Beschryving van Guiana, of de wilde kust in Zuid-America


auteur: Jan Jacob Hartsinck


bron: Jan Jacob Hartsinck, Beschryving van Guiana, of de wilde kust in Zuid-America. Gerrit Tielenburg, Amsterdam 1770


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 280]origineel

Drie en twintigste hoofdstuk.
Beschryving van de Volkplanting van Berbice, met de aanhoorige Landen.

De Colonie die het naast aan Demerary is grenzende, is genaamd de Berbice of gemeenlyk, by verbastering, de Berbiesjes. Haare Grenspaalen zyn, ten Noordwesten, aan de Kreek Abary of Waybari, welke omtrent drie Mylen van de Rivier de Berbice afligt, alwaar een Post van deeze Colonie is gesteld, en; zo als verhaalt is, dezelve van Demerary scheidt, volgens zeker Verdrag gemaakt, in 't Jaar 1672, tusschen, den Commandeur van Essequebo en den Secretaris van de Berbice, den Heer Adriaan van Berkel, als daar toe gemagtigd(a); waar by bedongen werdt dat die van Berbice, een Post van vyftien of zestien Man, die zy, in het Indiaansche Dorp Naby, omtrent drie Uuren van Demerary, ter inruiling van Orliaan en andere Waaren van de Indiaanen, hadden geplaatst, zouden te rug trekken, en de Westzyde van die Kreek, aan die van Essequebo overlaaten. En, ten Oosten, aan de Volkplantinge van Suriname, van welke het, door zekere Scheidpaal, aan den Westkant van het breede Water, tusschen de Rivieren Berbice en Corentin, is beperkt; zynde deeze Grensscheiding gemaakt door den Heer van Peere, Eigenaar deezer Colonie, en den Heer Cornelis Aarssens van Sommelsdyk, Gouverneur en, voor een derde gedeelte, Eigenaar van Suriname(b): schoon die van Berbice, in den Jaare 1692, voorgaaven, dat de Limiete hunner Colonie strekte bewesten de Rivier Corentin. 't Is rondom het voorn: breede Water (dat eigenlyk een ondergeloopene Savaan is, twee of drie Voeten diep, en welkers Boorden met wit Zand bedekt zyn), daar

[p. t.o. 280]origineel



illustratie

Caart van Berbice en Canje.


[p. 281]origineel

het Indiaansche Dorp van denzelfden naam is, alwaar die van Suriname een Postlegger houden, welke de gedachte Grenspaal had weggenoomen, beweerende, dat de Boorden van dit Water, onder Suriname behoorden; om dus den vryen handel en Visschery aan dit Meir, dat zeer Vischryk is, aan zich te behouden: doch welke daar toen weder gesteld is. Voorts grenst zy, ten Zuiden, aan de Vaste Kust, ons nog voor het grootste gedeelte onbekend; gelyk wy in de beschryving van Guiana, hebben aangetoond.

Dus is haare uitgestrektheid, langs den Oceaan, van de Post van de Kreek Abary (aan welkers Oostkant men een Bosch vindt, van omtrent een Myl in den Omtrek meestendeels bewassen met Arcousiry- en Hayawa-Boomen, uit welke de Indiaanen veel Balsem vergaderen), tot aan de Scheidpaal tusschen Berbice en Corentin, ongevaar tien Mylen; en binnenslands tot het hooge Gebergte de Cordellieros, gemeenlyk het Blaauw Gebergte genaamd, omtrent negentig Mylen ver: schoon het, tot nog toe, niet meerder dan zes en dertig Mylen, van de Zee, langs de Rivier de Berbice; en twee en twintig Mylen langs de Rivier Canje, bebouwd is.

Rio de Berbice is een Rivier, naar welke de Volkplanting haaren naam voert: gelyk de meeste Volkplantingen, in America, hunnen naam ontleenen van de voornaamste Rivieren, waar langs dezelven strekkende zyn. Haar Mond, gelegen op zes Graaden vyftien Minuuten Noorder Breedte, is byna een half Myl wyd; in 't midden ligt een laag en moerassig Eilandje met Kreupelhout bewassen, dat om de menigte Krabben, die daar gevangen worden, het Krabben-Eiland geheeten wordt, zynde een vierde Myls lang en de helft zo breed, omringd met een Zandbank en Slykgrond, voornaamelyk aan de Westzyde, welke belet, nader dan op een Snaphaanschoot van het zelve, te ankeren; ook ligt 'er, ten Noorden, nog een Zandbank, die zich omtrent een half Myl uitstrekt. Dit Eiland maakt dus twee Ingangen, ieder twee honderd en vyftig Roeden wyd, moetende de Schepen aan de Oostzyde van de Rivier, tusschen de Vaste Kust, inzeilen, als zynde het gewoonlyk Vaarwater. Het Westergat wierd wegens de ondiepte, onbevaarbaar geoordeeld: nogthans is, in 't Jaar 1759, het Schip Ouderkerk, dat met Slaaven van Guinea kwam, en wat te Weste-

[p. 282]origineel

lyk vervallen was, daar door binnen gekomen; zo als ook de Heer Colonel de Salve ten tyde der opstand, het Stafschip, door dat Kanaal, de Rivier liet opkomen; gelyk wy op zyn plaats breeder zullen verhaalen. Als mem de Rivier ten Zuiden van zich heeft, loopt men daar recht op aan; tot aan den Mond van Canje is de Rivier van veertien tot negentien Voeten diep, en nog een Myl hooger op maar negentien tot twaalf Voeten, zo dat zy wel drie Mylen zeer ondiep blyft, en uit hoofde van de Modderbanken die 'er in zyn, met zwaare Schepen niet te bevaaren is; doch hooger op wordt zy naauwer en dieper, van vyftien tot zestig en acht en dertig tot veertig Voeten. De Eb en Vloed verschillen binnen den Mond van de Rivier bykans negen Voeten; en by hoog ty loopt het byliggende Land onder, wanneer men rondom de Post St. Andries wel met een Corjaar zoude kunnen vaaren, en de gantsche Savaane (die achter deeze Schans ligt, en reeds, langs de Kust, uit Zee kan gezien worden, en in welke veel Wildt- en Water-Gevogelte zich ophoudt) onder ligt.

Recht tegen over het Krabben-Eiland ligt, op de Vaste Kust, omtrent honderd Roeden van den Mond der Riviere, ten Oosten, een ronde Schans van gebakken Steen, genaamd St. Andries, naar deszelfs Stichter, Johan Andries Lossener (toen ter tyd Gouverneur): byna twee honderd Voeten groot, beplant met twaalf Stukken Kanon, en, aan den Waterkant, bezet met Stormpaalen van vier Voeten hoog, en omringd door een Gragt; alwaar, in 't Jaar 1746, vyf en twintig Man, onder een Lieutenant en verdere Onder-Officieren, in bezetting lagen: doch vermids, van tyd tot tyd, eenige van hen deserteerden naar de Rivier Oronoque, is dezelve geslecht en alleen een Steenen Huis overgebleeven, 't welk tot een gemeene Post gemaakt werd daar één Sergeant met vyf of zes Man, Invalides, als Leggers wierden geplaast met één stuk Kanon, om van de aannadering der Schepen aan het Fort kennisse te geeven. Doch ten tyde der Opstand, is deeze Bezetting naderhand vermeerderd, bestaande uit een Onder-Officier met een Tamboer en zestien Gemeenen, ter verhindering der Desertie.

De Rivier omtrent een half Myl opgevaaren zynde vindt men, ten Zuidoosten, Landwaards in, een Kreek of kleine Rivier, Canje genaamd, die by haaren Mond byna tachtig Roeden breed is, doch hooger op naau-

[p. t.o. 282]origineel



illustratie

De Schans St. Andries, te zien van het Krabben Eyland Oostzyde.




illustratie
Redout Samson of Brandwagt.


[p. 283]origineel

wer en doorgaands diep: langs dezelve zyn verscheidene Plantagiën aangelegd. Haar strekking is meestal recht Zuidwaards, tot dat zy zich, omtrent zestien Mylen van den Zeekant af, in tweën verdeeld, alwaar de Kreek-Jcourouwa, welke Oostwaards loopt en aan het meergenoemde breede Water uitkomt, zich in dezelve stort, en by welke een Post ligt. Ruim een half Myl eer men aan deeze Post komt, heeft men de Attedenaale-Kreek, die niet breed en zeer ondiep is, stroomende bezyden de Plantagie Guitarrenburg. Over het Eigendom van de Gronden deezer Plantagie en de Postgronden, als mede over het Rechtsgebied, is tusschen deze Colonie en de Societeit van Suriname langen tyd geleeden, eenig Verschil ontstaan, het welk, tot nog toe, onbeslist is gebleeven. Een vierde Myls lager, ten Westen, tegen over de laastgenoemde Kreek, heeft men de Abany-Kreek, en niet verre van daar de Kreek Cricabare, tusschen welke beiden de Plantagie Don Carlos ligt. Dan, aan 't boven eind van Canje in 't opvaaren ter rechter zyde en boven de Plantagie Bearne, is een Redoute in de Savaane, welke men, als van weinig dienst zynde, laat vervallen. Hier lag wel eer een Sergeant en acht Man in bezetting.

Van het geweezene Fort tot aan de Rivier van Canje, by de Plantagie Horstenburg, is, door den Gouverneur Lossener, een smal Voetpad aangelegd, dat ruim drie Mylen lang is, en omtrent een half Uur door het Bosch loopt, daar een Brug over een Kreek ligt: eer men aan de Savaane komt, byna een Myl lang, eertyds bezet met Aloës en Ananassen, die het schoonste Gezigt en de aangenaamsten Reuk der Waereld gaven: doch tusschen beide is dezelve verdeeld door verscheidene Kierassen of Moerasjes, vol met Jet Appelboomen; welke Moerassen, in den Zomer droog, maar in het Regengetyde; een Voet of vyf onder Water staan. Vervolgens gaat men een half Uur door een zwaar bewassen Bosch vervult met Banilles, alwaar eenige Boomen zyn omgekapt tot een Pleintje of Rustplaats. Voorts, na weder anderhalf Uur gegaan te hebben, komt men in een Kreupelbosch, en, door de groote Savaanen, tot aan het Bosch van Canje, het welk door de Kreek der Achtergronden van de Plantagiën Lagendaal en Frekenhorst die een quartier Uurs van de Plantagie Horstenburg afliggen, wordt doorsneeden. Ook loopt van het gemelde Fort langs Canje,

[p. 284]origineel

benedenwaards, een Weg naar de Rivier Corentin (aan welkers Boorden een Surinaamsche Post is gesteld), welke, na dat men verscheidene Kreeken en de Rivieren Copename en Sarameca overgevaaren is, zich tot aan Paramaribo uitstrekt.

Omtrent zeven Mylen opwaards, aan den Oostkant van de Rivier Berbice, ligt de Redoute Samson, zynde weleer een Aarde Bolwerk of Platteform geweest, welke, voor den Opstand, tot een Brandwagt strekte, om Seinschooten te doen, en tot een Corps de Guarde voor de Soldaaten; doch het welke nu vervallen en geslecht is, en thans bestaat in een Huis van gebakken steen, byna tien Voeten lang en twintig breed, in drieën verdeeld, dienende twee tot Casernen voor de Soldaaten, en een voor de Officiers Kamer voorzien met Schietgaten. By het zelve zyn vyf Stukken Kanon, waar van 'er drie op Affuiten liggen. Hier ligt een Corporaal met vyf Man in Bezetting. Men gaat van de Rivier tot dit Gebouw langs een Trap, op een Stelling van Boerewey-Planken, wel honderd Schreeden lang: tusschen de Post St. Andries en deeze Redoute, vindt men, in de Rivier, twee Banken met Zand en Modder gemengd, de groote en kleine Marepaan genaamd, ruim een half Myl lang en met gewoonlyk Ty zeven of acht Voeten diep.

Ruim vier Mylen hooger op, alwaar de Rivier, bykans zestig Roeden breed en veertig Voeten diep is, lag eertyds, aan den Oostkant, het Fort Nassau, toen de Hoofd-Plaats der Colonie, en verblyf van den Gouverneur. Dit Fort, waar van wy een Tekening, aan den Boord van de Rivier beschouwd, geeven: was ongevaar twee honderd Voeten in 't vierkant opgebouwd van Palissaden van Boerewey-Hout, ter hoogte van byna tien Voeten, met vier Strykweeren voorzien; aan de zyde der Rivier met twaalf, en aan de Noordzyde met twee Stukken Kanon beplant. In het zelve was een Steenen Huis, omtrent honderd Voeten lang en vyftig breed, geschikt voor het Gouvernement, waar in de Raadzaal en de Kerk waren geplaatst, verstrekkende het onderste gedeelte voor een Corps de Guarde, en Magazyn: Naast aan, ten Zuiden het Kasteel, was gebouwd de Soldaaten Combuys, de Paardestal, de Kuipery en twee Smederyën. Doch dit Fort (dat, door den tyd, reeds zeer was vervallen, zodaanig dat

[p. t.o. 284]origineel



illustratie

Het Fort Nassau op de Colonie de Berbice.


[p. 285]origineel

men zelfs het Geschut, het welk 'er op lag ten tyde van de aankomst van den Gouverneur Hogenheim, niet durfde lossen: En waarom ook reeds, by Directeuren, was beslooten en aangeschreeven om in de plaats daar van een ander te bouwen, volgens het Plan daar toe uit de Colonie herwaards gezonden) heeft men by gelegenheid van den Opstand der Negeren, in brand gestoken.

Omtrent een Kanonschoot boven het gedachte Fort, was aangelegd het Vlek Nieuw Amsterdam, bestaande in byna twintig verspreide Huizen zonder eenige Order geplaatst; waar onder uitmuntte de Luthersche Kerk, een Gebouw van zestig Voeten lang en veertig breed, van Steen opgehaald; en het Huis van den Predikant van die Gezindheid; benevens nog acht Steenen Huizen, waar tegen over, aan de andere zyde der Rivier, de Negery der Colonie Slaaven stondt. Deeze Gebouwen zyn diestyds, door de Negers, ook verbrand, uitgezonderd de genoemde Kerk en Predikants Huis, die zy verschoonden (gelyk wy, in de beschryving van den Opstand, omstandiger zullen verhaalen). Behalve dit Huis, dat sedert voor het Gouvernement verstrekte: de Secretary, een Pakhuis, het Kruidtmagazyn, en een Huis toebehoorende den Heer Gouverneur Heiliger; die allen van Steen zyn, bestaan de overige Wooningen uit Houten Huizen met Leem bestreeken en Bladen gedekt. Men heeft ook, aan den Westwal, in het opvaaren, aan den Scheidpaal van de Plantagie Juliana, opgeworpen een Sterreschansje zynde aangelegd op Order van den zelven Heer Heiliger, en genaamd Hoognodig; alwaar een Onder-Officier met tien of twaalf Man in Bezetting ligt.

Omtrent nog tien Mylen hooger op, ten Noordwesten van de Rivier, in welke zich alvoorens verscheidene kleine en onbevaarbaare Kreeken ontlasten (waar van de Kreek Kimbia, loopende langs de Plantagie Mon Repos, door de Plantagiën Roosenburg en Zelandia heen, wel de voornaamste is), vindt men de Kreek Wironje, ongevaar dertig Roeden wyd tot aan de Colonie Plantagie Cornelia Jacoba, maar van daar niet wyder dan twintig Roeden (kunnende met Cano's en andere ligte Vaartuigen bevaaren worden); haaren loop eindigt achter by de Plantagie Queekhoven, waar langs en tusschen de Plantagie Watervliet, de Kipilans-Kreek zich

[p. 286]origineel

in dezelve stort. Aan den Mond van Wironje is de Gereformeerde Kerk (eertyds gestaan hebbende in de Matara-Kreek), gebouwd van Steen met een Houten Gewelf, tusschen de tachtig en negentig Voeten lang en byna dertig Voeten breed; zynde gesticht ten tyde van den Commandeur Matthys de Veer: tegen over de Kerk hebben de Predikant en Koster ieder zyne Woonplaats, van Steen gebouwd. Ook was daar oudstyds gelegen het Huis van den Heer van Peere. Langs deeze Kreek is de voornaamste Uitgang, waar door men zich over Land naar de Colonie van Demerary kan begeeven. Op den hoek van dezelfde Kreek is een vierkant Werk aangelegd ten tyde van den Colonel de Salve, bezet met een Sergeant en vier Man waar van wy de tekening hier nevens geven.

Ruim een Myl voorby de Kreek Wironje beoosten de Rivier de Berbice, by de Plantagie Agatha, was de kleine Luthersche Kerk, van vierkante Stylen en Balken met Kleyen Muuren opgebouwd, ter lengte van zeventig en breedte van veertig Voeten, met een Bladen Dak zonder Zolder; doch dezelve is in den Opstand mede vernield. Onder het Dak van deeze Kerk waren, op den hoek, twee Kamers afgeschut tot huisvesting van den Predikant, als hy derwaards kwam om 'er te Prediken, het welke, om de vier Maanden, gewoonlyk twee Zondagen na malkander geschiedde, wanneer hy genoodzaakt was achter een Tafel te staan, by mangel van een Predikstoel. Bevoorens dat de Lutherschen deeze Kerk hadden, oefenden zy haaren Godsdienst op de Zolder boven het Woonhuis van de Plantagie de Lindeboom.

De Rivier drie Mylen verder opgevaaren ontmoet men, aan den Oostkant, de Kreek-Wikkie, stroomende langs de Colonie Plantagie Hardenbroek. Zy is byna dertig Roeden wyd, maar over het midden zich wat vernaauwende, hoewel voor groote Cano's, Sloepen en dergelyk Vaartuig te bevaaren. Langs dezelve is een doorgang naar de Corentin; van waar men, eenige Rivieren en Kreeken overtrekkende, kan komen langs de Rivier Sarameca, tot aan de Wegloopers Dorpen, en vervolgens tot in Suriname. Aan de gemelde Kreek Wikkie is, door den Colonel de Salve, mede een Vastigheid, bestaande in een vierkant Aardewerk, aange-

[p. t.o. 286]origineel



illustratie

Redoute aan de Kreek Wieronje.


[p. 287]origineel

legd: als ook, op de plaats de Savonette, een gelyk vierkant Werk welke, diestyds diende tot een Wykplaats voor de Aquewynsche Post.

Nog, omtrent vyf Mylen hooger op aan den Westkant van de Rivier, ligt de Colonie Plantagie de Savonette, welke de uiterste bebouwde grond deezer Coloni is bestaande uit zwaare Kley, op een hooge grond, waar door die Suikertuinen, meerder moeite en arbeid, dan op de overige Plantagiën, vereischt hebben: echter zyn boven dezelve nog eenige gronden aangelegd geweest; doch weder verlaaten.

Aan dezelfde zyde van de Rivier, vindt men de Kreek Werocka; en byna veertig Schreeden boven deeze, de Acquewynsche Post, ongevaar twintig Schreeden van de Rivier af, het geen tot de Sleutel en Opgang deezer Colonie naar de Bovenlanden verstrekt; daar het voor de Blanken zeer ongezond is; wyl zy door Heete Koortsen, de Aquewynsche Koortsen genaamd, worden aangetast, daar de Indiaanen of Negers niet van weeten. Deeze Post, die op hoog Land ligt, bestaat uit een Woonhuis, voor den Posthouder, van Kley of Leem opgemaakt en met een Dak van Bladen bedekt, waar nevens twee of drie Indiaansche Hutten, voor de Bokken, die ten dienste van die Post gehouden worden, gebouwd zyn. Doch dezelve is, na den algemeenen Opstand en 't afloopen der Volkplanting door de Slaaven, verplaatst aan de overzyde van de Rivier, omtrent een half Uur boven de Savonette, bestaande mede uit een Leemen Huis, daar een Bezetting van een Onder-Officier met zestien Man is gelegd.

Aan het bovenste van deeze Rivier, wier oorsprong nog niet volkomen bekend is, doch waarschynelyk uit het Gebergte van Andes ontstaat, heeft men verscheiden Steenklippen (doch geen Vallen zo als in Suriname en Essequebo), waarop men, zo sommigen willen, nog Gedenktekenen vindt der Spanjaarden, die deeze Kust eerst hebben ontdekt en doorreist: schoon anderen, en mogelyk met meerder grond, meenen, dat het Tekenen der oude Inwooners zyn.

Het is ook niet te twyfelen, dat 'er Landwaards in verscheidene Mynen van Goud en andere Mineraalen, als zo naa aan de Ryken van Peru en Brazil grenzende, zullen gevonden worden; waar van de Spanjaarden en Engelschen (gelyk wy, in een der voorgaande Hoofdstukken, hebben

[p. 288]origineel

verhaald) mogelyk te groote Hoop hadden opgevat; doch ons, echter, zulke schynbaare verzekeringen en bewyzen opleveren; dat wy niet kunnen gelooven dat dezelve t'eenemaal ongegrond zouden zyn.

De geheele Kust van Berbice bestaat uit Slykgronden, meestendeels met Mangles of Mangrove Boomen en Kreupelbosschen bedekt; waar door dezelve ongenaakbaar is. De Boorden der Rivier zyn wederzyds laage gronden, en omtrent twee Mylen inwaards begroeid met hooge en schoone Bosschadiën, wier Groente een aangenaamen Reuk en een verrukkelyke schoonheid veroorzaakt, zynde daarenboven vervuld met Aapen, Papegaaijen, en ander Gedierte en Gevogelte, die een bevallig Gezigt door hunne beweeging, maar teffens een onverdraagelyk Geschreeuw, verwekken. De Kruiden, en Bloessems van Oranje-Limoenen- en andere Boomen, langs deeze Rivier groeijende, geeven mede een verkwikkenden Geur voor de geenen die dezelve bevaaren. Voorts ziet men verscheiden groote Savaanen of Weilanden met lang (doch geen voedsaam) Gras; gelyk als aan de Post St. Andries, en ook eenige Westwaards; als mede een groote Vlakte achter het geweezene Fort Nassau, welke zich tot aan Canje uitstrekt. Het Land, aan de Rivier, wordt, daar het niet afgedykt is tot Plantagiën; door den hoogen Vloed, schoon niet zeer verre, landwaard in overstroomd en onder Water gezet, zo als wy hebben aangemerkt. Deeze laage Gronden zyn meest, eenige meer anderen minder, met Veen vermengd. Die hooger op liggen vallen slechter; en de Gronden die nog hooger liggen, zyn, als gezeid is, veelal van zwaare Kley, zynde de Savaanen ten grootsten deele Zandgronden hier en daar met Kley gemengd.

Langs de Rivier zyn ruim honderd Plantagiën aangelegd, meest van Koffy, Katoen en Cacao, dewyl, in die Colonie, niet meer dan vier Suiker-Plantagiën van de Directie, en één de Herstelling genaamd, toebehoorende aan de Heeren Ouderkerk en Loofs, gevonden worden. Men had daar eertyds een soort van Pleisterhuisjes, gemaakt uit vier Stylen, waar van de voorsten wat hooger dan de achtersten waren, overdekt met een Dak van groote Bladen, welke zo dicht op en over malkander lagen, dat de Zon noch Regen daar geen hinder aan doen konden: deeze Huisjes kon men in een oogenblik laaten oprechten waar men die begeerde te heb-

[p. 289]origineel

ben; doch dezelven zyn, door meerder aanlegging van Plantagiën, thans buiten gebruik geraakt.

De Luchtsgesteldheid van de Berbice, mede zo naby den Evennachtslyn liggende, dat de Zon 'er tweemaal in 't Jaar recht over 't hoofd heen gaat, is zeer heet en broeijende; doch wordt des morgens, door de Zeewinden, die veelal uit den Oosten of benoorden, en, in den groote Regen-tyd, somtyds bezuiden 't Oosten, waaijen, ongemeen verkoeld en voor gezond gehouden; zo dat de kwynende Ingezetenen van de nabuurige Engelsche Colonien, dikwyls, tot herstelling hunner gezondheid, zich derwaards plagten te begeeven. Doch, in de Jaaren 1757 en 1758, ontstond 'er een heerschende Ziekte, bestaande in felle heete Koortsen, welke, zo wel onder de natuurlyke Inboorlingen als onder de Colonisten, een langen tyd heeft gewoed, en van de laatsten veelen in 't Graf sleepte, maar van de Negers kwamen de meesten tot herstelling.

In 't laatst van de Maand July, neemt de groote Drooge-tyd daar een begin, welke aanhoudt tot half December, en als dan van den kleinen Regen-tyd vervangen wordt; welke laatste duurt, met verandering van Weêr en minder Hitte, tot aan het kleine Drooge Saizoen, het welk aanvangt met het laatst van February en eindigt met April; als wanneer de groote Regen-tyd begint, en omtrent drie Maanden sterk duurt.

In deeze Volkplanting worden vierderlei Producten aangekweekt, naamelyk Suiker, Koffy, Cacao en Katoen. De Suiker groeit best in een luchtigen lossen Grond, daar men een of anderhalf Voet Veen vindt, om dat het Riet veel kleine Worteltjes heeft, die-zelden dieper dan zes Duim gaan: de Koffy vereischt een goeden en vetten Veengrond die maatig vochtig is; want in slechteren versterft de Boom in weinige Jaaren: de Cacao tiert best in luchtige Aarde; slaagt ook wel in Veengrond van omtrent een Voet, doch in dieper Veen wilze zo wel niet voort: en de Katoen groeit niet alleen op vette Gronden, maar teelt, tegen verwachting, ook zeer wel op Veen en slechte Gronden, zo als de ondervinding heeft geleerd.

Deeze en onderhoorige Rivieren en Kreeken worden bewoond door de Arowakken, Warouwen en Schotjes (Deeze laatstgenoemde zyn eigenlyk geen Natie, maar een groote Familie van Arowakken, die zich altoos by

[p. 290]origineel

malkander hielden; waar van het Opperhoofd, Schot genaamd, nog onlangs leefde, zynde over de honderd Jaaren oud geworden, en hebbende veele diensten aan de Directie beweezen: doch zy zyn nu uitgesturven.); en hooger op, door de Aquowayen en Caraïben, gelyk wy te vooren hebben aangehaald. Wy hebben met alle deeze Volken Verbonden van Vriendschap geslooten, mogende dezelve niet tot Slaaven verkocht worden. In 't begin deezer Eeuw, zyn eenige Capiteinen der Schotjes naar Nederland gezonden, om een Vredes Verbond met de onzen te sluiten. Zy wierden wel ontvangen en met Geschenken wederom gezonden, en met Kleederen en Schoenen voorzien, die zy, op hunne te rugkomst, als die dragt ongewoon, weder hebben afgelegd.

Veelen hunner, als ook van de Arowakken wel tot twee honderd vyftig toe, zyn in den Christelyken Godsdienst, door de Moravische broeders, onderweezen en gedoopt; gelyk ook naderhand eenige Hernhutze Zendelingen zich aan de Kreek Wironje, hebben neêrgezet, by de Plantagie Pilgerhoed (hen toebehoorende) byna twee en veertig Akkers groot, geen andere dan Brood Tuinen en ook geen Slaaven daar op hebbende; daar dichte by hadden zy eenige Huizen, benevens een Kerk van Stylen en kleyen Muuren laaten bouwen, en geneerden zich van hunne Ambagten, zynde de eene een Kleermaaker, de andere een Schoenmaaker enz. Verscheidene Indiaanen woonden by hen in, om te Jagen en te Visschen, en gingen ook dagelyks met hen in de Kerk, daar in de Arowaksche Taal werdt gepredikt en gezongen, werwaards veele Indiaanen, wel twintig Uuren verre, kwamen, om de Predikatien te hooren; zo dat men groote hoop had dat veelen van hen tot den Christelyken Godsdienst zouden overgebragt worden: doch door de dood van den Hernhutze Predikant Schoeman die zelve een Woordenboek in de Indiaansche Taal opgesteld en een gedeelte des Bybels in die Taal overgezet had, en met veel Yver de bekeering voortzette; is dit voorneemen verydeld, en zy zyn weder tot het Heidendom gekeerd. Een groote witte Zandberg, omtrent duizend schreeden van de voornoemde Hernhutze Wooningen afgelegen, diende hen voor een Kerkhof.

De Dorpen der Arowakken waren oudstyds in het midden der beste

[p. 291]origineel

en vlakste Landen of Savaanen, op een hoogte. Hunne Hutten stonden in goede orde geplaatst: echter lieten zy in 't midden een groote Ruimte, daar zy hunne Vergaderingen hielden: in eenige hadden zy ook een Wapenhuis van hondert en dertig of hondert en veertig Voeten lang en dertig of veertig breed, rondom met Palissaden bezet, om zich by vyandlyke overvallen, daar uit te kunnen verdedigen.

Zo was het Dorp Abary, twee of drie Uuren boven het Fort: het Dorp Ouden Amen, gelegen in een vermaaklyke Vlakte by een Bosschaadje, waar in zestien of achttien Huizen waren, daar men door aangenaame Laanen, van het eene naar het andere huis ging. Nog hooger op was een schoon Dorp Naby, op een Zandgrond, omtrent drie Uuren van de Rivier Demerary:(a) doch tegenwoordig vindt men geen Dorpen dan dieper Landwaards in, en voornaamelyk by de Rivier Corentin, daar zich de Caraïben ophouden; woonende anderszins op zyn best maar twee of drie Indiaansche Huisgezinnen by een.

Alle deeze Volken hadden, in 't gemeen, de Plegtigheden, voorheen gemeld, zo in het dooden hunner Gevangenen, als in de vreemde wyze van hunne Capiteinen te verkiezen: doch tegenwoordig zyn de geenen die by onze Bezittingen woonen, meerder beschaafd en menschelyker geworden. Zy verkoopen hunne Gevangenen die geen vrye, maar van Slaaven Natiën zyn, aan de onzen.

By het verkiezen hunner Capiteinen wordt thans geen plegtigheid gebruikt, dewyl dezelve tot die Waardigheid door den Gouverneur der Colonie worden verheeven, die hen een Rotting met een zilvere knop, en Hoed vereerd, hen belastende zich met hun onderhoorige Indiaanen, als zy ontboden worden, ten dienste der Directie te laaten gebruiken, gelyk om Jaarlyks de Vischvangst der Jarouw, die in October, in de Rivier Canje, geschied, waar te neemen; wanneer de Indiaanen met hunne Cano's voor het Fort, te samen komen, en op een Seinschoot van 't zelve, te gelyk voorby het Fort naar de Hooftplantagie der Directie vaaren: daar de eerstkomende Cano met een Pul Kilthum word beschonken. Vervolgens naar

[p. 292]origineel

den Zeekant vaarende, begeeven zy zich ter Visschery in de Rivier Canje, waar toe voor ieder Plantagie een onderscheide Kreek geschikt wordt, om malkander niet hinderlyk te zyn; de Kreeken worden met Korven, van achttien of twintig Voeten breed, omtrent gemaakt als onze Teene Fuiken, gestopt, en de Indiaanen Jagen de Visch, door het slaan met Stokken, daar in. Voorts is een ieder bezig de gevangene Visch, welke meest in Jarouw bestaat; te zouten en in tonnen te leggen, het geen het werk van de Vrouwen is, die dezelve kaaken en twintig stuks aan een Teentje rygen; krygende zy, voor dertig zulke Teentjes, een kerf op hun stok, en worden by hunne te rugkomst, voor ieder met een Byl, Cassavebytel of ander Yzerwerk en de gevangene Visch, behalve de Jarouw die zy voor zich niet mogen behouden; en hunne Vrouwen met eenige bosjes Kraalen, beschonken.

De wyze opwelke dit Volk tot die Vischvangst wordt vergaderd is deeze: als de Dag daar toe van den Gouverneur bepaald is, maaken de Planters zo veel knoopen in een end Touw, als 'er nog Nachten moeten komen tusschen den Dag van aankondiging of op-ontbod, en den Bestemden Dag. Deeze Touwen met Knoopen worden dan gezonden naar hunne Wooningen; wanneer de geen, die het brengt, een of meer Nachten onder weg is, doet hy telkens van ieder Touw een Knoopje af, gelyk de Indiaanen ook doen, en wy in hunne levenswyze gezegd hebben; tot dat 'er zo veel overig zyn, als zy Dagen noodig hebben om ter bestemder plaats te komen.

Na dat wy de ontdekking deezer Landen, derzelver gelegenheid, en eerste Inwooners beschreeven hebben, gaan wy over tot de Geschiedenis deezer Volkplanting, sedert dezelve, door de Nederlanders, is bevaaren en bewoond geworden; voor zo verre wy dit uit oude Schryvers en echte Gedenkstukken hebben kunnen naargaan.

In het voorgaande hebben wy verhaald, dat aan J: van Peere cum Sociis, door hun Hoog Mog:, in den Jaare 1602, reeds Octroy was verleend, om de Kust van Guiana te bevaaren, alwaar zy, ook, op de Rivier de Berbice, in den Jaare 1626, een Volkplanting hebben gesticht, waar tegen de Inwooners van het Land, en wel meest de Caraïben zich

[p. 293]origineel

wakker te weer stelden, terwyl zy deeze Colonie, door Vyandelyke invallen dikwyls verontrustten, alles wat hen voorkwam doodsloegen en verwoestten: waarom men genoodzaakt was, een Fort aan te leggen, en verseheidene Posten en Brandwagten uit te zetten. Echter verbrandden zy nog in den Jaare 1672, een Handelhuis op de Rivier Canje, doch niet tegen het Schietgeweer der Nederlanders kunnende bestaan, zyn zy gedwongen geweest hooger Landwaards in te trekken, en hunne Kusten aan de Nieuwe Overwinnaars over te laaten, die, vervolgens, in vrede en vriendschap met de overige Indiaanen leefden. Zy lieten dezelven in een volkomen vryheid, en beloofden by de vredes Tractaaten, dat geen, Caraïben van die Kust, noch Arowakken, Warouwen en Acquewynen, ooit in Slaverny zouden mogen werden gebragt.

Het schynt dat de Heeren van Peere, om die Colonie te bestieren, aldaar, van tyd tot tyd, gezonden hebben, voor een of twee Jaaren, als Commandeurs, eenige Schippers, in die Colonie bekend zynde, gelyk wy vinden dat Schipper Cornelis Marinus, in 't Jaar 1671, derwaards gezonden werdt, om den voorigen Commandeur af te lossen. Doch naderhand werd deeze Volkplanting door een vaste Commandeur bestierd, dien men eenen Raad van vyf of zes Persoonen, tot zyne hulpe, toevoegde. Een Schipper, diestyds in de Rivier komende, had mede zitting in den Raad.

Van de Gebeurtenissen deezer Colonie, in de eerste tyden, kunnen wy niet veel zeggen; dewyl dezelve in eigendom aan Byzonderen toekwam, die zich voornaamelyk op het planten van Suiker, Tabak en Rocou toeleiden: waarom weinig zaaken van belang tot onze kennisse zyn gekomen.

Alleen vinden wy, dat de Engelschen, in den Jaare 1665, na het inneemen van Suriname en Essequebo, een' aanslag op de Berbice hebben ondernomen, en met een Bark van tien of twaalf stukken Kanon, een aanval deeden op het Fort, veertien Mylen de Rivier op gelegen, en Nassau genaamd, 't welk van Houten Palissaden was opgerecht: doch zy werden manhaftig afgeslagen.

Vervolgens vondt de Commandeur Abraham Crynsse (die, in den Jaare 1666, uit Zeeland gezonden werdt, om Suriname, Essequebo,

[p. 294]origineel

en Poumeron weder in bezit te neemen, gelyk hem ook gelukte, en wy onder Suriname nader zullen verhaalen) aldaar, als Commandeur, eenen Matthys Bergenaar, die (gelyk wy reeds hebben aangetoond) de Colonie van Essequebo den Engelschen, ontweldigde, en in handen van den gemelden Commandeur Crynsse stelde, onder betaaling der by hem gedaane kosten. Deeze Colonie scheen toen al een goeden opgang te maaken, en redelyk bevolkt te zyn; dewyl aldaar, op den 5den April van dat Jaar, door Dominus Abraham Westhuizen, reeds elf Kinderen van drie Jaaren, en daar onder, gedoopt werden: zynde daar toen vyf Plantagiën.(a)

In de Maand November 1673, ontstond 'er een Opstand onder de Soldaaten, veroorzaakt door den Constapel Dirk Rosenkrans, die misnoegt was over de vermindering der randzoenen, waar toe de Commandeur genoodzaakt wierdt, vermids, door den zwaaren Oorlog, die, in dien tyd, ons Land trof, aldaar in geen zeventien Maanden een Schip was aangekomen, want het Schip de Eendracht Schipper Erik Rochusse, dat ter Kaap toegerust en derwaard bestemd was, ontmoette op zyne reize een Engelsch Oost Indisch Schip, het welke hy op de Elve veroverde en te Bergen in Noorwegen opbragt. Deeze Opstandmaakers smeeten den Commandeur in de gevangenisse, en verkooren eenen nieuwen uit één der Raden: doch, in January 1674, kwamen 'er twee Scheepen aan, medebrengende eenen anderen Commandeur, voor den tyd van één Jaar; waar op de voorgaande uit zyne gevangenisse wierdt ontslagen, en als Passagier, op een van die Schepen, na 't Vaderland te rug keerde.(b)

Omtrent deezen tyd schynen 'er eenige verschillen gereezen te zyn, tusschen de Heeren van Peere en Bewindhebberen der nieuw opgerechte Westindische Compagnie; welke echter bygelegd werden: neemende gemelde Eigenaars, op den 14 September 1678, deeze Colonie tot een erflyk leen van de Westindische Compagnie op de volgende Voorwaarden over.

[p. 295]origineel

Extract uit het Register, der Resolutien van de Ed: Achtbaare Heeren Bewindhebberen van de Geoctroyëerde Westindische Compagnie ter Vergadering van Thienen.
Mercurii den 14den September 1678.

Zyn ter vergadering voorgebragt en geleezen de Articulen en Conditien van de uitgave der Colonie aan Rio de Berbice tot een Ontsterflyk Erfleen voor de Heer Abraham van Pere, en zyne nakoomelingen; waarop Gedelibereert zynde, is goetgevonden en verstaan dezelve Articulen en Conditien mits deezen te Approbeeren en te Arresteeren, in maniere zoo als die hier onder van woorde tot woorde staan geinsereerd.

Articulen en Conditien waarop de Heeren Gecommitteerde Bewindhebberen uit de Respective Kameren van de Generaale Geoctroyeerde Westindische Compagnie der Vereenigde Nederlanden, onder de Authoriteit van de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal derzelver Landen, hebben uitgegeven tot een leen aan den Heer Abraham van Pere de Colonie gelegen op de Rivier genaamt Berbice aan de vaste Kust van America op de hoogte van zes Graaden benoorden de linie AEquinoctiaal.

De voornoemde Colonie met alle de aankleeven van dien Superfice, Mineralen, Bosschagien, Rivieren, Fonteinen en wat dies meer zy, zal by den voornoemden Heer van Pere zyne Erven en Nakomelingen, geduurende den tyd van het Octroy der gemelde Compagnie, en over zulks tot den Jaare 1700. inkluys: werden gehouden van dezelve Compagnie als een Ontsterflyk Erfleen, met alle zyne Regalen en toebehooren, Hooge, Middelbare en Laage Jurisdictie, Tienden, Visseryen en Maleryen, te verheergewaaden, zoo meenigmaalen als het zelvige op een ander persoon overgaat, met 20 ponden tot 40 groote ieder pond, waar van de betalinge ten behoeve van de voorsz: Generaale Compagnie geschieden zal in de Kamer van Zeeland tot Middelburg.

[p. 296]origineel

De voornoemde Heer van Pere zyne Erven en Nakomelingen, zullen onder den Titul van Patroonen der voorsz: Colonie bezorgen, bestellen en uitvoeren al het geen 't welk tot Conservatie van dien, mitsgaders tot onderhoudinge van goede Ordre, Politie en Justitie agtervolgens de Wetten en Costumen deezer Landen zal werden gerequireerd, voornamentlyk zullen dezelve besorgen dat de waare Gereformeerde Christelyke Religie, binnen het District van de voorsz: Colonie werde geoeffent en voortgezet als naar behooren.

Waar toe des te raaden wordende aanstellen zullen, een bequaam Herder en Leeraar en denzelven alvoorens hy derrewaarts gaat, presenteeren, aan een van de Respective Classen in Holland, Zeelant, Stadt Groningen en Ommelanden of elders, omme tot de Exercitie van het Predikampt en de dependentien van dien Gequalificeerd te worden, agtervolgens, en in Comformiteit van de order der Kerken.

Zullen op Naame en Authoriteit van haar Hoog Moogende en de gemelde Comp: vermogen te maaken, Contracten Verbintenissen, en Alliancien met de Naturellen aldaar te Lande, mitsgaders Fortressen, en Verzeekertheeden te bouwen tot haaren defentie en bescherminge.

Wanneer en zoo meenigmaalen het gebeuren zal, dat den voornoemden Heer van Pere zyne Erven en Nakomelingen Schip of Scheepen naar de voorsz: Colonie, komen aftezenden zullen zy luyden gehouden zyn, daar van alvorens aan de opgemelde Compagnie kennisse te geeven, en te verzoeken voor ieder Schip een Acte van Commissie ofte Hout en Zout-brief dewelke, aan haar dien volgens verleent zal werden, mits stellende suffisante Cautie van niet te zullen bevaren nogte te doen bevaren eenige plaatsen onder de eerste Classe begreepen, en oversulks aan dezelve Compagnie privativelyk met Seclusie van alle anderen geconcedeert.

Tot Redemptie van de vyf Guldens pr. Last die de voorsz. Comp. bevoegt is te trekken, en te heffen, van de Scheepen varende op de voorsz. Colonie over uytgaan en inkomen, resp: mitsgaders van de Vylgelden en voorts generalyk van alle Lasten en Recognitien, dewelke dezelve Compagnie zoude konnen of mogen pretendeeren zo ter oorsaake van de uytgaave dezes Leens, als van de daar by gegevene concessie aan den voor-

[p. 297]origineel

noemden Heer van Pere zyne Erven en Nakomelingen, omme dezelve Colonie, na haar welgevallen te mogen bevaren en behandelen, zullen zy Luyden geobligeert weezen voor yder Schip, 't welk derwaarts gaan zal 't zy kleyn of groot zonder distinctie of onderscheyt te betalen aan en ten behoeve van de voorgedagte Compagnie, een Somma van vyfhondert vyf en zeventig Caroli Guldens eens zonder meer.

