Zoek

 
Trefwoord:

Of ga naar

Colofon

De Canonieke vraagbaak Johannes Andreae is een initiatief van dr. T. Meijers en dr. O. Boelens van de Tilburg School of Catholic Theology van de Universiteit van Tilburg.

Sinds oktober 2002 maakt de Canonieke vraagbaak onderdeel uit van Rorate.

(c) 2002 - 2013 Alle rechten voorbehouden.


Het Concordaat van 1827

Geplaatst op 2003-08-20

In 1827 sloten paus Leo XIII en koning Willem I der Nederlanden een concordaat waarin zij de verhouding tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de Nederlandse Staat regelen. Dit concordaat kon door de politieke omstandigheden van die tijd in de Nederlanden niet worden uitgevoerd.
In deze bijdrage is de Nederlandstalige versie van dit concordaat opgenomen.


In nomine sanctissimae et individuae Trinitatis.

CONVENTIO

Inter Sanctissimum Dominum LEONEM XII, Summum Pontificem,
et Serenissimum GUILIELMUM I, Belgarum regem.

In den naam der heiligste en on-deelbare Drieëenigheid.

OVEREENKOMST

Tusschen den Doorluchstigen Koning der Nederlanden WILLEM I, en den Allerheiligsten Vader, LEO XII, Paus.



WILLEM I, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz., en Zijne Heiligheid Paus LEO XII;
De zaken van de Roomsch-Apostolische Kerk, over het geheele Rijk der Nederlanden willende regelen, hebben tot hunne gevolmachtigden benoemd, als:
Z. M. de Koning der Nederlanden, Z.Exe. den heer Antonius Philippus Fiacre Ghislain, Graaf de Celles, Ridder van den Nederlandschen Leeuw en Kommandeur der zelfde orde;
Z. H. de Paus, Z.Em. den heer Maurus Cappellari, Priester van de R. C. Kerk, Kardinaal en Prefect van de H. Congregatie tot voortplanting des geloofs.
Nadat genoemde gevolmagtigden zich als medehelpers hadden toegevoegd, namelijk eerstgemelde : den Referendaris der 1ste klasse bij den Raad van State, den Legatie-Raad, Joannes Petrus Ignatius Germain, en de andere, den Prelaat Franciscus Capaccini, Substituut van de Secretarij der breven.
En nadat zij vervolgens hunne geloofsbrieven overgelegd en uitgewisseld hadden, die in goede en behoorlijke orde zijn bevonden, is over de volgende punten overeengekomen.

Art. 1.
De overeenkomst, die in den jare 1801, tusschen Paus PIUS VII, en het fransch gouvernement aangegaan, en voor de zuidelijke provinciën van het Koningrijk der Nederland van kracht is, zal op de noordelijke provinciën toegepast worden.

Art. 2.
Elk bisdom zal zijn kapittel en zijn seminarie hebben.

Art. 3. Ten aanzien van het geval, voorzien bij het 17de artikel der overeenkomst in den jare 1801 aangegaan, wordt het volgende bepaald:
Zoo dikwerf de aartsbisschoppelijke of bisschoppelijke stoel zal openkomen, zullen de kapittels dier kerken, binnen den tijd van eene maand, te rekenen van den dag der vacature af, ter kennisse van Z.M. den Koning brengen de namen der kandidaten, tot de Nederlandsche geestelijkheid behoorende welke zij waardig en bekwaam zullen oordeelen, de aartsbisschoppelijke of bisschoppelijke kerk te bestieren, en welke zij zullen weten, met zoodanige vroomheid, kunde en beleid begaafd te zijn, als bij de wetten der kerk, in de bisschoppen vereischt wordt.
Indien echter bij toeval eenige der kandidaten aan Z. M. den Koning minder aangenaam mogten zijn, zullen de kapittels hen van de lijst schrappen, zoo nogtans, dat er een voldoende getal van kandidaten zal overblijven, waaruit een nieuwe aartsbisschop of bisschop kan gekozen worden. De kapittels zullen alsdan tot de kanonieke keus van den aartsbisschop of bisschop uit een der overgebleven kandidaten, volgens de gewone kanonieke voorschriften overgaan, en het authentieke proces-verbaal der keuze, binnen ééne maand, aan den Paus doen toekomen.
De Paus zal het proces-informatief over de gesteldheid der kerk en over de hoedanigheden van hem, die tot de aartsbisschoppelijke of bisschoppelijke kerk zal worden verheven, doen opmaken, overeenkomstig de voorschriften van URBANUS VIII (zaliger gedachtenis), en hetzelve aangenomen zijnde zal de Paus, wanneer hij in hem, welke benoemd zal worden, die hoedanigheden erkent, die bij de kanons vereischt worden, hem zoo spoedig, als zulks zal kunnen plaatsgrijpen, overeenkomstig de vastgestelde regelen, door apostolische brieven bevestigen.
Wanneer echter de keus niet kanoniek genoeg mogt zijn geschied, of indien het mogt blijken, dat hij die benoemd zou worden, voorzegde hoedanigheden niet bezit, zal de Paus door eene bijzondere gunst toelaten, dat het kapittel tot eene nieuwe keus op bovengemelde kanonieke wijze overga.
De bekrachtiging van de tegenwoordige overeenkomst zal van beide zijden, binnen den tijd van zestig dagen te Rome, of spoediger, wanneer zulks mogelijk is, plaats grijpen.

