven op wasbordjes, houten bordjes met een laagje was, waar met een stylus, een scherpe schrijfstift. Het handige van die bordjes was dat je ze telkens opnieuw kon gebruiken, door de was weer glad uit te smeren. Andere schrijfmethoden die de Romeinen gebruikten:
  • Met inkt op papyrus
  • Met inkt op perkament

Papyrus
Papyrus was afkomstig van de papyrusplant, die op de oevers van de Nijl in Egypte groeide. Deze plant had een hoekige stengel, waar heel dunne stroken van werden gesneden. Die stroken werden langs elkaar gelegd, waarna er een tweede laag in de breedte overheen werd gedrukt. Zo ontstond een charta, een blad papyrus. Een aantal van die bladen werden aan elkaar geplakt, zodat er een boekrol, een volumen.

Perkament
Perkament was naar verhouding veel duurder dan payrus, maar het was dan ook veel langer houdbaar. Perkament werd gemaakt van speciaal behandelde dierenhuiden, voornamelijk schapenhuiden. In het begin werd van perkament net als van papyrus een boekrol gemaakt, maar in de 1e eeuw v. Chr. bedacht men de codex. De stukken perkament werden nu gevouwen en gesneden, en samen met een kaft eromheen werden ze een boek (codex).

De Middelbare School
Zoals al eerder verteld gingen de jongens van de rijkere ouders na het lagere onderwijs tot hun 15e naar de middelbare school. Daar kregen ze les van een grammaticus. Hij gaf hen onderwijs in Latijn (zie het onderdeel:
Taal) en Grieks. Als de leerlingen hun eigen Latijn beter kenden en de beginselen van het Grieks ook beheersten, werden de grote schrijvers gelezen. Voor Grieks begonnen ze bijvoorbeeld met de Ilias en de Odyssee van Homerus. Vakken als Aardrijkskunde en Geschiedenis kwamen ook wel aan bod, maar alleen als de teksten uit het literatuuronderwijs daar aanleiding voor gaven. Op deze manier werden de leerlingen bekend in de Griekse wereld, en leerden ze veel over de Romeinse Geschiedenis.

De Retorenschool
Een klein en select groepje jongens uit de hoogste kringen van het rijk was voorbestemd om een belangrijke carrière in de politiek of advocatuur te maken. Deze jongens hadden rijke ouders, want de retorenschool was erg duur.
Op de retorenschool leerden ze vooral om goed in het openbaar te spreken. Daarvoor moest je je redevoering goed opbouwen, je argumenten in de goede volgorde naar voren brengen en het geheel met veel overtuigingskracht uitspreken. Belangrijke politieke toespraken moest je gedeeltelijk uit je hoofd leren, zodat je later stukken kon citeren.



Terug naar de inhoud