Zullende de betalinge van de voorsz. Somme moeten geschieden in naar-volgende manieren, namentlyk twee hondert Guldens benevens de Extraditie van de voorsz. Commissien ofte Hout en Zoutbrieven en over zulks eer en alvoorens, den voornoemden Heer van Pere, zyne Erve en Nakomelingen hare Scheepen 't zy eygene of gehuurde zullen vermogen te laten uytgaan, en de resteerende drie hondert en vyfenzeeventig Guldens, zoo haast de voorsz. Scheepen weeder in deeze Landen zullen weezen, gearriveert eer en alvoorens, dezelve werden ontladen.

Ende zullen den voornoemden Heer van Pere, zyne Erven ende Nakomelingen, geene Goederen ofte Koopmanschappen in de Scheepen, dewelke by hen naar de voorsz. Colonie Successivelyk zullen afgezonden werden, vermogen te laden, ten zy daar toe alvorens hebbende geimpetreert behoorlyke Pascedullen van de opgemelde Comp. ter Kamere, van waar dezelve Scheepen zullen koomen uyt te vaaren, en houdende Specifique Designatie van de voorsz. Goederen ofte Koopmanschappen, gelyk meede egeene Retour Waaren nogte andere Goederen, by wederom komste van de voornoemde Scheepen daar uit zullen mogen gelost ende ontladen werden, ten zy op behoorlyke Pascedulle van dezelve Compagnie inhoudende designatie als vooren.

By aldien in tyden en wylen het kome te gebeuren dat in de voorsz: Colonie eenige Negros ofte Swarte Slaven werden gerequireert, zo zal in alzulken gevallen de gemelde Comp. dienthalven wesende verwittigt, dezelve Colonie daarvan provideeren, tot zodanigen redelyken prys, als men onderling verdragen zal.

Welverstaande nogtans dat in de voorsz. gevalle den voornoemden Heer van Pere zyne Erven en Nakomelingen als Luyden met eere komen te verklaren de voorsz: Negros ofte Swarte Slaven nergens anders te zullen vervoeren nogte te employeeren als in en aan de meergemelde Colonie.

[p. 298]origineel

Waarop Mevrouwe Johanna Schorer, laatste Weduwe en Erfgenaam van den Heer Abraham van Rhee, en hertrouwd met Cornelis Demetrius, Predikant te Middelburg, een Request aan hun Hoog Mogenden deed inleveren, tegens Abraham van Peere de Jonge, ten einde te gedoogen, dat voorsz: Demetrius zou werde gesteld voor een vierde part in de bezitting van de Colonie van Berbice, als haar aanbestorvene aandeel in de Ervenisse van gemelde Abraham van Rhee: gelyk hun Hoog Mogenden dan ook, by een Vonnis dato 24 January 1681, den gemelden Demetrius, nomine uxoris, gerechtigd verklaarden tot de verzochte Bezitting: waarom het verleende Octroy aan van Peere voor een vierde werd ingetrokken, en aan voornoemde Demetrius op dezelve Voorwaarden verleend.

Deeze Voorwaarden zyn den 14den December 1703, met goedkeuring van hun Hoog Mogenden, vernieuwd.

In den Jaare 1684, is aldaar Commandeur geweest de Heer Lucas Coudrie, een Man die met veel yver en bekwaamheid deeze Volkplanting heeft geregeerd, het Fort Nassau wederom, volgens de nevensgaande Tekening (waar van de Origineele nog onder zyn Familie berust), heeft doen opbouwen, en ook naderhand, naamelyk in 1689, als Capitein in Suriname, zich tegen de Franschen overal manmoedig heeft gedraagen.

In den Oorlog met Vrankryk, in den Jaare 1689, kwamen de Franschen met eenige Schepen, uitgezonden van het Esquader van den Heer du Casse (welke te vergeefsch de Colonie van Suriname had aangetast), in de Rivier de Berbice, alwaar zy eenig Volk aan Land zetten, en sommige Plantagiën verwoestten: doch zy werden eindelyk, door een Brandschatting van omtrent twintig duizend Guldens die hen, in een' Wisselbrief op de Eigenaars der Volkplanting te Vlissingen moest voldaan werden, te vrede gesteld, waar op zy weder vertrokken. Deeze Brandschatting is echter niet betaald, wyl de Heer van Scherpenhuizen, Gouverneur van Suriname, in dat zelve Jaar, eenige Franschen van het gebleevene Fransch Oorlogschip gevangen gekreegen hebbende (gelyk wy onder Suriname breeder zullen verhaalen) dezelve ontsloeg, onder voorwaarde en goede verzekering nogthans, dat zy zouden vernietigen alle zodaanige Wisselbrieven als de Commandeur van de Berbice, over geeischte Brandschattinge, op den Heer van Peere, ten voordeele der Franschen getrokken had, ne-

[p. t.o. 298]origineel



illustratie

Het Fort Nassau in Berbice Anno 1682.


[p. 299]origineel

vens vergoeding daarenboven van omtrent vyf of zes duizend Guldens aan Suikeren, die in de Rivier van Berbice, ingevolge van de bedongene Brandschatting, door ordre van den gemelden Commandeur aan boord van de Fransche Schepen waren gebragt en geleverd(a).

Een ongelukkig Lotgeval trof deeze Colonie, op den 8sten November des Jaars 1712, wanneer zy weder door de Franschen, onder het beleid van den Baron de Mouans, met een Schip en eenige kleine Vaartuigen, ter Kaap uitgerust, van het Esquader van den Heere Jacques Cassart, (waar mede hy Suriname ook had gebrandschat) aangetast werd, na dat door een Zwitzer, die zy in Suriname gevangen hadden, hen de toestand der Colonie was ontdekt. Het Fort Nassau werdt door hen, vier dagen achterëen beschooten en gebombardeerd: in welken tyd 'er wel honderd en zestig Bomben op geworpen waren. Men besloot toen tot voorkoming van den geheelen ondergang der Volkplanting, dezelve te randzoeneeren, op den 8sten December 1712, voor drie honderd duizend Guldens, welke ter somma van een honderd achttien duizend vier en twintig Guldens en veertien Stuivers betaald werden in Slaaven, Suiker, Cargazoen-goederen, Lyftocht, en een Bark; en voor het overige Wissels ter somme van een honderd een en tachtig duizend negen honderd vyf en zeventig Guldens en zes Stuivers, ten lasten der Heeren van Peere, als Eigenaars: getrokken door den Commandeur Steven de Waterman en alle de Raaden, op zes Maanden zigt, aan de ordre van de Heer Mouans: neemende de Franschen tot Gyzelaars, voor de voldoening der Wisselbrieven, mede de twee jongste Raaden Gerard de Veerman en Hendrik van Doorn: waar van de eerste nog in Westindiën, en de tweede te Toulon overleedt(b).

Bovendien, vorderde de Franschen nog tien duizend Guldens tot vry-kooping van Plundering als anderszins; welke somme aan hen mede betaald werdt: gelyk het een en ander omstandig blykt uit de volgende Copy van de eigenhandige Brief, diestyds aan de Heeren van Peere door de Regeering van Berbice daar over geschreeven, luidende woordelyk.

[p. 300]origineel

Aan de Edele Groot Achtbaare Heeren Johan en Cornelis van Peere, Patronen der Reviere en Colonie Berbice,

Edele Groot Agtbaare Heeren,

 

Met leedwesen moeten d'Edele Heeren Patronen bekent maaken, dat wy het ongeluk in U Ed. Colonie gehad hebben van het bezoek van den Heer Baron de Mouans, welke gedetacheert was van Suriname den 2den November 1712, van Monsieur Cassart Commandant van een Esquader Franse Oorlogscheepen die Suriname hadden doen Contribueeren.

Den 8sten November 1712, is den Baron de Mouans, met drie Barquen en eenige dubbele Sloepen, drie Mortiers en 600 Man Koninglyke Troepen de Riviere ingekomen, en den 9den dito zynse de Brandwaght gepasseert die wy by gebrek van Volk verlaten hadden; den 10den dito zynse op de Hooft-Plantagie gearriveert en hebben aldaar Postgevat, nademiddag quamen eenige in 't Savaan van de Hooft-Plantagie tot in 't gezigt van 't Fort, en naar dat zy gerecognosseert hadden zyn weder vertrokken.

Den 11den November zynse koomen Campeeren agter den hoek van 't Reek naar beneden haar daar begraven, en in de Bocht haar Mortieren geplant, tegen den avond isser een Officier van den Baron de Mouans, aan het Fort gekomen uit naam van den Baron, om te vraagen of wy ons gewillig wilde overgeeven aan de Baron de Mouans, of zo niet, dat zy ons met Bomben souden dwingen en als dan alles ruineeren en verbranden, waarop wy antwoorden, van haar voornemens aftewagten, doen syde hy dat wy des avonds de Bomben mogten verwagten, zyn afscheid neemende vertrock naar het Campement; 's avonds ten 7 Uuren begonnen Bomben te Schieten tot den 12den dito nademiddag 4 Uuren tot 19 in 't getal, waar van verscheyden recht boven het Fort in de Lugt sprongen en veel stukken in het Fort vielen, zy hebben des nagts nog twee Mortieren uit de Barquen of Gaillots en den 13den November nademiddag ten 4 Uuren weder Bomben Schoten uit drie Mortiers gelyk, waar meede zy in den

[p. 301]origineel

tyd van 24 Uuren, 128 Bomben Schoten waar van eenige in 't Fort zyn gevallen, waar van een brand in het Fort veroorzaakt wierd, het grootste gedeelte zyn digt aan het Fort gevallen, ook tegen de Palisaden en verscheyde boven het Fort in de Lugt gesprongen, waar van Gerlof Jansen doodelyk wierd gequest, en de Sergeant Hans Michiel Schotlinder dood geslagen, den 14den dito des avonds is den Vyand agterom boven 't Fort gekomen en bezet, zy hebben tot lydsman (of Gidze) gehad Francois Tirol, die over twee en een half Jaar hier uit U Ed: dienst is gegaan, en maakt haar alle wegenen gelegentheeden bekent, waardoor genootsaakt waren om alle schaden voortekomen van Ruineeren en Verbranden der heele Colonie de Chamade te slaan om stilstand te versoeken tot des anderen daags morgens, te 7 Uuren is de Majoir van de Troupe in het Somerhuysje in 't Hof gekomen, van onse zyde is den Heer Laurens de Feer met Sr. Hendrik van Doorn, en Martinus van den Berge als Tolk gegaan, te samen gekomen zynde sy de Majoir dat wy gelukkig waren dat wy de Chamade geslagen hadden, hem wierd gevraagt waarom, hy antwoor de dat sy nu vaste grond en point gekreegen hadden, en Bomben konden Schieten waarzy wilde, voor eerst sy de Majoir dat hy order had van zyn Commandant, om te zeggen, dat den Baron de Mouans in 't Fort wilde komen, om de Heer Commandeur mondelyk te spreeken, 't welk wy gesamentlyk hebben moeten toestaan, dewyl hy anders geen Accoord wilde maaken, omtrent 10 Uuren 's morgens denzelven dito in 't Fort gekoomen zynde, liet eenige Troupen binnen koomen meer als zyn Wacht, waar tegen de Heer Commandant syde niet te willen verstaan datter zoo veel Volk in 't Fort zoude komen, waar op de Baron antwoorde dat hy te vreede was weder uit te gaan en naar zyn Campement te trecken, vermits wel zag dat hy onsgenoegsaam met Bomben dwingen konden, en wy hem de minste schade niet konde doen, alsoo wy maar by de gisse konde schieten, waar door wy zyn wil hebben moeten toestaan, dewyl hy met Bomben voor ons te magtig was, doen wilde de Baron dat wy onze Prince Vlag souden inneemen, om zyn Franse Vlag op te hyssen, waar tegen de Heer Commandeur syde zulks niet wel toe te konnen staan, waar op de Baron antwoorden dat die twee Vlaggen malkander niet konnen

[p. 302]origineel

verdraagen en dat wy onse moesten inneemen, of anders zoude weder op nieuws beginnen, soo dat wy gepersuadeert syn geweest tot ons leet weezen zulks toetestaan.

Den 16den dito zyn wy by malkander gekoomen om wegens Accoort te spreken, den Baron syn Eysch was ses tonnen Goudt voor 't bevryden van het Fort en de ses Plantagies, en naar twee maalen daar over geseeten te hebben, zyn wy veraccordeert voor de Somme ƒ300000:- Hollands Geld, mits te betalen in 160 bequame Mans Negros, en 89 Negrinnen: waar onder begreepen de klyne Kinders die suygen, nog 18 Negros Jongens van 10 à 12 Jaar oud gereekent op ƒ111:-:- ieder Jongen: maar wy maar gelevert hebben,

 

te weten:

153 Mans Negros, en 91 Negrinnen à ƒ300 ider ƒ73200:-:-
15 Negros Jongens, van 10 à 12 Jaar à - 111 - - 1665:-:-
  ---------------
  ƒ74865:-:-
Ook hebben volgens Accoort moeten Leveren 734 Oxhoosden en een Tiersje Suyker à ƒ30:-:-: ƒ22040:-:-
Nog hebben wy met Mondkosten en Winkelgoed afgemaakt. ƒ31118:14:-
En het resteerende in Wissel op U Ed: getrokken. ƒ181975:6:-
  ---------------
  ƒ300000:-:-

En dewyl den Baron Ostagiers wilde hebben soo is door Commandeur en Raaden goedgevonden dat Sr. Gerard de Veerman en Sr. Hendrik van Doorn mede zoude gaan tot dat den Wisselbrief van U Ed: geaccepteerd sal zyn, dewelke op zes Maanden geschreeven is.

Ook isser door Commandeur en Raaden goed gevonden dat de Ostagiers haar Vrouwen op de Plantagie Oostersout en nieuw Vlissingen, Meester sullen blyven, tot der tyd dat haar Mans weder zullen komen en men sal een goed Man tot Opziender by haar stellen wy hoopen het U Ed: aangenaam sal syn.

Boven de gemelde Somme van ƒ300000:-: hebben eerst moeten

[p. 303]origineel

betaalen, om bevryd te zyn van Plunderen en andere Insolentien een Somma van ƒ10000:- het geene zy Contant wilde betaalt wesen, wy hebben haar met volgende voor die Somma van ƒ10000:- voldaan.

Aan Contanten Goud of Zilverwerk, zoo veel alser van de Heer Commandeur en Raaden is konnen te wegen-brengen om haar te vreeden te stellen ƒ5138:1:-
Aan Casgeld. ƒ956:11:-
Aan Winkelgoed ƒ2947:13:-
Aan ses Oxhoofden Suyker ƒ180:-:-
  -------------
  ƒ9222:5:-

Aan een Slavin van het Fort die met haar Kind, weggeloopen was die voor de somme van ƒ400: - hier aangenomen hebben, welke Slavin in de Missive met d'Ostagiers medegegeven niet gemelt is alsoo wy den 8sten December 1712, tot nademiddag drie Uuren nog geen uitkomst sagen, om van haar ontslagen te werden, egter ten 9 Uuren des avonds vertrokken soo dat door haast vergeten was ƒ400:-:-
't Resteerende is voor een Oxhooft Zuyker, Fustasis en andere Klynigheeden afgereekent ƒ377:-:-
  -----------
  ƒ10000:-:-

Wy bidden en smeeken de Edele Groot Achtbaare Heeren de Wissel, dog ten eersten gelieft te Accepteeren op dat de Ostagiers die tot behoud van Land en Luyden haar met den Baron de Mouans na Toulon begeeven hebben, om dat zy by U Ed: mondelyk verslag mogen doen en in vreede weder tot ons mogen keeren.

Soo lange de Franschen in het Fort zyn geweest hebben ons van alles meester gelaten en de Sleutels van alles laten houden, en ons Posten naar ons goeddunken laten bezetten, zy hebben volgens afspraak een Waght van 20 Man in 't Fort gehad en hebben geen insolentie bedreven, maar hebben alles wat haar benoodigt was, ons gevraagt en op reekening aange-

[p. 304]origineel

noomen, aangaande mondkoste hebben wy haar moeten furneeren zo lang zy hier waaren.

Daar zyn nog tussen 2 à 300 Oxhoofden Suyker blyven leggen ook staan de Velden God dank zo schoon als ooit gestaan hebben.

Deeze hier mede eindigende zo willen wy de Edele Groot Agtbaare Heeren nevens haare waarde Families beveelen in de genadige protectie des Allerhoogste en wy zullen alle tragten te blyven:

 

Groot Agtbaare Heeren,

 

U Ed: Onderdanige Dienaars;

 

was geteekent

 

Op het Fort Nassau, in Rio de Berbice, den 2den January, 1713.

Steven de Waterman,
Laurens de Feer,
M. Heyn,
Claas Ras,
A. Tierens.

Inmiddels weigerden de Heeren van Peere de aldaar getrokkene Wissels te voldoen, en lieten dezelven, op den 12den May en 17den November 1713, protesteeren; waarop de Colonie aan de Franschen werdt over-gelaaten, ingevolge de Acte op den 13den September 1713, door den Notaris Paulus van den Ende, en getuigen binnen Amsterdam, aan de Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts geinsinueerd: waarop na het sluiten der Vrede te Utrecht, de Franschen door eenen Joseph Maillet, als magt hebbende van de Geinteresseerdens in de Armade, de Colonie de Berbice hebben getransporteerd, op den 24sten October 1714, aan Nicolaas en Hendrik van Hoorn, Arnold Dix, en Pieter Schuurman, voor een Somme van een honderd en acht duizend Guldens, volgens de nevenstaande Cessie en Transport, in dato 24 October 1714.

[p. 305]origineel

Acte van Cessie en Transport der Colonie de Berbice, door Joseph Maillet qqa. aan de van Hoorns &c.&c. dato 24 October 1714.

Op heden den 24sten October 1714. is voor my Philippus de Marolles, Openbaar Notaris by den Hove van Holland geadmitteerd te Amsterdam residerende en in presentie van de nagenoemde Getuigen, persoonlyk Gecompareert, de Heer Joseph Maillet van Marseille, thans binnen deze Stad my Notaris bekent, Directeur en mede geinteresseerde voor een vyfde deel in de helft in de Equipagie van het Esquader van den Koning van Vrankryk gecommandeert door den Heer Jaques Cassart; daarenboven de gemelde Heer Joseph Maillet als gemagtigde van de gedachte Heer Cassart geinteresseerd voor de helft in de gezegde Equipagie, als mede van den Heer Jan Dieu, Ridder van de order van St. Marcus, zo in zyn naam als Directeur en geinteresseerde voor een vyfde in de andere helft van gemelde Equipagie en als gemagtigde van de Heeren Michiel Glaise, Nicolaas Guitton, Roussel en Compagnie, mede Directeurs en geinteresseerdens, ieder voor een vyfde van de gezegde helft van de voornoemde Equipagie, volgens Acte op den 8sten October 1714. voor de Koninglyke Notarissen Tribou en Langlois te Fontainebleau gepasseerd, en aan de minute dezes geannexeerd om te dienen na behooren; dewelke gezegd en verklaart heeft te cedeeren, over-tegeven, en te transporteeren, zo als hy cedeert, overgeeft, en transporteert door dezen, zonder in eenige vrywaring gehouden te zyn, aan de Heeren Nicolaas van Hoorn, Hendrik van Hoorn, Arnold Dix, en Pieter Schuurman, alle Kooplieden woonende binnen deze Stad, mede present en accepteerende een Wisselbrief van honderd een en tachtig duyzend negen honderd vyf en seventig Guldens en zes stuyvers Hollands Courant Geld, door de Gouverneur, voornaame Officieren en Raaden van de Colonie de Berbice in dato 8 December 1712 getrokken op de Heeren Jan en Cornelis van Pere tot Vlissingen, Eigenaars van dezelve

[p. 306]origineel

Colonie, betaalbaar zes Maanden na zigt aan de ordre van den Heer Baron de Mouans, welke zig met een detachement Troupes van 't gemelde Esquader van gedachte Colonie had meester gemaakt, tot volkomen betaaling van de Brandschatting van die Colonie, welke Wisselbrief de gemelde Heeren van Pere geweigert hebben te accepteeren en te betaalen, ingevolge de protesten dien aangaande gedaan op den 12den May en 17den November 1713. door de Notaris Pieter Huyghe en Getuigen te Vlissingen; hebbende de gemelde Heeren van Pere de gemelde Colonie en aankleeven van dien overgegeeven, aan de genoemde Reeders voor de betaaling van de gezegde Wisselbrief, ingevolge Acte den 23sten September 1713, door den Notaris Paulus van den Ende en Getuigen binnen deze Stad aan de Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts, correspondenten van de gemelde Reeders, geinsinueert, met verband van goede en opregte rekening te zullen doen van het beloop der twee ladingen Suiker, welke zy uit de Berbice naar zig genomen hebben na het verdrag van rantsoeneering, zig rembourseerende voor 't montant van 't geen zy voorgeven met de gemelde Scheepen na meergemelde Colonie te hebben gezonden. Zynde deze Cessie en Transport geschied voor en mits betaalende eene somme van honderd en agt duyzend Guldens Hollands Courant Geld, alles voor rekening en risico van de voornoemde Heeren Koopers, zonder dat de gemelde Heer Maillet of de andere geinteresseerdens in de gemelde Reedery, in eenige vrywaaring of restitutie van penningen ten aanzien van de gemelde Heeren Koopers, zo als gezegd is, zullen gehouden zyn; zynde zulks by een byzonder verdrag alzo beslooten: zonder dat om geenerhande reeden of praestext hoe ook genaamt de gemelde Heeren Koopers arrest of beslag mogen leggen op de gemelde Kooppenningen; en alzo de gemelde Heeren Koopers beducht zyn, dat de Franschen, sedert dat den Heer Baron de Mouans, met zyn Esquader van daar vertrokken is, weder derwaarts zyn gegaan, om gemelde Colonie te plunderen en te verwoesten, is verstaan; dat indien zulks mogte gebeurd zyn, de gemelde Koopers hun recours op en jegens de gemelde Reeders van den Heer Cassart zullen hebben, om zig te doen betaa-

[p. 307]origineel

len het montant van de effecten door de gezegde Franschen weggenomen, volgens rekening, welke daar van gemaakt zal worden, door de Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts, Kooplieden binnen deze Stad, op de bescheiden en overtuigende bewyzen, welke aan dezelven overgelegt en gegeven zullen worden, na dat de gemelde Heeren Reeders van de Heer Cassart, daar van behoorlyke kennisse zal zyn gegeven, en anderszins niet, welke bewysen door de Heeren Koopers binnen de tyd van zes Maanden na dato dezes zullen moeten geschieden, na welke tyd alle pretentien zullen cesseeren. Mids welke betaaling van bovengemelde Somme van honderd en agt duyzend Guldens, de gemelde Heer Maillet, aan de gezegde Heeren Koopers, cedeert alle de Rechten, Hipotheeken en Preferentien, welke de gezegde Heeren Reeders hebben op en tegens de Heeren Jan en Cornelis van Pere, zo voor hen als hunne mede geassocieerden, op de gemelde Colonie de Berbice en aankleven van dien, als ook op de twee gezegde Ladingen Suiker, van welke Colonie de meergemelde Heeren Koopers, naar goedvinden possessie kunnen neemen, ten dien einde dezelven in haare plaats surrogeerende, op de beste wyze en forma doenlyk door dezen zonder eenige reserve. Consenteerende de gemelde Heer Maillet in name als voren, dat de Heeren Koopers, voorfz. Somme van honderd en agt duizend Guldens zullen mogen betaalen, by het tekenen dezes aan de gemelde Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts, om door dezelven gehouden te worden, ter dispositie van de Heeren Ridder Dieu, de Glaise en Compagnie te Marseille, welke betaaling aan de gemelde Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts geschied zynde de gemelde Heeren Koopers behoorlyk geacquitteerd zullen zyn. Bekennende de gemelde Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts mede Compareerende de gemelde Somme van hondert agt duysend Guldens ontsangen te hebben, ten dien einde de meergenoemde Wisselbrief te endosseeren aan de gemelde Heeren Koopers, als de waarde contant van hen te hebben ontsangen; gelyk de Heeren Koopers meede bekenden in hun bezit genomen te hebben, de stukken en documenten meergemelde Wisselbrief concerneerende en Cessie gedaan door de Heeren

[p. 308]origineel

Jan en Cornelis van Pere van de genoemde Colonie de Berbice, ingevolge den Inventaris daar van gemaakt en onderteekent door de Heer Maillet en aan de minute dezes geannexeerd.

‘Eindelyk beloofde en verbond zig de gemelde Heer Maillet in name als vooren, den Gyzelaar te Toulon te zullen ontslaan, zonder van denzelven of van de Heeren van Hoorn, Dix, en Schuurman, sedert het gebeurde tot heden toe, iets te pretendeeren voor Alimentatie of andere Onkosten. Consenteerende hier van Acte.

‘Aldus gedaan en gepasseerd binnen Amsterdam in presentie van Blaise Marin, Willem Swart en Nicolaas Pullen, myne Clercquen, als Getuigen, dewelken de minute nevens de Heeren Comparanten en my Notaris hebben ondertekent.

 

Accordeert met de Minute berustende in de Registers van my Notaris.

 

Was getekent.

 

P. de Marolles, Notaris Publicq.

 

‘Wy onder geschreeven Michel Glaise, Nicolaas Guitton en Jan Baptist Roussel voor my en myne Compagnons, Kooplieden te Marseille, verklaaren by dezen nagezien en geleezen te hebben, het Contract van Cessie en Transport hier voren geschreven, het zelve te approbeeren en ratificeeren by dezen, begeerende en consenteerende dat het zelve volkomen effect sorteere. Tot naarkoming en uitvoering van welke verbinden wy onze Persoonen en Goederen, presente en toekomende, dezelve stellende ten bedwang van alle Rechten en Rechters. In kennisse der waarheid hebben, wy deze Acte van Ratificatie getekend tot Marseille den 6den November 1714.

 

Was getekent,

 

Michel Glaise, Roussel en Compagnie, Guitton.

[p. 309]origineel

‘Wy Schout, Schepenen, Luitenants des Konings, Regeerders der Stad Marseille, Raadsheeren des Konings, Lieutenant Generaal van de Politie, Bewaarders en Beschermers der Privilegiën, Prerogativen en Vryheden der gemelde Stad, Certificeeren en Attesteeren eeneniegelyk dien het concerneerd, dat de Heeren Michel Glaise, Roussel en Compagnie en Nicolaas Guitton, welke hier voren geteekend hebben, de Directeurs en Reeders zyn van het Esquader Konings Schepen voorheen gevoert by den Heer Cassart in zyne laatste Expeditie na de Berbice, Curacao en andere plaatsen. Des ten oirkonde hebben wy deze ondertekend en dezer Steede Zegel hier op doen drukken, gegeeven te Marseille den 7den November 1714.

 

Was getekent,

 

Beau, Jouvenc, Durand.

 

Welke overgaaf door den Koning van Vrankryk is goedgekeurd: en door de Heeren van Peere, cum Sociis is geabandonneerd, en voor zo veel des noods aan de Heeren van Hoorn &c. gecedeert, volgens bygevoegde Acte.

Acte van Abandon van de Heeren van Peere &c. en voor zoo veel noods, Cessie van de Colonie, aan de Heeren van Hoorn &c., dato 28sten Nov. 1714.

OP huyden den 28sten November 1714 compareerde voor my Abraham de Swarte, Openbaar Notaris by den Edele Hove Provintiaal van Holland, Zeeland ende Westvrieslandt geadmitteert, residerende binnen Middelburg in Zeeland, present d'ondergenoemde getuygen, de Heer Mr. Johan van Peere, Oud Burgermeester en Raad der Stadt Vlissingen, de Heer Cornelis van Peere, Heer van Oost- en West Zouburg, mede Raad en Oud Burgermeester der voorsz. Stad

[p. 310]origineel

Vlissinge, jegenwoordig alhier; mitsgaders Vrouwe Susanna Maria van Peere, weduwe wylen de Heer Cornelis Kien, in zyn leven mede Burgermeester der Stad Veere, en Bewindhebberen van d'Edele Geoctroyëerde Oostindische Compagnie ter Kamer alhier, woonagtig binnen deze Stad, en eindelinge, den Heer Mr. Thomas Alexander Konink, Bailjuw der Stad Veere, en mede Bewindhebber van de gemelde Oost-indische Compagnie ter Kamer alhier, mede jegenwoordig binnen deze Stad; alle gewesene eygenaars van de Colonie de Berbice, met wat dies aankleeft, wonende alle in de respective Steden voornoemt, my Notaris bekent, te kennen gevende en verklaarende, dat zynde tot hun Heeren en Vrouwen Comparanten kennisse gekomen, hoe dat door een detachement van een Esquader Fransche Konings Schepen, gecommandeert door Monsieur Cassart, eerst was bemagtigt en daar na ook geranconneert de voorsz: Riviere en Colonie de Berbice, met wat dies aankleeft, zy Comparanten nochtans niet alleen niet hadden goedgevonden te agreëeren de voorsz: ranconneringe en gevolglyk mede niet en hadden goetgevonden te accepteren, en min noch te betalen zoodanigen Wisselbrief van een honderd een en tagtig duysend, negen honderd vyf en t'seventig guldens en ses stuyvers, hollands courant geld, als 'er door Steven de Waterman, Laurens de Feer, M. Hun, Claas Ras, A. Tierens, Gerard de Veerman, en H. van Doorn, uit het Fort Nassau den 8sten December 1712. was getrokken per reste van de geaccordeerde rantsoen penn. op of ten laste van hen Heeren Johan en Cornelis van Peere, ten behoeve van den Heere Baron de Mouans, die het voorsz: detachement had gecommandeert of ordre, zoo als die Wisselbrief, door middel van de successive Endossementen, eerst van den Baron de Mouans, daar na van Sieur Cassart, en laastelyk van Dieu de Glaise en Compagnie aan Sr. van de Cruys, Fils, en Engelberts, of ordre, was gekomen, en overgegaan, en dat zy Comparanten daarom ook zelfs zig dezelve Colonie de Berbice, met wat dies aankleefde niet verders en hadden willen aantrekken, maar dat zy Comparanten dezelve Colonie met alle deszelfs gevolgen en aankleven in tegendeel wel hadden willen abandonneren, en zulks alles ook metter daad hadden afgestaan, en gelaten aan

[p. 311]origineel

en voor den geenen, die uit zaake van de voorsz: Wisselbrief daarop, of daar toe zoude mogen geregtigd zyn.

‘Hebbende zy Comparanten des niettegenstaande echter ook verstaan gefundeerd te zyn, om dien onverminderd op te slaan en te benificeren de respective twee Ladingen Suiker, overgebragt met den Schepe de drie Gebroeders, gevoert by Kapitein Pieter Belle, en den Schepe Bleyswyk, gevoert by Kapitein Andries Maartens, met die intentie en met dat effect, namentlyk om daar uyt weder te vinden den beloop van de Cargasoenen, en behoefte door of van wegen hun Comparanten, na de Berbice gezonden ten tyde als zy Comparanten onkundig waren zo wel van de onderneeming, als van de Rancoeneringe van, of op de Colonie de Berbice voorsz. alles breeder naar uitwyzen (onder anderen) mede van de drie respective Insinuatien en Protesten, op den 23sten September 1713. en den 28sten April 1714. door den Notaris Paulus van den Ende en Getuigen: en op den 27sten January mede des jaars 1714. door den Notaris Philippe de Marolles en Getuigen binnen Amsterdam aan of ten Huize van de Heeren van de Cruys, Fils, en Engelberts, als Houders van de voorsz: Wisselbrief successivelyk gedaan.

‘En dat dezelve Heeren van de Cruys Fils en Engelberts, aan de Heeren Nicolaas van Hoorn, Hendrik van Hoorn, Aarnout Dix en Pieter Schuurman, Kooplieden binnen de Stad Amsterdam, ook weder hadden geendosseert en overgedaan de voorsz: Wisselbrief van een honderd een en tachtig duizend negen honderd vyf- en- zeventig guldens zes stuyvers, en dat ook noch door of van de Directeurs, en Geintresseerdens in de Uitrustinge en Equipagie van het Esquader van Monseur Cassart voorsz: aan de Heeren van Hoorn, Dix en Schuurman was gecedeert en overgedraagen de voorsz: Colonie, met wat dies aankleeft; alles ingevolge van den Contracte op den 24sten October 1714. ten overstaan van den opgemelden Notaris Marolles en Getuigen, opgerecht met Joseph Maillet, voor en wegens de Directeurs en Geintresseerdens, van de voorsz: Equipagie en Uytrustinge van het Esquader, zo gecommandeert is geweest door Monsieur Cassart, en dewyl dezelve Heeren van Hoorn, Dix en Schuurman, vervolgens mede nog het voorsz: abandon zo door hen Comparanten was gedaan, mitsgaders de belofte by

[p. 312]origineel

hen Comparanten mede gedaan, om te verantwoorden de Retouren met de twee voorsz: Schepen te rug gebragt, mits en onder de Reserve van hun Indemniteyt als vooren insgelyks hadden geaccepteert, in der manieren en op de conditien van gelyken breeder uitgedrukt, in en by d'Acte op den 20sten November 1714. gepasseert, en de voorsz: Wisselbrief behoorlyk gequiteerd zynde, aan hun Comparanten geexhibeert en overhandigt, en waar van zy Comparanten ook belooven altoos weder te doen Exhibitie aan de Heeren van Hoorn en Consoorten, daar en zoo zy tegen anderen des mogten oordeelen van nooden te hebben, zoo verklaren zy Comparanten dan ook dezelve Acte van dato den 20sten November 1714. te accepteeren en te acquiesseeren, op en onder de mits en conditien daarby gevoegt en vermeld, en daar beneffens mede voorsz: Wisselbrief ten dien fine en effecte behoorlyk gequiteert hier nevens ontfangen te hebben.

‘Belovende zy Comparanten niet alleen den inhoude van de mitse, en conditien, in de voorsz: Acte van den 20sten November 1714. begrepen, aan de Heeren van Hoorn, Dix en Schuurman; (onder welke Koopers ook voor een geregte vierde part begreepen is onzen Broeder de Heer Cornelis van Peere voornoemt, die ook den Inkoop van het vierde part van de voorsz: Colonie en aankleeven van dien heeft doen betaalen door den Heer Egidius van den Bempden aan de voorsz: Heeren van Hoorn) en hunne Erven, Successeurs en Representanten, als Lieden van eere, altoos en alomme met 'er daad zullen praesteren, maar zelfs ook als nog mitsdezen aan dezelve te abandonneren en des noods te cederen, en af te staan de voorsz: gantsche Colonie de Berbice met alle desselfs ap en dependentien, praerogativen en voorrechtten, niets daar aan of van gereserveert, of uytgezonderd, zulks dat alles het sedert den 8sten December 1712. zal zyn en blyven voor rekeninge en alzo tot schaade en bate van de Heeren Cornelis van Peere, van Hoorn, Dix en Schuurman, mits en onder belofte, ook van hen Comparanten, om deugdelyk aan hun Heeren, Cornelis van Peere, van Hoorn, Dix en Schuurman, te verantwoorden en goet te doen de voorsz: twee Retouren, met de Scheepen de drie Gebroeders en Bleys-

[p. 313]origineel

wyk overgebragt, onder reserve en met kortinge van meergemelte Indemniteyt, tot naarkominge verbonden zy Comparanten hunne Persoonen en Goederen, subject alle Heeren Hoven en Rechteren, en specialyk zoo den Edele Hove van Holland en Zeeland, als den Hogen Rade in Holland, ten Keure van de Heeren van Hoorn en Consoorten.’

 

‘Aldus gedaan en gepasseert binnen Middelburg voornoemt, ter presentie van Andries Arnnot en Bartholomeus van der Wulp als Getuigen hier toe verzogt.

 

‘De Minute dezes is behoorlyk getekent, datum uts: onderstond, Quod attestor.

 

Was getekent,

 

Abraham de Swarte, Notaris Publicq.

 

De Nieuwe Eigenaars bebouwden inmiddels hunne Bezittingen en leiden nog een Suiker- en twee Cacao-Plantagiën aan; doch de grootste zwaarigheid was, om het vereischte getal van Slaaven te bekomen, welke zy gaarne zelven uit Africa wilden haalen, waar tegen de Westindische Maatschappy zich kantte, maar waarin de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal de volgende voorziening maakten.

Extract uit het Register der Resolutien van de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden, houdende de Conditien, wegens den aanvoer van Slaaven &c. tusschen de Heeren Bewinthebberen der Westindische Compagnie en voorige Eygenaars der Colonie de Berbice dato 10 September 1714.

NOgmaals ter Vergaderinge voortgebragt zynde, de Missive van de Heeren Plenipotentiarissen tot de laatste Vreedehandeling te Utrecht,

[p. 314]origineel

geschreven aldaar, den 10den Juny laastleden, geaddresseert aan den Griffier Fagel, rakende de betalinge van zeker Wisselbrief, ter somme van een hondert een en tachtig duisent, negen hondert vyf en seventig guldens ses stuyvers, getrokken uyt de Berbice, op den Heer van Peere te Vlissingen, breder gementioneert onder de Notulen van voorsz: 10den Juny 1714, en daar benevens ten meermalen gehoort, Bewinthebberen van de Westindische Compagnie ter Kamer Amsterdam, als mede Nicolaas van Hoorn en Schuurman, die genegentheyt hadden getoont, omme de voorsz: Colonie de Berbice op redelyke conditien over te nemen, 't zy van de voorsz: van Peere, 't zy van de Franschen, de laatste invasie en rantsoeneringe der voorsz: Colonie uitgewerkt hebbende, of zodanig het zelve best zal kunnen bestaan, mits gerust wordende gestelt, dat dezelven de Slaaven, die zy van tyd tot tyd nodig zullen hebben, mede zekerlyk en op dragelyke Conditien bekomen zullen konnen. Is na voorgaande deliberatie goedgevonden en verstaan dat devoiren aangewend zullen werden, ten eynde de differenten tusschen de Houders van de voornoemde Wisselbrief ter eenre, en de voornoemde van Peere ter andere zyde, uyt zake voorsz: ontstaan; door het een, of ander expedient geprevenieert, of getermineert mogen werden; ende dewyl tot nu toe geen beter expedient voorgekomen is, als dat de voornoemde van Hoorn, en Schuurman, de voorsz: Colonie de Berbice quamen over te nemen, en met de Houders der voorsz: Wisselbrief, wegens dezelve Brief quamen te verdragen, dat dan ook de voornoemde overneminge en verdrag allesints gefaciliteert en bevordert zal werden.

Dat het succes van dien, onder anderen dependerende van de gemakkelykheyt, die de voornoemde van Hoorn en Schuurman ontmoeten zullen tot het bekomen van de nodige Slaaven, en door haar meermalen geinsteert zynde, dat haar gepermitteert moge werden hunne Slaaven directelyk uyt Africa te halen, waar tegens voorgemelde Bewinthebberen zig geopposeert hebben gehad, meergemelde van Hoorn en Schuurman gedisponeert zullen werden omme geen Slaaven op de voornoemde Colonie te gebruyken, of te ontfangen, als dewelke hen door de

[p. 315]origineel

Bewinthebberen der Westindische Compagnie besorgt en gelevert zullen werden.

‘En de welgemelde Bewinthebberen insgelyks om daar in alle mogelyke faciliteyt en yver te adhiberen. Dat dienvolgende zal werden vastgestelt, zoo als vastgestelt werd mits dezen, zoo veel de voorsz: aanvoer van Slaaven, ofte welgemelde Bewinthebberen ter eenre, ofte de voornoemde van Hoorn en Schuurman, voor zig en hunne mede Participanten ter andere zyde zal aangaan.

Art. I.

‘Dat Bewinthebberen van de Westindische Compagnie ter requisitie van de gemelde van Hoorn en Schuurman zullen leveren 250 koppen Ardra, of Angola Slaven, ⅔ Mans, en ⅓ Vrouwen, pieces d'India, en voort van tyd tot tyd zodanig getal Slaven, als dezelve van Hoorn en Schuurman ten dienste van de voornoemde Colonie nodig hebben, ende requireren zullen.

Art. II.

‘Dat de voorsz: eerste 250 koppen gelevert zullen werden op de Berbice, zelfs aan de ordre van gemelde van Hoorn en Schuurman.

Art. III.

‘Dat om het voornoemde getal van 250 koppen ps. d'India ten vollen te kunnen hebben, gemelde Bewinthebberen ten spoedigsten een bequaam Schip zullen equipeeren, en naar Africa zenden, voorsien met zodanige Cargesoenen, als tot de inhandeling der voorsz: Slaaven nodig zullen zyn.

Art. IV.

‘Dat gemelde Van Hoorn en Schuurman, neffens de requisitie, of intekening van Slaaven, zoo voor de eerste, als volgende reysen, gehouden zullen zyn, ter requisitie van Bewinthebberen, zodanige verze-

[p. 316]origineel

keringe, of cautie te stellen, voor de betalinge der Slaaven, als by de voornoemde Compagnie gebruykelyk is.

Art. V.

‘Dat gemelde van Hoorn en Schuurman op het vertonen der Recipissen van de gedaane leverantie aan de Berbice, aan Bewinthebberen tot Amsterdam in contanten betalen zullen de voornoemde eerste 250 koppen, ten pryse hier navolgende, namentlyk de ps. d'India tot 212 guldens 10 stuyvers per stuk, en de Macquerons Slaaven tot 165 guldens mede per stuk.

Art. VI.

‘Dat de Seperatie van de Slaaven, te weten de ps. India van de Macquerons, op de vierde of vyfde dag van de aankomste van het Schip, zal werden gedaan door den Schipper, twee Stuurluyden, en de Chirurgyn van het zelve Schip, wegens de Compagnie, met en nevens een gelyk getal van vier Persoonen, door van Hoorn en Schuurman, of haar ordre daar toe te committeren.

Art. VII.

‘Dat voor de verdere Slaaven, welke de voornoemde van Hoorn en Schuurman boven de voorsz: eerste 250 koppen, by vervolg van tyd nodig hebben, ende requireren zullen, werden betaalt de somme van 250 guldens voor ieder ps. d'India, ofte goede leverbare Slaav, namentlyk 100 guldens per hoofde te Amsterdam, zoo haast het Schip, daar mede dezelve Slaaven ingehandelt zullen werden uyt havens dezer Landen, in Zee gelopen zal zyn, ende de overige 150. mede te Amsterdam in contanten, op het vertonen van de recipisse der leverantie, die daar van aan de ordre van gemelde van Hoorn en Schuurman op de Berbice gedaan zal zyn, ofte wel op zodanige minder beswarende conditien, of prysen, als dezelve Slaaven door de Westindische Compagnie aan eenige andere Colonien, of Personen in der tyd afgelevert zullen werden.