Gegeven te Rome, den 18 Juny 1827.

(Was geteekend)
(L.S.) Cie DE, CELLES.
(L.S.) GERMAIN.
(L.S.) D. MAURUS, CARDINALIS CAPPELLARI.
(L.S.) FRANCISCUS CAPACCINI.

Deze overeenkomst, welke bovengemelde artikelen in zich bevat, en die wij uit eigen beweging, met kennis van zaken, na rijp beleid, en uit volheid van ons apostolisch gezag, na eene congregatie, verkozen uit onze eerwaardige broeders de kardinalen der Heilige Roomsche Kerk gehoord te hebben, met Z.M. den Koning der Nederlanden hebben aangegaan, keuren wij, van nieuw, bij deze brieven goed; bevestigen wij dezelve, en kennen daaraan alle kracht en vermogen toe, door deze onze apostolische bekrachtiging.
Dientengevolge verklaren en bepalen wij voor eerst.
Dat de overeenkomst, tusschen den Pauselijken Stoel en het Fransch gouvernement, den 15 Julij 1801, aangegaan, en bekrachtigd door onzen voorganger PIUS den VII, bij Zijne Apostolische brieven van den 14 Augustus van hetzelve jaar (waar aan men zich moet houden), en welke overeenkomst in de zuidelijke provincien van het Koningrijk der Nederlanden, van kracht is, ook op de noordelijke provinciën van toepassing wordt opgemaakt, opdat in een en hetzelfde Rijk, alle Kerkelijke zaken, op eenen en denzelfden voet bestierd en behandeld worden.
Daar het echter ten andere ter volledige uitvoering der nieuwe overeenkomst, noodzakelijk is, gelijk zulks het geval was ten tijde der overeenkomst van den jare 1801, dat het getal bisdommen vastgesteld en derzelver grenzen omschreven worden, hebben wij, met overeenstemming van Zijne Majesteit den Koning Willem, tot welzijn van de Katholieke Godsdienst en tot heil der zielen, vastgesteld, dat, behalve de vijf thans werkelijk bestaande bisschoppelijke stoelen, daar en boven nog drie andere, zullen worden hersteld of van nieuw opgerigt, zoodat het geheele Koningrijk der Nederlanden in acht bisdommen zal zijn verdeeld, en er in hetzelve, over het geheel een gelijk aantal kathedrale kerken zal zijn gevestigd, waarvan de eene de Metropolitane, en de overige de onderhoorige of suffragane kerken zullen zijn; terwijl wij de grenzen der bisdommen hier, slechts in het algemeen, bij provinciën aanduiden.
De Mechelsche kerk zal derhalve de Metropolitane Kerk zijn, wiens bisschoppelijk grondgebied zal bestaan uit de geheele provinciën van Zuidbrabant en Antwerpen, terwijl de 7 suffragaan-kerken zullen zijn die van Luik, Namen, Doornik, Gent (welke vier reeds bestonden), en de drie overige, welke wij bij deze bepalen, dat opgerigt zullen worden, die van Brugge, Amsterdam en ´s Hertogenbosch. Het bisdom van Luik zal zijn zamengesteld uit de geheele provinciën Luik en Limburg; het bisdom van Namen uit de provincie Namen en het Groot-Hertogdom Luxemburg. Het bisdom van Doornik, uit de provincie Henegouwen; het bisdom van Gent uit de provincie Oostvlaanderen. Het bisdom van Amsterdam uit de provinciën Holland (noordelijk en zuidelijk gedeelte), Utrecht, Overijssel, Vriesland, Groningen en Drenthe; het bisdom van Brugge over de geheele provincie van Westvlaanderen, en eindelijk het bisdom van ´s Hertogenbosch, over de provinciën Noordbraband, Gelderland en Zeeland. Wijders zal bij elke kathedrale kerk een kapittel zijn, en aan elk derzelve zal een behoorlijk en vast inkomen, zoo als ook aan elk der bisschoppelijke stoelen, verzekerd worden, terwijl wij vastelijk vertrouwen, dat de staat der bisschoppelijke stoelen, van dag tot dag door de edelmoedigheid van den doorluchtigsten Koning, zal worden verbeterd en meer begunstigd.