[p. 317]origineel

Art. VIII.

‘Dat de voorsz: Slaaven, welke gemelde van Hoorn en Schuurman boven de eerste 250 koppen als vooren nodig hebben, ende requireren zullen, door Bewinthebberen t'haren risico en kosten gelevert zullen moeten werden aan de Berbice zelfs, ende aldaar aan d'ordre van gemelde van Hoorn en Schuurman.

Art. IX.

‘Dat by aldien gemelde Bewinthebberen onverhooptelyk niet genegen mogten zyn, de voornoemde Slaaven aan de Berbice, als voorsz: is, te brengen, aan de gemelde van Hoorn en Schuurman alsdan vry zal staan, dezelve Slaaven te halen, daar, ende zoo zy best zullen konnen; ende indien eenige equipagies daaromme naar Africa gedaan moesten werden, dat de meergemelde Bewinthebberen alsdan in dien gevalle gehouden zullen zyn, onder eene redelyke recognitie ter moderatie van Haar Hoog Mogende, aan den zelven van Hoorn en Schuurman daar toe de nodige permissie te geven, voorbehoudens aan Bewinthebberen defaculteyt, om het voorsz: Schip met zyne Cargasoenen te visiteren, ende zodanige toesienders, of bedienaars daar op te stellen (dog t'haren kosten) als dezelve in der tyd komen goed te vinden, en voorbehoudens dan ook nog, dat gemelde van Hoorn en Schuurman geen groter getal Slaaven, als boven, zullen mogen inhandelen, als zy aan de Bewinthebberen voor het vertrek van hunlieder Schip van hier zullen opgegeven hebben.

Art. X.

‘Dat tot meerder verzekertheyt van de voornoemde van Hoorn en Schuurman aan d'eene zyde, ende van welgemelde Bewinthebberen aan d'andere zyde, dezelve onderling nader behooren te convenieren over zodanige verdere middelen en poenaliteyten, als dienen zullen, eensdeels, om gemelde van Hoorn en Schuurman gerust te kunnen stellen, dat de successive leverantien van Slaaven, dewelke door de Bewinthebberen aangenomen zullen werden, in der tyd gedaan ende volbragt zul-

[p. 318]origineel

len worden, (fataliteiten en andere onvermydelyke toevallen uytgesondert) ende anderdeels, dat gemelde van Hoorn en Schuurman (het effen bovenstaande IX. Art. alleen exempt) geen andere Slaaven kopen, nog ontfangen zullen, dan van de Westindische Compagnie alleen, en dat het gerequireerde getal Slaaven door derzelver geauthoriseerdens aan de Berbice ontfangen, en de gestelde prys alhier promptelyk betaalt zal werden.

Art. XI.

‘Dat dewyl gemelde van Hoorn en Schuurman verklaart hebben, de voornoemde Colonie de Berbice niet anders te sullen, nog konnen overnemen, als behoudens hare optie, ter eerster aankomste van eene uyt hen, of van derzelver Geauthoriseerdens op de voorsz: Colonie omme de voorsz: Colonie te aan vaarden, ofte ook te laten varen, en aan de Geinteresseerdens wederom af te staan, indien 't hen goeddenken mogte, en het vervolgens gebeuren zoude konnen, dat ter aankomst van de eerste 250. Slaaven aan de Berbice, de voornoemde van Hoorn en Schuurman geen Possesseurs van de voornoemde Colonie quamen te zyn, meergemelde van Hoorn en Schuurman alsdan indien gevalle ongehouden zullen zyn, de voorsz: 250 Slaaven aldaar te ontfangen, en alhier te betalen, en dat in het voorsz: geval meergemelde Bewinthebberen dezelve Slaaven aan hen behouden zullen, en daar van disponeren mogen na henlieden welgevallen.

Art. XII.

‘Dat, indien t'eeniger tyd gebeuren mogte, dat de voornoemde van Hoorn en Schuurman, na dat dezelve de voorsz: Colonie eenmaal anngenomen zullen hebben, t'eeniger tyd genootzaakt mogten werden, dezelve te abandonneren, en hen met hunne Slaven en Effecten van daar te retireren naar eenige Colonie van de Westindische Compagnie, dezelve zulks t'allen tyden vryelyk zullen vermogen te doen, zonder daar voor iets te betalen; voorts ook dezelve effecten en slaaven tot aanlegginge van eenige Plantagies mogen gebruiken, of anders verkopen, en te gelde maken, zoo als zy best zullen kunnen, ten ware Bewintheb-

[p. 319]origineel

beren dezelve goedvonden aan te neemen, ten pryse als dezelve aldaar waardig zullen zyn.

Art. XIII.

‘Dat voor ieder Schip, 't geen door de voornoemde van Hoorn en Schuurman naar de Berbice gezonden zal werden, aan de Bewinthebberen zal werden betaalt de somme van 300 Guldens eens, te weten 100 Guldens op het uytgaan van ieder Schip, nevens de extraditie der Commissie voor het zelve gerequireert, en 200 Guldens als het zelve Schip zal wezen gereverteert, te betaalen voor de ontladinge van dien, zullende de nodige Commissie tot de ontladinge aan de Bewinthebberen verzogt, en door hen gegeven werden, zoo als dat geschied ten reguarde van alle andere Schepen van Suriname, of andere Colonien komende, en zonder dat genoemde van Hoorn en Schuurman gehouden zullen zyn, hunne Suikeren, of andere retouren in eenige van des Compagnies Magasynen te moeten brengen.

Art. XIV.

‘Dat het eerste Schip, 't geen gemelde van Hoorn en Schuurman van hier na derwaarts zullen zenden, voor d'eerste reyse vry zal zyn van de 100 Guldens, welke op het uytgaan betaalt moeten werden, mits gehouden blyvende, de overige 200 Guldens te betalen op 't retour van 't voorsz: Schip, ende voorbehoudens mede, dat, indien de voornoemde van Hoorn en Schuurman ter aankomste van het voorsz: eerste Schip op de Berbice (ingevolge van de faculteyt op het bovenstaande XI. Art. aan hen gelaten) goedvonden, de voorsz: Colonie niet te aanvaarden, en daarop resolveerden, het voorsz: Schip na Curacao, of Suriname te zenden, om ladinge te zoeken, zy lieden alsdan meede gehouden zullen blyven, op 't retour van 't voorsz: Schip te betaalen, zoo veele, als van andere retournerende Schepen van Curacao, of Suriname moet werden betaalt.

[p. 320]origineel

Art. XV.

‘Dat het bovenstaande reglement continueren zal, zoo lang het Octroy van de Westindische Compagnie subsisteren zal, en zoo vervolgens by prolongatie van het jegenwoordige Octroy.

‘Ende zal Extract van de bovenstaande resolutie gezonden werden aan de Bewinthebberen der Geoctroyeerde Westindische Compagnie dezer Landen, en ook aan de voornoemde van Hoorn en Schuurman. Ende zal aan gemelde Bewinthebberen serieuselyk gerecommandeert werden, het vorenstaande te willen inschikken, en naarkomen; als mede aan Haar Hoog Mogende daar van ten allerspoedigsten kennis te geven.

 

F.W. van GENT tot Oldersom.

 

Accordeert met het voorsz: Register.

 

J. FAGEL.

 

Vervolgens zochten zy, in navolging der Spanjaarden, die uit dit Waerelddeel zulke groote Schatten trokken; eenige ryke Mynen te ontdekken; waar toe zy, op den 19den October 1719. een Verdrag met zekeren Jood Simon Abrahams maakten, waar by deeze, zo lang hy in dienst van gemelde Heeren was, een zestiende van het zuivere provenu der Mynen voor zich bedong: doch hy rechtte byna niets uit, en kwam in 1724. weder te rug.

De Heeren Eigenaars bemerkende dat de kosten, om deeze Volkplanting in een' bloeijende Staat te brengen, de magt van zo weinige byzondere Kooplieden te boven ging, en willende haar voordeel doen van den lust hunner Landsgenooten, die, in dien tyd heet waren, op alle nieuwe onderneemingen; beslooten in de Maand September des Jaars 1720. een Maatschappy op te rechten, om deeze Colonie met kracht aan te tasten en te vergrooten, en daar toe een Fonds te maaken van drie Millioen en twee honderd duizend Guldens Bankgeld, verdeeld in zestien honderd Portiën, ieder van twee duizend Guldens, waar in de oude Bezitters voor hen zouden behouden

[p. 321]origineel

vier honderd portiën, en hen daarenboven, tot vergoeding hunner Overgifte, betaald worden achtmaal honderd duizend Guldens, zullende alleenlyk door de Intekenaars vyftig ten honderd betaald worden in acht Termeinen, waar van de laatste voor den eersten April 1724 zoude moeten worden opgebragt.

 

ALzoo de Colonie, genaamt de Berbice, leggende aan de vaste Kust van America, op de hoogte van ses graden benoorden de Linie, tusschen Suriname en Isequebo, zeer uitnemende is gesitueert, en de grond volkomen bequaam tot het cultiveeren van het Suiker Riet, gelyk by Experientie van zeer veele Jaaren is gebleeken, zynde jegenwoordig ses zeer considerabele Plantagiën in een volkomen staat van perfectie, en daar en boven het gewas van Cacao aldaar zo veel eygenschap is hebbende, dat bereyds twee Plantagiën van hetzelve met vrucht zyn aangelegt, gelyk ook den aanqueek van Indigo met de natuur der plaatse zo verre ondervonden is over een te komen, dat daar van al eenige monsters van goede qualiteit alhier zyn overgebragt, ende verder met alle apparentien van succes de culture van Coffy aldaar zoude konnen werden ondernoomen, zynde de Negotie van Orliaan en Catoen al van de eerste oprechtinge der Colonie by de doenmaalige Possesseurs geëxerceert, ende het al mede door de situatie zeker is dat de grond van het beneficie der mineralen geensints kan zyn verstooken; zoo is 't dat de jegenwoordige Eygenaars van de gemelde Colonie met naamen de Heeren Nicolaas en Hendrik van Hoorn, zo voor haar zelve, en nog als last hebbende van d'Heer Cornelis van Pere Heere van Westsouburg, Maria Luyken Weduwe Arnoldus Dix Zaliger en desselfs Erfgenaam, mitsgaders Pieter Schuurman, genegen zynde de voornoemde Planteryen van Suiker en Cacao met alle kragt voort te setten en te vermeerderen, mitsgaders die van Coffy en Indigo door een nieuwe aanlegginge te beginnen, ook om de mineralen aldaar zynde zoo veel doenlyk te ontdekken, tot vindinge van de noodige onkosten, daar toe gerequireert, en geen kleine somme importerende, zo ten opzichte van de Slaaven

[p. 322]origineel

en Schepen, waar door gemelde Provenuën moeten werden geobtineert en alhier te Lande overgebragt, als ten reguarde van een nieuwe aan te leggene Fortresse, waar mede de geruste possessie der Colonie en desselfs toekomende voordeelen tegens een aanval van buyten kragtig zoude konnen werden gemaintineert; naar een ryp overleg hebben goedgevonden ende geresolveert zo veel meerdere Participanten daarinne te nemen, en gevolgelyk zo veele persoonen in 't geheel te admitteeren, dat dezelve nevens haar te samen, en met den andere zullen komen uyt te maaken en te fourneeren, een somme van drie Millioenen en twee hondert duyzent Guldens, Hollands Banco-geld in maniere navolgende.

‘Het Capitaal van deze drie Millioenen en twee hondert duyzent guldens, zal verdeeld werden in sestien hondert Parten, of Portiën, yder van twee duizent guldens Banco, zynde het bedragen der voorsz: drie Millioenen en twee hondert duyzent guldens, en yder zal zodanige Part of Portiën daar inne houden en herideren als by desselfs handtekening uytgedrukt staat, en de betalinge daar van moeten doen, en zig gedragen aan het geene in de nabeschrevene Conditien is ter neer gesteld, en zullen geen meerder Parten of Portien mogen werden uitgegeven; welke te fourneeren Penningen niet anders zullen werden geëmployeert, als om de Plantagiën van Suiker met kragt voort te zetten, en de Cacao, Indigo en Coffy verder aan te queeken, en verders alles meerder te doen, of te laaten, wat tot welstand en voordeel van de Geinteresseerdens zal konnen strekken.

‘De Conditien dan daar op de ondergetekende Interessanten zig verbinden (als ook zig gedragende aan het voorenstaande) luyden als volgt.

Art. I.

‘Eerstelyk zo zal aan de tegenwoordige Eigenaars en Participanten voor de Colonie met alle desselfs Plantagiën, Planteryen, met alle het geene daar aan dependeert, en alle de Privilegien, zodanigen en in diervoegen als zy het hebben overgenomen en nu bezitten, niets uitgezon-

[p. 323]origineel

dert, en verder volgens den Inventaris aan deze geannexeert, vergoed of betaalt werden de somma van agt hondert duyzent guldens, en dat in differente tyden als nader zal werden aangewezen, Art. XXI. alles in Banco.

Art. II.

‘Daar en tegens zullen de tegenwoordige Eigenaars deze Colonie geheel en al zuiveren van alle Lasten, zo Maandgelden als Emolumenten van Officieren, Mr. Planters, Ambagtsluyden, Matroozen en Soldaaten, tot den sestiende Maart seventien hondert en twintig laastleden, wanneer de laatste Boeken op de Colonie zyn geslooten, invoegen dat de nieuwe lasten &c. zullen beginnen te loopen voor de nieuwe Participanten van of na den sestiende Maart voornoemt, en van welke tyd door haar voor overgenoomen zal werden gehouden deze Colonie luyt den Inventaris, lopende t'zedert die tyd alle baat en schade voor Rekening en Risico, van dezelve nieuwe gezamentlyke besitters.

Art. III.

‘Het geene de tegenwoordige Eigenaars by de Boeken van sestien Maart dezes Jaars gesloten, zullen bevonden werden aan de Coloniers aldaar Per Saldo schuldig te wezen, zal door de nieuwe Participanten overgenomen werden als voor haar eigen schuld, mits dat aan haar den beloop door de oude Eigenaars werd betaalt of goet gedaan.

Art. IV.

‘De tegenwoordige Eigenaars zullen by preferentie houden vier hondert Parten of Portiën in de nieuwe Redery, yder Part van twee duizent Guldens Banco-geld, en dan nog nevens andere zo veel meerder nemen als gepermitteert is.

Art. V.

‘Van de drie Millioenen en twee hondert duizent guldens Capitaal,

[p. 324]origineel

zal by provisie maar voldaan en op Rekening betaalt worden de helft, zynde vyftig Percent, in agt Termynen, als volgt.

1720 voor primo November 8 Percent van 't geheel maakt - 256000
1721 voor primo April 8 Percent als boven - 256000
- - - - voor primo October 10 Percent als boven 320000
1722 voor primo April 8 Percent als boven 256000
- - - - voor primo October 4 Percent als boven 128000
1723 voor primo April 4 Percent als boven 128000
- - - - voor primo October 4 Percent als boven 128000
1724 voor primo April 4 Percent als boven 128000
  Samen 50 Percento de Somma van ƒ1600000

Art. VI.

‘Die binnen een maand na de voornoemde Termynen zyn fournissement niet voldaan of betaalt heeft, zal zyn Part of Portiën verliezen, en dezelve ten voordeelen van de generale Participanten verkogt worden.

Art. VII.

‘Geen meerder inlage als de vyftig Percent zal mogen geëyscht worden, als met resolutie en Consent van de Directeuren en hooft Participanten by meerderheid van Stemmen.

Art. VIII.

‘Tot waarneminge van alle de zaken deze Colonie rakende niets uitgezondert, waar van 't Comptoir zal gehouden werden in deze Stad Amsterdam, zullen aangesteld worden seven Directeuren, om by meerderheid van Stemmen by haar te resolveeren wat gedaan behoord te werden of niet, onder welk getal van nu af aan zullen zyn, de Heeren Nicolaas van Hoorn en Pieter Schuurman, en zal het daar en boven vry staan aan de Heer Hendrik van Hoorn, om alle vergaderinge by te woonen, ja zelfs by absentie van deszelfs broeder Nicolaas van Hoorn als Directeur geconsidereert worden, edogh alle beyde te gelyk Comparee-

[p. 325]origineel

rende zullen altyd maar als een Stem gerekent worden, en in kas van afsterven van de eerste zal de tweede aanstonds Succederen in deszelfs Plaatze.

Art. IX.

‘De andere vyf Directeuren zullen moeten zyn ervaren en bequame Koopluyden, dewelke verkoren zullen worden door hooft Participanten by meerderheid van Stemmen, en by overlyden, een andere ervaren Koopman in deszelfs Plaatze binnen den tyd van een maand.

Art. X.

‘Niemand zal Directeur mogen zyn, of moet ten minste Tien Portiën in deze Colonie geparticipieert zyn, en houden zo lange hy in derectie is.

Art. XI.

‘De Directeuren zullen zyn voor haar leven lang, uytgenomen by eenig onverhoopt toeval dat hy zulks niet konde waarnemen, en wanneer dat Jaar en dag niet in staat is op de vergaderinge te Compareeren, zal een ander in deszelfs plaats aangesteld worden, te verkiezen by meerderheid van Stemmen als Articul Negen.

Art. XII.

‘De Directeuren zullen de nodige bediende aanstellen.

Art. XIII.

‘Voor hooft Participant zal worden geconsidereert, die Tien Parten heeft en schoon meerder herideert, zal egter maar een stem hebben.

Art. XIV.

‘Aan de Directeuren zal in de vier eerste Jaaren geen tractement betaalt worden, als alleen een Recognitie van twee Hondert Guldens, voor yder van hun Jaarlyks, maar uytdelinge werdende gedaan, als dan zal aan

[p. 326]origineel

haar te samen in 't geheel voldaan werden, vyf Percent van de uitdelinge.

Art. XV.

‘De Directeuren zullen Jaarlyks de Boeken laten sluyten, en balance maken, en alle hooft Participanten geregtigt zyn om de vergadering by te woonen, of wel twee à drie uit hun te qualificeren om de Rekeningen te Examineren, als de Jaarlykse rekening geschied.

Art. XVI.

‘De Hooftsomme van drie Millioenen en twee hondert duyzent guldens, zal mogen vermeerdert of vergroot worden, dog niet anders als met goedvinden en consent van de Compareerende hooft Participanten by meerderheid van Stemmen, en dat op zodanige tyd en Conditie als zy geraden zullen vinden.

Art. XVII.

‘De Directeuren zullen uytdelinge mogen doen op zodanige tyd, en zoo veel als zy zullen oordeelen te behoren.

Art. XVIII.

‘Werd wel Expresselyk g'accordeert, dat geene van de Participanten in deze eenige wind Negotie zal mogen doen op tyd ofte Premie Negotie, maar indien iemand eenige Portie inclineerde te verkopen, ofte over te doen aan een ander, zal zulks moeten geschieden voor Contant, en voor de overschryving moeten werden betaalt van yder Part twee gulden ten voordelen van 't gemeen.

Art. XIX.

‘De nieuwe Participanten, zullen ook gestand moeten doen aan het Contract gemaakt door de oude Eygenaars, met eene Simon Abrahams ten opzigte van het ontdekken van mineralen, welke Simon Abrahams bereyds op de Colonie is aangekomen, en van welk Contract Copie aan deze geannexeert is.

[p. 327]origineel

Art. XX.

‘By aldien naderhand bevonden mogt worden nodig te zyn eenige Conditien te veranderen, of deze met meerdre te Amplieren tot nutte en welwezen van de Colonie, zo zal zulks moeten geschieden met consent en overleg van de Directeuren en hooft Participanten by meerderheid van Stemmen.

Art. XXI.

‘De vergoeding ofte betalinge aan d'oude Eygenaars voor deze Colonie, met alle deszelfs ap en dependentie ingevolge den Inventaris ter Somma van acht hondert duizent guldens Banco geld, als Articul Een zal gedaan worden op d'onderstaande tyden, en Termynen, namentlyk.

1720 den Primo November af te schryven in Banco ƒ180000
1721 den Primo April af te schryven in Banco 120000
- - - - den Primo October af te schryven in Banco 120000
1722 den Primo April af te schryven in Banco 160000
- - - - den Primo October af te schryven in Banco 80000
1723 den Primo April af te schryven in Banco 64000
- - - - den Primo October af te schryven in Banco 40000
1724 den Primo April af te schryven in Banco 36000
  Belopende als boven in Banco ƒ800000

Art. XXII.

‘Niemant zal minder mogen tekenen om te herideren as drie Partyen, en meerder als tien Partyen.

Inventaris van de Effecten, behorende aan de Colonie de Berbice.

1.895 zo groote als kleine Slaaven.
[p. 328]origineel
2
6Considerable en in zyn volle perfectie gebragte Suiker Plantagiën, met alle zyn Riet te velde, Huizinge, Meubelen, Koperwerk, Negeryen, Gereedschappen, Vaartuygen, Cargazoenen en Mondkosten, niets uytgezondert.
2Cacao Plantagiën.
3
1Fortres de Brandwagt.
1Groot Fort, genaamt het Fort Nassau.
1Redout over dit Fort.
4buyten Posten of Uytleggers landwaard in, alle te zamen voorzien met in de 60 Stukken Canon, van 18, 12, 8 Ponders en kleinder zoorten, neffens Handgeweer, en verdere Ammunitie van Oorlog na advenant rykelyk voorzien.
4
1Smedery buyten het Fort, van Yzer, Staal, Koolen, en verder toebehore rykelyk voorzien.
1Cederhoute Kerk.
5
1Bark, neffens nog een getal andere Vaartuygen, van groote Priagos, Canoos, Jagten, Pontons &c. voorzien met alle haar toebehoren.
6
Alle de Cargazoenen aan het Fort, als mede op de Uytleggers.
Alle de gelden die gins in Cassa mogten zyn, circa vier a vyfhondert guldens.
Alle de Mondkosten, Medicamenten, Koperwerken, en andere Provisie, zoo voor Christenen als Slaaven, als mede Meubelen en Huysraad aan het Fort.
7
524Stuks Koebeesten, die volgens de laaste Inventaris by der hand gevonden zyn, benevens nog veel ander kleyn Vee, van Schapen, Verkens &c.
[p. 329]origineel
8
281Stuks Paarden, die volgens de laaste Inventaris by der hand gevonden zyn.
9
1Hegte- Fluit- met al zyn toebehoren, die hier aan de Werf is leggende.
10
1Nieuwe Hekboot, die voor de eerste Reyze, op den 9den May laastleden, zyn Reyze naar de Colonie is doende, kostende in Zee met zyn Equipagie, Victualy, en de daar in gelaade Cargazoenen, Mondkosten en verdere behoeftens voor de Colonie, circa ƒ35000.
11
Deze voorsz: Hekboot, die buyten ongeluk, primo September van de Berbice wederom zal zyn vertrokken, naar gissing met 800 a 850 Oxhoofden Suiker, buiten andere Koopmanschappen meer.
12
De Suikeren die naar het vertrek van bovenstaande Schip mogte zyn blyven leggen, benevens het geene van te velde staande Riet staat gemaakt te worden, om welke af te halen de Fluit die hier legt, in de maand November aanstaande, derwaarts zal gaan, calculeere dat in Maart 1721. zullen belopen ruym 700 Oxhoofden, buyten andere Koopmanschappen van Cacao, Orleaan, &c.

Doch de Intekenaars oordeelden ten opzigt der oude Bezitters, dat deeze hunne Portiën in dit Fonds en de Vergoeding boven gezegd, te hoog waren ingesteld; waarom zy hunne bedenkingen hier over aan de toen ter tyd acht zynde Heeren Directeuren (die den 4den October 1720. voor de eerstemaal Vergadering hielden) voordroegen, met dat gevolg, dat men, by nadere onderhandeling, een afslag van tweemaal honderd duizend Guldens bewilligde; dus de Oude Eigenaars genoegen namen zich te laaten betaalen met zesmaal honderd duizend Guldens. Op het voorengemelde Fonds van zestien honderd Actien (waar van 'er 941 aan

[p. 330]origineel

Byzonderen behooren, en de overige 659 by de Colonie overgehouden zyn) is betaald, in verscheide tyden, twee en veertig percento, naamelyk.

Primo November, 1720 8 pct.
Pmo. April, 1721 8 pct.
Pmo. October, 1721 10 pct.
Pmo. April, 1722 4 pct.
Pmo. May, 1724 4 pct.
Pmo. October, 1724 4 pct.
Pmo. Augustus, 1732 4 pct.
      ------
      42 pct.

Buiten dat Primo Augustus 1764, om het ongeluk de Volkplanting, door het afloopen der Slaaven, overgekomen, nog is ingeroepen

  8 -
  ------
Dus te zamen is opgebragt 50 pct.

Zo ras nu deeze Maatschappy, in den Jaare 1720, was opgerecht, wierd 'er beslooten nog tien Suiker-Plantagiën ieder van honderd Slaaven aan te leggen, zo aan de Kreek van Matara als Wicky, by het Fort en by den Berg in de Rivier Canje. Ingevolge van dit Besluit, wierden, in 1722, vier Plantagiën onder en vier Plantagiën boven het Fort aangelegd; als, de Johanna, de Cornelia Jacoba, de Savonette, Hardenbroek, de Dageraad, Hogelande, de Elisabeth, en de Debora; waar van vervolgens vier in Koffy-Plantagiën verandert en de Debora verlaaten wierd. 'Er wierd mede een Steenbakkery opgerecht, wyl door de geringe Vaart geen genoegsaame aanvoer van Steen kon geschieden: echter is dezelve, in 't Jaar 1731, weder afgeschaft. Insgelyks wierd een voorslag gedaan, om aan den Mond van de Rivier, of wel by de Rivier Canje, ter beveiliging dier beide Stroomen, een goede Fortres aan te leggen, voorzien met behoorlyk Geschut van twaalf en achttien Ponden Bals; dewyl het oude Fort moest vernieuwt worden; welke versterking echter geen voortgang heeft gehad.

[p. 331]origineel

Men begon zich zeer te beyveren om Koffyboomen in deeze Volkplanting voort te kweeken; welke zy van Suriname door den Gouverneur Coutier kreegen, schoon in gering getal; wyl 'er in den Jaare 1721, nog maar tachtig van die Boomen in de Colonie gevonden wierden; en, in den Jaare 1726, twee honderd Ponden Koffyboonen, tot een proef, van daar kwamen. Gemelde Gouverneur Coutier wierd voor deeze dienst met een Rypaard beschonken(a).

De Westindische Compagnie besloot inmiddels hun Recht als Leen Heeren van deeze Colonie te doen gelden, ten dien einde op den 23sten Maart 1721. een commissie op eenige der Heeren Bewindhebberen benoemende, waar tegens Directeuren dezer Maatschappy hunne redenen hebben ingebragt, met dien uytslag, dat daaromtrent geen verandering is gemaakt; dewyl deeze Volkplanting, door den Heer van Peere en de zyne verlaaten, en van de Franschen, die dezelve door het recht der Wapenen hadden verkreegen, vry en onbezwaard was gekocht en betaald.

Volgens een genoomen Besluit, werd, ter voortzetting der Negotie, Jaarlyks een Bark naar de Oronoque gezonden, om Slaaven en andere Goederen in te ruilen, welke ook somtyds Erts heeft medegebragt, schoon de Spanjaarden deeze Vaart ontrustte en verhinderden. Een Bark, voerende zes Stukken Kanon en bemand met achttien of twintig Koppen, onder bevel van den Commandeur Jan Dirksz Zwart, in 't Jaar 1722, ter handel naar Oronoque, Trinidade en Margarita afgezonden, had het ongeluk in het volgende Jaar, op het groote Rif van Isle d'Aves, niet verre van Curaçao, te stranden. In den Jaare 1723, wierd 'er weder een uit de Berbice ter handel op de overige Amerikaansche Kusten gezonden; waar tegens de Westindische Compagnie, als strydig met haare Voorrechten, opkwam: doch vervolgens zyn hier omtrent verscheidene Overëenkomsten, op den 15den en 17den Juny 1723, met gemelde Compagnie geslooten. Ook was het in dit zelfde Jaar, dat 'er nog maar twee Schepen van Amsterdam op deeze Colonie voeren; doch sedert dien tyd is het getal merkelyk aangegroeid.

[p. 332]origineel

Kort te vooren wierd 'er een verandering in de Regeeringe van deeze Volkplanting gemaakt: de Raad zoude voortaan uit negen in plaatse van zes Persoonnen bestaan, en tot Raaden verkooren worden de oudst aangekomene Meester Planters, en uit de gelyk aankomende de oudste van Jaaren den voorrang hebben. Ook wierd, in 1722, even als de voorgaande Schipper Swerus, aan den Schipper Bont (wiens Schip, genaamd de Vrouw Maria, naderhand, in den Jaare 1729, by Belfleur strande), Sitplaats, in den Raad vergunt.

Men oordeelde, en mogelyk niet ten onrechte: dat dit Land verscheidene ryke Goud- en Zilvermynen in zich zoude bevatten: waarom last wierd gegeeven het Land hooger op te verkennen en naaukeurig te onderzoeken. Schoon ik daar op geen gevolg vind.

Voorts werd, op den 27sten November 1730, met de Westindische Compagnie een volkomen Verdrag nopende den Slaavenhandel geslooten, luidende,

Conventie, tusschen de Heeren Bewindhebberen der Westindische Compagnie en Directeuren der Colonie de Berbice, dato 27 November 1730.

Op huyden den 27sten November 1730, compareerden voor my Leonard Noblet, Notaris Publicq, by den Hove van Holland geadmitteert, te Amsterdam resideerende, in presentie van de nabeschrevene Getuigen, d'Edele Heeren Mr. Willem Backer Dirkz., oud Praesident Schepen van deze Stad, en Arend van der Waayen: als Bewindhebberen van de Geoctroyeerde Westindische Compagnie ter Kamer alhier, voor, en in den naam van de Westindische Compagnie ter eenre; en de Edele Heeren Jacob Voordaag, en Mr. Jacob de la Bassecour, Pensionaris van deze Stad, als mede Directeuren der Colonie de Berbice, en wegens de verdere Directeuren van dezelve Colonie, hier toe geauthoriseert, ter andere zyde.

[p. 333]origineel

‘Dewelke verklaarden, met den anderen in een vriendelyk overleg getreden te zyn, of iets, en wat behoorden te werden gedaan, tot gerustheit van beide de Heeren Comparanten, alzoo het laatste Octroy, aan de Generale Westindische Compagnie dezer Landen verleent, met ultimo December dezes jaars, stont te expireren, op den 8sten Augustus dezes jaars, wederom voor dertig jaaren gecontinueert was geworden; en dat, gereflecteert hebbende op de Resolutie van Haar Hoog Mogende van den 10den September Anno 1714, en de opgevolgde Conventien, specialyk die van 15 en 17 Juny Anno 1723, gemeent hadden goed te zyn, daar by te blyven, en dezelve, voor zo veel noods zy, te inheraeren, of te continueren en te renoveeren by dezen; en dat, op de voorsz: gronden, en fondamenten, overeen gekomen waren, in maniere hier na volgende, te weeten:

‘Dat Directeuren van de Colonie de Berbice, voor ieder Schip, die dezelve naar de Berbice zullen willen zenden, aan Bewindhebberen van de Westindische Compagnie zullen blyven betalen de somma van drie honderd guldens eens, te weeten een honderd guldens op 't uitgaan van ieder Schip, nevens de extraditie van de gewoone Commissie door Bewindhebberen voor het zelve Schip, en twee honderd guldens, op het Retour van 't Schip, en voor de ontladinge van dien; doch, zonder dat de Directeuren gehouden zullen zyn, hunne Suikeren of andere Retouren, in eenige van 's Compagnies Magazynen te brengen.

‘En, ten reguarde van de Slaaven, welke Directeuren van de Colonie de Berbice, van tyd tot tyd, nodig mogten hebben, en requireren zullen, dat de Heeren Bewindhebberen gehouden zullen zyn, dezelven, t'hunne risico en kosten te leveren op de Colonie de Berbice, aan de ordre van Directeuren, onder Conditien.

Art. I.

‘Dat Directeuren van dezelve Colonie, aan de Heeren Bewindhebberen zullen betalen, voor ieder pieces de India Neger-Slaaff, twee honderd vyftig guldens grof Zilver-Geld.

[p. 334]origineel

Art. II.

‘Dat, de betaling der voorschreve aangebrachte Slaaven door Directeuren zal moeten werden gedaan, na veertien dagen, dat de Rekeninge of Blyk van de gedane Leverantie, hier na, op Articul VI, te melden, alhier overgebracht, en in handen van de respective Heeren Comparanten gekomen zal zyn.

Art. III.

‘Dat, de Slaaven, als boven te leveren, zullen moeten zyn Ardra, of Angolase Slaaven, twee derde Mans, en een derde Vrouwen, pieçes de India.

Art. IV.

‘Dat, wanneer de geëischte Slaaven, aan de Berbice gekomen zullen zyn, Directeuren dezelven ten eersten zullen moeten ontfangen, na gedane separatie, en, dat dezelve separatie zal moeten geschieden, uytterlyk op den negenden dag, dat dezelve Slaaven aldaar aangebracht zullen zyn, ten overstaan van drie Personen, wegens de Heeren Bewindhebberen te kiezen, en van drie Persoonen, wegens Directeuren daar toe voor te slaan.

Art. V.

‘Dat, voor leverbare Slaaven gehouden zullen werden, die geen considerable gebrek hebben, en gezond zyn; doch blinden, lammen, gebrokenen, en ouden, voor geen leverbare Slaaven, te rekenen: alles volgens 't gebruik van de Kust.

Art. VI.

‘Dat, ten respecte van den Ouderdom, insgelyks gevolgt zal werden het gebruik van de Kust.

Art. VII.

‘Dat, by den Ontfang der Slaaven aan de Berbice, welke, ingevol-

[p. 335]origineel

ge van het derde bovenstaande Articul, uitterlyk op den negenden dag gesepareert moeten werden, een pertinente Notitie en Rekeninge gefourneert zal werden van het getal der Slaven, met designatie van yders qualiteit of pieces de India: welke Notitie en Rekeninge, door wederzyds Gevolmachtigden behoorlyk getekent, en daar van, drie eens-luidende Rekeningen, gemaakt zullen werden.

Art. VIII.

‘Dat, by aldien de Heeren Bewindhebberen niet geneegen mochten zyn, de gerequireerde aanvoer van Slaaven te doen, of wel daar van in gebreken kwamen te blyven, Directeuren (na het exempel van 't geen aan de Directeuren van de Societeit van Suriname reets is toegestaan) als dan, en in dien gevalle, vermogen zullen of zelver, of door anderen, de nodige Slaaven, te doen halen, en aanvoeren, op de zelve Recognitiën, als alle particuliere Ingesetenen van dezen Staat zullen gehouden zyn, aan de Westindische Compagnie te betalen, by het open stellen van de Vrye-Vaart op de Kust van Africa, op den Voet van het Nieuwe Reglement van den achtsten Augustus voornoemt.

Art. IX.

‘Dat, by aldien Directeuren van de Berbice haar Plantagiën, of eenige andere Landen van dezelve Colonie aan particulieren mochten uitgeven, de Westindische Compagnie in dat geval, de faculteit zal hebbe, de aan te brengene Slaaven, als dan, publicq, aan de meest-biedende te Verkopen, zoo als zulks ten opsichte van Suriname, en Isequebo gepractiseert werd, of zal werden: alles in conformité van het Nieuwe Reglemet in dato den 8sten Augustus Anno 1730, op de Vrye-Vaart na Africa, gearresteeerr.

Art. X-

‘Dat, door Directeuren, noch geene anderen, eenige Equipagie na Africa, of America, gedaan zullen werden, uit de Colonie van de

[p. 336]origineel

Berbice: Waarom dezelve ook aannemen zulks, naar haar uitterste vermogen te helpen weeren, en te beletten.

‘Dit alles onder verband als na Rechten.

‘Aldus gedaan binnen Amsterdam, ter presentie van Jan Salevelt de Jonge, en Myndert van Dulmen, als getuigen. Quod attestor,

 

L. NOBLET,

 

Notaris Publicq.

Nadere Conventie tusschen dezelven, dato 9. April 1731.

Op huiden den 9den April 1731, compareerde voor my Leonard Noblet, Notaris Publicq, by den Hove van Holland geadmitteert, te Amsterdam residerende, in presentie van de nabeschreven getuygen, d'Edele Heeren Mr. Ferdinand van Collen de Jonge, Heere van Gunterstein, Tien-hoven, en oud President-Schepen, en Philip Hack, Commissaris, beide van deze Stad, als Bewindhebberen van de Geoctroyeerde Westindische Compagnie ter Kamer alhier, voor, en in de naame van dezelve Compagnie, ter eenre; en d'Edele Heeren Jacob Voordaagh, en Mr. Jacob de la Bassecour, als Directeuren van de Colonie de Berbice, en ten deeze gequalificeert van d'andere Heeren Directeuren van dezelve Colonie, ter andere zyde;

‘En verklaarden met den anderen verdragen te zyn.

‘Dat de Heeren eerste Comparanten, zullen Equipeeren naar d'Elmina in Africa geleegen, het Schip genaamt Duynvliet, Schipper Simon Ovens, omme, na verloop van tien weken, weêr en windt dienende, in Zee te konnen gaan, tot Inhandeling van drie honderd Negros Slaaven, twee derde Mans, en een derde Vrouwen, alle ps. d'India, omme dezelven ten dienste van de Colonie de Berbice aldaar te brengen, en te leveren aan de Heeren tweede Comparanten, of ordre, alles op Conditien, en ten pryse begreepen in de laatste Conventie, tus-

[p. 337]origineel

schen de Heeren eerste en tweede Comparanten, voor my Notaris en getuigen aangegaan, in dato 27 November 1730, waar toe in deze werd gerefereert, en voorts onder de volgende Nieuwe Conditien.

‘Eerstelyk, dat, indien eenige weinige Slaven, beneden, of boven het getal der Drie honderd Slaaven, aangebragt mogten werden, de Heeren eerste Comparanten, wegens het voorsz: kleene minder getal, niet aansprakelyk zullen zyn, en meerder leverende, dezelve door de Heeren tweede Comparanten mede aangenomen, en betaald zullen moeten werden, ten gestelde pryze, mits dat het meerder getal niet kome te excederen boven de dertig Slaaven.

‘En, ten anderen, dat, om aan de Heeren eerste Comparanten alle mogelyk gemak toe te brengen, de Heeren tweede Comparanten aan der zelver Commandeur op de Colonie zullen aanschryven om, indien op het Arrivement van het voorsz: Schip Duynvliet met de bovengemelde Slaaven, aan de Colonie genoegsame Suikeren in gereetheid mogten zyn, omme het zelve Schip daar mede af te laden, hy het zelve zal vermogen te doen, behoudens, dat het zelve niet en prejudicere aan de afladinge van het Schip, dat, wegens de Heeren tweede Comparanten zig op de Colonie de Berbice bevinden mogte op het Arrivement van 't voorsz: Schip aldaar: alles, zonder dat de Heeren eerste of tweede Comparanten, daar toe preçise gehouden zullen zyn, maar verblyven zullen yder in hun geheel; dog, te gelyk ook met dien verstaande, dat wanneer het voorsz: Schip Duynvliet zyne ladinge, of een gedeelte, op de Colonie mogte inkrygen, den Schipper gehouden zal zyn, zyne reize daar mede ten spoedigsten te bevorderen directelyk naar deze Stad, zonder andere plaatsen, of havenen, aan te doen, dan uit nood: waar tegen de Heeren tweede Comparanten, naar gedaane behoorlyke Leverantie, de ingescheepte Suiker, aan d'Heeren eerste Comparanten zullen moeten betaalen, zoo veel duyten per pond, volgens Ordinaire Conditie, als met het laatste particuliere Schip van Suriname, 't geene, voor het voornoemde Schip Duynvliet in Texel zal zyn gearriveerd, bedongen, en betaald is geworden.

‘Dit alles onder verband als na Rechten.

[p. 338]origineel

‘Aldus gedaan binnen Amsterdam, ter presentie van Jan Salevelt de Jonge, en Samuel Cuvelier, als getuigen. Quod attestor,

 

L. NOBLET,

 

Notaris Publicq.

 

De Directeuren vonden voorts goed, tot uitbreiding hunner Colonie, op den 18den December des Jaars 1730. de Vaart en Handel voor alle Ingezetenen deezer Landen open te stellen, en de Landen ter bebouwing, onder redelyke Voorwaarden, af te geeven: waar toe zy zeker Reglement aan hun Hoog Mogenden voorstelden met verzoek van daar op gunstig Octroy te verleen, luydende,

Request, door Directeuren der Colonie de Berbice, gepresenteert aan Haar Hoog Mogende, op den 18den December 1730, houdende verzoek om Octroy, en hebbende tot bylage de Concept Conditien of Reglement, waar op het Octroy zoude werden verleent.

GEven met schuldige Eerbiedigheit te kennen de Directeuren van de Colonie de Berbice, dat de Supplianten, zederd het aanvaarden van de voorsz: Colonie, by overgifte van Nicolaas en Hendrik van Hoorn, Arnoldus Dix, en Pieter Schuurman, voor sich, en haare mede Participanten, die het regt tot dezelve Colonie bekomen hadden, met goedvinden van uw Hoog Mogende, by Transport en Cessie van de Franssen, na Brandschatting van de voorgemelde Colonie, niet nagelaten hadden alle haare attentie te kosten te leggen tot beneficering en uytbreyding van gemelde Colonie; dat de Supplianten ten selven einde, boven de ses Plantagiën, welke zig op de voorsz: Colonie dies tyds bevonden, nog Agt andere Plantagiën hadden aangelegt, waar van sy Sup-

[p. 339]origineel

plianten hoopten eerlang merkelyke voordeelen te zullen trekken: Dat deselve voordeelen considerabel geaugmenteert zullen konnen werden, indien nog meer Plantagiën mogten werden aangelegt, de situatie van de voorsz: Colonie zodanig zynde, zo wegens de avantages van desselfs Terrain, als van twee Notabele Rivieren, die door het leggen van een matig Fort, tegens alle insultes van buyten in aceessibel konnen werden gemaakt, en met reden daar van gewisse en goede Retouren konnen werden verwagt.

‘Dat, om de Vrugten en Profyten daar van gemeen te maken voor alle Ingesetenen van dezen Staat, 't zelve nooit beter zal kunnen werden geëffectueert, als door het aanmoedigen van meer Liefhebbers, en door het uytgeven van Landen aan zodanige Ingesetenen van desen Staat, als dezelve zullen requireren; dan, nademaal de Supplianten aan de eene zyde daar toe nodig hebben de gunstige Concessie van Uw Hoog Mogende, en de Persoonen, welken zig op de voorsz: Colonie zoude willen neerzetten, aan de andere zyde weten moeten, waar op zy hun Etablissement op de voorsz: Colonie met genoegzaame gerustheid zullen mogen aanvangen, hadden de Supplianten de vryheit genomen, om een Project daar van te formeeren, en aan deeze Requeste annexeren, ten grootsten deele geschoeyt naar het Octroy, dat Uw Hoog Mogende op den 23sten September 1682. hebben gelieven te verleenen aan de Colonie van Suriname.

‘En alzoo de Supplianten verhoopen, dat, na verloop van eenige tyd, gelyke voordeel voor de Navigatie en Commercie van deeze Landen van de Colonie de Berbice zal kunnen werden geobtineert, als tegenwoordig genoten werd van de Colonie van Suriname, zo keeren daar omme de Supplianten zig tot Uw Hoog Mogende, reverentelyk verzoekende derzelver Octroy op het annexe Reglement, en permissie daar benevens, om aan alle Ingesetenen van desen Staat, die des begeeren zullen, zo veele Landen reets gecultiveert, ofte niet, onder redelyke Conditenaf te geven, naar mate dat yder requireren zal, 't welkdoende &c.

Deze concept Conditien, of Reglement, zyn in het verleende Octroy woordelyk geinsereert.

Hier tegens gaven de Bewindhebberen der Westindische Compagnie, op den 23sten Maart en 28sten July 1731, de volgende Vertoogen wederom in.

[p. 340]origineel

Berigt van de Heeren Bewindhebberen van de Westindische Compagnie aan Haar Hoog Mogende op bovengemelte Requeste, dato 23. Maart 1731.

Hoog Mogende Heeren,

 

WY hebben met het eyndigen van het Praesidie van de Kamer van Zeeland, door dezelve ontfangen de Resolutie van U Hoog Mogende in dato den 18den van de maand December laastleeden, met versoek, dat Wy wilden voldoen aan den inhoude van de voorsz: Resolutie waar by U Hoog Mogende hebben gelieven te requireeren het berigt van de Westindische Compagnie dezer Landen, op het verzoek van de Directeuren van de Colonie de Berbice, tendeerende omme te hebben Octroy op het Concept Reglement, ten selven dage aan U Hoog Mogende overgegeeven; Wy hebben vervolgens Copien daar van versonden aan de respective Kameren, dewelke haar Consideratien op dat subject aan Ons hebben toegezonden, waaromme wy dan ook vervolgens ons in staat bevinden, om aan de bovengemelde Ordres van U Hoog Mogende te voldoen, en hebben dienvolgende de Eere U Hoog Mogende te rescribeeren, dat wy met welgemelde Directeuren van de Colonie de Berbice begrypen, dat het versogte Octroy aan de Commercie en Navigatie van deeze Landen, ende te gelyk ook voor de bovengemelde Colonie van voordeel zal konnen zyn, ende dat wy vervolgens, van wegens de Westindische Compagnie deezer Landen geen difficulteyten zullen moveeren, waar door het voornoemde Salutaire oogmerk eenigsints opgehouden zoude konnen werden, nemaar in togendeel, alles contribueeren wat tot het faciliteeren van het zelve eenigsints dienen kan, zoo nochtans, dat wy de vryheit neemen, Uw Hoog Mogende te versoeken, dat by aldien dezelve komen goed te vinden, in het voorgemelde Octroy te consenteeren, dat als dan daar neven te gelyk vastgestelt mooge werden.

[p. 341]origineel

‘1. Dat zo wel de Directeuren van de bovengemelde Colonie, als alle andere particuliere Rheeders of Boekhouders, gehouden zullen blyven, voor haare Scheepen te requireeren de Commissie van de Westindische Compagnie deezer Landen, zoo wel als zulks by Resolutie van U. Hoog Mogende in dato den 10den September 1714. begreepen, en tot noch toe gepractiseert geworden is.

 

‘2. Dat in Conformité van het XIII. Art. van de voorsz: Resolutie, de Westindische Compagnie zal blyven jouisseeren van de Recognitie van drie honderd guldens voor yder Schip, 't welk na de bovengemelde Colonie versonden zal worden, zonder onderscheyt, of het voorsz: Schip toebehoort aan de Directeuren van voorsz: Colonie, of wel aan andere particuliere Negotianten.

 

‘3. Dat tot weering van alle verboode Navigatie, dewelke uyt zodanig Octroy zoude kunnen resulteeren, ende agtervolgens het aloude gebruik, door de Rheeders en Schippers, derwaarts navigeerende, ten behoeve van de Westindische Compagnie een Borgtogt van 7000. guldens gestelt zal moeten werden, waarby de voorsz. Rheeders en Schippers sig verbinden, dat de voorsz: Scheepen direct derwaarts vertrekken, ende ook wederom direct daar van daan repatrieeren zullen, zonder in eenige andere Havenen, als in deze Landen in te loopen, ende zonder op de Kusten en Landen van Africa, of America, met haare Scheepen of eenige andere Vaartuigen te mogen komen of handelen, alles op paene van Confiscatie van Schip en Goederen. Waar mede.

 

‘Hoog Mogende Heeren &c. Amsterdam den 23sten Maart 1731. (onderstont) U Hoog Mogende onderdaanige Dienaaren, de Bewindhebberen van de Geoctroyeerde Westindische Compagnie ter Praaesidiaale Kamer Amsterdam, (was getekent)

 

N. Sautyn,

 

Ferdinant van Collen de Jonge.

[p. 342]origineel

Nader Berigt van dezelven aan Haar Hoog Mogende op 't zelve subject dato 28 July 1731.

Hoog Mogende Heeren,

 

WY hebben op den 23sten Maart deezes Jaars d'Eere gehad aan Uw Hoog Mogende te berigten op het verzoek van de Directeuren van de Colonie de Berbice, tendeerende om te hebben Octroy op een Concept Reglement den 18den December des voorleden jaars aan Uw Hoog Mogende overgegeeven.

‘Wy hebben ons voorsz: berigt zoo gecoucheert, dat wy ons verbeelden, dat aan d'eene kant, het verzoek, by de voorsz: Directeuren gedaan, daar by gefaciliteert, ende ook te gelyk aan de andere kant, het regt van de Westindische Compagnie dezer Landen, met relatie tot de voorsz: Colonie, geconserveert blyve.

‘Wy hadden by onze voorsz: Rescriptie aan Uw Hoog Mogende wel eenige meerdere Consideratien aan de handt kunnen geeven, dewelken de deliberatien over het meergemelde verzogte Octroy meer difficiel zouden hebben gemaakt, maar wy oordeelden, dat het aan Uw Hoog Mogende meer aangenaam, en aan derzelver hoogwigtige Occupatien minst gevergt zoude zyn, by aldien wy Ons ten voorsz: Opsigte, maar alleen bepaalde tot eenige essentieele poincten, waar mede het voorsz: Octroy gelimiteert behoorde te worden, ende by ontstentenisse van dewelke, aan de Westindische Compagnie deezer Landen, haare totale ruïne beschoren staat.

‘Wy hebben vervolgens de voorsz: poincten, dewelke ons meest essentieel voorgekomen zyn, geredigeert tot deze drie navolgende.

‘1. Dat, zoo wel de Directeuren van de bovengemelde Colonie, als alle andere particuliere Rheeders of Boekhouders, op de Berbice navigeerende, gehouden zullen blyven, voor haare Scheepen te requireeren, de Commissie van de Westindische Compagnie zoo als zulks by

[p. 343]origineel

Resolutie van Uw Hoog Mogende in dato den 10den September 1714. begreepen, en tot noch toe gepractiseert geworden is.

‘2. Dat, in Conformité van het XIII. Art van de voorsz Resolutie, de Westindische Compagnie zal blyven jouisseeren van de recognitie van drie hondert guldens voor ieder Schip, 't welk na de bovengemelde Colonie verzonden zal worden, zonder onderscheyt, of het voorsz: Schip toebehoort aan de Directeuren van de voorsz: Colonie, of wel aan andere particuliere Negotianten.

‘3. Dat tot weering van alle verboode Navigatie, dewelke uyt zodanige Octroy zoude kunnen resulteeren, ende agtervolgens het aloude gebruyk, door de Rheeders en Schippers, derwaarts navigeerende, ten behoeve van de Westindische Compagnie een Borgtogt van zeeven duysent guldens gestelt zal moeten worden, waarby de voorsz: Rheeders en Schippers zig verbinden, dat de voorsz: Scheepen direct derwaarts vertrekken, ende ook wederom direct daar van daan repatrieeren zullen, zonder in eenige andere Havenen, als in deeze Landen, in te loopen, en zonder op de Kusten ende Landen van Africa of America, met haare Scheepen, of eenige andere Vaartuigen, te mogen komen, of handelen, alles op poene van confiscatie van Schip en Goederen.

‘Wy zyn in die zekere verwachting, dat Uw Hoog Mogende na Haare gewoone wysheit, wel zullen penetreren, dat de voorsz: drie poincten voor de Westindische Compagnie dezer Landen van de uyterste importantie zyn, ende dat dezelve niet in het minste contrarieeren aan het oogmerk, 't welk de voorsz: Directeuren met het verzogte Octroy schynen voor te hebben, namentlyk, om daar door de voorsz: Colonie in een meer florisante staat te brengen, waar door dan ook de Navigatie en Commercie dezer Landen bevoordeelt zoude worden; wy zouden het dan ook vervolgens daarby hebben kunnen laaten, maar nadien de voorsz: Directeuren aan onze gemelde Consideratien niet schynen te acquiesceren, ende zig moeite geeven, om te hebben een Octroy, ten eenemaal ongelimiteert, ten minsten ontheven van de voorsz: drie importante poincten, hebben wy ons niet kunnen dispenseeren, aan Uw Hoog Mogende kortelyk voor te houden de redenen, dewelke voor

[p. 344]origineel

het gesustineerde van de Westindische Compagnie militeren; dezelve zyn de navolgende

‘1. Dat by Resolutie van Uw Hoog Mogende in dato den 10den September 1714. gereguleert is de Recognitie, dewelke door de Directeuren van de Colonie de Berbice, aan de Westindische Compagnie voor ieder Schip betaald zoude worden.

‘2. Dat de Commissie voor de Scheepen, na de Berbice navigeerende, door de Westindische Compagnie dezer Landen, (uytwyzens het XIII. Art. van de voorsz: Uw Hoog Mogende Resolutie), mede geëxtradeert zoude worden, na de betaaling van een derde gedeelte van de verschuldigde Recognitie.

‘3. Dat de Laading, en Ontlaading van de Scheepen, derwaards navigeerende, ende van daar repatrieerende, in Conformité van de voorsz: Uw Hoog Mogende Resolutie, mede geschieden zoude door de Westindische Compagnie dezer Landen, zoo als dat geschiedt ten reguarde van alle de andere Scheepen, van Suriname, of andere Colonien komende.

‘4. Dat, in Conformité van het aloude gebruyk, ende na het voorbeeld van de Negotianten op Suriname, de bovengemelde gerequireerde Borgtogt door de Directeuren van de Colonie de Berbice, ten behoeve van de Westindische Compagnie dezer Landen, altoos tot nu toe gepresteert is geworden.

‘Wy kunnen niet twyffelen, of Uw Hoog Mogende zullen uit het gededuceerde begrypen, dat de voorsz: drie poincten, in ons voorsz: berigt van den 23sten Maart laastleden vervat, geen Nieuwigheden zyn, maar zaken ende voorregten dewelke aan de Westindische Compagnie dezer Landen, door Uw Hoog Mogende toegestaan, ende by een speciaale Resolutie gegeven zyn geworden.

‘Ende wy kunnen vervolgens niet afzyn, ons nog te meer te surpreneren, dat de voorsz: Directeuren van de Berbice, zig daar mede eenigsints beswaart agten, naardien op hare instantien, van tyd tot tyd aan de Westindische Compagnie gedaan, eyndelyk met dezelve op den 27sten November des voorleden Jaars, ende vervolgens maar drie wee-

[p. 345]origineel

ken voor haar versogte Octroy, een Conventie geslooten is, hebbende tot haar Basis de voorsz: Resolutie van den 10den September 1714, waar by de voorsz: drie poincten nader geinherereert, ende geconfirmeert geworden zyn, zonder, dat door haar ten Reguarde van het Octroy, waar over als doen gedelibereerd wierdt, aan ons dezen aangaande eenige difficulteit gemaakt geworden is.

‘Wy moeten hier by nog voegen, dat Uw Hoog Mogende zekerlyk wel zullen bevroeden, dat de Westindische Compagnie dezer Landen des te meer Intrest heeft, om van het regt aan haar in dezen gegeven, ende geconfirmeert, des te minder te kunnen afstappen, om dat de Compagnie zig dan wel haast berooft zoude zien van de Recognitiën op America, en Africa, dewelke tegenwoordig genoegsaam haar eenigste resource zyn, kunnende zeer wel begreepen worden, dat baatzugtige menschen zig van zodanig ongelimiteert Octroy, alsdan zouden bedienen, ende zig daar door ontrekken aan het regt, 't welk zy aan de Westindische Compagnie verschuldigt zyn.

‘Wy verbeelden ons, dat de voorsz: vreeze voor fraude, nog des te meerder gefundeert is, om dat aan Ons in den Jaare 1723. voorgekomen is, een geval, dat namentlyk door de Directeuren van de Colonie zelfs, een Bark uyt de Berbice met Koopmanschappen na de Americaanse kusten gezonden is, zonder eenige betaling van de gewoonlyke Recognitie, om aldaar handel te dryven, ende naardien zulke gevallen zyn geresulteert, uit een geheel Corps, zyn 'er nog meerder redenen, om dien aangaande particuliere Rederyen te suspecteren.

‘Ende gelyk zulks voor de Compagnie ruineus zoude zyn, zoo is het ook niet zonder reden, te dugten, dat door een Generaal Octroy, aan de Colonie de Berbice te verleenen, ende independent aan de Westindische Compagnie dezer Landen, de regten van het Landt zekerlyk onder deze en geene voorwendselen mede al benadeelt zouden worden, waar tegens, door de Insertie van de voorsz: drie poincten, genoegsaam zal kunnen worden voorzien.

‘Wy verzoeken verder, dat Uw Hoog Mogende gelieven te remarqueeren, dat de meergemelde Limitatie ook geensints aan het oogmerk van het

[p. 346]origineel

verzogte Octroy strydig is, zynde het voor de Negotianten, die zig op de Colonie de Berbice zouden willen etablisseren, een indifferente zaak, of dezelven haare Commissie ontfangen van de Westindische Compagnie dezer Landen, dan wel van de Directeuren van de Berbice, gelyk ook het stellen van Cautie ten behoeve van de voorsz: Compagnie, dan wel ten behoeve van de gemelde Directeuren.

‘En dewyl het vervolgens, met Relatie tot de Negotianten op de Colonie de Berbice, maar alleen zoude aankomen op de betaling van de Recognitie van drie hondert guldens, zo moeten wy d'Eere hebben Uw Hoog Mogende dien aangaande te informeeren, dat wy tot aanmoediging van de voorsz: Navigatie in de laastgehouden Vergadering van Tienen, aan de voorsz: Directeuren gedeclareert hebben, wel te mogen lyden, dat de voorsz: particuliere Negotianten de eerste ses Jaaren van het versogte Octroy, van de voorsz: betaaling, bevryt zouden zyn, alle de verdere poincten van ons berigt in zyn geheel blyvende.

‘Wy flatteren Ons, dat Uw Hoog Mogende uyt 't gunt voorsz: is, wel zullen penetreren, dat niet als met de uytterste attentie door de Westindische Compagnie dezer Landen, in dezen gehandelt kan worden, naardien dezelve zig ingewikkelt ziet in een zaak, waar uyt haare ruine zoude kunnen volgen, ende waaromme dezelve zig dan te meer genoodzaakt vindt, haar op nieuws aan Uw Hoog Mogende te addresseren, zoo tot conservatie van het considerable Capitaal, waarin zoo veel Weduwen, en Weezen geinteresseert zyn, als tot haare verantwoording aan de respective Participanten, ende nakomelingschap, ende van Uw Hoog Mogende dienvolgende zeer gedienstig te verzoeken, dat het Octroy, door de Directeuren van de Berbice versogt, aan dezelve niet anders geaccordeert worde, als onder de limitatien, door de Compagnie ter nedergesteld, ende aan Uw Hoog Mogende gesuppediteert. Waar mede &c.

 

Getekent
W. Backer Dirkz.
P. Hack.

 

Amsterdam den 28sten July 1731

[p. 347]origineel

Doch door tusschen komste van Burgemeesteren van Amsterdam, opverzoek van gemelde Directeuren, werd tusschen dezelven een Verdrag geslooten, op den 27sten September 1732. Waarop het Octroy van Haar Hoog Mogende van den 6den December deszelfden Jaars, is gevolgd, bestaande in dertig Articulen, en luidende:

 

De Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden, allen den geenen die dezen zullen zien ofte hooren lezen Salut doen te weten, dat wy hebben ontfangen de Supplicatie aan ons gepraesenteert uyt den naam ende van wegen de Directeuren van de Colonie van de Berbice, ten einde wy aan hun zouden gelieven te verleenen Octroy, om onder zeekere Conditien de Vaart en navigatie op dezelve Colonie voor alle Ingezetenen dezer Landen open te stellen, ende aan die des begeeren zullen zoo veel landen reets gecultiveert of niet, onder redelyke Conditien af te geven, naar mate dat yder requireren zal, volgens zeeker Project Reglement aan ons overgegeven ende hier naar geinsereert.

 

Project Reglement dienende tot het verzogte Octroy.

Art. I.

Aan de Directeuren van de Colonie de Berbice zal werden gepermiteert, omme, behoudens de Souvereiniteyt van Haar Hoog Mogende, en onder derzelver bescherminge, aan particuliere Perzoonen ter culture, uit te geven zodanige Landen, en op zodanige Conditien, als dezelve met de Gegadingdens over een zullen komen.

Art. II.

‘Aan Directeuren zal werden gepermitteert een Hoofdgeld te heffen jaarlyks van vyftigh ℔ Suiker voor yder opgezeten, zo Blanke, als Negros, die op de Colonie zig bevinden zullen; nog een Waaggeld van 2½ per cento van de waarde van alle Goederen, dewelke op de

[p. 348]origineel

Colonie verkopt of van daar verzonden zullen werden, en insgelyks een Lastgeld op alle uytgaande ende inkomende Schepen van ƒ3 per Last, te betalen ter plaatse, daar de Schepen van hier uytvaaren ende invallen zullen.

Art. III.

‘Directeuren zullen geen andere Lasten daar en boven mogen heffen binnen de eerste tien Jaaren, nog ook daar na, ten zy met approbatie van Haar Hoog Mogende ende na voorgaande berigt van Gouverneur en Raaden, op het gerequireerde van hier.

Art. IV.

‘Directeuren zullen boven het Fort of Forten alreede aangelegt, nog moeten aanleggen, ter bequamer tydt, op het zoogenaamde Crabben Eyland, of een weinig hooger op de Rivier, een bekwaam Fort tot beveylinge der Colonie, ende ook dezelve onderhouden moeten t' hunnen kosten, gelyk ook het Geschut, de Ammunitie van Oorlog, de Soldye ende het onderhoud van het Guarnisoen, ende alles wat relatie heeft tot bescherminge en defensie van de voorschreve Colonie, mits daar voor genietende een Extraordinaris Hoofdgeld, tot zodanige somme Jaarlyks, als met de Planters of Opgezetenen nader Convenieren zullen, of anders door Haar Hoog Mogende, na voorgaande berigt van de Coloniers, zal werden goedgevonden.

Art. V.

‘Directeuren zullen, des verzogt, de Colonieren moeten voorzien van een bequaam Predikant, Schoolmeester, Voorlezer, en diergelyke, zonder dat Directeuren daar toe meerder contribueeren zullen dan de vrye Tafel van den Commandant voor de Predikant, neffens een Anker Brandewyn, ende een half Oxhoofd Wyn, zullende het verdere door de Coloniers gedragen moeten werden.

[p. 349]origineel

Art. VI.

‘De Coloniers zullen gehouden zyn, by ieder hoop Negros van vyftien in 't getal te hebben en te houden een blanke; doch zullen voor het Transport en kostgeld niet meer behoeven te betalen dan ƒ30: voor ieder Blanke, door de Coloniers zelfs, of wel door Directeuren, naar gedane eisch, ende by de eerste bequame gelegentheid van hier te zenden, van zodanige conditie, bestaan of ambagte, als door de Coloniers zullen werden gerequireert.

Art. VII.

‘Alle Suikeren, of andere producten, die verkogt, of verzonden zullen werden, zullen de Waag moeten passeeren, ende ook voor afgekeurt werden door een of meerder Keurmeesters, by Directeuren aantestellen, ende welke Keurmeesters gehouden zullen zyn, op de gekeurde Suikeren of andere Producten, te stellen het merk van de Plantagiën, waar op dezelve zullen gewonnen zyn.

Art. VIII.

‘De Coloniers zullen geen andere Slaven mogen halen ofkopen, van wien het ook zy, dan van de Westindische Compagnie alleen, door middel van Directeuren dezer Colonie, ende zullen tot dien einde aan Directeuren van tyd tot tyd schriftelyk moeten opgeven het getal Negros, dat ieder begeeren zal, om daar op voorzien te werden, zoo als dat behooren zal;

‘Directeuren met Bewindhebberen van de Westindische Compagnie bereits over een gekomen zynde, dat Bewindhebberen aan hun, op de eerste requisitie, bezorgen zullen moeten het geëischte getal Negros, ten pryze, als dezelve by publicque Verkopinge op de Colonie zullen mogen gelden, alles naar 't geen daar van op Suriname geschiet.

Art. IX.

‘De Coloniers zullen hunne Plantagiën, Slaven, Beesten ende andere

[p. 350]origineel

effecten, ten allen tyden mogen verkopen, of over doen; ook met haare Slaven, Beesten ende andere effecten van de Colonie vertrekken na elders, waar heen het hen believen zal.

Art. X.

‘Geen Producten, die op de Colonie gewassen zullen zyn, als Suikeren, Coffy, Cacao, Indigo, of anderen, zullen van daar afgelevert en uitgevoert mogen werden, anders, dan naar deeze Landen.

Art. XI.

‘Ook zal generalyk geen handel en Vaart, op, of van, de Colonie geschieden mogen, dan uit ende naar deze Landen, ende wel directelyk, zonder andere plaatsen aan te doen.

Art. XII.

‘Onder beneficie van 't geen voorschreven is zal de Vaart en Navigatie op de voorschreve Colonie voor alle Ingezetenen van dezen staat open staan.

Art. XIII.

‘Welverstaande dat alle Schippers, dewelke na de voorschreve Colonie zullen willen gaan, gehouden zullen zyn, van Directeuren een Commissie en Pas te halen, ende ook borge stellen, van met haare Schepen en lading wederom in deze Landen te retourneren, zonder eenige andere havenen ofte plaatzen, in heen of weder reize aan te doen, 't en zy alleen in cas van hoogen nood en gevaar van Schip en goed, te verifieeren by haare aankomste, met geregtelyke verklaaringe van die plaatze, daar men, om redenen als boven heeft moeten inlopen.

Art. XIV.

‘Ende zullen alle Schippers, naar de Colonie gaande, daar en boven gehouden zyn, ter Requisitie van Directeuren, ieder twaalf persoonen

[p. 351]origineel

voor Passagiers in te neemen, ende naar de Colonie over te voeren, twee persoonen voor een gereekent, indien dezelve beneden de twaalf jaren zyn, voor dertig gulden per hoofd, zonder voor transport, of kostgeld, iets meerder te mogen vorderen.

Art. XV.

‘Buiten het geen voorschreven is, zullen de Schepen, zoo van Directeuren, als van de Westindische Compagnie, die op de Colonie Slaven zullen hebben aangebragt, geen andere praeferentie hebben ofte genieten mogen, als de Schepen van particulieren, alle even na geëxpedieert moetende werden zonder onderscheid, ende zonder te wagten, dat de Schepen van Directeuren, of van de Westindische Compagnie volladen zullen zyn.

Art. XVI.

‘Ook zullen de Schippers of Kooplieden, op de Colonie gekomen wezende, met hunne Schepen en Goederen, mogen gaan leggen op alle zodanige plaatzen als voor hun de commodieuste zullen zyn, mits dat daar mede geen belemmering of nadeel, aan iemand werde toegebragt.

Art. XVII.

‘Doch zal niemand eenige Goederen mogen lossen, dan mits bewysende, dat het Lastgeld daar van is betaald, te weten het uytgaande Lastgeld voor het uitgaan van het Schip, ende het t'huiskomende, op het invallen van het Schip, ende ook niet anders, dan na bekomen losceel voor de van hier uitgaande Schepen, van den Gouverneur en Raaden op de Colonie, ende van de t'huiskomende Schepen van Directeuren, of van hunne geauthoriseerdens.

Art. XVIII.

‘Ende zal van de voorschreve Schepen ende Goederen zoo uitgaande als t'huiskomende geen uitgaande of inkomende Regten aan den Lande werden betaalt.

[p. 352]origineel

Art. XIX.

‘De voorschreve Colonie zal werden bestierd door een Gouverneur en Raad van Regeering, beneffens nog een Raad van Justitie, op zekere Instructie en Eed, met goedvinden van haar Hoog Mogende te arresteren.

Art. XX.

‘De Gouverneur zal worden aangesteld door Directeuren, doch zal zyn Commissie moeten ontfangen van haar Hoog Mogende ende in handen van dezelve den Eed afleggen.

Art. XXI.

‘De Raad van Regeeringe zal by provisie bestaan, behalven den Gouverneur uit Persoonen, by den zelven Gouverneur te kiezen uit een dubbeld getal van Persoonen, aan den zelven te praesenteeren, voor de eerstemaal door de gezamentlyke Coloniers, ende daar na door de overgeblevene Raaden alleen.

Art. XXII.

‘Den Gouverneur zal in alle zaken, zoo politicq als militair, het opperste gezag hebben, ende ook praesideren in den Raad van Regeeringe, maar zullen Gouverneur en Raden altoos gehouden blyven, te gehoorzamen ende na te komen alle het gunt hun van Directeuren in der tyd bevolen of aangeschreven zal werden, en in alle andere zaken, waar ontrent de Gouverneur of Raden, geen speciale last of Instructie, zullen bekomen hebben, zal de Gouverneur, wanneer die van eenig belang zullen zyn, gemelde Raad moeten convoceren, de zaken aldaar voordragen, ende ook concluderen, zoo, en indierveegen, als by de meeste stemmen oorbaar en dienstig, geoordeeld zal werden.

Art. XXIII.

‘Wel verstaande, aan de eene zyde, dat nog door den Gouverneur, nog

[p. 353]origineel

door den Raad, gezamentlyk of afzonderlyk, eenige verandering zal mogen werden gemaakt of gedoogt, en veel min geexecuteert, contrarie den teneur van deeze Octroye, of van eenige Articulen van dien, ende aan de andere zyde, dat onder dit verbod, om de zaken buiten confusie te houden, niet begrepen zal zyn het stellen van eenige kleine modique lasten door Gouverneur en Raaden, op approbatie van Directeuren, tot verval van eenige nodige kosten van de respective Raaden van Regeering en Justitie, van Schoolmeester en diergelyk.

Art. XXIV.

‘En, belangende den Raad van Justitie, zal de crimineele Justitie moeten werden waargenomen, door den Gouverneur ende Raaden; doch de civile Justitie, door den Gouverneur ende zes Persoonen, te kiezen uit een dubbeld getal, zoo uit den Raad van de Regeeringe, als uit de respective Coloniers, door Gouverneur en Raad van Regeeringe, te formeeren ende aan den Gouverneur te praesenteren.

Art. XXV.

‘Van de voorschreve zes Raaden van Justitie zullen om de twee jaren drie Persoonen afgaan, om door drie aankomende Raaden gesuccedeert te werden, ende alzoo telkens van twee tot twee Jaaren

Art. XXVI.

‘Zullende in de voorschreve Raad van Justitie alles geconcludeert worden met de meeste stemmen; ook den Gouverneur niet meer hebben dan eene stem; doch de stemmen stekende, zal met het advis van den Gouverneur werden geconcludeert.

Art. XXVII.

‘Alle de voornoemde Raaden van Regeering en Justitie, zullen hunne bedieningen niet mogen excuseren, ende dezelve moeten waarnemen, zonder eenige weddens of vergeldinge te genieten.

[p. 354]origineel

Art. XXVIII.

‘De Raaden van Regeeringe zullen den Rang hebben boven die van de Justitie, ende in beide Collegien zullen den voorrang hebben, voor de eerstemaal, die de oudste van Jaaren zyn, ende vervolgens die de oudste in Eedt zullen zyn.

Art. XXIX.

‘Van de Vonnissen, by den Raad van Justitie diffinitivelyk te wyzen, zal, (zoo veel het civile aangaat) Revisie vallen aan haar Hoog Mogende op gelyke wyze als in Suriname geschiet.

XXX.

‘Ende alzoo niet te vroeg kan werden voorzien op de successien ab intestato van de Coloniers, of andere, die zich op de voorschreve Colonie geëtablisseert zullen hebben, dat aan ieder derwaarts gaande, de vryheid gelaten zal werden, om te verkiezen zodanig bekent versterfregt, als hem behagen zal, maar geen verkiezing gedaan hebbende, gevolgt zal werden het Octroy van de Oostindische Compagnie dezer Landen, door haar Hoog Mogende verleent op den 10den January 1661.

‘En in agtinge genomen zynde, dat tusschen de Bewindhebberen van de Geoctroyeerde Westindische Compagnie, en de gemelde Directeurs van de Colonie van de Berbice op den 27sten September dezes Jaars is aangegaan een conventie waar door weggenomen zyn de bedenklykheden der Bewindhebberen op der Supplianten verzoek, zoo als dezelve mede hier na is geinsereert.

Op huyden den 27sten September 1732. compareerden voor my Leonard Noblet, Notaris Publicq, by den Hove van Holland geadmitteert, te Amsterdam residerende, in presentie van de nabesz. getuigen.

[p. 355]origineel

‘De Edele Heeren Mrs. Ferdinand van Collen de Jonge, Heere van Gunterstein, Tienhoven, &c. en Willem Bakker Dirksz., Oud Praesident Schepenen dezer Stede, als Bewindhebberen van de Geoctroyeerde Westindische Compagnie ter Kamer van deze Stad, volgens Resolutie van de vergadering van Tienen in dato den 16den dezer lopende Maand, by de voorsz. Kamer, daar toe speciaal gequalificeert, ten Eenre:

‘En de Edele Heeren Mr. Jacob de la Bassecour, en Jacob Voordaagh, als Directeuren van de Colonie de Berbice, en hier toe, door haar verdere mede Directeuren ende Hoofdparticipanten insgelyks geauthoriseert, ter andere zyde.

‘Ende verklaarden, na voorgaande tusschenspraake ende aangewende Officien van de Ed. Groot Achtbaare Heeren Munter en Corver, Oud Burgermeesteren van deze Stad, ende door haar Edele Groot Achtbaare de Regeerende Heeren Burgermeesteren hier toe verzogt, met den anderen, by deezen verdraagen te zyn;

‘Dat de Heeren Bewindhebberen van de generaale Geoctroyeerde Westindische Compagnie, zich niet opposéren zullen tegens het Octroy dat Directeuren van de Colonie de Berbice, over eenige Maanden aan haar Hoog Mogende verzogt hebben, om, ondere zekere Conditien, de Vaart, ende Navigatie op dezelve Colonie, voor alle Ingezeetenen van dezen staat, open te stellen, ende aan die, des begeeren zullen, zoo veel Landen reets gecultiveert, of niet af te geeven, als ieder requireren zal, voor behoudens evenwel,

‘1. Dat by dezen geinhaereert worden alle voorgaande Conventien tusschen Bewindhebberen van de Westindische Compagnie, ende de Directeuren van de Colonie de Berbice geslooten, voor zoo verre daar aan by dezen niet gederogeert word, particulier met relatie tot het Xde Articul van de Conventie in dato den 27sten November 1730. waar by de voorsz. Directeuren aangenomen hebben, dat, noch door hun noch door andere eenige Equipagiën na Africa of America gedaan zullen worden, uit
[p. 356]origineel
de Colonie de Berbice, met belofte, om zulks, na hun uiterste vermogen, te helpen weeren ende te beletten.

‘2. Dat alle Schepen, die na de Impetratie van het Octroy, na de voorsz. Colonie, zullen aanleggen, behoorlyke Cautie zullen moeten stellen ten behoeve van de Westindische Compagnie, en tot zodanige somme als van de Schepen vaarende op Suriname of America, by de Compagnie, in gebruik is, dat dezelve, volgens het XIde Articul van 't ontworpe Reglement, niet zullen mogen vaaren, of handelen, dan uit, en na deze Landen, op de Colonie de Berbice, zonder andere plaatzen, in Africa, of America, in heen of weder reize aan te doen: hooge nood ende gevaar van Schip en Goed, altoos uitgezondert: conform de Acte van Cautie hier nevens geinsereert.

Acte van de Cautie.
Wy ondergeschreve Rheeder en Capitein van de Scheepe genaamt ..... Capitein ..... gedestineert na de Colonie de Berbice, verklaaren ons te verbinden, ten profyte van de generale Geoctroyeerde Westindische Compagnie deezer Landen, dat den Capitein, met zyn voorn. Schip, niet anders vaaren zal, dan uit deeze Landen, ende dat hy vervolgens met zyne voorsz. Schip, niet zal vermogen te koomen op de Kusten en Landen van Africa, te reekenen van den Tropicus Cancri af, tot de hoogte van 30 graden bezuiden de linie Equinoctiaal, met alle de Eilanden in dat district onder de voorsz Kusten gelegen, noch op eenige andere plaatzen van America, hoogen nood, en gevaar van Schip en goed, altoos uitgezonderd: 't zy in de heen of weder reize: op poene van confiscatie van Schip en goed, ingevolge van de Octroye aan de bovenge-
[p. 357]origineel
melde Westindische Compagnie verleent, ende voorts onder verband van het voorsz. Schip en zyne ingeladene Goederen als mede ieder in solidum van onze persoonen en goederen, als na Rechten
En tot meerder gerustheid van dezelve Compagnie, ten einde de voorschreve Capitein, niet kome te bevaaren eenige van de hier voor geëxcipieerde plaatzen, verklaren wy .... ons, deswegens te stellen tot borgen, ter somme van ses duysend guldens.

‘3. Dat Directeuren van de Colonie de Berbice, aan de Scheepen derwaarts zullende gaan, verleenen zullen de noodige Commissien: maar dat dezelve, nevens het passeeren, of overleeveren van de Bovengemelde Cautie, aan de Heeren Bewindhebberen, van de plaatsen, alwaar de Scheepen in laadinge leggen, zal moeten worden vertoont, om door dezelve Visa of attache daar op gegeven te worden, conform als hier volgt:

Acte van de Visa.
Bewindbebberen, gezien hebbende de bovenstaande Commissie, mogen leiden, dat den Capitein, zyne voorgenoomen reize, met het voorschreve Schip, kome te doen.

‘4. Dat de Paspoorten van Schip, en Goederen, die naar de Berbice ingelaaden zullen werden, naar het Exempel van Suriname, gehaalt zullen moeten werden by de Westindische Compagnie, comform het Formulier hier na geinsereert: aan Directeuren vry blyvende, zoo veel hen aangaat, daar omtrent zoodanige nadere ordres te stellen, als dezelve zullen meenen voor zich nodig te hebben.
[p. 358]origineel

Paspoort voor de Goederen.
Alzoo ten Comptoire van de Westindische Compagnie, ter Kamere ..... aangegeven zyn, de nagemelde goederen, om gelaaden te worden in 't Schip genaamt ..... Schipper ..... en gedestineert na de Berbice, gelegen onder het district van den Octroye by de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal, aan de voorsz. Compagnie verleent, zal overzulks het voornoemde Schip, met dezelve goederen, zonder verhindering, derwaarts moogen passeeren.

Paspoort voor het Schip.
De Gecommitteerden ter Recherche van's Lands Convoyen, zullen gelieven, zonder verhinderinge, te laaten Passeeren, het Schip genaamt ..... daar Schipper op is ..... gedestineert te gaan na de Colonie de Berbice, met Commissie van de voorschreve Geoctroyeerde Colonie, ende met een attache van de Westindische Compagnie. Actum Amsterdam ..... By ons, als Bewindhebberen van de Geoctroyeerde Westindische Compagnie ter Kamer alhier, ende gecachetteert met deszelfs Cachet.

‘5. Dat Directeuren van de Berbice, gehouden zullen blyven, aan de Westindische Compagnie voor, ende in plaatze van Recognitie, te betalen zes honderd guldens Jaarlyks, vervallende twaalf maanden na dat het Octroy zal weezen verleent, en te continueren, zoo lang het tegenwoordig Octroy van de Westindische Compagnie loopen zal; zonder, dat, in die tusschen tyd, eenige verdere, of andere Recognitiën gevergt zullen
[p. 359]origineel
mogen werden, 't zy dat veel, of weinig Scheepen na de Colonie vaaren zullen: de Scheepen van Directeuren meede ingeslooten: zullende, na het expireeren van 't Octroy, aan de Generale Westindische Compagnie verleent, tusschen de Comparanten, nader geconvenieert moeten werden, en ieder van dezelve gelaten werden, in dien staat als dezelve zyn geweest, voor dato van deeze Conventie, en voor het Octroy dat daar op gegeven mogte werden.
‘En verklaarden de Heeren Comparanten, met het gunt voorsz. is, volkomen de accord en te vreeden te zyn, geevende de Heeren Eerste Comparanten, aan de Tweede Comparanten, de faculteit, om van dit Consent, te laaten blyken over al, daar het van vrugt zal zyn, en aanneemende, daar en boven, om, by haare buiten Leeden, zoo binnen als buiten deeze Provintie devoiren aan te wenden, ten einde dat het Octroy, door de Tweede Comparanten verzogt, gefaciliteert mooge werden, zoo veel mogelyk zal zyn.
‘Aldus gedaan binnen Amsterdam, ter praesentie van Jan Salevelt de jonge, en Samuel Cuvelier, als Getuigen; (was getekent) Ferdinand van Collen de Jonge, W. Backer Dircksz., J. de la Bassecour, Jacob Voordaagh, Jan Salevelt de Jonge, Samuel Cuvelier, L. Noblet, Notaris; (onderstond) accordeerd met de Minute onder my Notaris berustende (was getekent) L. Noblet, Notaris Publicq.

‘Zoo is het, dat Wy de voorschreve Supplianten geconsenteert, geaccordeert, ende geoctroyeert hebben, gelyk wy dezelve uit Souvereine Magt, consenteeten, accordeeren en Octroyeeren mits dezen, om onder de Conditien in het Project-Reglement en in voorschreve Conventie beide hier voren geinsereert, vervat, dienvolgende de Vrye Vaart en Navigatie op de voorschreve Colonie van de Berbice, voor alle Ingezetenen dezer Landen open te stellen, ende aan die des begeeren zullen,
[p. 360]origineel
zoo veel Landen reets gecultiveert of niet, onder redelyke Conditien af te geven als ieder requireeren zal.
‘Waaromme Wy lasten ende beveelen allen ende eenen iegelyken, die dit eenigzints aangaan zal, hun hier naar te reguleeren, zonder daar tegens te doen of te attenteeren ofte te gedoogen, dat daar tegens gedaan werde, want Wy zulks bevonden hebben alzoo te behooren.

‘Gegeven in den Hage onder het Cachet van den Staat, de Paragraphure van den Heer Praesideerende in onze Vergaderinge en de Signature van onzen Griffier. Op den zesden December, zeventien honderd twee en dertig.

(Was geparaphreert)

P.J. van BORSSÉLE van der HOOGHE, vt.

(Onderstond)

Ter Ordonnantie van Hooggemelde Heeren Staten Generaal,

(Was getekent)

F. FAGEL.

Deeze Volkplanting moet diestyds niet zeer voordeelig geweest zyn: want het blykt(a), dat van het begin der directie van de Colonie tot 1732 toe, slechts is uitgedeeld vier en vyftig duizend twee honderd vyf en dertig Guldens en twaalf Stuivers. Men vindt ook aangetekend, dat de Colonie, in February 1731, aan Inkoopen en Bylagen bedroeg zeven honderd vyftien duizend een honderd zestig Guldens.

[p. 361]origineel

De vrye Vaart en Handel op deeze Volkplanting nu voor alle Ingezetenen van deezen Staat opengesteld zynde deeden zich veele Verzoekers, om Landeryen tot het aanleggen van Plantagiën, op; en deeze Colonie begon sterke toeloop te krygen: Waarom men, ter beveiliging van dezelve, andermaal zyne gedachten liet gaan om haar behoorlyk te versterken. Waarop de Ingenieur Osterlin voorsloeg, een Fortres op het Krabben Eiland aan te leggen; doch anderen, waar onder de Commandeur Tierens, bragten daar tegens in, dat het Krabben-Eiland zeer laag en Moerassig was, en de Passagie ter wederzyde niet behoorlyk kon bestreeken worden, waar door de Schepen met de sterke Stroom gemakkelyk en met weinig schade de Rivier zouden kunnen opkomen en het Fort voorby zeilen. Hier op werd beslooten het oude Fort, schoon van luttel wederstand (en waar in de Regenbak vergeeten was), weder met Palissaden te bezetten en te vernieuwen.