Al het overige wat betrekkelijk is of tot eene meer nauwkeurige omschrijving der bisdommen, of tot eene meer volmaakte organisatie der bisschoppelijke stoelen, of der kapittels in het Koningrijk der Nederlanden, zal meer bepaald door nadere apostolische brieven, welke wij binnen kort zullen afvaardigen, worden vastgesteld.
Na de instelling der kapittels van alle Kerken, hierboven genoemd, verleenen wij aan hen, zoolang de staat van zaken in het 17e artikel der overeenkomst van 1801 vermeld, zal blijven voortduren, de bevoegdheid om, telkens bij het openkomen der aartsbisschoppelijken of van een der bisschoppelijke stoelen, de kanunniken der openstaande Kerk bijeen te roepen, zoodat elk kapittel voor deszelfs Kerk, capitulariter zal vergaderen en de kanonieke regelen in acht nemende, nieuwe Bisschoppen uit Nederlandsche geestelijken, welke zulks waardig, en die naar Kerkelijke voorschriften daartoe geschikt zijn, naar luid van het 3e artikel der nieuwe overeenkomst, zal verkiezen.
Voor deze eerste reis echter behouden wij ons voor, de Kerken in het Rijk der Nederlanden van herders te voorzien, gelijk zulks, ten aanzien der Kerk van Mechelen, door Onzen voorganger PIUS VII (zaliger gedachtenis) heeft plaats gegrepen. Op dezelfde wijze behouden wij ons en onze opvolgers voor, om wanneer het door de uitgestrektheid der bisdommen, mogt gebeuren, dat de bisschoppen van het sticht, de hulp mogten noodig hebben van personen die zelfs het bisschoppelijke karakter daartoe zouden moeten bezitten, aan zoodanige bisschoppen der stichten, naarmate wij zulks noodzakelijk zullen oordeelen, coadjutoren of hulpbisschoppen toe te voegen, die als suffraganen hen in het vervullen der bisschoppelijke bedieningen, ter dienst zullen staan, en aan welke coadjutoren of hulpbisschoppen, Z. M. den Koning in dat geval, eene bezoldiging, overeenkomstig hunnen staat zal toeleggen.
Wij bewilligen alsmede, dat de aartsbisschoppen, en elke bisschop der voormelde kerken, in het Koninkrijk der Nederlanden, nadat hij van de apostolische stoel de kanonieke instelling zal hebben bekomen, en alvorens zijne bediening uit te oefenen, den eed van getrouwheid aan Z.M. den Koning aflegge, zooals zulks was vastgesteld bij art. 6 der overeenkomst van den jare 1801, in de navolgende bewoording:
Ik zweer en beloof bij God op de heilige evangeliën, gehoorzaamheid, en trouw aan Z.M. den Koning der Nederlanden, mijnen wettigen Vorst. Wijders beloof ik geene verstandhouding te zullen hebben; geenen raad te zullen bijwonen; tot geene verdachte verbintenis, noch binnen noch buiten, `s Rijks, die nadeelig aan de openbare rust is, te zullen behooren, en wanneer ik, in mijn bisdom of elders, ontdek dat er iets ten nadeele van den Staat mogt gesmeed worden, dat ik het zeker aan Mijnen Heer den Koning zal bekend maken.
Gelijkerwijze bewilligen wij dat dezelfde eed, door de geestelijkheid der tweede orde, worde afgelegd, in handen der burgelijke overheden die door den Koning zullen zijn aangewezen, gelijk zulks was vastgesteld bij het 7de artikel van gemelde overeenkomst.
En opdat alle dubbelzinnigheid uit den weg worde geruimd nopens de wijze, waarop het formulier der gebeden, bij art. 7 der overeenkomst van den jare 1801 vastgesteld, op den tegenwoordigen staat van zaken kan worden toegepast, verklaren, wij, dat hetzelve op de volgende wijze zal worden veranderd:
Domine salvum fac Regem nostrum Guilielmum.
De bisschoppen zullen de vrije benoeming en keus van hunne vicarissen-generaal hebben.