Van tyd tot tyd wierd de Versterking der Colonie in overweeging gebragt; zynde het gevoelen van de meest kundige, dat zulks op het Krabben-Eiland, of by de Mond van de Rivier Canje moest geschieden: Doch hier tegens wierden van de andere kant weder veele zwaarigheden geopperd. Waarom, in den Jaare 1739, werd goedgevonden de Directeuren van de Societeit van Suriname (welke nu bezig waren het Fort Amsterdam te bouwen) te verzoeken, om den Ingenieur de Marets hen voor eenige tyd herwaards toe te zenden. Hy kwam zelf in de Colonie om naaukeurig de beste plaats uit te zoeken, en verkoos insgelyks het Krabben-Eiland. Hoewel deeze groote kosten veroorzaakte, is zulks nooit ter uitvoer gebragt maar deeze versterking achtergebleeven.

Ter aanmoediging der Planters wierd, in den Jaare 1734, aan dezelve boven het loopende Jaar nog twee Jaaren vrydom van Lasten toegestaan, en hen de vrye Visschery in de Rivieren van Berbice en Canje vergunt zo verre als hunne Plantagiën strekten; mids, dat de Rivieren niet zouden versperd of bezet werden, en dat zulks geschiede met zodaanig Wand en op zodaanige plaatse als den Gouverneur zou goedvinden. Op de sterke aanzoeken der Ingezetenen, om een Predikant werd insgelyks beslooten, dat men voortaan geen Landeryen zoude uitgeeven, ten

[p. 362]origineel

zy de Verzoekers zich verbonden Jaarlyks te betaalen vyf en twintig Guldens, tot onderhoud van denzelven, wiens Tractement bepaald wierd op zeven honderd vyftig a acht honderd Guldens, behalve de vrye Tafel en Wooning; zynde reeds een Kerk aan het Fort, in den Jaare 1724, gebouwd. Aan den Heer Gouverneur (welke Eertitul aan Bernard Waterham werd gegeeven wanneer hy, in den Jaare 1733, den Commandeur Thierens opvolgde) wierd vyf Guldens toegelegd voor ieder ingeruilde of ingebragte Slaaf, blyvende hier van echter uitgezonderd die geenen die door de Westindische Compagnie wierden aangebragt; gelyk mede vyf ten honderd voor den Vendumeester, van de Penningen uit openbaare Verkoopingen voortspruitende.

In dit zelfde Jaar, beslooten de Heeren Directeuren, op verzoek der Suiker Raffinadeuren deezer Stede, om den Uitvoer van geraffineerde Suikeren uit hunne Colonie te verbieden.

Eindelyk werd, in den Jaare 1735, voor het eerste als Predikant naar deeze Volkplanting gezonden Jan Christaan Frauendorf (gestaan hebbende te Namen), op een Tractement van negen honderd Guldens, benevens vrye Wooning en Tafel. Gelyk ook een Voorleezer en School-meester, op een Wedde van drie honderd Guldens. Insgelyks wierd een Kerken Casse opgericht, tot betaaling van alle Kerkelyke zaaken. Ter verval van alle Ongelden, werd mede ingevorderd een Waaggeld van twee en een half ten honderd, en een Hoofdgeld van vyftig Ponden Suiker, of vyftig Stuivers per Hoofd, wordende de Kinderen, onder de tien Jaaren oud, op half Hoofdgeld gesteld: boven dien een Vendugeld van twee en een half ten honderd boven het Salaris van den Vendumeester.

Ten gemak der Ingezetenen, welke thans merkelyk in getal aangroeide; werd mede by het Fort een Herberg gebouwd; mids dat de Herbergier, tot weeringe van alle Vervreemding, geen Producten in betaaling mogt aanneemen, op zeer zwaare Straffe: Ook werd met het Steenbakken weder een aanvang gemaakt. Ter meerder gerief der Liefhebbers die van tyd tot tyd Gronden verzochten, werd goedgevonden de Plantagiën der Directie, die zeer wyd uitgestrekt waren, in te trekken en te verminderen tot twee duizend Akkers. Om den aanvoer van Slaaven, waar aan op de Colo-

[p. 363]origineel

nie groot gebrek was; gemaklyker te maaken, werd, op den 21sten January 1736, met de Westindische Compagnie een Verdrag geslooten, waar by aan Directeuren, onder behoorlyke erkentenisse, voor ditmaal wierd toegestaan vyf Honderd Slaaven, ten gebruike hunner Colonie, uit Guinea te doen haalen, wyl het de Westindische Compagnie niet gelegen kwam zulks zelve te doen. Ook werd, tot ontlasting van den Raad van Politie en bevordering der Rechtszaaken, een Hof van Civiele Justitie, volgens het Octroy, opgerecht. Gelyk mede, op het voorbeeld van die van Suriname, ter beveiling tegens buiten en binnenlandsche Vyanden, voorgeslagen werd de Vrylieden onder de Wapenen te brengen, en de Burgery in vier Compagniën te verdeelen. Men besloot ook de Bezetting van honderd vyftig tot twee honderd Man te verhoogen.

De Vermeerdering der Inwooners als mede der Bedienden der Colonie had dat gevolg, dat men genoodzaakt was verscheidene Huizen Vlekswyze by het Fort te bouwen, als ook een Wooning voor den Predikant, die toen, in plaatse van vrye Tafel, drie honderd Guldens jaarlyks wierd toegelegd. En om beter gemeenschap met de Plantagiën te houden, werd een Weg van het Fort na de Rivier Canje aangelegd. Insgelyks wierd, tot bestiering der Goederen van Afgesturven en Onmondigen, een Weeskamer opgerecht. Gelyk men mede, tot beter bewind der Plantagiën van de Directie, welke weinig voordeel gaven; den Cornet Lossener aanstelde tot Superintendent dier Plantagiën, en teffens Capitein der Militie, die als tweede Persoon zitting zou hebben in den Raad van Politie naast den Gouverneur.

Eenige oneenigheden, tusschen Directeuren en Deelgenooten der Maatschappy, over de Verkiezing van eenen nieuwen Directeur, ontstaan zynde werd, om zulks in der minne te Schikken, op den 10den July 1738, goedgevonden voor die reyze het getal van zeven tot op negen Persoonen te vergrooten.

Meer andere Verschillen, welke veeltyds om de geringste oorzaaken, tusschen de Directeuren benevens de Regeering aldaar, en de Planters zyn opgereezen, gaa ik stilzwygende voorby; dewyl dezelven meestendeels op een vriendelyke wyze zyn bygelegd geworden.

[p. 364]origineel

Vervolgens begonnen verscheide Ingezetenen deezer Landen, aangemoedigd door het voorbeeld van Suriname, dat nu in een bloeijende staat was gesteld, en haare Bebouwers een milden Oogst van de Voortbrengselen van dat Land, als Suiker, Koffy, Cacao en Katoen afleverde, waar door veele Familiën in groote rykdom en aanzien geraakten: ook Plantagiën in deeze Volkplanting aan te leggen; wordende de toeloop derwaards zeer vermeerderd, door de goede en vette Gronden welke langs de Rivier en de Kreeken gevonden worden, het welk de hoop op een goede uitslag, en om door den tyd geen mindere voordeelen dan van Suriname te trekken, merkelyk deed opwakkeren.

Het scheen dat de Tabaks plantery eenigszins begon op te neemen: wyl Staaten van Holland, op den 22sten October 1738, toestonden den Invoer van Tabak uit deeze Colonie, tegens betaaling van twee Penningen per Pond.

Verders werd op den 21sten January 1752 op verzoek van Directeuren door haar Edele Groot Mogende toegestaan dat de Maandgelden en Gagien van die geenen die in de Colonie in dienste van de Directie waren niet met Arresten zouden mogen werden bezwaart.

Met de aanstelling van zyne Doorlugtige Hoogheid Prins Willem den Vierden, tot Stadhouder en Admiraal Generaal der Vereenigde Nederlanden, werd, op last van de Directie, de Gemeente in de Kerk door den Predikant, van deeze heughelyke Gebeurtenisse kennisse gegeeven.

Alvoorens over te gaan tot den algemeenen Opstand der Slaaven in deeze Volkplanting, zal ik kortelyk aanhaalen eenige Gebeurtenissen in vroegere tyden voorgevallen.

In het laatste van het Jaar 1733. of begin van het Jaar 1734, ontstord 'er op de Plantagie van de Heer Vernesobre een Opstand onder de Slaaven, die de Plantagie afliepen, en de twee Blanken Bedienden op dezelve, Donet, en Cassaing genaamd, vermoordden. De Gouverneur hier van bericht zond terstond eenig Volk daarop uit, die de Slaaven gevangen kreegen, waar van 'er drie welke de aanvoerders waren geweest, met de Dood gestraft werden.

Het gebeurde, in den Jaare 1749, op de Plantagie Petershof, gelegen

[p. 365]origineel

veertien Uuren boven het Fort, tegens over de Colonie Plantagie Markey, dat de Slaaven opstonden tegens den Directeur, en, in den morgenstond, op hem aanvielen, hem verscheidene Wonden, zo in het Hoofd als Lichaam, toebrengende; doch dit geweld en geschreeuw op de Plantagie Markey gehoord zynde, kwamen zo wel de Christenen als Slaaven met hunne Vaartuigen de Rivier over, en ontzetten den gekwetsten Directeur; waarop de oproerige Negers de vlucht naar de Bosschen namen. Deeze Vlugtelingen werden weldra door de trouwgebleevene Negers, zo van die, als van de Plantagie Markey achtervolgd en gevangen; wordende twee der voornaamsten Belhamels op het Fort in hechtenis gebragt, en de anderen op de Colonie Plantagie in den Tronk geslooten. De eene wierdt levendig Geradbraakt, als zynde de geene die zyn Meester gekwetst had; de tweede onder de Galg gezweept en gebrandmerkt, vervolgens uit de Colonie gebannen, en aan de Engelschen verkogt; de overigen werden met twee honderd Zweepslagen gestraft: waar door op die Plantagie alles weder in rust en vreede geraakte.

In den Jaare 1751. beslooten vyftien of zestien Soldaaten uit het Fort Nassau, des nachts, te deserteeren, en hadden ten dien einde, daags te vooren, de Yzeren Tralien, welke achter in het Fort van onderen voor de Schietgaten waren gemaaakt, losgebrooken; en trachten met hunne Snaphaanen en Patroontassen daar door te kruipen: doch de Lieutenant Cugny, het geraas hoorende, riep den Corporaal en de Wachthoudende Manschap; en met den Deegen in de vuist na beneeden gaande, vondt hy nog eenigen die het niet ontsnapt waren welke hy gevangen nam, onder anderen eenen Anthony Kragt, die hy den Deegen op de borst zette. Zy bekenden terstond hunnen aanslag: de anderen die reeds buiten waren, hun voorneemen ontdekt ziende, kwamen van zelfs aan de groote Poort van het Fort, en gaven zich vrywillig aan de Wacht gevangen, wordende in het Trompettersgat opgeslooten; zynde een klein vierkant Vertrekje tusschen de Chirurgyns en Botteliers Kamer, in de achterste Palissaden onder het Fort, en een naare Gevangenis, vervuld met Slangen, Rotten en Muisen, geen licht hebbende dan door een Yzeren Gieter welke boven de Deur stond: zynde de gewoone Bewaarplaats der Kwaatdoenders.

[p. 366]origineel

Vervolgens werden zy twee aan twee bewaard, aan handen en voeten geboeid, geduurende veertien Daagen, en na verscheidene ondervraagingen werdt één der Belhamels verweezen om gehangen te worden, eenige voor Schelm uit de Colonie gebannen, en andere door de Spitsroeden gejaagd. Op den dag der Rechtsoefening trokken alle de Soldaaten uit, en de Ambachtslieden moesten het Fort bezetten; doch op voorbeede der overige Soldaaten, werd, door den Gouverneur, de straf der galg verandert om den gevangenen te harquebuseeren, maar vermids hy reeds in Beuls handen was geweest, wierdt hem alvorens het Vaandel driemaal over het hoofd gezwaaid, hy voor eerlyk verklaard, en vervolgens door drie zyner Spitsbroederen doorschooten en op het Kerkhof eerlyk begraven: de Gebannenen wierden met een Engelsche Bark naar Nieuw Engeland gezonden; drie der genen die door de Spitsroeden moesten loopen kreegen pardon, waar onder die geene was, die het verraad had geopenbaard; welke echter naderhand, gelyk wy in het vervolg zullen verhaalen, om een andere misdaad is geradbraakt.

In het begin van den Jaare 1752, ontstond op de Plantagie Switserland, omtrent tien Uuren boven het Fort schuins over de Gereformeerde Kerk, een Oproer onder de Slaaven, die zig des avonds met hunne Houweelen en Kapmessen naar het Huis begaaven daar zy de Vrouw eenige zwaare wonden toebragten, welke zich in huis onder een Tafel verbergde: de Man buiten zynde, schoot op het geschreeuw toe trok ten eersten de Klok, ten teken van onraad; doch hy werd door hen mede deerlyk gewond; de buuren met hunne Negers en eenige Indiaanen op dit geweld aankomende namen de Slaaven de vlucht naar het Bosch, daar zy vervolgd en gevangen wierden; doch de voornaamste Balhamel sprong in de Rivier en verdronk zich zelven. De Gevangenen werden door order van Gouverneur en Raaden met drie honderd Zweepslagen op de Plantagie gestraft; het Lyk van den verdronkenen opgevischt door Beulshanden de Kop afgehouwen en op een Paal gesteld, met een schrift, waar op stond dit is een Moordenaar: door welke Gerechtsoefening alles weder in rust geraakte.

In den Jaare 1756, wierd een Man van omtrent 90 Jaaren genaamd

[p. 367]origineel

Pieter de Raad, in zyn Huis vermoord; het geval had zich dus toegedragen; zekere Boer van de Directie Anne Jacobs geheeten, werd om zyn slecht gedrag, weggejaagd, hebbende een Vrouw en vyf Kinderen waar onder een Huwbaare Dochter, daar de voorheen genoemde Soldaat Anthony Kragt naar verkeerde: deeze Boer, arm zynde en niet hebbende om te leeven, openbaarde den Soldaat zyn voorneemen om den ouden Pieter de Raad te vermoorden, belovende den Soldaat voor zynen bystand hem zyn Dochter ten huwlyk te geeven: de volgende nacht werd tot het schelmstuk vastgesteld: de Soldaat, die s'avonds ten 8 Uuren, volgens de ordre, in het Fort moest zyn, wist des nachts heimelyk daar uit te geraaken, en begaf zich, verzeld met gemelde Anne Jacobs zyn Vrouw en drie oudste Kinderen, naar het huis van voornoemde P. de Raad; daar de twee eerstgenoemden tusschen de Muur en het Dak, dat uit Halliballie bladen bestond, inkroopen en den ouden Man verwurgden, het huis openmaakende, en alles wegsteelende: de Soldaat wist weder, zonder van iemand gezien te zyn, in het Fort te komen, zo dat op hem geen verdenken kon vallen.

Des morgens de buuren het Huis vroeg open ziende gingen derwaards, en vonden den Man vermoord liggen; zonder dat men eenige voetstappen des Moorders kon ontdekken, niet tegenstaande alle onderzoek daar omtrent door den Fiscaal, op ordre der Regeeringe, werd gedaan. Ruim zes Weeken daar na ontdekte het zich door zeeker stuk Zilver, den Soldaat te beurt gevallen daar het merk van Pieter de Raad opstond, en dat hy in de Smidswinkel had gegeeven om te verwerken; het welk by den Opziender gemerkt zynde vroeg deeze wien zulks toekwam, en verneemende dat de Soldaat Kragt het had gebragt gaf hy daar van kennisse aan den Gouverneur, die den Soldaat terstond deed in bewaring neemen: het feit door hem bekend zynde wierd de Boer met Vrouw en Kinderen door een Commando naar het Fort gehaalt: doch niets willende beleyden, op de pynbank gelegd daar hy zyne misdaad bekende. Anne Jacobs en Anthony Kragt werden verweezen om geradbraakt en de Vrouw en oudste Dochter om gegeesseld en gebrandmerkt te worden: De Vrouw werdt vervolgens naar Holland, en de oudste Dochter met de andere Kinderen

[p. 368]origineel

naar Nieuw Engeland gezonden; zynde die Dochter naderhand in Nieuw Jork met een ryke Boer getrouwd.

In den Jaare 1759. ontstond 'er twist tusschen twee Soldaaten; zynde de eene een Franschman en de andere een Italiaan; en eischten malkander zonder dat iemand zulks hoorde, buiten voor de Bajonet. Zy kwamen ongemerkt buiten het Fort, en gingen in het Bosch op het Canjese Padt, daar de Franschman den Italiaan met negen wonden doodelyk kwetste, en weder in het Fort geraakte zonder gezien te worden. Het Lyk werd by eenen Warnar Gillot, daar dicht by woonende gevonden, die het den Gouverneur bekend maakte; wordende het zelve in het Fort gebragt en geschouwd en vervolgens stil begraaven. De Franschman gaf zich zelven aan, en wierdt verweesen om geharquebuseerd en voorts mede stil begraven te worden.

Na dat deeze Colonie eenigszins in een bloeiende staat begon te komen en een aangenaam vooruitzigt gaf dat zy eerlang het Hoofd zoude konnen opbeuren, en een zeer nuttige Bezitting voor den Staat uitleveren: Wierd zy tusschen de Jaaren 1756 en 1757, bezocht met heete Koortsen niet vry van besmetting, welke sterk hebben gewoed en in weinige Jaaren het grootste gedeelte der Blanken weggerukt, waar door verscheidene Plantagiën van hunne Directeurs en blanke Bediendens zyn ontbloot geraakt, en de gezonde Militairen in den beginne van 1762, naaulyks een getal van twintig Koppen konden uitmaaken.

Dusdanig was de toestand deezer Colonie toen de eerste en volgende Opstand der Negers zich openbaarde. Wy moeten vooraf aanmerken dat de Negerslaaven op deeze Volkplanting in 't algemeen vry zacht zyn behandeld geweest en ook doorgaands beter dan op eenige andere Coloniën verzorgd, wordende van tyd tot tyd met Vleesch, Spek, Visch, Gort en Boonen gespysd, daar de Slaaven op andere Coloniën hun voedsel al meest uit de Kosttuinen moeten haalen: doch dat die behandeling zekerlyk niet overal zodaanig is geweest, wyl de Hoofden der muitende Negers de redenen en oorzaaken van den Opstand hebben toegeschreeven aan onredelyke en verregaande mishandelingen welken zy op Plantagiën van sommige

[p. 369]origineel

Particulieren hadden moeten ondergaan, waar van onder andere de Plantagie Lelienburg, die alleen vier Opperhoofden der Muiters heeft uitgeleverd, geen klein bewys geeft; het schynt ook verder vry klaar, dat aan den eenen kant de verzwakte toestand der Blanken, waar van door de toenmaals heerschende Ziekte een groot gedeelte was weggerukt, en aan den anderen kant de Lafhartigheid van sommigen, welke in plaats van, volgens hunnen pligt en de daar toe gestelde orders, zich tegens de Rebelleerende Negers te weer te stellen, hunne Plantagiën met het Geweer en Ammunitie, dat daar op was, hebben ten prooye gegeeven en verlaaten, mitsgaders de onwilligheid van anderen, en byzonder ook van de meeste Schippers en van 't Scheepsvolk, het welk zich ter dier tyd op de Colonie bevond, den voortgang van den Opstand zodaanig hebben laaten zyn loop neemen, dat dezelve is algemeen geworden, zo dat de getrouwe Slaaven genoodzaakt wierden den Stroom en de overmagt van de Muitelingen te volgen, en dat daar door de Colonie is gebragt tot dien allerdroevigsten toestand, waar in dezelve zich op de aankomst der eerste hulptroepen bevond, doch uit welken zy sedert door de krachtdaadige hulpe en bystand van hun Hoog Mogende is gered geworden, zo als omstandig uit ons Verhaal blyken zal.

De eerste samenzweering van sommige kwaadgezinde Negerslaaven ontdekte zich op den 5den July 1762, en begon op de Plantagie Goed Land en Goed Fortuin boven in de Rivier gelegen, toebehoorende den Heer Laurens Kunckler, die echter een voorbeeld in goedheid en zachtzinnigheid omtrent de Slaaven was. Zy waren zesendertig Koppen, zo klein als groot sterk, en namen hun slag waar terwyl de Heer Kunckler naar het Fort was gegaan om de Raadsvergadering aldaar, als Medelid, by te woonen; Kisten en Kasten benevens het Pakhuis braken zy open, namen daar uit het geen van hunne gading was, en staken de rest in brand; voorts maakten zy zich meester van eenige Snaphaanen, Kruid en Kogels waar van zy goeden voorraad vonden, wyl die Heer Capitein van een Compagnie Burgers was; zy slagtten ook twee Koebeesten, die gebarbekot, en nevens al hunne Buit in Corjaaren geladen wierden, waar mede zy vervolgens de Rivier hooger op voeren, poogende onder-

[p. 370]origineel

weg eenige Negers van den Heer Perrotet in hunne belangen over te haalen, dat hen echter mislukte. Zy ontmoetten in hunne optocht geen anderen tegenstand dan van de Bezetting op de Acquewynse Post, waar van zy den Postlegger kwetsten en één Indiaan doodschooten, waarop de Overigen bevreesd de vlucht namen.

Zo dra de Tyding hier van aan 't Fort kwam, werd de Lieutenant Thielen met een Corporaal en twaalf Gemeenen nevens eenige Burgers afgezonden, om den verderen voortgang van deeze Muitery, was 't mogelyk, te stuiten en de Rebellen in handen te krygen: men werd de Negerslaaven gewaar in 't Bosch daarze zich ondertusschen hadden versterkt; ons Volk tastte hen wel tot tweemaal aan, maar vond zo veel tegenstand, dat het genoodzaakt werd te rug te deinzen, met verlies van vyf Dooden, verscheidene Gekwetsten, en eenige die de Negers gevangen namen, welk lot kort daar aan nog een Burger te beurt viel, wien zy, zo als men naderhand vernam, jammerlyk vermoordden.

De Lieutenant Thielen en zyne overgebleevene Manschap den moed daarom nog niet opgeevende, plaatste zich in een Hinderlaag, alwaar de Muiters van pas voorby komende, onverwachts aangetast en verscheidene van hen neergemaakt werden, neemende de overigen ten getale van drie Negers en vyf Negerinnen de vlucht in de Bosschen en bygelegene Gebergtes, behalve een Neger die men gevangen kreeg en naar het Fort opzond, welke op den 29sten November by Vonnis van 't Hof, van onder op levendig is geradbraakt en zyn Hoofd op een Pen gesteld. Hier mede was deeze Opstand, die door den Bomba of Meesterknegt, Adam genaamd, opgemelde Plantagie begonnen was, gedempt; doch van de Gevluchtenen, schoon op dezelven wel gewaakt werdt, heeft men sedert niet meer vernoomen.

Kort hier na klaagde de Directeur Hurler op de Plantagie de Savonette, dat eenigen zyner Slaaven zich zeer ongehoorzaam en onwillig gedroegen. Waaröp de Gouverneur drie der hardnekkigsten liet in hechtenis neemen, die behoorlyke straf ontvingen, en waar van geen gevolg geweest is.

Op 't einde van dat zelfde Jaar verspreidde zich een gerucht als of de Negers, in de Negery over het Fort, een voorneemen hadden om het

[p. 371]origineel

Fort by nacht te overrompelen; doch na naaukeurig onderzoek vondt men alles in rust en de Negers zeer getrouw, zynde meest ingeboorene Slaaven, Creoolen genaamd.

Maar op den 23sten February 1763, vernam men op nieuw een' Opstand, die als een loopend Vuur, in korten tyd, de gantsche Colonie aanstak. Dezelve begon op de Plantagie Magdalenenburg gelegen in Rio Canje, toebehoorende Mevrouw de Weduwe Vernesobre, waar van de Slaaven ten getale van drie en zeventig, hunnen wreeden en muitzieken aart lieten blyken; zy vermoorden den Directeur André Fourie neffens den Timmerman; en na zich van het Geweer en de Ammunitie, dat zy daar vonden, meester gemaakt te hebben, gingen zy van daar naar de Plantagie la Providence, van den Heer Jan Testas: doch de Directeur Joly van hunne aankomst verwittigd; deed zyn Volk byëen roepen om tegenstand te bieden, en zond den Meesterknegt op kondschap uit, welke schielyk te rug kwam, zynde door de Rebellen ontdekt en gewond; waarop gemelde Directeur wyl hy zich tegens die menigte niet bestand vond, met twee zyner Slaaven van daar door het Bosch naar de Plantagie Petersburg de wyk nam; terwyl de Muiters vast op la Providence naderde, waar zy het Huis plunderden, en waar tien van de Slaaven zich by hen voegden, waar mede zy gezaamenlyk naar de overzyde van de Rivier Canje trokken, om zich over Land naar de Corentyn, behoorende onder Suriname, te begeeven.

De voornoemde Directeur Joly, welke Capitein van de beneden Divisie was, deed ten eersten zo veel Burgers als 'er by de hand waren, op Petersburg vergaderen; en gaf van het voorgevallene bericht aan den Gouverneur, die reeds de tyding had bekomen van de Heeren Meyer en Buse (welke Heeren een Togtje na Canje hadden gedaan, maar op het gerucht van den Opstand, naar 't Fort waren te rug gekeerd), doch geen Soldaaten hebbende, om tot dekking van Canje, derwaards af te zenden, vond hy raadsaam daar toe te gebruiken zo veel Matroosen, als van op de Rée liggende Scheepen konden gemist worden, die dan ook terstond onder bevel van een Opperstuurman, over land naar Canje getrokken zyn, met schriftelyke ordre hoe zich te moeten posteeren, en wat zy verders te doen

[p. 372]origineel

hadden. Deeze hebben daar eenige dagen post gehouden, tot men zeker naricht bekwam, dat de Rebellen Canje hadden verlaaten, en na de Corentyn getrokken waren. Inmiddels rukte Joly met zyne byhebbende Burgers op Magdalenenburg aan; doch de Rebellen waren by zyn aankomst reeds van daar gegaan; waaröp hy de beide vermoorde Lichaamen van den Directeur Fourie en den Timmerman liet begraaven, en vervolgens weder naar Stevensburg keerde.

In het begin van Maart werd het voorbeeld deezer Negeren gevolgd op verscheidene Plantagiën aan de Rivier de Berbice zelfs. De Plantagie Juliana toebehoorende aan de Weduwe Berkey trof het eerste dit ongeluk, wordende door de Rebellen afgeloopen en verbrand, die ook de Vrouw van den Directeur Dell aldaar gevangen namen, en haar het Hoofd afhieuwen en op een staak zetteden. Van daar sloeg de Woede over op Mon Repos en Essendam, op welke laatstgenoemde Plantagie de Directeur Veldhuisen jammerlyk door hen vermoord werdt. Voorts werden de Plantagiën Lelienburg, Elisabeth en Alexandria, en Hollandia en Zelandia, door hen afgeloopen en veele Blanken vermoord, en, volgens het bericht dat Capitein Hattinga (die van boven kwam) hier van aan den Gouverneur gaf, dreigden zy meer andere Plantagiën met een dergelyk bezoek; doch op Hollandia en Zelandia hadden zy de Gebouwen gespaard, om zich daar neêr te zetten. De Gouverneur op middelen bedacht zo tot ontzetting der Plantagiën als om de gevreesde gevolgen, zo veel mogelyk, voor te komen, gaf hier op bevel aan Schipper Cock voerende het Slaaven-Schip de Adriana Petronella, dat met dertig gezonde en wel gewapende Mannen voorzien was, de Rivier op te zeilen en overal waar hy Onraad of Rebellen mogt ontmoeten, geweld met geweld te keer te gaan, en te trachten den verderen voortgang te stuiten, met uitdrukkelyke ordre om zich met zyn Schip te plaatsen voor de Plantagie de Peereboom, om de Inwooners van de Boven liggende Plantagiën, die met Vrouwen en Kinderen, ten getale van vyftig of zestig Zielen, daar opgevlucht waren, te hulp te komen, en te ontzetten, gelyk deeze ongelukkige Menschen dan ongetwyffeld hier door zouden gered geworden zyn, indien dit heilsaam oogmerk niet was verydeld geworden. Dit Schip vertrok des morgens om half acht

[p. 373]origineel

Uuren met een frisschen Vloed, de Rivier op, en was om negen Uuren reeds uit het gezigt van het Fort; doch gekomen zynde tusschen de Plantagiën van twee Raaden uit den Hove van Politie, omtrent twee Uuren boven 't Fort gelegen, werdt het zelve in zyn koers opgehouden, krygende de Gouverneur des nachts de tyding dat het Schip even boven de Plantagie van den Raad Gillissen ten Anker was blyven liggen, en dat men sterk bezig was om met kleine Vaartuigen de Meubelaire Goederen in veiligheid aan boord van 't zelve te brengen. Hieröp schreef hy terstond, aan de Raaden Gillissen en Schermeister, geevende hen, met de sterktste uitdrukkingen, zyne verwondering, en gevoeligheid over hunne handelwyze hierin te kennen, en gelastende aan Schipper Cock op nieuws, dat hy tot Redding van de Colonie, zoude hebben te voldoen aan de ordres, die hem in naame van hun Hoog Mogende door hem Gouverneur schiftelyk gegeeven waren: doch alles was vruchteloos, en konde niets baaten. Ondertusschen verliep de tyd; de schrik en ontsteltenis onder de Inwooners vermeerderde, waar van 'er veelen, op de tyding dat de Rebellen meer en meer voortgang maakten en naar het Fort afzakten, zich met hunne Meubelen en Goederen op de Schepen van Schipper Roelof Laurens; Michiel Ramelo, en Cornelis Pynappel begaven, om daar in veiligheid te zyn. Deeze drie Scheepen lagen in een ry op Stroom geschaard, volgens ordre van den Gouverneur, om het Fort, by vyandelyken aanval, te beschermen. De Bezetting op dit Fort bestond toen maar uit acht Soldaaten, het welke met nog tien Burgers versterkt werdt.

Het Slaaven-Schip bleef zich, in weerwil van des Gouverneurs gegeevene Ordre, om laag nog ophouden: dus werdt het eenigste Middel dat voorzeker het behoud van Land en Inwooners zoude te weeg gebragt hebben, geheel verydeld, 't zy dat zulks veroorzaakt zy, door de onwilligheid van den Schipper, of dat hy door andere Lieden uit Baatzucht daar toe is aangespoord geworden. Men sloeg in deeze verlegenheid voor om het Scheepje van C. Pynappel langs de Rivier tot eenige onderneeming tegen de Rebellen te gebruiken; doch deeze Schipper weigerde zyne toestemming; voorgeevende dut hy veele Zieken aan boord had, en ook dat hy zyn Stuurman met eenige Matroozen vermiste, die met de Sloep de

[p. 374]origineel

Rivier waren opgeloopen en vermoedelyk in handen van de Rebellen zouden gevallen zyn.

Inmiddels stelde de gevluchte Christenen op de Colonie Plantagie de Peereboom zich in staat van tegenweer, en hadden ten dien einde het Woonhuis aldaar met Schietgaten rondom voorzien, en de toegangen tot het zelve met gebroken Glas bestrooid om de Rebellen het naderen zo veel mogelyk te beletten. Deeze tastten evenwel de Wooning tot tweemaalen aan, welke zy met Spykers, met aangestooken Katoen omwonden, hevig beschooten, waar door het Dak, dat met houte Schaaltjes bedekt was, in brand raakte doch echter spoedig gebluscht werdt. Het Schieten eenigszins bedaard zynde, werdt hen door een Neger Cossala genaamd luidkeels toegeroepen. Dat zy waren Kaerels, en nog welveertien Vaten Kruid hadden, en dat zy de Plantagie niet zouden verlaaten. Hier op namen de Christenen in overweeging of het niet raadsaamst was de Plantagie by een redelyk accoord over te geeven aan de Rebellen, vermids de gehoopte bystand van het Slaaven-Schip verdweenen was, en dat zy reeds naauw ingeslooten waren; dat ook de Mondbehoeften als mede het Water zeer begon te verminderen, en zy dus konden uitgehongerd worden. Waaröp de Heer George, Directeur op de Plantagie Beerestyn, den gemelden Neger had aangesprooken en gevraagd wat de redenen waren, dat zy Negers dus met de Christenen handelden? welke daarop antwoordde: Dat de Christenen lomp waren voor hen; dat zy geen Christenen of Blanken meer in hun Land wilden dulden, en dat zy Heeren wilden weezen van de Berbice; dat alle Plantagiën de hunnen waren, en dat de Christenen die Plantagiën maar aan hen moesten over geeven. De onderhandeling duurde tot den volgenden dag wanneer zy tot een Vergelyk kwamen, voornaamelyk hier in bestaande, dat de Negers hen onbeledigd zouden laaten gaan na hunne Vaartuigen, om met dezelven vry en onverhinderd naar Beneeden te vaaren: doch de Negers braken verraderlyk het Verdrag en schooten onverwachts op de Christenen, toen die naaulyks in de Vaartuigen gegaan waren, en deeze werden dus overweldigd, veelen van hen sneuvelden, verscheidene raakten gevangen, en maar weinigen ontkwamen het door de vlucht aan Land.

[p. 375]origineel

Onder de Dooden bevonden zich onder anderen de Heer Abraham Zubli, de Zuster van den Heer Middelholtzer en de Mulat Philip Broer. Een der Dochteren van den Heer George, verdronk zich zelve na dat zy eerst teder afscheid van haare Ouders genomen had.

Den Gevangenen viel een zeer droevig Lot te beurt. De Heer George die gekwetst was, werd in de Boeyen gezet, zyn Huisvrouw en Jongste Zoon jammerlyk vermoord en hy naderhrnd om 't leven gebragt.

Den Heer Jean Zaint, wierden de Armen aan stukken geslagen en hy vervolgens nevens zyne Nicht vermoord.

Den Heer J.A. Muller, werd dood gezweept.

Den Doctor Jan Jacob Bass, werd eerst van Lid tot Lid gevild en daar na dood geslagen: hy moest deezen wreeden en bitteren dood ondergaan om dat de Rebellen zich verbeeldden dat de Negers die in 't Hospitaal hadden ziek gelegen en waar van eenigen van tyd tot tyd waren gestorven, door hem als Doctor waren omgebragt.

Eene Willem Hendriksen moest aanzien dat eerst zyn Kind in stukken werd gekapt, en vervolgens zyn Vrouw vermoord, waarna zy hem zelfs, eerst deerlyk zweepten, en eindelyk doodsloegen. M. Villiot, Dupié, Chevalier, en Richters werden mede dood geslaagen.

De Heer van Reotie benam zich zelven door een Pistoolschoot het leven.

De oudste Zoon van de Heer George ontkwam het gevaar met de vlucht, en zyn Zuster werd wel het leven geschonken, doch deeze moest onder de Rebellen gevangen blyven, tot dat zy hen naderhand ontsnapte.

De Weduwe van Emanuel Hosch met haar drie Dochters, en een Nicht van de Heer Middelholtzer nevens haar Zoon werden mede wel gespaard, doch zy moesten de Rebellen voor Slaaven, om in de Kosttuinen te werken, ten dienste staan, gaande byna naakt en naaulyks zo veel, om 't geene de eerbaarheid gebied te bedekken, overhebbende.

De tyding van het voorgevallene op de Peereboom werdt aan 't Fort door den Mulat Jan Broer, die te Paard van Cimbia kwam, bekend gemaakt en nader bevestigd door den Predikant Ramring nevens zyn Vrouw en Zuster, welke zich mede op die Plantagie hadden bevonden. Deeze verhaalden, dat zy dien geheelen nacht onder de Rebellen gebleeven maar

[p. 376]origineel

des anderen daags vry gelaaten waren op voorspraak van den zogenaamden Gouverneur Coffy, die gezegd had: ‘dat Dominé Ramring was een Man die met God sprak en voor haar bad, die daarom geen leed geschieden moest’; dat van daar gaande zyn wel Eerw: met andere Kleederen was voorzien geworden, en hen het Parool Coffy gegeeven, waar mede zy ongemoeid door de Rebellen heen getrokken en veilig aan 't Fort gekomen waren; dat hun Opperhoofd hen had belast aan den Gouverneur kennisse te geeven dat de slechte en wreede behandeling van eenige Planters, die zy met naamen en toenaamen opgaven, de oorzaak van deezen Opstand was.

Vervolgens kwamen veele Inwooners, (sommigen naakt en bloot) door de Bosschen en Savaanen gevlucht om de woede der Rebellen te ontgaan, hunne schuilplaats aan 't Fort en op de Scheepen zoeken. Uit Canje werd bericht dat de Negers langs die Rivier overal aan het Muiten waren geslagen, en dat verscheidene Planters hunne Plantagiën hadden ten prooy gegeeven en verlaaten, en zich naar den Zeekant op de Post St. Andries in veiligheid begeeven. Zulks baarde in een ieder een ongemeene neerslagtigheid, waartoe niet weinig hielp het gerucht dat de Muitery algemeen werd en de Heer Abbenzets, die met eenige Burgers en drie Soldaaten, op zyn Plantagie la Solitude post hieldt, reeds genoodzaakt was geworden de Plantagie te verlaaten; ja zelve dat de twee Posthouders op de Corentyn waren verdreeven geworden door de Slaaven van Magdalenenburg uit Canje, dewelke hunnen koers naar de Corentyn genoomen hadden. Men achtte toen alles genoegsaam voor verlooren. De Gouverneur deed in deeze verlegenheid een buitengewoone Vergadering beleggen, zo ter overweging van den hachelyken toestand der Colonie, zwakheid der Militie, en bouwvalligheid van 't Fort Nassau, als wat men het best zouden aanvangen tot redding van Land en Inwooners.

Onderwylen waren de gemelde twee Posthouders van de Corentyn aangekomen: die, onder het geleyde van twee getrouwe Negers en twee Indiaanen tot wegwyzers, ten eersten over Land weder derwaards door den Gouverneur werden te rug gezonden met een Brief aan den Gouverneur van Suriname, den Heer Crommelin, by welke aan zyn Edele kennis

[p. 377]origineel

werd gegeeven van den elendigen toestand deezer Colonie, en tevens verzocht om een Schip met honderd of meerder Manschap, voorzien van Krygs en Mondsvoorraad, tot hulp en bystand ten spoedigste te verleenen. Waar na het Hof by een gekomen zynde, namen de Leden het besluit om in Persoon de gelegenheid van 't Fort naauwkeurig te gaan bezichtigen en op te neemen, en daar van verslag in de Vergadering te doen: gelyk geschiedde, vindende zy het zelve in een zeer slechten en weerloosen staat, de Palissaden tot aan den grond verrot en hangende, alleen door middel van Yzere Banden en het verband van het Bovenwerk, aan malkanderen inzonderheid aan de Achterzyde, van waar de aanval der Rebellen te verwachten was; en verder in gevaar, op het losbranden van eenige stukken Kanon met scherp, omver te vallen; wyders dat men daar by bedacht moest weezen, terwyl het gantsche Buitenwerk uit Hout bestond en zelfs met houte Schaaltjes gedekt, (na de gewoone handelwyze van de Rebellen) zou kunnen worden in brand geschooten, wanneer 'er geen blusschen aan weezen zoude, vermids het zelve zo sterk was uitgedroogd. Ook dat het Fort zelf, door de Rebbellen (vermids derzelven handigheid in het opklimmen langs een Sparre, aan de Heeren Raaden welbekend was) zoude kunnen worden beklommen, terwyl het maar van een zeer geringe Bezetting was voorzien, niet in staat om aan de menigte van Negers tegenstand te kunnen bieden, en het beklauteren op den duur te beletten; dat binnen 't zelve ook geen Put of Waterbakken zynde, in geval van Brand of anderszins men zich in verlegenheid om Water zoude kunnen bevinden; en eindelyk, dat 't zelve was gelegen op een slechten stand, alwaar de weg, rondom, van alle kanten te Land voor de Rebellen open lag om te kunnen gaan naar Canje, en elders werwaards zy mochten goedvinden zonder dat men hen daarin met grof Geschut konde hinderlyk zyn; dus dat het behoudt van dit Fort geen de minste beveiliging voor Land of Inwooners konde te weeg brengen, en ook geen Commando wegens de zwakke Bezetting kon werden uitgezonden.

Waaröp men de Militaire- en Burger-Officieren liet binnen staan, om hunne gedachten aangaande des Forts toestand te verncemen, welker bevinding zy te kennen gaven, en waar van hen gelast werdt een schrifte-

[p. 378]origineel

lyke verklaaring te geeven, die zy voorts inleverde, en van de volgende inhoud was.

‘De ondergeschrevene Militie- en Burger-Officieren deezer Colonie Berbice dato den 6den Maart 1763, geordonneerd zynde van den wel Edele Gestrengen Heer Gouverneur W.S. van Hogenheim, en Edele Heeren Raaden van Regeeringe, Adriaan Gillessen, C.C. Schermeister en Lodewyk Abbensets, tot visiteering van den bedroefden staat der Fortresse Nassau, en wat defensie aldaar te doen is, in cas van attaque der weggeloopene Negers. Ten eersten. Zyn alle de houten Palissaden, daar de Fortresse mede besloten is, verrot, vier vyf en zes Voeten op de eene plaats meerder dan de andere, veele derzelve reeds gevallen, andere op de minste Kanonschoot zullen zich begeeven, de platteforme van planken hier doorgesakt acht a tien duim de Ambrasuur gaten dus te hoog, en waar door het Kanon op veel stukken van hout staaan, afgeschooten zynde, een half uur werk om weder in gereedheid te brengen; dan nog buiten dit het zelve driemaal afgeschooten zynde, zullen de platteforme van planken zich in het geheel begeeven; de achter Rechterpunt is nog de beste defensie op het steene Pad; op de Linker kan geen Kanon geplaatst worden, dus nog alleen één stuk om de geheele Achtergordyn te defendeeren, een schoot gedaan, onbruikbaar, behalve dat alle de Stukken defect zyn, de andere Kanonnen niet te gebruiken, om redenen der verrotting van Palissaden, en zyn daarom reeds vernagelt.

Dus ziet Uwel Edele Gestrenge Heer Gouverneur en Edele Achtbaaren Raaden klaar, wy geen of weinig staat op het grof Geschut kunnen maaken, maar alleen op ons klein Geweer, dat zelfs maar in staat is om eene Vleugel recht te defendeeren voor de eerste attaque, zynde de agterzyde Vleugel geheel buiten defensie, alleen het genoemde eene stuk Kanon. Den staat der Militie en Burgers is U wel Edele Gestrengen Heer en Edele Heeren bekend, zoude een Attaque konnen uitstaan, maar verder moet nergens staat opgemaakt worden, en nog buiten dit de confusie die wy zullen ondervinden van Luiden die misschien nooit Geweer hebben geladen met scherp, of nooit geschooten, zo als reeds verstaan hebben van sommigen.

[p. 379]origineel

Wy stellen dit alles op den Eed aan den Lande gedaan na oprechte waarheid, zo als wy bevonden hebben; doch verders de Ordres van U wel Edele Gestrengen en wel Edele Heeren Raaden afwachten, ons verders als brave Officieren gedragen zo als wy op den Eed verpligt zyn te doen, mids wy vertrouwen, dat de Heeren Raaden ons de laatste moment mede zullen behulpzaam zyn in deeze Fortresse, en het behoud der Schepen daar van afhangt, en tweespalt te beletten.’

 

Actum Rio Berbice den 6den Maart 1763.

 

(Was getekend)

 

D.W.C. Hattinga, Capitein der Militie en Ingenieur.
Gerard Thielen, Lieutenant.
S.W. Pronk, Lieutenant.
C. Rees, Vendrig.
W.V. Lentzeng, Lieutenant der Burgerye.
H.T. Buse, Lieutenant der Burgerye.
Gysbert de Graaf. Joh. Chr. Eckhart.

 

Vervolgens werden de voornoemde Officieren belast, na eenige gedaane ondervraaging en beantwoording van het eene en het andere, hunne gevoelens wederom schriftelyk in te brengen, gelyk zy deeden. Luidende.

‘De ondergeschreevene Officieren der Militie en Burgery deezer Colonie Berbice, nader bericht en Sentiment gevraagd zynde van den Edelen Hove op de defensie deezer Colonie bedroefden toestand, ten eersten Vraage beantwoord, dat de weggeloopene Negers zonder de minste moeiten kunnen passeeren, laatende de Fortresse Nassau leggen zonder aan te doen, zich kunnende begeeven na de Hoofdplantagie door de Savaane langs twee Paden, aldaar de Rivier bezetten, Canje geheel inneemen zonder dat wy de minste hulp kunnen toebrengen, van de Zeekant zich meester maaken, door het afloopen van Canjen haar Troep zodaanig vermeerderen, onmogelyk is op het laatst haar te kunnen wederstaan;

[p. 380]origineel

Ten tweeden, door dat alle Plantagiën zo goed als verlaaten of geabandoneert zyn, boven het Fort van Christen zielen, zich kunnen begeeven van boven, door de Savaanen tot aan de Plantagie Vigilantie en andere, dus ook de geheele Rivier bezetten door naauheid der zelve, en als dan te vreezen is de beneeden Negers zich by de Wegloopers zullen begeeven, daar reeds al te veel blyken van zyn, dat de getrouwste zig begeeven hebben onder haar Complot, al is het provisioneel om te rooven en te plunderen.

En verders dat wy verklaaren op den Eed gedaan, dat al was het dat de Fortresse Nassau zig in beter staat bevond, en konde een resistentie uitstaan, als dan de Rivier na beneden is afgesloten, maar het ongelukkig Lot konde treffen van Schepen die inkomen in haar handen te vallen, met Provisie Kanon en Oorlogs-Behoeftigheden, zonder dat wy geen of wynig bystand te verwagten hebben in lange tyd. Verders laaten alle Deliberatien aan U Wel Edele Gestrenge en Edele Heren Raaden over, overigs, wy zullen nog de cordate Resolutien van den Edelen Hove verwagten tot bystand en hulpe onser aller.

 

Actum Rio Berbice den 6den Maart 1763.

 

(Was getekend)
Als de voorgemelde.

 

Verder werdt nog by deeze Vergadering vastgesteld om alle de Burgers, die zich op de Schepen onthielden, te ontbieden en te gelasten binnen het Fort te komen en daar niet uit te gaan zonder order of toestemming. Als mede, om aan de vier Schippers van de daar liggende Koopvaardyschepen voor te stellen, indien de Rebelleerende Negers het Fort kwamen aan te tasten, of zy als dan van hunne Schepen, zo veel doenlyk, ons Volk zouden bystaan, en byaldien de Negers 't zelve voorbygingen over land na Beneeden of na Canje, om aldaar de Plantagiën af te loopen of zy zich dan in staat bevonden om op een bekwaame wyze naar Beneeden af te zakken en de Militie en Burgers aan boord te neemen. Welke

[p. 381]origineel

daar op gehoord zynde, betuigden Schipper Ramelo en Kok daartoe bereid te zyn, en de noodige schikking te zullen maaken, de Stuurman van Schipper Laurensen antwoordde dat zyn Capitein onpasselyk was, en het Scheepsvolk door Ziekte afgenoomen tot op twaalf Man; Schipper Pynappel bragt in dat hy buiten staat was om eenigen tegenstand te kunnen bieden, vermids zyn Volk, door ziekte en sterfte zeer verzwakt was, en dat hy geen kans ziende om lading te kunnen krygen, zich ook niet langer in de Colonie konde ophouden met zyn Schip, wyl hy van de Reeders ordre had om in zulk geval naar St. Eustatius of elders te vertrekken.

Waaröp zy verzocht zyn geworden hen in alle voorkomende gevallen gereed te houden, en Schipper Pynappel bovendien gelast tot nader bevel de Colonie niet te verlaaten. Voorts werdt na ryp beraad beslooten om aan het Fort stand te houden en de Rebellen, 't zelve willende aanvallen, kloekmoedig tegen te gaan, doch zo dezelve daar voorby en na beneeden mogten trekken, als dan nader te overweegen wat het raadzaamste te doen zoude zyn.

Ondertusschen werd de Gouverneur door de Vrouw van den Planter Schreuder, die van de Rebellen gevangen, en in den Arm gekwetst, maar weder ontslagen was: een brief behandigd van twee hunner Opperhoofden Coffy en Accara, welke wy om de zeldzaamheid woordelyk hier nevens voegen.

De Waarschuwing aan de Heer Gouverneur van de Capitein Coffy van d: h: Barky.

Accara ook van Barky.

Waarschouwen aan de Heer Gouverneur als dat zyn Edele met dees Sceepen na Holland gaa zo gaauw als mooglyk is en met ten eersten, en zo de Heer Gouverneur dat niet en doet zo moet U Ed: drie schoten doen zo zal de Capitein met een groot getal volk koomen om te vegten.

De reden van deze Oorlog is als dat daar veel Heeren zyn geweest die de Slaven niet heeft gegeven dat haar toekwam, de principaalste daar van is N.N..... en versoeken dat de Slaven die beneden zyn niet moeten mede genomen werden of het zal kwaat gaan’.

De gemelde Juffrouw Schreuder verhaalde ook, dat zy by de Rebel-

[p. 382]origineel

len gevangen zynde, gezien had, dat ze ruim zes honderd Koppen sterk op de Plantagie Hollandia en Zelandia byëen waren; dat hunne aanhang nog wel uit duizend stuks bestond, en dat zy een soort van Regeering hadden opgerecht, houdende strenge Krygstucht en scherpe wagt; dat ze op een reis zeven gevangene Christenen vermoorden, derzelver Lyken aan haar vertoont hadden, en zy toen was vrygelaaten.

De Gouverneur zond aan de voornoemde Opperhoofden een Brief tot antwoord te rug, niets wezenlyks inhoudende dan om hen in een verdere Brievenwisseling in te wikkelen en door dien weg tyd te winnen, waarin zyn Edele slaagde, zo als in 't vervolg nader zal gezegd worden.

De Rebellen hadden tot hun Opperhoofd of Gouverneur den voornoemden Neger Coffy verkooren die Accara tot zynen Capitein en verscheide andere Negers tot Officieren, om onder hem te gebieden, aanstelde. (Deeze Coffy was een Slaaf geweest op Lelienburg, behoorende aan de Weduwe Berkey, zynde reeds jong in de Colonie gebragt en van zyn' Meester, om deszelfs bekwaamheden, eerst als Huisneger gebruikt, die hem vervolgens het Kuipen had laaten leeren; hy was begaaft met moed en oordeel, gelyk wy uit het vervolg zullen zien) Dezelven bragten hun meesten tyd door met joelen, brassen en drinken, zich opschikkende met de Kleederen die zy op de Plantagiën gevonden hadden, daarenboven hunne aangezichten, volgens hunne gewoonte, beschilderende en in het overige de Planters navolgende. Zy lieten zich in Tentbooten omroeyen en noemden hunne Wyven Mevrouwen; slaapende in Katoene Hangmatten, lekker eetende en drinkende en in alles hunne brooddronkenheid den teugel vierende. Echter had Coffy eenigen aangesteld om Suikerriet te kappen en Kilthum te stooken, op dat zy aan dien drank geen gebrek zouden hebben; waarom sommige Negers naderhand zich beklaagt hebben dat zy zwaarder werk onder haar eigen Natie dan onder de Blanken hadden moeten doen.

Men kreeg nader bericht dat de Rebellen zich reeds op alle de Plantagiën boven het Fort hadden uitgebreid, en overal deerlyk huishielden, alles verwoestende en door den brand vernielende; dat zy, eenige duizend sterk, voorneemens waren op het Fort af te komen en alles te be-

[p. 383]origineel

stormen, zo als 'er ook verscheidene van hen zich al vertoonden in de bovenliggende Savaanen en langs de Rivier tot aan de Burger huizen. Dus werden de Burgers onwillig om langer in het Fort te blyven, en eenigen van dezelven vonden goed het volgende Verzoekschrift aan Gouverneur en Raaden in te leveren.

‘Geeven de ondergeschreevene Burgers dezer Colonie Berbice met alle schuldige Eerbied en respect te kennen, dat aangezien de droevige en naare omstandigheden daar zig deze arme Colonie thans in bevind, daar reeds van boven de Fortresse byna tot heel boven in de Rivier alle Plantagiën reeds afgeloopen, geruineert en verbrand zyn, en veele Christenen vermoord, en die welke het nog niet mogten zyn, het zekerlyk zullen worden, te meer, wyl by gebrek hen geen de minste hulpe of assistentie kan toegebragt worden, en in Canje reeds ook twee Plantagiën zyn afgeloopen en Christenen zyn omgebragt, en het te vreesen is, dat de overige Negers zig van deze gelegentheid zullen bedienen om ook op te staan, en het by gevolg zeker is, dat als zy zig Meester van de geheele Rivier zien, zy niet zullen nalaaten het Fort Nassau te komen attacqueeren: en terwyl het Fort niet in het minste defensabel of houbaar is, en niet in staat zig te verdedigen, eensdeels wegens den slegten staat daar zig de Fortresse in bevind, van welke de Palissaden alle verrot zynde van zelfs omvallen, en het met alle grond te vreesen is, dat als men mogte in attacque komen, en het Geschut moeste gelost worden, dezelve met heele reyen zoude omvallen, en men dus blootgesteld aan een totale massacre.

En daar by geconsidereert de geringe Bezettinge en macht waar in zig thans maar acht of negen Man gezonde Militairen bevinden en eenige wynige Burgers.

Zo smeeken de Suplianten U Hoog Edele Gestrenge en U Edele Achtbaare Heeren, haar te permitteeren aan Boord van de hier leggende Scheepen te retireeren te meer wyl de Oproerigen meer en meer naderen, en men reeds van deze Fortresse met droefheid van deze nacht diverse naby en omleggende Plantagiën heeft zien afbran-

[p. 384]origineel

den, en men niet weet wat zy in wynig Uuren nog zoude kunnen ondernemen.

 

Actum Berbice den 7den Maart 1763.

 

(Onderstond,)

 

't Welk doende, enz.

 

(Getekend,)

 

Pieter Massé, A. Wallenson, D.W.N. Schoock, Pieter van Staden, Johannes Dell, Daniel Lutzenburg, Hans Christian Dibbern, Antony Barkey, Johan René, David Molwits, Hendriks Slot, Johan George, August Frederik Betge, J. Joly, Ab. Sluytman de Mont, Jan Wanplug, Jan van Sweegen, Johan Hendrik, Johan Hendrik Schroder, Gysbert de Graaf.

 

Waaröp de Militaire- en Burger-Officieren binnen gestaan en hun het voorsz: Verzoekschrift voor gelezen en daar op ondervraagd zynde, verklaarden de Burger-Officieren, dat zy eenparig van het zelfde gevoelen waren met de Burgers: de Militaire-Officieren zeiden dat indien het Fort al een dag of vier zoude kunnen worden verdedigd en tegen de Rebellen uitgehouden, daar mede de gevaarlyke tydsomstandigheid niet zoude weezen verbeterd, maar op zyn best nog even eens en het zelfde zyn, terwyl alles in Canje en benedenwaards in de Rivier Berbice voor de Rebellen open lag: voorts gezamentlyk te kennen geevende, dat 'er zich alreeds verscheidene Zieken onder de Militie en Burgers bevonden, behalve dat ze genoegsaam alle, door langduurige Ziektes, waren afgemat en krachteloos geworden, het Hof nam aan zich daar op te beraaden, en by zich

[p. 385]origineel

zelve te overleggen wat besluit daaromtrent te neemen. Doch het ongeduld der Burgeren was zo groot dat dertien van hen den volgenden dag zich by het Hof aandienden, verzoekende om appointement te mogen hebben, en te mogen gaan op de Schepen. Waar op hen werdt geantwoord, dat men zo spoedig op hun verzoek geen uitspraak kon doen als zy wel verlangden, en voorts belast voor eerst nog binnen 't Fort te blyven. De Militaire-Officieren, naamelyk Capitein Hattinga, de Lieutenants Thiele en Pronk, en de Vaandrig Rees vervolgens afgevraagd wordende, of zy met de Militaire Manschappen zich in staat bevonden (alzo op de Burgery geen staat meer was te maaken) het Fort alleen te beschermen tegen een Troep van zes honderd Negers die op de Plantagie Hollandia en Zelandia in gereedheid stonden: betuigden zy eenpaarig van Neen, vermids zy maar zeventien gezonde Manschappen hadden welke nog vermoeid en afgemat waren.

Kort naderhand werdt, door de Burgers, weder een tweede Smeekschrift ingeleverd, van den volgenden inhoud.

‘Geeven met alle eerbied te kennen de ondergeschreevene, meest alle binnen deze Fortresse gevlugte en geordonneerde Burgers, dat zy Supplianten hebbende geconsidereert de naare omstandigheden waarin zy door de Revolte der Slaven, bouvalligheid der Fortresse en zwakheid der Militie waren gebragt, alle het welke zy op voorgisteren den 6den dezer op een zeer breedvoerige wyse in een Versoekschrift dezen Edelen Hove gedemonstreert hadden, dat den Hoog-Edelen Gestrengen Heer Gouverneur daar op ingevolge de zwaarwigtigheid der zaak, de deliberatie van dien tot op morgen had uytgesteld, het geen, als weesende gisteren, den 7den dezer, nog niet gevolgt is, maar daar en tegen nog in naarder omstandigheden zyn gebragt, door het zetten van een parthy Piktonnen en Brandstoffen, en het doen maken van een zekere repartitie, waar by de meeste Christenen op zekere Scheepen verdeelt zyn, en daar door 'er eenige ja veelen zig aan Boord van de Scheepen geretireert hebben, en dus alle mogelykheid tot behoudenisse dezer Fortresse onmogelyk gemaakt is, en met het Verblyf alhier niets gewonnen word, als alleen dat onze elende van ogenblik tot ogenblik meer

[p. 386]origineel

en meer door de naarste tydingen toeneemt, en het algemeene but der gerevolteerde Slaven ten Vrydom helt, en dus alles sacrifieeren zullen om haar oogmerk te bereiken, zonder iets te ontsien, gelyk zy bereids aan verscheide van onze arme Medeburgers hun barbaarsche moed hebben gekoelt, van dezelve alvorens te hebben gezweept, te doen vierendeelen, enz. dat daar nog bykomt, dat eenige onzer Mulatten en Negers, welke dus verre getrouw zyn geweest, binnen deze Fortresse de gelegendheden wetende, nu absent zyn, en dus ontrouw geworden en geëvadeert zyn, zo dat de ondergeschreevene Burgers tot behoud van hun leven genooddrongen worden, om demoedig te versoeken zig binnen Scheepsboord te mogen begeven en retireeren, doordien het onmogelyk is langer binnen deze Fortresse te bestaan of met Vrugt post te houden, met conclusie dat de Scheepen permissie bekomen ilico de Rivier af te dryven.

 

Actum Berbice den 8sten Maart.
(Onderstond,)
't Welk doende, enz.
(Was getekend,)

 

W. van Lentzeng, Lieutenant der Burgery, H.J. Buse, Lieutenant der Burgery, J.C. Ekhart, Vaandrig der Burgery, Pieter van Staden, D.W.N. Schook, J. Schroder, Johannes Dell, Joan Michael Schneider, Johan George, Christiaan Jansz., Joh. Gotsr. Vulpius, J.P. Weyland, Ab. Sluytman de Mont, Anthony Barkey, Samuel Joly, Molwits Klonk, Lutzenberg, Joh. Betz, W. van Vleuten, Hendrik Slot, Albertus van Aken, Dibbern, Pieter Zweitzer, J. Schnyders, E. Bues, Jan Wanflug, M.D. Richard, J.F. Scheek, Meyers Kohler, J.G. Schirmeister, Etienne Galland, Abraham Wys, de Weduwe Warneke, Didrik Stubbeman, A.F. Batge, Albert Tjorks Obbrichs, Joh. Geor. Schweinsberg, J. Pertl, Jacobus Hendrik Hoop, Pieter Massé, Gysbert de Graaf, Pierre Joly, Jan Jurgen van Eweegen, Christiaan Joseph Nicolei, Devry Jacobz.

[p. 387]origineel

De Militaire-Officieren daar op weder binnen gestaan en gevraagd zynde of zy van gedachten waren, nu zy het voorneemen van de Burgers wisten, dat men ingeval van aanval de Fortresse zoude kunnen verdedigen met de Militie die 'er was, antwoordden andermaal rondborstig van Neen, en gaven vervolgens hun gevoelen schriftelyk over, luidende.

‘De ondergeschreeven Militaire-Officieren op dato den 8sten Maart 1763, binnen gestaan hebbende in den Edelen Hove van Politie, gedeclareert voor gemelte Hove, dat alle de Burgers zig onwillig toonde om verder de Fortresse Nassau te defendeeren tegens de weggeloopene Negers, en zig op de Scheepen zouden retireeren, zo als reeds byna de helft gedaan heeft. Verders gevraagt, of wy als Militaire Bezetting capabel zyn om gemelte Fortresse alleen te defendeeren? geandwoord van neen, dat het onmogelyk was, ten eerste reden, de gezonde Manschap der Militie bestaan ten hoogsten in twintig Man afgemat, zeven dagen niet van haar Post geweest, zieken kunnen komen, en wy in het geheel geen ontzet te hoopen hebben, dus stellen wy den Hove voor, dat ten minsten de rest onzer gezonde Manschap bewaart worde, in Cas van verdere dienst Capabel te blyven, boven alles daar wy verstaan hebben door U Edele Achtbare het Complot reeds over de zes honderd Man sterk is, om na deze Fortresse te marcheeren.

 

Fortresse Nassau den 8sten Maart 1763.

 

(Was getekend)

 

D.W.C. Hattinga, Capitein en Ingenieur, Gerard Thiele, J.W. Pronk, Lieutenants, C. Rees, Vaandrig.

 

Het Hof vervolgens tredende tot onderzoek van al het geene geduurende den Opstand voorgevallen en tot haare kennisse gekomen was, en overwoogen en gelet hebbende op alles wat in die naare omstandigheden te doen stond: werdt 'er na ryp overleg in omvraage gebragt, om de ge-

[p. 388]origineel

voelens der Leden op te neemen; waaröp de jongste Raad Lodewyk Abbensets zich verklaarde, dat vermids den elendigen en slechten staat van 't Fort Nassau, het gering getal Militairen, en geen hulp van Burgers, maaar kleinmoedigheid, lafhartig- en onwilligheidder zelvebespeurd werd; men geen verder vertrouwen, inzonderheid in geval van aanval kon stellen op getrouwe Neger-Slaaven, daar men tot dus verre nog had gemeend reekening op te kunnen maaken, maar bevonden in die meening grootelyks te zyn bedrogen; dat de Rebelleerende Negers als ontmenschte Vyanden over al woedende met vermoorden en doodslaan en by gemaakt Verdrag geen woord hielden, dat men ook met tegenstand alleen, niets konde winnen, maar in tegendeel het gevaar erger en grooter zoude maaken, zo men op die plaats langer bleef leggen, terwyl geen hulp of ontzet, als na verloop van Maanden, uit het Vaderland te verwachten was, en dat, zo al een of meer schokken van de Vyanden gelukkig mogten afgekeert werden, dan evenwel de zaak zoude verergeren, terwyl de Weg na Canje, en na beneden in de Rivier de Berbice, overal te Land open lag voor de Negers die met verwoestingen der daar gelegene Plantagiën de onzen zouden kunnen voorkomen en in het afdryven sterk verhinderen; waarom Zyn Edele zich in gemoede verpligt vond om te moeten stemmen, dat men nog dien zelfden dag het Fort zou verlaaten, en tegens den avond met het begin der Eb, met de vier daar liggende Schepen af dryven, tot aan de Colonie Plantagie de Dageraat, en aldaar halte houden, om zich dan verder te beraaden en besluit te neemen, na tyds en zaaks-omstandigheden, wat te doen zoude zyn.

De Raaden Schirmeister en Gillessen betuigden van het zelfde gevoelen te weezen: en de Gouverneur verklaarde, dat het voor hem een zeer bittere en harde zaak was, daar hy niet dan met de grootste ontroering ook wel mede moest toe besluiten. Overzulks werdt by het Hof van Politie deezer Colonie den 8sten Maart 1763, des middags om twaalf Uuren vergaderd binnen het Fort, uit dringenden nood beslooten om 't gedachte Fort dien nademiddag te verlaaten en ten vier Uuren in orde daar uit te trekken, en op de Schepen zich te begeeven; ten welken einde een verdeeling werd gemaakt, waar na zich de Burgers en Militairen hadden te

[p. 389]origineel

schikken. Voorts, na ingenoomen raad der Militaire-Officieren, dat men het Fort, na dat men daar uit zoude getrokken weezen, door den brand zou vernielen en het Geschut vernagelen.

Dit voornoemde Besluit van den Hove aan de Schippers en alle de Militaire- en Burger-Officieren bekend gemaakt zynde, zo werden de noodige beveelen ter uitvoeringe gegeeven, en het Fort met Piktonnen en Brandstoffen opgevuld, wordende bevoorens verscheidene Vaatjes Buskruid na de Schepen gezonden, en het overige in de Rivier geworpen; waarna om vier Uuren de Burgery uittrok, om vyf Uuren volgde de Militie, en voorts Gouverneur en Raaden, die zich op het Schip de Standvastigheid begaven, achterlaatende den Lieutenant Pronk, een Corporaal en twee Gemeenen met een Vaartuig, met last, om zo ras de Schepen het Fort zouden gepasseerd zyn, 't zelve, na eerst al het Geschut te hebben vernagelt, in den brand te steeken, en zulks verricht zynde, zich dan met het Vaartuig te vervoegen naar het Schip dat hen bescheiden was.

Men zond den Neger Simon te Paard af, om aan die van Canje by Missive kennisse van deeze aftogt te geeven. Doch deeze vond Canje reeds door de Blanken geheel verlaaten, die allen naar de Zeekant geweeken waren.

De Schepen dreeven om zeven Uuren voorby het Fort, dat men weinige Minuuten daar na in vollen vlam zag, en het Bovenwerk van Dak, Kap en Gebintens een half Uur laater instorten, zynde in de tyd van twee Uuren de gantsche Fortresse genoegsaam verteerd, behalve dat de brand in de zwaare stukken Hout aan de grond liggende, den geheelen nacht bleef aanhouden. Men had zulks op de Schepen, doch meest op 't Schip de Standvastigheid, dat de achterste was, duidelyk gezien en waar genoomen, alzo dezelven, door het verloopen der Eb, op de hoogte van de Plantagie de Velde (een klein Uur van 't Fort afgelegen) het Anker moesten werpen en vertoeven tot het volgend Ty aankwam, wanneer zy weder afdreeven.

De Directeur van de Plantagie de Velde zich van het Schip Berbices Welvaren met een Vaartuig aan Land begeevende, vond de Negers van die Plantagie aan het Plonderen, zynde gewapend met Kapmessen en an-

[p. 390]origineel

der scherp Gereedschap, waar mede zy hem meenden aan te vallen, doch hy ontliep hunne handen en keerde met zyn Vaartuig behouden aan boord te rug: de Negers, die hem vervolgd hadden, werden door het gemelde Schip uit het Geschut en Handgeweer met scherp zo wel begroet dat 'er verscheidene gekwetst raakten.

Van daar tot aan de Colonie Plantagie, genaamd de Hoofdplantagie, werdt geen onraad bespeurd; men zag de meeste Slaaven daar, in een Tuin, aan den Waterkant, bezig om Maïs te plukken: de Gouverneur hun Meesterknegt of Bomba ontbiedende, kwam hy ten eersten, en gevraagd zynde of hy genegen was om met zyn Volk den Gouverneur na de Dageraat te willen volgen, toonde hy zich voort daar toe bereid ja zelfs belovende om, met al zyn Volk, zyn Edele overal by te blyven: zy kwamen ook kort daar na met groote Vaartuigen aanzetten, de Schepen trouw verzellende.

Voor de Plantagie Aurora naderende, vernam men dat dezelve geheel geplonderd en door de Slaaven verlaaten was, die zich vermoedelyk naar de overzyde, op de Plantagie de Vigilantie begeeven hadden, wyl aldaar, volgens het verhaal van een Indiaan, veele kwaadgezinde Negers, voorzien met Snaphaanen, Kruid en Lood zich onthielden.

Zo dra de Schepen voor de Plantagie de Vigilantie kwamen, werden dezelven een voor een door de Rebellen, langs den Waterkant, met Handgeweer beschooten 't welk van onze zyde dapper beandwoord werdt: men kon door de duisterheid, wyl het nacht was, niet gewaar worden of 'er Negers gekwetst waren, doch aan 't Schip de Standvastigheid hoorde men eenig gekerm en geschreeuw, en ook een Stem die in goed Nederduitsch toeriep: Dat zy Mannen waren en ons Volk morgen op de Dageraat wel vinden zouden. Men ontdekte den volgenden dag dat zy die van Land geschooten hadden de Slaven geweest waren van Abraham Wys (te dier tyd Vendumeester en Boekhouder der Soldye op de Colonie deBerbice) die hy ten getale van twee en twintig Koppen met een Vaartuig nevens de Schepen had laaten mede afvaaren, en waar uit zy waren weggeloopen.

By de Plantagie van de Weduwe van den Broek hoorde men een naar gekerm en roepen om hulp, waar op een Sloep afgezonden zynde bevondt

[p. 391]origineel

men dat het de Weduwe van den Broek zelfs was, zittende aan den Waterkant en onder de Struiken haar verbergende voor de Negers. Zy verhaalde aan boord komende, dat de Negers van de Vigilantie haar eerst hadden gebonden en toen aan het plonderen waren gegaan, en zy dus van al haar goed beroofd was geworden; dat zy inmiddels haare banden had weeten los te krygen, en voorts gevlucht was ter plaatse voornoemd, alwaar zy de Schepen hoorende afkomen had geroepen om hulp: een ogenblik daar aan zag men de Gebouwen op deeze Plantagie in brand steeken, en werden ook eenige Snaphaanschooten gehoord. Terzelver tyd ontving den Gouverneur bericht, dat de Slaaven op de Plantagiën de Dageraat, de Herstelling, en de Nieuwen aanleg Plegtanker, stil en vreedig leefden, uitgezonderd dat de Oude Meesterknegt met de Negers die van Wessouburg afgenomen en op de Plegtanker gesteld waren, zich by de Rebellen gevoegt hadden: ook kwam een Brief van den Burger Capitein Joly uit Canje meldende, dat hy met verscheidene Burgers die Rivier was afgekomen en zich met dezelven aan den Zeekant op de Post St. Andries bevond, verzoekende versterking van Manschap, Mond- en Krygs- behoeftes, om in staat van tegenweer te zyn byaldien de Rebellen dien Post mogten aantasten.

Vervolgens met de Schepen voor de Dageraat aankomende, werdt het Anker geworpen. Gouverneur en Raaden begaven zich aan Land en vernamen van den Planter Neshuysen dat op deeze Plantagie alles in goede orde en wel gesteld was. Men nam toen (in een Raadsvergadering die in het Woonhuis werdt gehouden) in overweeging de voordeelige gelegenheid deezer Plantagie, daar van de Landzyde geen aanval was te vreezen, door de zwaare Moerassen en laage Landen, die voor het grootste gedeelte van het Jaar overstroomd zynde, de toegangen tot de Plantagie schier onmogelyk maaken; en aan den Rivierkant kon gedekt worden zo door de Schepen, als door de Militie, en eenige weinige Burgers die nog moed lieten blyken; daarby dat deeze Plantagie, zo wel als die Beneeden lagen, naamelyk de Mara, de Herstelling, en Plegtanker, rykelyk van goede Kosttuinen waren voorzien, en bovendit het Schip van Schipper Rolwagen binnen kort met Provisien was te verwachten. Weshalve de

[p. 392]origineel

Gouverneur te kennen gaf, dat hy voorneemens was om op de Dageraat Post te vatten en dezelve te verdedigen tegens alle aanvallen die de Rebellen mogten onderneemen; wyders het Gouvernement aldaar voor eerst te plaatsen, en dat men op die wyze de Colonie voor haaren geheelen ondergang konde bewaren, tot der tyd dat uit het Vaderland Hulpe kwam opdagen; dat men onderwylen één van de Schepen moest laaten afzakken voor den Mond van de Rivier Canje, om niet alleen de uitvallen van de Negers aldaar te beletten maar ook de beneden Rivier Berbice dus te dekken.

Deeze voorstellingen door het Hof overwogen zynde, werden allen goedgekeurt en voor beslooten gehouden, en de Schippers aangezegd met hunne Schepen tot nadet ordre te blyven liggen. Doch deeze in plaats van daar aan te gehoorzaamen betoonden zich gansch onwillig: Ramelo wilde maar een half Ty vertoeven; Pynappel weigerde volstrekt en dreef, stil zyn Anker lichtende, na beneeden; Schipper Laurens liet door zyn Stuurman zeggen dat hy, en het meeste van zyn Scheepsvolk, ziek lag, en dus buiten staat was eenige hulp by te brengen; en Schipper Kok toonde zich wel eenigszins gewillig, doch beklaagde zich over de slechte behandeling van den Vendumeester, die hem weigerde aan de Koopconditie van zyne verkochte Slaaven te voldoen, verzoekende dat daarin eerst mogt werden voorzien, en hem recht geschieden; gelyk het hem dan ook door het Hof, zo veel de verwerde omstandigheden des tyds toelieten, verschaft werdt.

Terwyl aan het verblyf der Schepen veel gelegen was, zo werdt aan ieder der voornoemden Schippers een Schriftelyke Last en Order ter hand gesteld, Luydende.

‘Wy Wolfert Simon van Hogenheim, Gouverneur Generaal dezer Colonie Berbice &c. benevens de Raaden van Politie derselve Colonie, enz. thans vergadert op de Plantagie de Dageraat.
Nademaal deze Colonie de Berbice zig thans bevind in nood en bedroefde omstandigheden, door onstaane Revolutien van de Negros-Slaven, die met moorden, doodslaan en brandstichten genoegsaaam alle de Plantagiën boven in deze Rivier Berbice leggende, tot aan de Plan-

[p. 393]origineel

tagie de Dageraat toe, hebben verwoest; en dat wy bevinden, hier op de Plantagie de Dageraat ons te kunnen maintineeren, en de Colonie voor een totale ondergang bewaren, indien wy assistentie kunnen hebben van de Scheepen.
ZOO is 't, dat wy in de Naam en van wegens de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden onze wettige Souverain, mitsgaders in de naam en van wegens de Wel Edele Achtbaare Heeren Directeuren. dezer Colonie, U N.N. Capitein van U Schip, genaamt N. mits dezen gelasten en gebieden, dat gy U met U voorsz. Schip en Volk, als Ingezetenen van den Staat, in deze Rivier zult blyven ophouden, tot onze hulp en assistentie, ter bewaaringe van deze Colonie, en in Cas van Attacque, ons tegens de Rebellen Slaven helpen defendeeren en daaromtrent in alles wat zal mogen voorkomen, onse Orders afwagten en obedieeren, waar tegens wy in de naam als boven U N.N. in qualiteit voorsz., guarandeeren en beloven kost- en schadeloos te houden, van alles wat U, uw Schip en Volk, ons tot adsistentie zynde, mogte overkomen.

Aldus gedaan en gearresteert in onse Vergadering op de Plantagie de Dageraat dezen 11den Maart 1763.

 

(Was getekend)

 

W.S. van Hogenheim.
Adriaan Gillessen.
Carel Christian Schirmeister.
L. Abbensets.

 

Vervolgens werdt aan Schipper Pynappel een Officier afgezonden met Ordre van den Gouverneur, dat hy ten spoedigste met zyn Schip naar de Post St. Andries moest afzakken en aldaar met 't zelve blyven liggen, en teffens de Militie en Colonie Bediendens, die zich op dien Bodem bevonden, aanbevolen, dat zy haaren pligt behoorlyk zouden hebben in acht te neemen, het welke door den Capitein Hattinga met zyne onder-

[p. 394]origineel

hoorige Militairen stiptelyk werdt betracht, die voort naar de Post St. Andries vertrok; doch de overigen zeiden, dat zy geen Gouverneur noch Raaden meer wilden kennen; en Pynappel bleef, tegen de gegeevene orders aan, voor de Herstelling zich ophouden, bezig zynde met Suiker in zyn Schip te laden.

Schipper Ramelo had bevel gekregen om met zyn Schip wat hooger na het nieuwe Waterwerk van de Dageraat te gaan liggen om 't zelve te dekken en de geheele Opening, in geval van aanval, met zyn grof Geschut te bestryken; doch weygerde zulks te doen voorgeevende dat zyn Scheepsvolk meestendeels ziek en buiten staat was.

Ondertusschen kwam bericht, dat de Slaaven van de Herstelling ook reeds begonnen hadden blyken van Muitzugt te toonen, en die van de Plegtanker al meest waren weggeloopen, waarschynelyk na de Rebellen; de Burgers wilden ook de Wagt op de Schepen niet langer waarneemen, ja sommigen van hen durfden zich uitlaaten van niet tegen de Rebelleerende Negers te zullen vegten, genoegsaam eenpaarig zeer te onvreden zynde over het vertoeven der Schepen voor de Dageraat, met welke hun voorneemen was uit de Colonie en naar het Vaderland te vertrekken, gelyk zy hunne dwingende begeerte in twee kort op elkander volgende zogenaamde Smeekschriften openlyk te kennen gaven, die van inhoud weinig verschilden.

Het Hof dus ziende, dat de onwilligheid onder de Burgeren, Schippers en haar Volk ten uiterste buitenspoorig was, bovendien dat de Slaaven die ten getale van twee honderd Koppen op de Dageraat zich bevonden, bezwaarlyk zouden te beteugelen zyn en op dezelven luttel staat was te maaken, vermids by de ondervinding was gebleeken dat de getrouwsten waren ongetrouw geworden: vond zich dan genoodzaakt eindelyk het besluit te neemen, de Dageraat te verlaaten en ten spoedigsten met de Schepen aftedryven tot naar den Zeekant voor de meergenoemde Post St. Andries; 't welk aan een jeder werdt bekend gemaakt en waar over de Burgers zich zeer verheugd betoonden. Hieröp lichten de Schepen den 12den Maart het Anker: by de Brandwagt afdryvende kwam de Meesterknegt Piramus van de Dageraat kennis geeven, dat de Slaaven daar ook

[p. 395]origineel

reeds genegenheid toonden om te Muitineeren; dat een sterke troep Rebellen, meest Negers van de Vigilantie, dien zelfden nacht nog waren afgekomen en het Pakhuys hadden opengebrooken, 't geen zy daar in vonden rovende en vernielende; dat de Forts Cano, waar in al 't keuken gegereedschap en eenige Meubelen, zo aan den Gouverneur als de Colonie behoorende geladen was, met eenige getrouwe Slaaven en Slaavinnen die daarby gesteld waren, in handen van de Rebellen gevallen was, gelyk mede de Cano met getrouw Volk van de Hoofdplantagie; dat zy die beide Vaartuigen terstond na Boven hadden gezonden, en geen Suiker noch Kilthum in 't Keurhuis vindende, aan hem Meesterknegt belast hadden, aan 't maalen te gaan en Kilthum te stooken, hem en zyn Volk voorders dreigende den Hals te breeken om datze getrouw bleeven, en zich by haar niet voegen wilden; waarom hy zeer beschroomd was na de Dageraat weder te rug te keeren. Hy liet zich echter met goede woorden, en beloften van belooning byaldien hy het Volk, afgezondert van de Rebellen, in rust byëen konde houden, en de Plantagie behoeden dat die door de Kwaaddoeners niet vernield en verwoest werd, eindelyk beweegen en overhaalen om weder derwaards te gaan, belovende en onder handtasting, met Eede bevestigende dat hy zyn uiterste vermogen daar toe zoude aanwenden.

Voor de Nieuwe Plantagie Mara, behoorende aan den Raad Abbensets, genaderd zynde, begaf deeze Heer met drie zyner vrienden zich derwaards en vond alle zyne Slaaven, omtrent de vyftig sterk, vreedsaam en stil, doch in groote verlegenheid van zich met de Rebellen te moeten vereenigen: hy stelde hen zo veel mogelyk gerust en keerde vervolgens na boord.

De Gouverneur ontving even daar aan een Brief van den Heer Chambon meldende, dat hy met eenige Burgers van Canje, op de Plantagie Wyburg, geleegen in de mond van die Rivier, Post hieldt, maar beducht was het daar niet lang te kunnen uithouden, door gebrek aan Mond- en Krygs-Behoeften, also de meeste voorraat ten prooy voor de Rebellen was achtergelaaten.

De Schepen voor de Plegtanker gevorderd, werdt een Soldaat, welke daar te vooren als Bediende gewoond had, ter bespieding uitgezonden;

[p. 396]origineel

hy vernam in 't opgaan van de Gronden geen Negers, maar aan de Tuinen komende vielen zy gezamenlyk, en met scherp Gereedschap gewapend, op hem aan, doch hy ontkwam het met zyn Vaartuig nog ter naauwer nood. Onderwylen geraakte het Slaaven-Schip vast aan de Grond, waar op de anderen volgens gegeeven woord, moesten Ankeren en 't zelve aan de Marepaan inwachten, maar Schipper Ramelo zich daar niet aan kreunende dreef voort en raakte schielyk uit het Oog.

Een Timmerneger van de Plantagie Mara met nog een Neger en eenige Negerinnen kwamen berichten, dat de Rebellen van de Brandwagt overland op die Plantagie waren aangekomen; als mede een groot getal op de Dageraat, voorzien met acht en veertig Snaphaanen Kruid en Lood.

Het Slaaven-Schip weder Vlot geraakt en by het andere aangekomen zynde vervolgde de Reis, en naderde den 16den Maart voor de Post St. Andries, alwaar de Schepen van Pynappel en Ramelo reeds ten Anker lagen.

De Gouverneur aan Land komende zag daar een allerdroevigste vertooning: hy vond de meeste Burgers en Inwooners van Canje nevens de Planters der verlaatene Plantagiën met hunne Vrouwen, Kinderen, en Slaaven gehuisvest in opgeslagene Hutten en eenige geringe Wooningen aan dien Post gelegen; zich behelpende zo zy best konden, en groot gebrek van het noodige tot s' levens onderhoud hebbende; waar by van tyd tot tyd meer Christenen en Slaaven toevloeiden zonder eenigen voorraad van Spyze: ook was het met den Post zelf zeer gebrekkelyk gesteld, zynde niet meer als een vlakke grond, liggende in een woeste Savaan, zonder de minste Borstweering of eenige Verschanssing en dus toegankelyk van alle kanten, alleen aan den Rivierkant voorzien met twee byna onbruikbaare stukken Kanon.

De Burgers bleeven in hunne halsstarrigheid steeds volharden en hadden (volgens verhaal van Capitein Hattinga en den Schipper Pynappel) niet nagelaaten eene onbehoorlyke taal te voeren, van geen Hof noch Raad, noch Gouverneur meer te kennen, vermids het Fort Nassau vernield zynde; zylieden nu van hunnen Eed ontslagen waren, en geen Pas tot hun vertrek noodig hadden.

De Schippers Pynappel en Ramelo waren ook onverzettelyk om langer

[p. 397]origineel

tot hulpe in de Colonie te vertoeven, en begonnen met allen spoed zich gereed te maaken om in Zee te steeken. In weerwil van alle deeze zwaarigheden nam de Gouverneur (na ingenoomen advys en goedkeuring van Raaden) het Besluit om op den Post St. Andries zich te vestigen met de geringe Militie, nevens zodaanige Burgers als 'er genegen waren te blyven om, onder hem den Krygsdienst waar te neemen, 't zy vrywillig of daar voor Soldy trekkende: om voorsz: Post tegens alle aanvallen der Muitelingen naar besten vermoogen te beschermen en niet, dan in den dringensten nood, te verlaaten, denzelven ten dien einde te laaten versterken met een Batterytie voor zes Stukken Geschut, en een Borstweering die alle de Wooningen zoude insluiten, en, om 't gebrek van versch Water eenigsins te vervullen, de benoodigde Dakgooten te doen maaken.

Diesvolgens werdt afgekondigd, dat het jegelyk Burger vrystond om te blyven mids den Militairen Dienst waarneemende en zich derzelver Tucht onderwerpende, tot dat oogmerk en einde, als wy boven gezegd hebben; of om te vertrekken met de twee voorn: gereedliggende Schepen, en zich naar elders te begeeven; voorts dat alle Onwilligen en tot verdediging onbekwaame Persoonen, wyl die maar strekten tot vermindering der Levensmiddelen: zich van den Post moesten af begeeven, vermids daar niemand anders zou gedoogd worden dan onverschrokken Manschap.