De voorname zorg, zoo van den aartsbisschop, als van elken bisschop, zal zich over de seminariën uitstrekken; want in dezelve moeten de jongelingen, wier bestemming is, zich aan den dienst des Heeren toe te wijden, te gelegener tijd, tot godsvrucht, zuiverheid van zeden en tot de geheele kerkelijke tucht, als nieuwe planten van hunne teedere jeugd af, worden opgeleid, want goede en wakkere werklieden in den wijngaard des Heeren worden niet geboren, maar daartoe gemaakt, en om zulks te worden, is daartoe al de ijver en zorg der bisschoppen noodig. Om derhalve de uitvoering van het 2de artikel der nieuwe overeenkomst, door ons met Z.M. den Koning WILLEM aangegaan, te verzekeren, zal elk seminarie in ieder bisdom op de navolgende wijze worden ingesteld, geregeld en bestierd. Vooreerst, zal daarin zulk een aantal kweekelingen gevoed, onderwezen en opgeleid worden, als overeenkomstig zal wezen met de behoefte van elk bisdom en met het gemak der ingezetenen; zullende derhalve dat getal door den bisschop, naar behooren, worden vastgesteld. Wijders is het van het hoogste belang, dat zij, die zich aan den geestelijken stand toewijden, niet alleen in geestelijke, maar ook in wijsgeerige vakken en andere onderwerpen, die met kerkelijke zaken in verband staan, behoorlijk worden onderwezen, opdat zij het voorbeeld der kudde worden en steeds gereed zijn aan elken vragende rekenschap te geven. Weshalve de bisschoppen, in de seminariën, al die leerstoelen zullen oprigten, welke zij tot een volledig onderrigt der geestelijken noodig zullen oordeelen. Zoo blijft ook het onderwijs der leer en der tucht benevens de opvoeding en het bestuur der seminariën aan het gezag der respectieve bisschoppen, volgens de kanonieke voorschriften, onderworpen, derwijze, dat aan de bisschoppen, zoowel het opnemen van geestelijken in de seminariën, en hunne verwijdering uit dezelve, als de keus der regenten en hoogleeraren, benevens hunne ontzetting, vrij blijft, zoo dikwijls zij een of ander noodig of nuttig zullen oordeelen.
Hetgeen tot het oprigten of onderhoud dier seminariën zal noodig wezen, zal goedgunstig verleend worden door Z.M. den Koning, welke door zijne buitengewonen gezant bij ons Hof betuigd heeft, als een Edelmoedig Vorst, behoorlijk te willen voorzien in alles, wat tot het geestelijk onderwijs vereischt wordt en dat op zoodanige wijze, als ons aangenaam zal wezen.
Wanneer eindelijk de bisdommen, gelijk hierboven is uiteengezet, zullen zijn ingesteld, hetgeen door nadere apostolische brieven eerlang meer bepaald zal worden omschreven, zullen de bisschoppen volgens de verordeningen van art. 9 en 10 der overeenkomst van den jare 1801, tot de nieuwe omschrijving der pastorijen, waar zulks vereischt zal worden, overgaan, en in dezelve waardige en bekwame priesters plaatsen, terwijl Z.M. de Koning, naar luid der bepalingen van het 14de artikel der gemelde overeenkomst door Koninklijke edelmoedigheid, ook in het onderhoud van alle pastoren zal voorzien, welke bij de nieuwe omschrijving der pastorijen zullen moeten worden benoemd, en dat op zoodanige wijze, als met de waardigheid van hunnen staat en met het onderhoud, hetgeen de pastoors in de bisdommen der zuidelijke provinciën genieten, overeenkomt.
Wij vleijen ons, dat er onder de R.C. van het Koningrijk personen zullen worden gevonden, die een milddadig gebruik zullen maken van de vrijheid, welke bij het 15e artikel van de dikwijls genoemde overeenkomst is gelaten, om de Kerken te bevoordeelen, terwijl de goede gezindheid van den Koning bij ons geen twijfel doet ontstaan of Z.M. zal het vermaken van fondatiën of geschenken, welke ten voordeele van die kerken mogten geschieden, zoo wel als het verwerven van goederen door gemelde kerken, inwilligen.