De Burgers waren niet meer dan twaalf in getal die zich daar op aanboden op den voet als Militaire Manschappen: de Militie waar mede men van 't Fort Nassau was afgetrokken en op den Post St. Andries aangekomen, bestond nu in 't geheel uit een Capitein, twee Lieutenants, een Vaandrig, een Sergeant, vier Corporaals en vier en twintig Gemeenen, behalve zestien Gemeenen die door Ouderdom en Ziektes onbekwaam waren om dienst te doen, en dan nog eenige Manschappen, welke op den Acquewynsen Post, en de Plantagie de Savonette boven in de Rivier Berbice geposteerd maar door de Muitelingen afgesneeden waren; zo als daar van een Lyst met vermelding der naamen is opgegeeven en op den aan den Lande gedaanen Eed bevestigd en ondertekend in dato den 26sten Maart 1763, door den Gouverneur Hogenheim, Capitein Hattinga, de beide Lieutenants Thielen en Pronk, en den Vaandrig Rees.

[p. 398]origineel

Bevoorens de Schippers Pynappel en Ramelo de Reis zouden aanneemen, werdt hen gelast alle de Provisien en Goederen, by den aftogt ter berginge ingenomen, eerst behoorlyk afteleeveren; doch wat moeiten daar toe door het Hof was aangewend kwam 'er echter maar weinig van te regt, zynde het overige (daar onder een goed gedeelte van des Gouverneurs eigene Goederen) vermist gebleeven, tot zelfs de meeste Boeken, Papieren, Documenten enz. het belang der Colonie betreffende: en schoon de Colonie-Bedienden deswegen gedagvaart en verscheenen zyn, hebben zy daar tegens veele ydele verschooningen weeten in te brengen, onder anderen, dat alles aan boord van de Schepen was gebragt en onder malkander geraakt zynde, moeielyk te vinden was, en meer dergelyke uitvlugten, te lang en ook buiten ons oogmerk om hier te verhaalen.

Middelerwyl berichtte de Burger Capitein Kasselman uit Canje dat de Slaaven van Sophiasburg en Melpomene weggelopen waren en de Corjaaren hadden mede genomen; ook was de Burger Lieutenant Solicoffre genoodzaakt geworden den Post op de Plantagie Wyburg, in Canje, te verlaaten en op St. Andries de wyk te neemen wegens de overmagt der Rebellen, die van de overzyde dier Rivier op hem geschooten hadden maar weder beantwoord waren: de Gouverneur zond hem met zyne Manschappen en eenige Militairen tot bystand te rug om den verlaatenen Post weder te betrekken en bezet te houden tot nader ordre.

Groote blydschap verwekte de aankomst van de Brigantyn de Betzy ophebbende hondert Mannen Surinaamsche Troepen, onder bevel van de Capiteinen van Ryssel en Texier, door den Gouverneur van Suriname tot onderstand afgezonden, en welke den 28sten Maart op de Post St. Andries werden ontvangen. De Gouverneur maakte terstond een verdeeling van de gezamenlyke Militie en Burgers, schikkende vyf en twintig Militairen en zes Burgers onder den Lieutenant Knollart naar Canje, en een Sergeant met vyf en twintig Gemeenen op de voorn: Brigantyn tot dekking van het Magazyn op St. Andries voorneemens zynde met de overige Krygsmagt de Dagerrat wederom in bezit te neemen, terwyl het Schip van Ramelo voor den Mond van de Rivier Canje, en dat van Pynappel voor den Post St. Andries, nader bevel kreegen ten Anker te blyven lig-

[p. 399]origineel

gen, de Schepen van Schippers Kok en Laurens om den Gouverneur en onderhebbende Manschappen over te voeren en te geleiden.

Dus alles geschikt en de noodige orders verders gegeeven zynde, vertrokken de twee Schepen met het Volk, gelyk mede het Gouvernements Jagt op 't welk de Gouverneur met den Capitein Texier zich bevond: men zag in 't opvaaren eenige ledige Corjaars langs het Bosch liggen, die afgehaalt werden; waarna zyn Edele met den voorn: Capitein op 't Schip de Standvastigheid overstapte. Voor de Plantagie Plegtanker komende, zagen zy dezelve van de Negers verlaaten, en de weinige Gebouwen daar nog ongeschonden. Voor de Herstelling vertoonden zich eenige Negers, die men aansprak doch zy gaven onverstaanbaar antwoord: waar op de Boekhouder Schook met vier Soldaaten en eenige getrouwe Negers naar den Wal staaken om onderzoek te doen, die by hunne te rug komst berichten, dat de Negers van daar op het zien der Schepen naar Boven waren gevaaren, achterlatende hunne Wyven en Kinderen die op het naderen der sloep zich aanstonds verschoolen hadden, niemand op deeze Plantagie dan eenen ouden Neger, Pansoe genaamd, van de Dageraat, vindende, en die zy mede aan boort bragten; deeze verhaalde dat de Rebellen op de Herstelling en de Dageraat geweest maar weder naar Boven getrokken waren; dat door twee hunner voornaamste Opperhoofden een Neger naar Canje was afgezonden, om hunne Medemakkers aantespooren en order te brengen dat zy de Christenen tot aan den Zeekant vervolgen moesten. (Het was niet te verwonderen dat deeze Slaaven van de Herstelling een meer dan gewoone Vreeze moesten hebben alzo zy, zo als naderhand ontdekt werd, zeer mishandeld zyn geweest door toedoen van den Schipper Ramelo, welke by het aftrekken van 't Fort Nassau, tegen alle orders, op eigen gezag en uit byzondere inzigten, eenigen van zyn Scheepsvolk met twee of drie van de Militie had aan den Wal gezonden met last, om alles wat op die Plantagie aan Proviand, Dranken, Pluymvee, Schaapen, Varkens enz: te vinden was, weg te neemen en by hem aan boord te bezorgen; welk Volk op de Plantagie komende aanstonds begonnen had de Ordres van hunnen Schipper met geweld uittevoeren, schietende op de Negers die hen geen kwaad deeden, en welke daar op de

[p. 400]origineel

vlucht namen, behalve één der Meesterknegts die doodgeschooten was: waaröp zy al den Voorraat nevens Bier, Wyn en Kilthum roofden, in het Vaartuig medevoerden en aan boord opbragten Ramelo wegens deeze onbehoorlyke behandeling van zyn Volk, door het Hof ondervraagt en gehoord zynde, antwoordde: dat in het afdryven met zyn Schip de voorsz: Plantagie verlaaten vindende, zyn Volk hem gevraagt had ofze wat groentes mogten gaan zoeken, en zulks door hem toegestaan was, zy met eenige Proviand waren te rug gekomen en hem gezegd hadden, dat toen zy op de Plantagie kwamen het Woonhuis aldaar reeds vonden opengebrooken en alles geplonderd. De Lieutenant Pronk, die zich mede op dien Bodem bevond toen dat Volk aan Land ging, gevraagd zynde waarom dat hy zulks niet belet had, verontschuldigde zich van hun vertrek niets geweeten te hebben voor datze waren weg geweest.)

De Schepen Anker werpende werd de Boekhouder Schook voor de tweedemaal met eenige Negers onder bedekking van een Sergeant met acht Man, nevens den Vaandrig Roepel, die als vrywillige, met verlof van den Gouverneur, medegong, derwaards afgezonden; doch zy alle de Gebouwen, Tuinen enz: doorzocht hebbende, ontdekten niemand dan alleen een ouden Zieken Neger en Negerinne, welke verhaalden dat de Wyven na het eerste bezoek over Land gevlucht waren; zy vonden de Gebouwen nog in stand maar de Meubelen vernield, en op de Bovenkamer de overblyfselen van een Maaltyd die, volgens zeggen van den Neger Pansoe, aldaar door de Rebellen dien zelfden Middag gehouden was; Koebeesten werden niet vernomen, maar alleen Paarden, Muilezels en Varkens die in het wild liepen; ook scheen het als of 'er Suiker gemaalen en Kilthum gestookt was.

Van daar vertrekkende kwam men by de Plantagie Mara: de Raad Abbensets, onder 't geleide van een Onder-Officier en zes Gemeenen, dezelve gaande bezoeken vernam geen Negers maar een Oude Indianinne met haar Kind, hem verhaalende dat de Negers van de Vigilantie daags te vooren aldaar waren geweest en zyne Slaaven hadden medegenomen behalve vyf en twintig of dertig die in 't Bosch gevlucht waren.

Onder het voortdryven bespeurde men aan het Bosch in 't gezigt van

[p. 401]origineel

de Dageraat een Landingsplaats, en aldaar een klein Pontje waarin eenig Negergoed en een Endvogel met zyn Jonge was, 't welk afgehaalt werd: vervolgens by de Brandwagt een Sloep met eenige Manschap uitzettende vonden zy aan Land eenige Hoenders en wat kost, en wat verder op een oude zieke Negerin met een Jongetje, die hen verhaalde dat de Negers van de Brandwagt dien morgen zeer schielyk te Water naar Boven vertrokken waren.

De Gouverneur zond den Planter Neshuysen met acht Militairen en den Vaandrig Roepel als vrywilligen naar de Plantagie de Dageraat om den toestand aldaar op te neemen, zy bemerkten by hunne aankomst dat 'er zich een menigte van Negers moesten ophouden, gelyk de Planter Neshuysen dan ook eenige van hen vond en daar hy in een Corjaar mede te rug keerde, terwyl de Vaandrig Roepel daar bleef Posthouden. Deeze berichtte dat het grootste gedeelte der Slaaven 'er zich nog bevonden, en die van de Herstelling en van Mara zich meestendeels by dezelven gevoegt hadden, allen zeer wel gezind en grootelyks verblyd over de te rugkomst van den Gouverneur met zyn Volk, dat de Rebellen verscheidemaalen met groote magt daar geweest en den Meesterknegt Piramus bevolen hadden om Suiker te maalen en Kilthum te stooken, doch dat ze telkens weder naar Boven waren gevaaren in Jagten met Vlaggen en Wimpels; dat dien zelve morgen nog vier van haar met Geweer afgekomen maar voort te rug getrokken waren, en dat ze de vernagelde Stukken Kanon van de Brandwagt hadden opengeboord.

Waaröp de Gouverneur ten eersten nog een Onder-Officier met zes Gemeenen ter Versterking derwaards afzond, als mede den Boekhouder Schook en den voorn: Planter, met ordre dat de Vaandrig Roepel op de Plantagie moest blyven stand houden en de Battery, die door Neshuysen, zedert het begin van den Opstand, daar gemaakt en met vier kleine Stukjes van de Brandwagt beplant was, te bezetten; als ook te beletten dat 'er geen Corjaaren naar Boven liepen, en, ingeval van vyandlyke aanval, dapperlyk tegenstand te bieden.

De Schepen kwamen op den 31sten Maart tegen den avond voor de Dageraat aan: de Brigantyn (die ondertusschen was opontboden) werdt

[p. 402]origineel

geplaatst by het nieuwe Waterwerk; het Schip de Standvastigheid, voor het midden der Opening; en het Slaaven-Schip aan den laatsten uithoek van 't zelve. Ook werdt de Bezetting op de Plantagie nog versterkt met een Sergeant en zestien Gemeenen, en de Posten voor dien nacht door Capitein Texier en den Directeur geschikt, wordende een Sergeant en vyftien Man aan het voornoemde Waterwerk gesteld en aldaar vyf Schildwagten uitgezet, terwyl de Vaandrig Roepel met het overige Volk het Woonhuis bezet hieldt.

Men ontdekte twee Negers behoorende aan den Raad Schirmeister die verdagt waren zich onder de Rebellen vervoegt te hebben: zy werden beide op ordre van den Gouverneur gevat en op 't Slaaven-Schip overgebragt: de eene, Quassi genaamd, had als Lieutenant by hen gediend, zynde zyn Vader een van hunne Opperhooofden.

By verder naspeuring wierd op de Johanna een Neger Frans, met een Geweer in de hand, en drie Negerinnen (waar onder zyn Wyf) alle op die Plantagie behoorende, mede gevangen en aan boord gezonden; doch by onderzoek bleek dat het een geweer van den Neger Quassi was toebehoorende aan den Heer Schirmeister, en dat hy met de voornoemde drie Vrouwen naar beneeden was gevlucht, om de mishandelingen die zy van de Rebellen geleeden hadden, vender te ontgaan: waarom, en om dat geen van de Negers hen van eenig kwaad betichten, zy kort daar na werden ontslagen. Het Hof nam alle ingebragte beschuldigingen tegens Quassi in nadere overweeging, en bevindende dat hy het Leven verbeurd had, veroordeelden hem om te sterven: men had geen Scherprechter noch Gereedschappen by der hand, om hem naar verdienste gevoelig genoeg te doen straffen, des werdt beslooten om hem door Negers te laaten harquebuseeren, waarop hy door een Sergeant en twaalf Man naar de Strafplaatse geleid vervolgens door vier Negers werdt dood geschooten.

Een van de Rebellen, geweest zynde Bomba, op de Dageraat zich nog schuil houdende en door Piramus met nog eenige getrouwe Negers opgezogt wordende, ontkwam het met de Vlucht alzo hy door zyn Zoontje tydig gewaarschouwd was.

Onderwylen kreeg de Gouverneur op den 2den April, bericht dat de

[p. 403]origineel

Post by het Nieuwe Waterwerk door de Rebellen des morgens om acht uuren was aangetast: op deeze tyding kwam het Volk ten eerste onder de Wapenen; Capitein van Ryssel en de Vaandrig Crombi posteerden zich met hunne Manschappen ter zyde het Magazyn by 't Kanon; de Lieutenant Pronk plaatste zich met de zynen achter de Moolen naar het Bosch toe; de Vaandrig Roepel rukte met een Detachement ten spoedigste aan tot hulpe van de Wagt aan 't Waterwerk, die, onder een gestaadig Vuur, de Rebellen afweerde; en de Lieutenant Gartner bezette de Pagasberg van waar men het Gevegt overal duidelyk zien kon. Capitein Texier en de Lieutenant Thielen trokken met het onderhoorig Volk naar de Overzyde van de Sluistrens, om den Vaandrig Roepel, die met de Troepen aan het Waterwerk reeds vereenigd, den Vyand dapper het hoofd bood, by te springen. De eerste aanval duurde tot omtrent half tien Uuren wanneer de Rebellen te rug deinsden, maar een half Uur daar aan op nieuws begonnen te Vuuren, wordende van ons Volk op dezelfde wyze ontvangen en genoodzaakt het Waterwerk te verlaaten, dat terstond door den Lieutenant Thielen bezet werdt. Voor dat de Rebellen 't zelve verlieten hadden zy van daar met getrokkene Bussen sterk gevuurd op 't Schip de Standvastigheid alwaar de Directeur Neshuysen (die even te vooren aan boort van dit Schip was gegaan om eenige van zyne Goederen afte haalen) doodlyk gekwetst werd en aan welke wonde hy kort daar na overleedt. Omtrent een Uur werd de Lieutenant Thielen wederom zeer hevig aangevallen, maar de Vaandrig Roepel met den Sergeant Orsinga en twaalf Gemeenen hem ondersteunende werden zy voor de derde reise zo wel ontvangen datze eindelyk met bebloede Koppen de vlucht naar het Bosch namen, mede sleepende hunne Dooden en Gekwetsten. Wy hadden van onzen kant behalve Neshuisen noch Dooden noch Gekwetsten bekomen, dat zeer te verwonderen was, wyl het Gevegt vinnig was toegegaan, en de magt der Rebellen tusschen de zes en zeven honderd Man begroot werdt. Men vondt in de Tuinen eenige Provisie, verscheide Pagaalen, en Calabassen met Kruid en Lood, dat zy hadden achtergelaaten.

De Gouverneur maakte vervolgens eenige andere schikkingen omtrent

[p. 404]origineel

de Posten, en liet ook de Brug voor de groote Vaarttrens afbreeken, als mede ter zyde van de Officiers Wagt, die in de eerste Wooning van de Negery geplaatst was, een Battery van vier Stukken Kanon oprichten welke de geheele Opening van de Dageraat bestreek.

De Brigantyn de Betzy, die reeds door die van Suriname te rug ontboden was, zakte nu af om in Zee te gaan, zo als ook de Schepen van Schippers Kock en Pynappel de Reis naar het Vaderland aannamen (welke naderhand door de twee andere gevolgd werden) met welke Brieven aan hun Hoog Mogende en aan de Edele Directeuren deezer Colonie, door het Hof werden medegegeeven.

De Gouverneur had gaarne gezien dat, ingevolge zyn Verzoek de Predikant Ramring in de Colonie was gebleeven tot stichting en vertroosting der Gemeente; doch zyn wel Eerw: betuigde dat hy buiten staat was om zulks te kunnen doen en vast voorgenomen had de Togt met Schipper Ramelo aan te neemen met wien hy dan ook is vertrokken.

Naderhand kwam in een Corjaar van Boven af de Zoon van Charbon met twee Bokken, zynde hy door de Rebellen in vryheid gesteld en aan den Gouverneur afgezonden met een Brief van den Neger Coffy, inhoudende.

‘Coffy Gouverneur van de Negers van de Berbice en Capitein Accara laat U Ed. Groet, laat U Ed. weet dat geen Oorlog zoek, maar als UEd. zoek Oorlog de Negers zyn ook klaar.

(N.N. N.N.) zyn de Operschuldenars van de quat die in de Berbice geschiet is, de Gouverneur is by geweest toe dat heb begonne te schied, hy is zeer quate geweest dat zy begonne heb, de Gouverneur van der Berbice versoek U Ed. dat U Ed. met myn kom om met te spreek, en U Ed. moet niet bang wees maar als U Ed. niet wil kom, zy zal vegten zo lang als een Christ in de Berbice is, de Gouverneur sal U Ed. geefe de half Berbice en zy luye zal almaal na boven gaan, maar moet niet denke dat de Negers weer Slaven wil zyn, maar de Neger die U Ed. heb op de Scheepe die kan zyn U Ed. Slaven.’

Het antwoord dat de Gouverneur daar op door dezelfde Bokken, aan Coffy liet toekomen was onder anderen, dat zyn Ed. niet wel kon verstaan wat zy zeggen wilden ‘met de Berbice half voor jou en half aan

[p. 405]origineel

den Gouverneur te laaten’; doch dat hy daar over naar Holland had geschreeven en het wel drie of vier Maanden zou aanloopen eer daar antwoord op bekwam, en zo dat al zeer spoedig kwam, ten minsten nog wel twee Maanden zoude duuren; dat zich hooglyk beklaagde over zo veele goede Christenen, die door hen zo boos en wreed waren doodgeslagen, daarze hun geen kwaad gedaan hadden; of zy wel wisten dat 'er een God was die alles zag? dat nogthans de Gouverneur en andere Heeren het wel met de Negers meenden, maar zylieden kwaadwillig waren, en daarom den Gouverneur op de Dageraat hadden komen bevegten; dat zo zy met zyn Edele niet bedrieglyk voortaan wilden handelen, zy als dan een Brief tot antwoord moesten te rug zenden, tot slot in zynen brief laatende invloeijen dat Charbon ziek zynde geworden, niet te rug konde komen, en hem deed groeten; op deeze wyze alles uitdenkende wat tot eenige ophouding strekken konde, alzo hy deeze onderhandeling met de Opperhoofden alleen gaande hieldt om tyd te winnen tot dat uit het Vaderland meerder hulpe kwam, om als dan te zekerder de Negers t'onder te kunnen brengen, terwyl zy als in slaap gewiegd en op niets ergs bedacht weezende zich ondertusschen en met een ydele Vredes Negotiatie mogten vermaaken, en hunne Levensmiddelen, Kruid en Lood, verspillen: want men anders bevreesd was datze of onze geringe Magt zouden overvallen en verslaan, of wel zich naar de Bovenlanden, boven de Acquewynse Post, begeeven, alwaar zy, door de ongenaakbaare Bergen en dichte Bosschen door de Blanken niet konden achtervolgd worden, behalve dat de Lucht aldaar voor Christenen zeer ongezond was, die ten eersten door heete koortsen, (de Acquewynse Koortsen genaamd) daar de Negers zo onderhevig niet aan zyn, aangetast werden; van waar zy van tyd tot tyd de Plantagiën zouden kunnen afloopen en de Blanken noodzaaken, om met hen een Vredes verdrag, even als in Suriname, aan te gaan, en hen voor vrye Lieden te verklaaren; 't welke door het voorzigtig beleid van den Gouverneur Hogenheim evenwel is belet en voorgekomen, gelyk de uitkomst ten klaarsten bevestigd heeft.

De voornoemde Charbon (die Directeur van de Plantagie Oosterleek en Pieterslust was geweest) verhaalde, dat hy zich mede op de Peereboom

[p. 406]origineel

had bevonden toen die Plantagie aan de Rebellen werdt ingeruimd, wanneer hy met nog drie andere gekwetsten, uit het Vaartuig naar Land was gezwommen en toen hy in 't Bosch kwam den Heer Middelholtzer ontmoette, met wien hy acht Dagen had omgezworven, eer zy beiden op de Plantagie Doornboom konden komen; dat hen onderweg tien Negers waren tegengekomen, waar van één, op den Heer Middelholtzer willende schieten, de hand met een Sabel door denzelven was afgehouwen en dat zy voorts op de Vlucht waren gedreeven, doch dat Middelholtzer naderhand in handen der Rebellen was geraakt en in 't Bosch jammerlyk vermoord gevonden; dat hy op de Doornboom als ook op Oosterleek door de Slaaven vriendelyk was ontvangen, maar dat op laatstgenoemde Plantagie kort daar aan een Troep Rebellen komende, dezelve hem na veel Dreigementen, van alles hadden berooft en daar op naar de Plantagie Hollandia en Zeelandia weggevoerd, alwaar hy drie Christenen (waar onder de Weduwe Johannisse, zittende in een Tronk of zwaar Blok met yzere Beugels om de beenen vastgemaakt) aan trof, welke den volgenden dag gezweept en twee daar van om het leeven gebragt waren; voorts dat men hem in den beginne ook deerlyk had gezweept maar sedert redelyker onthaald, ja zelf dat hy by zyn vertrek door hun Opperhoofd was beschonken met een Zakorlogie, zilvere Schoengespen, Kleed, Hemd, Hoed, en achttien Gulden aan Geld; geduurende de drie Weeken dat hy gevangen was geweest waren verscheidene Christenen, zo Mans als Vrouwen en Kinderen, in hunne handen gevallen en den Hals afgesneeden, 't welk doorgaans aan den Waterkant geschiedde; eindelyk dat hy de Rebellen volgens hunne wyze had moeten bezweeren het antwoord op den brief zelfs te rug te brengen.

De Bokken kwamen kort daar aan met een Brief van het Opperhoofd der Negers te rug, (welkers inhoud met de voorige weinig verschilde) waar by gevoegd was een Geschenk van een paar Goude Schoengespen, die zy order hadden aan den Gouverneur eigenhandig over te geeven met een mondelinge boodschap: ‘dat het Coffy leed was dat de Gouverneur mede lyden moest, om de geene die de Negers zo mishandeld hadden, doch dat zy hem beminden en geen kwaad zochten

[p. 407]origineel

te doen’. Het bleek ook, volgens die Brief, dat Coffy zo zeer geen kwaad voorneemen had, maar wel dat zyn Volk, als zeer verbittert zynde, niet wilde rusten voor dat zy de Christenen verdelgd hadden. De Bokken vertrokken weder met een schristelyk antwoord.

Capitein Hattinga gaf van den Post St. Andries bericht, dat de Lieutenant Knollard post houdende op Frederiksburg den 6den door de Rebellen was aangevallen en vermids hunne groote overmagt gedwongen geweest naar deezen Post de wyk te neemen, na dat zyne Manschappen de meeste patroonen verschooten hadden, hebbende drie Dooden en zeven Gekwetsten bekomen. Waaröp hy Ordre kreeg daar te blyven, wordende van de Dageraat een Onder-Officier met acht Man afgezonden om op de Plantagie Wyburg in Canje, of by een daar dicht aan gelegene kleine Kreek Post te vatte, en een wakend oog te houden op de beweegingen der Negers of zy somtyds de Rivier mogten afkomen; en ook om den toegang van het versch Water voor St. Andries open te houden. Op de Dageraat werdt nog een Verschanssing achter de Moolen aangelegd, om van dien kant gedekt te zyn.

Een Posthouder van de Corentyn kwam met een Vaartuig af om eenig Geweer en andere Behoeftes, waar mede hy voorzien werd; hy bragt met zich twee Blanken die sedert den Opstand uit Boven Berbice naar de Corentyn gevlucht waren, welke verhaalde, dat 'er Boven nog drie Plantagiën waren, waar van een de Savonette genaamd, daar de Negers getrouw bleeven, en ook nog eenige Blanken zich bevonden, en dat een menigte Indiaanen zich by dezelven gevoegd hadden; dat de Rebellen hen daar hadden aangetast, doch dapper te rug geslagen waren. De Gouverneur zond torstond den Corporaal Koens, die voorheen Posthouder in Abary geweest en de wegen in die streek wel bekent waren overland naar de Plantagie de Savonette met Brieven aan de Raaden die zich aldaar mogten bevinden.

Doch kort naderhand kwam 'er van Essequebo met een Vaartuig een Brief aan den Gouverneur, waarin gemeld werdt, dat de Burgeren die men meende dat nog op de Savonette waren, in Demerary waren aangeland, als mede de Bezettingen van de Posten op Savonette en by de Acquewyen, bestaande uit tien Man, wordende alleen den Corporaal ver-

[p. 408]origineel

mist, die in het Bosch verdwaald was. Ook berichtte de Heer Gouverneur s'Gravenzande, dat in Demerary eenige beweeging van Oproer onder de Slaaven bespeurd zynde, sommige Particulieren om bystand aan de Engelsche Coloniën hadden verzocht en daar op ten eersten twee gewapende Brigantyns uit de Barbados waren aangekomen met welker hulpe alles in voorige stilstand gebragt was.

Eenigen van onze Verspieders ontdekten in het Bosch by de Dageraat nieuwe Paden, waar uyt bleek dat de Rebellen de beweegingen van ons Volk naaukeurig gade sloegen: ook hadden zy zich gewaagd tot aan de Vigilantie en aldaar een menigte Negers bespeurd, die zy wel hoorden spreeken doch niet verstaan konden; aan de Stelling geen van hunne Schildwagten noch Vaartuigen verneemende.

De Gouverneur, die niets verzuymde om, zo veel de omstandigheid toeliet, wel op zyne hoede te zyn, en niet door de Negers verrast te werden: werd in een nieuwe bekommering gebragt door de Ziekte die onder zyn Volk zich openbaarde: verscheidene Officieren en veele Gemeenen werden van den Rooden Loop en Koortsen aangetast, waar door eenige Posten van Manschap gansch ontbloot en andere merkelyk verzwakt raakten; de Lieutenant Gertner en sommige Soldaaten waren daar reeds aan gestorven. Troostelyk was het nogthans dat by deeze bezoeking zich geen Rebellen in eenige dagen lieten zien; welke, volgens bericht der Bespieders, in menigte op de Vigilantie byeen waren, maakende groot geraas en getier, goede wagt houdende en hunne Schildwagten om 't half Uur Warda roepende. Doch op Mara hadden zy de Slaaven, op vyf of zes na, weggevoerd, en een Pad gemaakt dat van de Vigilantie door het Bosch tot de Brandwagt, en van daar naar Mara uitliep.

Capitein Hattinga gaf den 26sten April kennisse, dat hem, door een Indiaan van boven Canje gevlucht, gezegd was, dat de Negers zich ophielden op Horstenburg, Maria Magdalena, en Stevensburg, en voor de laastgenoemde de Rivier van weêrszyden met neergevelde Boomen zeer belemmerd, en alle de Plantagiën daar boven en beneeden gelegen verwoest en verbrand hadden, doch op Stevensburg de Gebouwen nog gespaard en door hen betrokken waren, en dat de Indiaanen zo uit Canje

[p. 409]origineel

als Berbice, hier door bevreesd geworden zynde, zich allen naar de Corentyn begeeven hadden.

De Schildwagt op de Dageraat aan de Steene Brug staande ontdekte eenige beweeging in de Tuinen, en dat de Paarden en Muilezels verjaagd waren; een anderen die op de Voorwagt om de hoeken van de Sluistrens aan de Rivier stond, had in den vroegen ogtendstond twee Corjaaren van het Nieuwe Waterwerk, of daar omtrent, zien afsteeken en naar Boven vaaren: doch de Gronden doorzocht zynde werd geen Onraad bespeurd, maar men vermiste de Surinaamsche Neger Otto behoorende aan den Gouverneur Crommelin en tot bediening van Capitein Texier medegegeeven: welke zich by de Wegloopers gevoegd had, zo als daar na ontdekt werdt.

Aan het Bosch weder een Corjaar en op 't Land eenige Negers bespeurd zynde, ging de Neger Piramus met gewapende Indiaanen op hen af; doch zy namen, schoon met Geweeren voorzien, op hunne aannadering voort de Vlucht.

De twee getrouwe Negers Christaan en Pieter kreegen last tot boven het Fort Nassau de gelegenheid der Muitelingen te gaan opneemen, en werdt hen een Brief van den Gouverneur mede gegeeven, om dezelve, zo zy mogten ontdekt werden, te vertoonen. De Neger Pieter kwam alleen te rug, met een Rooden Slaaf in de plaats van Christiaan, die door de twee Opperhoofden der Rebellen aan 't Fort gehouden was: en verhaalde dat hy dien Brief vertoont hebbende, zy deswegen zeer verheugd waren geweest, en beloofd hadden ons Volk den volgenden dag niet te komen bevegten gelyk hun voorneemen anders was te doen; voorts dat zy hem last hadden gegeeven, om den Gouverneur en den Surinaamschen Commandant te verzoeken, datze, zonder scharp, onbevreesd by haar op de Vigilantie wilden komen, zeer verlangende zynde om met zyn Edele mondelings te spreeken. De voornoemde Pieter had opgemerkt dat hunne grootste Magt, meestendeels van Geweer voorzien, zich bevond aan het Fort, en een Voorpost van twee honderd Man op de Vigilantie, alwaar aan den Waterkant vier Stukken Kanon geplaatst stonden, gelyk mede twee Stukken aan 't Fort in de groote Poort van het Raadhuis daar de Neger Coffy huisvesting hielt: wyders was hem gezegd, dat een

[p. 410]origineel

Troep van twee honderd Negers naar Demerary was getogen aan 't Hoofd hebbende den Meesterknegt van de Plantagie Helvetia, Prins genaamd (zynde dezelfde Neger die leezen en schryven kon, en de meeste Brieven aan den Gouverneur heeft geschreeven); als mede dat zy gestaadig eenigen ter Verspiedinge uitzonden en van voorneemen waren om de Onzen door het Bosch te bekruipen en langs de Woonhuizen aan te tasten.

De Gouverneur zond de Bok met een Brief aan hen te rug, inhoudende dat hy aan hunne goede meening nog twyfelde vermids zy den Neger Christiaan hadden gehouden, en bang was dat zyn Edele 't zelfde zoude gebeuren wanneer hy by haar op de Vigilantie kwam; dat zy voornoemde Christiaan eerst moesten te rug geeven en dat hy dan misschien met hen zou komen spreeken, mids Coffy en Accara alleen en geen andere Negers zich daar lieten vinden enz.

Van de Post St. Andries kwam tyding, dat aldaar op den 3den May waren ten Anker gekomen twee Welgewapende Barken van St. Eustacius ophebbende de eene tagentig en de andere zesenzestig Koppen, en dat nog een derde Vaartuig in 't gezigt lag. Deeze Vaartuigen kwamen ter rechter tyd aan, wyl men bericht was dat de Negers, schoon tegens het gevoelen van Coffy, een algemeenen aanval op de Dageraat zouden doen; waarom de Gouverneur bevel gaf dezelve ten allerspoedigste te doen opkomen.

De Posthouder Steur meldde daarentegen het onaangenaame nieuws, dat den 26sten April een Surinaamsche Bark de Corentyn inloopende gestrand was, en van de veertien Zielen die 'er opwaren tien Verongelukt, en de Stuurman met twee Matroozen en een Militair met levensgevaar nog geborgen waren, maar dat Mond- en Krygs-Behoeftes alles weg was: hy berichtte ook dat op den 24sten dito in de Corentyn tusschen de door hem gewapende Indiaanen en de daar zwervende Canjesche Negers een vinnig Gevegt was voorgevallen, waar by de laastgenoemden vierentwintig Dooden en verscheidene Gekwetsten hadden bekomen en de overigen op de vlucht waren gejaagd met achterlating van eenige Buit, bestaande in Keukengereedschap, Meubelen, Lynwaat, Tafel en Cargazoen-goederen, dat zy van de Plantagie van Mevrouw de Vernesobre geroofd hadden; 't welke hy alles, aan de overwinnende Indiaanen tot belooninge van hun trouwe

[p. 411]origineel

daad geschonken had; meldende voorts dat verscheidene Negers de Rebellen verlaaten hadden en tot de onzen waren overgekomen.

De Gouverneur zyne Krygsmagt, door de aankomst van de drie gemelde Schepen, nu merkelyk vermeerderd vindende, deed den Raadt vergaderen, voorstellende of het niet raadzaam weezen zoude om daar mede een Krygstogt tegens de Rebellen te onderneemen: de Raden Gillissen, Abbensets, en Schirmeister oordeelden dat men hier over de gedachten van beide de Surinaamsche Commandanten Ryssel en Texier moest inneemen, welke daar omtrent gevraagd zynde antwoordden van gevoelen te zyn, dat men met dezelve de Negers zekerlyk konde aantasten en mogelyk verdryven, doch zo zulks alleen langs de Rivier Berbice gedaan werd, eenige zwaarigheden te duchten stonden, naamelyk dat de Rebellen van Plantagie tot Plantagie zoude kunnen gaan, en die door hen verlaaten werden denkelyk eerst t'eenemaal vernielen, en de Slaaven van dezelve mede sleepen zouden, en dan ten laatsten zich in de Bosschen vastzetten, waar uit zy moeielyk zo niet onmogelyk te verdryven waren; in welk geval de Planters altoos aan het afloopen van haare Plantagiën bleeven blootgesteld. Dat vermids veele Indiaanen in de Corentyn wederom waren te voorschyn gekomen, en dezelve door het laatste voordeel op de Canjesche Negers behaalt meer moed gegreepen hadden, men dezelve diende te ontbieden; dat de Indiaanen uit Essequebo en Demerary mede van nut konden zyn, zo zy aan de verwachting van den Gouverneur aldaar wilden voldoen; dat men met deeze Indiaanen vereenigd als dan een Detachement door Canje zoude kunnen afzenden, een ander door de Rivier Abary, en met de overige Manschappen de Berbice opgaan, om dus van drie kanten te gelyk aan vallen en op die wyze aan de Rebellen alle schuilplaatsen afsnydende hen te vernielen of gevangen te krygen, en zo wanneer zulks wel kwam te gelukken dat dan het overige weinig moeite zoude kosten, en daar door ook tevens belet worden dat de nog welgezinde Slaaven niet werden weggevoerd. Dit Plan vondt men zeer gegrond en aanneemelyk, weshalve de Gouverneur by een Missive aan den Gouverneur van Essequebo verzocht om de Indiaanen van die Colonie te beweegen achterom in de de Berbice te vallen; teffens aan den Posthouder Steur in de Corentyn be-

[p. 412]origineel

vel geevende de derwaards gevluchte Indiaanen ten eersten af te zenden; als mede aan den Corporaal Koens op Abary gelastende de geene die zich van hen daar bevonden by een te verzamelen.

Vervolgens, naamelyk den 7den May, kwam de grootste der twee St. Eustaciaansche Barken genaamd de zeven Provincien, voerende tien Stukken Vierponders en twaalf Draaibassen, wel voorzien van Mond- en Oorlogs voorraat, onder bevel van Capitein Hendriks, voor de Dageraat ten Anker, hebbende dertig Man van de andere Bark, die wegens lekkaadje nog voor St. Andries lag om zich te herstellen, overgenoomen. Capitein Hendriks aan Land treedende maakte met den Gouverneur een en andere schikking, en liet een der Scheeps-Officieren met twintig Man wel gewapend van boord komen, die terstond aan het Waterwerk geposteerd en de noodige onderrichting gegeeven werden. Den zelfden nacht liep één der Negers, die de Voorpost by het Bosch had weg, echter zyn Geweer achterlaatende.

Gouverneur en Raaden beslooten ter aanmoediging der aangekomene hulptroepen de volgende Publicatie te doen afkondigen, Luydende.

‘Wy Wolfert Simon van Hogenheim, Gouverneur Generaal over de Colonie de Berbice en Districten van dien enz. enz. enz.

Benevens de Raden van Politie en Crimineele Justitie derzelver Colonie.

Allen den geenen die dezen zullen zien of hooren leesen, Salut doen te weeten; dat ter zaake van Oorlog, die wy tegenwoordig in vast vertrouwen dat de Almogende de Rechtvaardigheid onzer zaake zal gelieven te zegenen; met de trouwhertige en dappere assistentie der Hulptroupen, aan ons in den naam en van wegens de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden; van de Wel Edele Gestrenge Heeren Gouverneurs van Suriname en St. Eustacius toegezonden, benevens onze Militie en Burgery, als nu staan te voeren, om met alle vigeur voort te zetten tegens onze Rebellige Slaven, en moordende, doodslaande en brandstichtende Vyanden, ten einde om aan de eene kant onse Rebellige Slaven te vangen of te dooden en uyt te roeyen, en aan de andere kant om onze trouwgezinde Negros-Slaven,

[p. 413]origineel

die zig op de Plantagiën of elders in rust of schuyl houden, van den dwang en woede der Rebellen te redden, verlossen en te regt te brengen.

Wy hebben geresolveert en geaccordeert, zo als wy resolveeren en accordeeren door en mitz deezen, dat, na volbragte Expeditien en behaalde Overwinningen, ten behoeve van de gezamentlyke Hulptroepen benevens onze Militie en Burgery, die zig van hunne plicht behoorlyk hebben gekweeten, zal worden betaalt en voldaan de volgende Premien.

Voor een Rebellige Neger die levendig gevangen en opgebragt word een Somma van Vyftig Guldens.

Voor ieder Rebellige Neger die gedood zal worden, waar van de Rechterhand zal worden opgebragt, een Somma van Twintig Guldens.

Voor Negros-Slaven die op de Plantagiën als anderszins zullen werden gevonden dat zig schuyl houden of geen tegenweer of vyandlykheden gebruyken en by de Troupen opgebragt, en by Ruste en Vreede gemaintineert werden, voor ieder Hooft zo Mans als Vrouwen Tien Guldens, en voor Kinderen ieder Kop, Twee guldens tien stuyvers.

Alle het gene by deze Rebellen, of in derzelver Legerplaats aan Goud, Zilver, gemunt of ongemunt, Juweelen, Klederen, Huysraat, Lynwaat of Wapenen gevonden en verovert word zal getrouwlyk opgebragt en uytgelevert worden in handen van de Heren Officieren, en door dezelve ter dispositie van den Hove, waar van vervolgens de helft van de Waardy voor Buytgeld betaalt zal worden als voren.

Voor de Neger Coffy die zig als Gouverneur opgewurpen heeft, zal betaalt werden aan de geene die hem komt te vangen, en aan de Justitie over te leveren, een Premie van Vyf honderd Guldens.

Item voor de Neger Accara die zig als Capitein van de Negers heeft opgewurpen, aan die hem komt te vangen en op te brengen, Vier honderd Guldens.

Mitz welke Premien en Buytgelden wy vertrouwen, dat een jegelyk de orders en bevelen van den Wel Edele Gestrenge Heer Gouverneur ofte van zynent wegen de Ordres van de Heeren Officieren en voorgestelde, met gewillige Obedientie zal opvolgen, en alomme preuven

[p. 414]origineel

geeven van zyn dapperheid en getrouwigheid, zo als brave Manschappen en Ingezetenen van den Staat toestaat en behoord.

Aldus gedaan, geresolveert en gearresteert in onze Raadsvergadering gehouden in de Berbice op de Post en Plantage de Dageraat dezen 8sten May 1763.

 

(Was getekend)

 

W.S. van Hogenheim.
A.D. Gillessen.
C.C. Schirmeister.
L. Abbensets.

 

(Lagerstond)

‘By nadere Resolutien hebben wy de gezamentlyke Troupen, tot Encouragement van dezelve, geaccordeert en toegelegt, zo als wy accorderen en toeleggen mitz dezen; dat aan alle de gene die in dezen Oorlog zouden mogen werden verminkt, voor Soulagement zal werden betaalt het volgende.

Voor 't verlies van beide Oogen. ƒ1500 - -
van een Oog. ƒ350 - -
Voor 't verlies van beide Armen. ƒ1500 - -
van de rechter Arm. ƒ450 - -
van de linker Arm. ƒ350 - -
Voor 't verlies van beide Handen. ƒ1200 - -
van de rechter Hand. ƒ350 - -
van de linker Hand. ƒ300 - -
Voor 't verlies van beide Beenen. ƒ700 - -
van een Been. ƒ350 - -
Voor 't verlies van beide Voeten. ƒ450 - -
van eene Voet. ƒ200 - -

‘Mits het welke wy vertrouwen, dat een jegelyk zyn pligt zal waarneemen, en alomme preuven geeven van dapperheid zo als het brave Luyden betaamt.

Aldus gedaan als voren den 13den May 1763.

 

(Was getekend)
Ut Supra.

[p. 415]origineel

De Neger Opperhoofden Coffy en Accara zonden met twee Bokken weder een Brief inhoudende, een vriendelyke uytnodiging aan den Gouverneur om op de Vigilantie te komen, echter zonder geweer, zo als zy mede ongewapend zich aldaar zouden laaten vinden: ten einde een Verdrag te maaken, willende het Land wel te rug geeven doch zonder de Negers die zy voor vry Volk verklaarden; aangaande de Neger Christiaan dat zy hem in plaats van de Jonge Charbon hadden gehouden. De Bokken verhaalden dat het na Demerary gezondene Detachement Negers om de kwaade wegen had moeten te rug keeren; dat Coffy en Accara dikwyls samen overhoop lagen, en dat de eerstgenoemde goed maar de laatste zeer kwaad van inborst was. De Gouverneur zond hen met een Brief te rug, tot ophouding dienende.