Er blijft ons nu alleen nog over, aan den Heere onzen God, den meesten dank te betuigen voor al hetgeen, tot nu toe, ter regeling der kerkelijke zaken, in het Rijk der Nederlanden is volbragt, en Hem met vurige gebeden te smeeken, dat Hij dit alles bevestige en beklijven doe, want al het beste wat verleend wordt, en elk volmaakt geschenk, komt van boven, terwijl hij die plant, noch hij die besproeit, iets is, maar God die de wasdom verleent.
Wij verbieden dat deze tegenwoordige brieven ooit of immer zullen kunnen worden aangerand, als door sub- of obreptie verkregen te zijn, of eenige nietigheid in zich te bevatten ten aanzien onzer meening, of aan eenig ander gebrek, hoe groot men hetzelve zou achten, onderhevig te wezen; maar wij willen integendeel, dat dezelve bestendig geldend en steeds van kracht zullen zijn en blijven; dat zij hunne geheele en volledige uitvoering zullen hebben en verkrijgen, en ongeschonden zullen moeten worden opgevolgd, niettegenstaande de apostolische voorschriften en de algemeene bepalingen, welke bij synodale provinciale en aleemeene conciliën of bij afzonderlijke verordeningen en reglementen, of bij statuten van eenige kerken of weldadige inrigtingen, of bij eenige strijdige privilegiën, zijn vastgesteld.
Hoezeer eene afzonderlijke vermelding of bijzondere vorm van een en ander noodig mogt geacht
worden tot de intrekking dier verordeningen, voor zooverre deze met bovengemelde, op de een of andere wijze, mogten strijden, trekken wij echter bepaaldelijk voornoemde voorschriften in, en verklaren bovendien voor ongeldig en krachteloos, al hetgeen tegen deze intrekking, door welk gezag ook, bewust of onbewust, mogt worden verrigt.
Wij willen dat aan de gedrukte afschriften dezes, door de hand van een openbaar notaris onderteekend, en van het zegel van een bevoegd geestelijk persoon voorzien, hetzelfde geloof gehecht en evenzeer voor de uitdrukking van onzen wil gehouden worden, als of het tegenwoordige diploma in originali zou worden vertoond.
Bij gevolg is het niemand hoegenaamd veroorloofd, aan deze bescheiden van onzen wil te kort te doen, of dezelve met laatdunkenden euvelmoed tegen te werken. Indien echter iemand mogt onderstaan zich daaraan te vergrijpen, dat hij alsdan wete, zich de verontwaardiging van den almagtigen God en van Zijne H. apostelen Petrus en Paulus op den hals te halen.
Gegeven te Rome, bij den heiligen Petrus, in het jaar der menschwording 1827, den 16 der kalenden van September, het 4de jaar van ons pontificaat.

(Was geteekend) :
B. card. PACCA, pronatarius.
Pro domino cardinali ALBANO.
F. CAPACCINI, substitutus.
Visa de curia D. TESTA.

Plaats (+) van het Lood.

Voor vertaling:
De Secretaris der Permanente Commissie, uit den Raad van State voor de Zaken van de R.C. Eeredienst.

P. G. VAN GHERT.

(bron: Albers sj, P., Geschiedenis van het Herstel der Hierarchie in de Nederlanden, tweede deel, Nijmegen, Malmberg, 1904, 534-545)


Gerelateerde artikelen:

In welk opzicht heeft het canonieke recht een rol gespeeld op het gebied van het privaat- en procesrecht?
Internationale Verdragen
Nederlandse nationale wetgeving
Nederlands Burgerlijk Wetboek
Reglement van het R.-K. Kerkgenootschap van 1927
Wet op de Kerkgenootschappen van 1853
Godsdienst in de Nederlandse Grondwet
Dossier Herstel Bisschoppelijke Hiërarchie
Nederlands Burgerlijk Wetboek
Nederlandse nationale wetgeving