Een Vaartuig van Essequebo afgezonden, ophebbende de Raad H. van Dalen nevens de voorheen gemelte tien Berbiceaansche Soldaaten, (die van de Posten op Savonette en by de Acquewynen gevlucht waren) kwam voor de Dageraat aan, medebrengende een Brief van den Gouverneur s'Gravenzande, in welke zyn Edele bericht gaf dat den 27sten April, door de Regeering aldaar, eenen Joseph Meyer naar Boven was gezonden om de Caraïbesche Indiaanen te verzamelen en zich aan 't Hoofd van dezelve te stellen, om de Volkplanting van Berbice van Boven ter hulpe te komen; voorts dat zyn Edele aan den Gonverneur van St. Eustacius geschreeven en verzocht had een Onderstand van drie honderd Mannen te zenden: en van gevoelen was, hoe zeer de Magt van den Gouverneur Hogenheim mogt werden versterkt byaldien het Werk tot uitroeying of verdelging der Negers alleen van Beneeden ondernomen werdt, het eene oneindige zo niet gansch vruchteloose onderneeming zyn zoude, met verdere aanmerkingen diesaangaande: welke met de gedachten van den Heer Hogenheim en Surinaamsche Commandanten zeer wel overeenstemden.

De voor St. Andries achtergeblevene Bark, St. Eustacius genaamd, kwam den 11den May voor de Dageraat mede ten Anker, met de overige Manschappen: van de Neger-Ronde, die langs de Rivier afgezonden was geweest, vernam men, dat de Rebellen aldaar met verscheidene Corjaaren lagen; zy hadden ook eenige Vuuren in 't Bosch gezien, als mede sterk

[p. 416]origineel

hooren kappen, 't geen vermoeden gaf dat de Negers Paden maakten, om, langsdezelven, ons Volk aan te tasten. De Gouverneur deed, derhalve, de Voorpost versterken, en gelaste aan een Officier, een Sergeant en twee en twintig Gemeenen, in geval dien nacht niets voorviel, met het aanbreeken van den dag ter opspeuring van de Paden naar het Bosch te trekken; de twee Barken nevens het Schip de Standvastigheid, werden tot dekkinge, op de twee vleugels van de Plantagie geposteerd, en de noodige ordres gegeeven hoe zy zich, onraad bespeurende, zoude hebben te gedragen. De bestemde Manschappen, 's nachts niets vernoomen hebbende, begaven zich Boschwaards in, van waar des morgens ten half tien Uuren verscheidene Snaphaanschooten zich van verre lieten hooren: waaröp het volk terstond in de Wapenen kwam en hun aangeweesene Posten betrok.

Een half Uur daar aan vernam men het getrommel en gejoel der Rebellen, welke genoegsaam op 't zelfde ogenblik zich vertoonden en met zo veel geweld op den Post by het Waterwerk aanvielen, dat de onzen, door overmagt gedwongen, denzelven moesten verlaaten en te rug deinsen: de Bark de zeven Provincien ontdekkende dat de Vyand, by Troepen van vyf of zes honderd Koppen verdeeld, langs het Bosch aannaderde om, zo het scheen, van drie kanten te gelyk aantevallen, zond vyftig Man tot versterking aan den Wal, terwyl de Wagt van 't Waterwerk al deinsende gestaadig vuur gaf, die eindelyk met het Commando van Capitein van Ryssel by de Battery, en de voornoemde vyftig Man vereenigd zynde; zich wederom herstelde en toen gezamentlyk het hoofd bood aan de Rebellen, die daar op af hielden en veel nadeel leeden van het Detaehement dat van pas uit het Bosch te rug kwam en al vuurende, midden door hen heen, zich eenen weg baande; kort daar op werd ons Volk achter de Molen en de Wooningen van drie zyden verscheidemaalen zeer hevig aangetast, doch sloeg den Vyand telkens kloekmoedig af, onderwyle dat het grof Geschut van de Bark, die de beneeden zyde der Wooningen dekte, onder de Negers geduurig speelde, dermaate dat de Vyanden ten laatste na een gevegt van volslagen zes Uuren met bebloede Koppen ten eenemaale werden op de vlucht gedreeven, en byaldien de gemaakte schikkingen van den Gouverneur alleszins gelukt en niet door tegenwind verydeld

[p. 417]origineel

waren geworden zoude de voornoemde Bark de zeven Provincien, die de Vlugtelingen achter na joeg, ongetwyfeld meer dan zestig van hunne Vaartuigen prys gemaakt hebben, en zy in hunnen aftogt merkelyk belet zyn geweest, daar nu alleenlyk dertien Vaartuigen (daar onder het Jagt van den Predikant Ramring) veroverd, en verscheidene anderen die men met het Geschut konde bereiken, in den Grond geboord werden, waar van de Negers met zwemmen het Leven reddeden. Men begrootte het getal der Rebellen, die den aanval gedaan hadden, tusschen de twee en drie duizend Man, doch hun verlies kon men niet bepaalen; wyl zy de Dooden en Gekwetsten, naar gewoonte, telkens wegsleepten. Acht Lichaamen met Geweeren op het Slagveld gevonden, werden de Hoofden afgehouwen en aan de Rivier op staaken gesteld, en de Rompen verbrand. Voorts waren de Soldaaten het overige van den dag bezig met de Lyken van de Negers op te zoeken, die tot in de vyftig in getal beliepen. Daarentegen hadden de onzen maar vier Dooden en negen Gekwetsten bekomen, van welke laatsten, weinige dagen daar na, nog eenige aan hunne wonden overleeden; de Gouverneur kreeg een scheut door de pand van zyn Rok, en de Lieutenant Thielen een kogel door de Hoed.

Men had uit des Vyands geheelen toestel klaarlyk bespeurd dat zy al hun Magt byeen getrokken hadden, om den onzen den doodsteek te geeven, waar in zy, wegens hun groot getal, oogenschynelyk zouden geslaagd hebben, zo de meergenoemde twee Barken tot bescherming van de Volkplanting afgezonden, niet zo vroegtydig en van pas waren aangekomen. Doch de Dageraat had by dit Gevegt merkelyke schade geleeden: want het kostelyk Waterwerk, dat op deeze Plantagie eerst kortelings aangelegd en nog naaulyks voltooid was, was door de Negers, by den eersten aanval, aan vier hoeken te gelyk in brand gestooken, en tot den grond verteerd.

De Gouverneur verzuimde onderwylen niet om alles, zo veel mogelyk, te herstellen, en te gelyk een waakzaam Oog op de Negers te houden, plaatsende ten dien einde een gewapende Cano met zes en dertig Man onder Capitein Dabbadie op de hoogte van de Vigilantie, en liet om een ruimer uitzigt te hebben, het Bosch achter de Molen, de Wooningen, en

[p. 418]origineel

voor de Verschanssing verder op weghakken: terwyl de Arbeiders daar mede doende waren zagen zy een zwaaren brand opgaan; men vreesde voor de Vigilantie, of de Hoofdplantagie; maar by onderzoek blykte dat het eenige Savaanen gegolden had, en de Muiters op de Vigilantie denzelfden stand en goede wagt hielden.

De Corporaal Koens (die, zo als wy voorheen gezegd hebben, naar de Savonette was afgezonden om te vernemen of de toestand daar was gelyk de Blanken hadden voorgegeeven) zond aan den Gouverneur, door twee Bokken, een Brief waarin hy meldde dat hy op zyne Reis onpasselyk geworden zynde en zich te Abary op de Bokshuizen bevindende, eenige Bokken derwaards had gezonden en van hen verstaan had, dat 'er zich geen Christenen meer bevonden maar de Slaaven daar allen stil en in rust waren: de twee Bokken verhaalden daar by dat de Slaaven van de meeste Colonie-Plantagiën geen ommegang met de Rebellen hadden, doch dikwyls van hen gestoord werden, en zy daarom na de wederkomst van de Christenen grootelyks verlangden; voorts dat zy aan het einde der Kreek die uit Abary liep eenige Vaartuigen zonder Volk hadden gezien. Waaröp de Gouverneur een Cano met zes en dertig Man en zes Draaibassen gewapend, onder bevel van Capitein Hendriks afzond, welke met zeven buitgemaaakte Tent-Corjaars wederkeerde, hebbende onderwegen eenige Negers in 't Bosch bespeurd.

De Heer van 's Gravenzande berichtte, dat op de gehoopte ondersteuning van de Caraïben voor eerst nog weinig staat was te maaken, wyl het Regen Saizoen hen verhinderde af te komen; voorts dat zyn Edele oordeelde dat men niet te spoedig met een onderneeming op de Rebellen zoude voortgaan.

De Nieuwe Slaaven op de Dageraat, volgens gewoonte des Zondags in de daar achtergelegene Oelemerkoere-kreek uit Visschen gegaan zynde, werden op den 20sten May allen vermist: een gewapend Vaartuig nevens een Corjaar met getrouwe Negers zette hen agter na tot voorby de gewoonlyke Landingsplaats der Muiters; doch keerde onverrichter zaake te rugge, hebbende niet hooger durven oploopen, om van de Vyandlyke Schildwagten op de Plantagie van den Fiscaal Harkenroth niet ontdekt te werden.

[p. 419]origineel

Vervolgens werd de Gouverneur van verscheidene kanten verzekerd, dat de Slaaven van de bovengelegene Plantagiën vreedzaam bleeven zonder eenige verkeering met de Rebellen te houden; als mede dat 'er dagelyks nog Indiaanen uit Berbice in de Corentyn aankwamen, gelyk zulks ook bevestigd werdt door den Mulat-Jan Broer, zyne twee Zoonen met den Neger Frederik, en negentien Indiaanen die allen uit de Corentyn op de Dageraat verscheenen. Men vroeg aan den Mulat Jan Broer of hy één zyner Zoonen wilde toestaan om een Togtje te doen, langs onbekende Paden naar de Colonie-Plantagiën, ten einde de Bombas en Slaaven aldaar, uit Naam van den Gouverneur tot verdere getrouwheid aan te moedigen; waarin hy bewilligde, en 't geen zyn Zoon, die de kundigste in de wegen was, aannam mids daar voor een goede belooning genietende gelyk hem toegezegd werd. Deeze verkleede zich als een Indiaan en vertrok met twee van zyn getrouwste Indiaanen, den weg door Canje neemende, na Hardenbroek, de Cornelia Jacoba, Peereboom, Marky en Savonette, om volgens ordre de Meesterknegts van deeze Plantagiën te boodschappen, dat byaldien zy volharden ons Volk oprechtelyk by te blyven, zonder zich met de Rebellen te bemoeyen, de Plantagiën wel te bewaaren en beveiligen dat die niet verbrand of verwoest werden; als dan ook konden staat maaken dat de Gouverneur, by zyne te rugkomst, ter vergeldinge van hunne getrouwheid hunne Vryheid aan de Heeren Directeuren zoude verzoeken. Voorts liet zyn Edele de overgekomene Indiaanen uit de Corentyn voor zich ontbieden, hen voorhoudende hunnen pligt en vermanende om dapperlyk de Muiters te helpen uitroeyen; het geen zy eenpaarig beloofden en aannamen te zullen doen, waar op zy alle avonden ter bespiedinge langs de Rivier werden afgezonden, ontdekkende dikwyls op de Plantagie van Harkenroth en de Vigilantie een menigte Negers scherpe wagt houdende.

Men was niet buiten vrees dat zy weder een onderneeming op de Dageraat waagen zouden, welke voor ons zulk een goede uitslag niet beloofde als de laatste gehad had, vermids de heerschende Ziekte dermaate was toegenomen dat de meeste Officieren en Gemeenen, zo aan Land als op de Schepen, daar aan kwynden; op de St. Eustaciaansche Barken alleen wa-

[p. 420]origineel

ren over de tagentig Man door hevige krankte overvallen, die men genoodzaakt was (om frisscher lucht te scheppen) naar den Zeekant aftezenden, werwaards Capitein van Ryssel ten zelfden einde zich mede begaf.

Twee Indiaanen, die uit Abary over Zee op de Dageraat aankwamen, bragten een Brief van den Corporaal Koens, inhoudende dat hy, nog ziekelyk zynde, met eenige Indiaanen over Land naar de Dageraat in aantogt was geweest, maar op de hoogte van Ydappa (een plaats door de Bokken zo genoemd) de Rebellen naderende, zy hem bykans hadden gevangen gekreegen, doch dat hy hen gelukkig ontsnapt en met zyn Volk daar op weder na Abary te rug gekeert was; verder dat eenige Bokken die hy naar de Johanna had afgezonden, vernoomen hadden van de Bomba en Combuismeyd aldaar dat de Slaaven op die Plantagie welgezind bleeven, en dat de Muiters van oogmerk waren Kosttuinen in het Bosch aan te liggen alzo onder hen reeds gebrek aan Levensmiddelen, Kruid en Lood, begon te komen.

De Burger Lieutenant Solicoffre uit Canje aankomende verhaalde, dat hy met zyne Manschappen tot op de Compagnies Post was geweest, en de tusschen beide liggende Plantagiën deerlyk vernield en verbrand waren, behalve Overberg alwaar hy nog agt Sakken Cacao en drie Vaatjes Koffy, nevens twee Roode Slavinnen aan Frederiksburg behoorende gevonden en mede gevoerd had, en dat voor Frederiksburg aan den Rivierkant een Staak stond met het Hoofd van een Christen daar op.

De Corporaal Koens uit Abary zich andermaal op weg hebbende begeeven kwam behouden op de Dageraat aan met vyf Indiaanen en twee Roode Slavinnen van de Eendragt; een deezer Indiaanen zeyde, dat hy korteling by de Rebellen geweest en bygewoond had dat de Creoolen met de Kust-Negers in groot verschil raakten, en aan dezelven de schuld gaven van hen tot den Opstand en het gepleegde kwaad verleid te hebben, de twee Negers Coffy en Accara dreigende te dooden, doch dat die oneenigheid eindelyk was bygelegd.

Men vernam naderhand dat de Plantagie van den Fiscaal door de Rebellen verlaaten was, doch daarentegen dat de naar Boven gezondene Jonge Mulat Jan Broer, vier dagen na deszelfs vertrek van de Dageraat, achter

[p. 421]origineel

zyn eige Plantagie in de Kreek Cimbia by Ydappa, door vier van zyne Slaaven (die daar met eenige Rebellen in 't Savaan een Koebeest vervolgden) was ontdekt, gevangen genomen en vermoord; de Indiaan (een an de twee die hem op Reis verzelden) welke de tyding bragt, was het met de vlucht ontkomen, vreezende dat zyn Medemakker, dien hy miste, mede omgebragt zou zyn, en verhaalde van andere Indiaanen gehoord te hebben, dat de Muiters het Hoofd van Jan Broer afgekapt en op de Hollandia en Zelandia op een Staak gesteld hadden, en dat de Hoofden der vermoorde Christenen aldaar op gelyke wyze aan den Rivierkant ten toon stonden; dat de Slaaven van de meeste Colonie-Plantagiën, waar van hy de Savonette, Markey, en Hardenbroek opnoemde: al die tyd van de Muiters afgezonderd gebleeven zynde, eindelyk hadden moeten bukken, en met geweld onder hunne gehoorzaamheid gebragt waren; dat gebrek van Kost nevens Kruid en Lood hen verhinderden nog een kans te waagen op de Christenen, die ze even zeer bleeven haaten: en datze, wanneer de Droogetyd naderde, andere middelen meenden in 't werk te stellen om hun oogmerk ter uitroeying van de Blanken te bereiken.

De Loots J. Bogman verscheen kort daar aan met een Vaartuig, dat door den Gouverneur van Suriname was afgezonden, opgehad hebbende een Detachement van zeventig Man Surinaamsche Troupen, onder bevel van den Mayor Reinet, Capitein Canits; en de Vaandrigs Pontecharra, de Marechal en Gomarus, en die in de Corentyn waren uitgezet om aldaar Post te houden, zo als de Mayor Reinet met een Brief aan den Gouverneur daar van kennis gaf. (welk Detachement met Geweer en Wapenen tot de Rebellen-Slaaven in Canje naderhand schelmachtig overliep, gelyk in 't vervolg omstandiger zal gezegd werden)

Op de Dageraat werden wederom vier Negers met een Corjaar vermist, terwyl eenige anderen uit de Kosttuinen naar den Gouverneur kwamen vluchten zeggende, dat de Rebellen zich daar vertoond en verscheidenen van de Slaaven verrast en gevangen genomen hadden. Hieröp vertrok terstond een Officier met twintig Gemeenen om de Rovers op 't spoor na te zetten, doch keerde, schoon zy tot diep in het Bosch waren geweest, onverrichter zaake te rugge, zo als mede de Neger Piramus met

[p. 422]origineel

verlies van twee Negers, die zich te wyd wagende door de Muiters gekreegen werden: de Lieutenant Knollart met sommige Vrywilligers en een party gewapende Indiaanen toogen voorts de Rivier op tot voor de Plantagie van Harkenroth, daar ze een ledige Corjaar vonden en wegnamen, (zo men vermoede dezelfde daar mede de Rebellen op de Dageraat geland waren) op hoop wanneer zy die kwamen zoeken hen dan te overvallen; maar deeze zo schielyk niet te voorschyn komende leide hy een Mulat met vier Indiaanen daar dicht by in een hinderlaag, en trok ondertusschen met de overigen naar de Dageraat te rug om nader tyding afte wagten; daar na op het bericht dat vier Negers, wel gewapend en met eenige buit by zich, naar het Vaartuig hadden gezocht en het zelve niet vindende, in 't Woonhuis gegaan waren: begaf hy zich met de zynen weder derwaards; doch uit voornoemde Wooning ontdekt werdende en verscheidene Seinschooten hoorende die duydelyk van de Vigilantie werden beantwoord, vond hy raadzaam stil afte trekken duchtende dat die van de Vigilantie somtyds spoedig afkomende, hem den weg mogten afsnyden en met zyne Manschappen gevangen neemen.

Eenige Warousche Indiaanen met Vrouwen en Kinderen verlieten hunne Wooningen en kwamen op de Dageraad een Schuilplaats zoeken, voorgeevende dat de Rebellen hen vervolgden en de Mans gevangen namen, om die in hunnen dienst te gebruiken en ook om de wegen in de Bosschen en Savaanen naar Demerary aan te wyzen, werwaards zy, zo zy zeiden, van voorneemen waren te gaan om de daar zynde Slaaven insgelyks te verlossen en voorraat van Kruid en Lood op te doen, daar aan groot gebrek als mede aan Levensmiddelen hadden; zeggende verders dat al het Vee op de Plantagiën reeds geslagt en genuttigd was; dat de Creoolen en Kustnegers gestaadig overhoop lagen, en dat onder de eerstgenoemden nog veele waren die de Christenen een goed hart toedroegen.

Ondertusschen vermeerderde de tweedragt tusschen de Negers welke tegens Coffy te onvreeden werden, 't welke zo verre liep dat zy eenen anderen Gouverneur, Atta genaamd opwierpen, die zelf tegen Coffy slag leverde en veele van zyne Vrienden ombragt. Coffy te kort schietende liet het Buskruid dat hy onder zich had, en niet aan zyne Tegenpartyders

[p. 423]origineel

wilden in handen stellen, begraven, hebbende de uitvoerders daar van, om zulks geheim te houden, met eigene handen vermoord; hy nam vervolgens een gelaadene Snaphaan daar hy zich zelve mede doorschoot om niet in handen zyner Vyanden te vallen; ook werd den Gouverneur verhaald, dat een zyner vertrouden door de andere Negers zoude dood gezweept zyn, om dat hy niet wilde of konde ontdekken waar Coffy het Kruid geborgen had.

Atta, hem nu als Gouverneur der Negers opgevolgd zynde, stelde verscheide Opperhoofden aan, als Quaco Baubé, en Accabré Opperhoofd der Gango-Negers of Menscheneeters: en de Capiteinen Kees, Goussary, Fortuin en anderen.

Capitein Hattinga berichtende dat den 19den Juny voor den mond van de Rivier Berbice uit het Vaderland genadert was het Schip de Hendrik Schipper H.M. Rolwagen ophebbende de Heer L. Fick als Fiscaal en Secretaris, benevens eenige Soldaaten, twee Chirurgyns, een Smit en vyf Passagiers als vrylieden: kreeg bevel deeze Manschappen ten eersten op te zenden, en het Schip by bekwaame gelegenheid te doen volgen, wordende de Heer Fick met een Jagt afgehaald. Hy melde ook dat zyne Verspieders tot voor de stelling van Magdaleenenburg geweest zynde de Wooning nog in stand gevonden, en door twee Kaarssen die in 't Voorhuis met opene Deuren stonden te branden, ontdekt hadden, dat het binnen vol met Negers was, en voor het Huis een gewapende Schildwagt post hield, dat zich op Stevensburg mede een menigte onthielden, met zingen en schreeuwen een groot geschal maakende, maar voor het overige dat in gansch Canje niet dan een deerlyke Verwoesting te zien was, geen eenig Gebouw, of Hutje hoe gering het ook zyn mogt, meer in weezen zynde en altemaal tot den grond afgebrand; ook dat de Muiters de Rivier, van Petersburg af tot aan la Providence, ter wederzyden met zwaare Boomen versperd hadden, zo dat de doorvaart met groote Vaartuigen moeielyk zoude vallen.

De voornoemde Capitein Hattinga gaf vervolgens kennisse dat de Slaaven, ten getale van twee en twintig zo groot als klein, van de Elisabeth en Adriana weggeloopen zynde, door een Sergeant en agt Gemeenen tot

[p. 424]origineel

Frederiksburg te vergeefsch had laaten naspeuren en vermoedelyk een anderen weg moesten ingeslagen zyn. De Gouverneur bewust dat in Canje verscheidene Paden waren die op de Brandwagt uitliepen en van daar den weg na de Vigilantie aanwysden, deed die uitgangen ten eersten met eenig Volk bezetten; doch zy werden niet ontdekt.

Men vernam dat de Muiters de Wooning op de Plantagie van den geweezene Fiscaal hadden in Assche gelegd, en dat hunne Vergadering op de Vigilantie dan eens talryk en dan weder minder was, tusschen beide veel vreugde met danssen en springen bedryvende, maar doorgaands niet zo achtzaam meer op het uitsetten der Schildwagten, waar door onze Bespieders hen des te beter konden waarneemen. Deeze hadden aan de stelling, onder andere Vaartuigen, de Sloep van Schipper Pynappel (waar van de Stuurman en eenige Matroozen door de Negers te vooren vermoord zyn geworden) zien liggen.

Onderwyle bleef de Ziekte nog even sterk aanhouden, rukkende dagelyks eenigen in 't Graf, onder welke Capitein Hendriks en de Boekhouder Schook geteld werden. Geen van beide de Barken vond zich in staat een gezond Man op de Wagt te geeven. Dit noodzaakte den Gouverneur een merkelyke verandering in de Posten te maaken. Doch zyn Ed: ontfing kort daarop de aangenaame tyding, dat door de pryslyke zorg van den Gouverneur van St. Eustacius, de Heer de Wind, weder een Gewapende Bark, genaamd Demerarys Welvaaren, onder bevel van Capitein Salvolani (zynde een Griek van geboorte, en een zeer braaf Man, welke, geduurende zyn verblyf in de Colonie, met veel yver en trouw gediend heeft) met veertig Mannen en Provisie, van St. Eustacius afgezonden en reeds binnen geloopen was, welke op den 7den July voor de Dageraat aankwam.

Men had hoop, door de aankomst van de gemelde Bark, zich een weinig te herstellen. Maar ter zelver tyd werdt de Gouverneur ontwaar door een Brief van den Mayor Reinet, (welke met vier Indiaanen van de Corentyn over Zee aangebragt was) dat het gantsche Detachement Surinaamsche Militie (waar van wy te vooren gewaagden), in zeventig Man bestaande, wederspannig geworden en tot de Negers, in Canje, overgeloopen was. Het geval had zich aldus toegedraagen. De Vaandrig

[p. 425]origineel

Pontecharra met veertig van die Soldaaten nevens zestig Indiaanen in het begin van July, afgezonden zynde om eenige van de eerste Muitelingen van de Plantagie Magdaleenenburg in Canje, die zich in de Corentyn, in een nabygelegen Dorp, genesteld hadden, te verrassen, had het geluk dezelven te ontdekken. Hy tastte hen aldaar onverwachts aan, en dreefze, na een gevecht van drie Uuren, op de vlucht met achterlaating van vyftien Dooden. De Indiaanen de vluchtende Negers nazettende, schooten nog verscheidene dood en joegen de overigen in de Zwampen, daarze meestendeels verdronken. Onderwyle trok den voornoemden Vaandrig met zyn bygebleeven Volk (hebbende de onzen by dit Gevecht maar een gesneuvelden bekomen) te rug, medevoerende den Buit (die evenwel meest door de gemelde Indiaanen behaalt was), welke een somme van ƒ269. 6. beliep. Deeze Penningen werden door Capitein Caunits, zo hy voorgaf aan den Posthouder Huyer in bewaring gegeeven, om by de wederkomst der voornoemde Indiaanen, een ieder zyn behoorlyk aandeel te doen erlangen. Hier over toonden de Soldaaten veel ongenoegen, voorwendende dat hen die Buit werd onthouden; als mede dat zy geen werk gelyk de Negers wilden doen, naamelyk het maaken van hunne eigene Hutten: het welk van dat gevolg was dat zy den 3den July 's morgens ten vier Uuren aan het muiten sloegen. Eenigen van hen vielen met overgehaalde haanen op 't Quartier hunne Officieren aan: den Capitein Caunits werd met den Kolf van den Snaphaan zodaanig in de Rug geslaagen dat hy weerloos ter aarde neêrviel: twee dier Booswigten zouden hem doorschooten hebben, ten zy een Soldaat Brand genaamd, met een Stok de Snaphaan om hoog had geslagen en hem dus gered: de Chirurgyn Johan Carel Mangemeister had ook getracht den Vaandrig Marechal met zyn Sabel ter neêr te houwen, zo zulks niet was afgeweerd, en zette zelf met dreigementen het Volk gestaadig tot oproer aan, hebbende reeds lang te vooren den Soldaat Jean Renaud tot desertie zoeken te verleiden: vervolgens ontwapende zy de Officieren en dwongen hen naar de Post Ephraim te vertrekken. Waar op zy alle de Mondbehoeften en Goederen, zo van de Societeit als van de Officieren tot de Medicynkist niet uitgezonderd, hebben geplunderd en aan stukken geslaagen, gelyk ook omtrent zestig Snaphaanen, al-

[p. 426]origineel

leenlyk eenige met zes of zeven patroonen geladen op malkander laatende liggen, op dat de geene die dezelve wilde afschieten, zich door het springen zoude bezeeren.

Vervolgens sloegen zy een kring en zwoeren met opgestooken Vingeren malkanderen getrouw te blyven, onder bedreiging, dat zo een van hen wilde wegloopen zy dezelve op staande voet zouden doodschieten. Zy dwongen den Sergeant de Niese het gebied over hen op zich te neemen, en stelden den Soldaat Jean Renaud tot Lieutenant aan. Waarna zy zich op Weg begaven, voorneemens zynde naar de Rivier de Oronoque te trekken en tot de Spanjaarden over te loopen, ten welken einde zy zich naar het Bosch wenden, wanneer drie Onder-Officieren en vyf Gemeenen hen heimelyk verlieten en weder naar den Post Aurearis te rug keerden, alwaar dezelven door de Bylegger Christaan Jeuke (welke met eenige Indiaanen aldaar ter bespieding was gesteld) vrywillig met een Vaartuig naar den Post Ephraim werden over gevoerd. De overige Oproerigen ten getale van twee en veertig, naamelyk een Sergeant, een Corporaal, twee Landspassaaten, een Tambour en zeven en dertig Gemeenen, trokken voort door het Bosch onder bevel van gemelden Sergeant de Niese en Jean Renaud, met twee Indiaansche Gidsen, welke hen echter niet lang by bleeven, ter oorsaake dat een van beide een Vles Wyn uitgedronken hebbende en met den Tambour in woorden geraakt zynde, dezelve met de ledige Vles voor het hoofd geslaagen had en wegliep; waar op de Corporaal Schults, wyl hy dien Weglooper niet kon achterhaalen, zyn Makker doodschoot. Nu bevonden zy zich zonder Gidsen: doch de Soldaat Jean Renaud had een Negermeid uit Canje, welke op den Post gevangen en in de Boeyens zittende, ontslagen en medegenomen, die hen toen tot Wegwyzer diende. Zy kwamen, na derde halve dag in het Bosch gezworven te hebben, aan een breed Water, zynde de eerste Kreek, omtrent een half Uur van den Post dien zy verlaaten hadden afgelegen, alwaarze agt Man posteerden om het wegloopen te beletten, en anderhalven dag bleeven uitrusten, maakende onderwyle Vlotten om de Kreek over te steeken: doch bespeurende dat hunne Mondbehoeften sterk begonnen te verminderen zo beslooten zy na een der verlaatene Plantagiën in Canje

[p. 427]origineel

zich te begeeven, daar, volgens het zeggen van de Negermeid, nog veel Levensmiddelen en geen Negers zouden gevonden worden.

De Kreek overgevaaren zynde zonden zy uit het midden van hen, Renaud en den Chirurgyn Mangemeister vooruit naar de Plantagie Stevensburg daar het Hoofdquartier der Rebellige Negers was, om te verzoeken een vrye doortogt naar de Rivier de Oronoque. Deeze kwamen op de Plantagie aan: doch de Negers hen mistrouwende, als door de Blanken afgezonden om hen te bespieden en te verraaden, bedongen dat zy alvoorens hun Geweer en Krygsvoorrart aan hen zouden over geeven, en zich by hen ter hulpe voegen. Waaröp Renaud met eenige Negers was te rug gezonden, om aan zyne Makkers dit beding voor te houden, welke, met hulp van den Sergeant de Niese, de overigen overhaalden om deeze voorwaarde aan te neemen, en hun Geweer benevens Kruid en Lood aan de Negers over te leveren; 't welk hen met een Corjaar onder geleide van gemelde Renaud en de Niese werd toegezonden, terwyl de overigen door het Bosch zich naar Stevensburg begaven, alwaar zy by hunne aankomst in verscheiden Kamers werden verdeeld en opgeslooten. Vervolgens werden agt en twintig dier Overloopers, nu zonder Wapenen zynde, door de Negers op voornoemde Plantagie doodgeschooten, op het voorgeeven van de Negermeid, die Renaud uit de Boeyen had medegenomen, wyl zy zeide: dat die Soldaaten de Negers in Corentyn hadden bevogten en doodgeschooten: en de overige veertien op ordre van een Neger Capitein Adou genaamd, (met een Officiers Sjerp om het Lyf en een Hoed met een goud boortsel op, en die van het Fort Nassau was derwaards gekomen) in het leven gespaard. Zy bleeven daar eenigen tyd te zamen, en werden vervolgens op verscheidene Plantagiën zo in Canje als Berbice verdeeld; doch de Chirurgyn Mangemeister, de Sergeant de Niese, en Jean Renaud aan 't Fort gezonden, alwaar zy langen tyd zyn gehouden, wyl zy by de Negers het meeste gezien waren, en hen de besten dienst deeden, inzonderheid Mangemeister, die hunne Zieken en Gekwetsten bediende en verbond, en voor hunne Capiteinen Fyne Wateren moest bereiden, waar voor hy van het Opperhoofd der Negers verscheidene fraaye vereeringen van Zilver en Kleederen ontving; als mede Jean Renaud, welke voor hen,

[p. 428]origineel

van de hier en daar gevondene Zwavel en Salpeter, Buskruid maakte, dat echter niet te wel slaagde: voorts moest de Sergeant de Niese als Capitein en Secretaris dienst doen, en de Negers aan 't Fort dagelyks in den Wapenhandel oefenen: doch hy wierd over het schryven van een Hoogduytsche Brief, welke de Negers onderschepte, naderhand door hen onthalst: een Soldaat Wernier genaamd, stelde zich aan het Geweermaaken, en het verhelpen en schoon houden hunner Snaphaanen.(a)

Doch deeze Corentynsche Overloopers werden, na dat zy onder de Negers veel gevaaren uitgestaan en armoede geleden hadden voor het grootste gedeelte door ons Volk gevangen genoomen en naar Suriname over gevoerd, alwaar zy naderhand zyn te recht gesteld, zo als wy op zyn plaats omstandiger zullen zeggen.

Zo dra de Gouverneur van de wedervaaring deezer Overloopers wel onderricht was, besloot hy, om, ware het mogelyk, dezelven nog tot inkeer te brengen, by een (ongetekende) Brief hen hun kwaad en snood bedryf voor oogen te stellen, derzelver zeer waarschynelyk ongelukkig Noodlot voorspellende, de te rugkomst aanraadende en veel goeds belovende; maar het was te vergeefsch. Hun antwoord dat zyn Edele te rug ontving was hardnekkig, toonende geen 't minste berouw.

Midlerwyl werden door Capitein Hattinga eenigen van de gevangene Slaaven, die tegens hunnen Meester de Heer Stubbeman een zamenspanning gemaakt hadden, naar de Dageraat opgezonden. Dezelve ondervraagd zynde, beschuldigden zy hunnen Meesterknegt Coffy en den Meesterknegt van de Plantagie Bleyendaal, dat deeze hen hadden verleid; en dat door den laastgenoemden de geheele zamenzweering gesmeed was: voorts bekennende datze voorneemens waren geweest hun Meester te vermoorden en vervolgens ook alle de Christenen die beneeden in Canje woonden van kant te helpen, en dat wanneer hen zulks gelukt had, zy dan met den Buit zich by de Wegloopers naar Boven meenden gevoegd te hebben. De Fiscaal, aan wien den Gouverneur deeze Zaak ln handen gaf, vertrok naar St. Andries om de overige Gevangenen, die daar nog in de

[p. 429]origineel

Boeyen zaten, te verhooren, en keerde vervolgens met de beide beschuldigde Meesterknegts te rug: het verdere onderzoek moest, wegens onpasselykheid van den Fiscaal, eenigen tyd werden uytgesteld.

Op de Vigilantie werd in eenige dagen geen veranderig bespeurd; de Muiters daar lieten zich nu en dan met eenige Snaphaanschooten wakker hooren; men vond haar naderhand aan den overkant bezig met Hout te kappen dat, zo het scheen, dienen zoude voor Palissaden om zich op die Plantagie of elders te verschanssen.

Maar omtrent den 22sten July werd aan de overzyde der Rivier, een groot Uur van de Dageraat, een nieuwe Landingsplaats ontdekt, alwaar de versche spooren aantoonden dat de Rebellen, wel veertig sterk, de weg of naar de Brandwagt of naar de Kost-tuinen van de Dageraat hadden ingeslagen. Deeze beweeging baarde de onzen veel verlegenheid, vermids de Bezetting in eenen zwakken toestand was, en, zo men de Plantagie niet aan het uitsterste gevaar wilde blootstellen, geen andere verdeeling kon lyden dan de Brandwagt met een Officier en twaalf Man te versterken, eenige andere Posten daar tegens in te trekken, en met de overige Manschappen de meest aangelegenste, zo veel mogelyk, te bezetten, gelyk geschiedde. Ook werd Schipper Rolwagen, die met zyn Schip reeds voor de Brandwagt tot dekking lag, belast op die hoogte te blyven liggen, en onderricht wat hy, ingeval van aanval, te doen had. Het konde tevens van groot nut geweest zyn een Detachement van twintig of vyf en twintig Man af te zenden naar het Pad dat de Muiters waren opgegaan, om hen dus tusschen twee Vuuren in te sluiten, maar de geringe Magt maakte zulks toen onmogelyk. Onderwylen was de Vyand weder aan de Landingsplaats terug gekomen, Seinschooten geevende om, zo men vermoede, hunne Makkers op de Vigilantie te waarschouwen. Onze Verspieders hoorden ook gefluit in het Bosch, en eenig geraas als of 'er gekapt werd en zwaare Boomen neêrvielen: waaröp de Gouverneur raadzaam vond, den Post aan de Brandwagt in te trekken en zyn Volk op de Plantagie byëen te houden. Doch by geluk verminderde de vrees eenigermaate, vermids de Muiters ten getale van vyftig allen met Snaphaanen en Sabels gewapend kort naderhand in Corjaren naar Boven vertrokken.

[p. 430]origineel

De Lieutenant Pronk gaf van Beneeden bericht, dat op den 23sten July de Post aan de groote Dubbelmine-Kreek, in Canje, bestaande in een Corporaal en agt Man, door de Negers, by verrassing, was overvallen en allen gevangen genomen, behalven de Mulat Daniel Feer, die het met zwemmen was ontkomen, en dat op deeze tyding de beneeden liggende Plantagiën door de Christenen waren verlaaten, die zich naar St. Andries begeeven hadden. Men was derhalve niet zonder bekommering voor die Gronden, datze door de Muiters zouden worden afgeloopen. Waarom de Bark de Demerary Pacquet (welke kort te vooren van Demerary met eenige Burgers, die uit Berbice sedert het begin van den Opstand derwaards waren gevlucht, voor de Dageraat was aangekomen) onder bevel van Capitein Salvolani naar de voornoemde Kreek werd afgezonden, om hen het verder afkomen te beletten, en den vryen toegang tot het Versch Water voor den Post St. Andries open te houden. Doch zo als die Bark was vertrokken, kwam 'er van den gemelden Lieutenant Pronk een tweede Brief, meldende dat dezelfde Troep Muiters, die onze Post hadden opgeligt, in honderd Man bestond, en aangevoerd door den Neger Cesar, die korteling, van de Plantagie van den Heer Stubbeman was weggeloopen, reeds tot op de Plantagie Wyburg was afgekomen, dezelve benevens Melpomene, die van Bartels en Hagenkamp had afgeloopen en de Gebouwen aldaar verbrand, en daar op weder naar Boven gekeerd was.

De Wegloopers ontzagen niet tot zelf in de Kosttuinen van de Dageraat dagelyks te komen stroopen, zonder dar men hen zulks konde verhinderen, wyl de Ziekte uitermaaten aanhieldt.

Een der Gevangene Soldaaten aan de Dubbelmine-Kreek, kwam, met een Bok verzeld, in een Corjaar van Boven op de Dageraat aan, en bragt een Brief van het Opperhoofd der Negers, met last om denzelven aan den Gouverneur eigenhandig over te geeven: deeze Brief behelsde voornaamelyk, dat de Negers met de Corentynsche Overloopers t'zamen een verbond hadden geslooten om malkanderen getrouw by te blyven: de Soldaat (die Bedouw was genaamd) klaagde dat zy hem met zweepslagen deerlyk hadden mishandeld; en de Bok verzekerde, dat genoegsaam alle de Negers zich met de Muiters verstonden en Rebellig waren, en dat de Gou-

[p. 431]origineel

verneur niet dan Vyanden op de Plantagiën van de gantsche Colonie ontmoeten zoude, voorts verhaalde hy, dat hy, twee dagen geleeden, van de Rebellen aan 't Fort Nassau verstaan had, dat een groote Troep Negers met Vaartuigen uitgegaan zynde, om in de Bovenlanden Kost tuinen aan te liggen, aldaar by hunnen aankomst door de Caraïbische en Acquewynsche Indiaanen, welke de Rivier van boven bezet hadden, was overvallen en meest allen doodgeslagen; dat daar op de Neger Accara als Capitein met een sterk Detachement gewapende Negers en eenigen van de Corentynsche Overloopers aan het hoofd zich hadden op weg begeeven om de gemelde Indiaansche Natiën aan te tasten, van welkers wedervaaren, by zyn vertrek van 't Fort, nog geen tyding was ingekomen.

De Gouverneur zond den Bok met een Brief te rug, zonder zich daar by in eenige beloften of toezegginge uit te laaten, schoon eenige Leden van den Raad oordeelden dat het beter was in 't geheel niet te antwoorden, en anderen daarentegen zulks raadzaam vonden maar tot geen besluit konden komen hoedanig men het antwoord zoude inrichten; 't welk hem noodzaakte om zelfs de Brievewisseling gaande te houden, denkende dat daar mede tyd gewonnen voor eerst genoeg gewonnen was; bovendien zo hadden de Neger-Opperhoofden die eerst aangevangen, en het is bevonden dat dit aan de verwachting wel heeft voldaan. De Gouverneur van Essequebo gaf kennisse dat de Caraïben en Acquewynen de Rivier Berbice van Boven hadden bezet, en dat zy een party Muiters, die daar meenden te naderen, hadden om hals gebragt, waar by eenige Caraïben waren gekwetst geraakt: zo dat het verhaal van den Bok diesaangaande geen twyfel overliet.

Men bleef ondertusschen, zo veel mogelyk was, op zyn hoede, maar door de woedende Ziekte verergerde de omstandigheid van dag tot dag. Tot omtrent Augustus 1763. was ten minsten een derde van de gantsche magt door de Dood weggerukt: een der Barken had alleen vier en vyftig Dooden: en bykans alles ziek: waarom de Officieren naar de Zeekant moesten afzakken, blyvende de Gouverneur (die zelfs Ziekelyk en Zwak was) genoegsaam alleen, zonder hulp van Colonie Bediendens, zelf niet van de tegenswoordig zynde Raaden, welke geduurig op

[p. 432]origineel

een Koopvaardyschip huishielden, zonder schier aan den Wal te durven komen: zo dat men meest alles op hem liet aankomen.

Hier by kwam nog dat de Surinaamsche troepen welke zig op de Dageraat bevonden, voor het grootste gedeelte bestonden uit Fransche Overloopers, onwillig Volk, en meest Landsluiden en Makkers van de Corentynsche Overloopers; zo dat hunne eigene Officieren weinig vertrouwen meer in hen durfden stellen, en zich hier over kwamen verklaaren by den Gouverneur, welke daar op met deeze Officieren den 31sten July een Krygsraad belegde, waarin na rype overweeging van alles met meerderheid van stemmen, onder anderen, werd beslooten van zich als nog op de Dageraat te blyven handhaven; zich meer en meer door Verschanssingen, voor een aanval der Vyanden te dekken; de Mond- en Oorlogs-Voorraad in veiligheid naar de Zeekant te brengen, ten einde, 't zelve by een schielyke aftogt niet in handen der Muyters mogt geraaken; en by aldien de bystand, die men uit het Vaderland verwachtende was, voor den Droogen tyd niet aankwam, als dan de Dageraat te verlaaten, en in de Colonie ondertusschen voet te houden. Doch met welk groot gevaar zulks vermengt was gaven de gemelde Surinaamsche Officieren, in schriftelyke aanmerkingen, aan den Gouverneur nader te kennen(a) waar by zy verklaarden, dat zy de aller gevaarlykste omstandigheden der Colonie in verdere overweeging hadden genomen, en zich verpligt vonden te moeten voorstellen: hoe dat, om verscheidene redenen zo in opzigte van den stand, gebrek aan Oorlogsbehoeften, als Ziekte en Zwakheid der Soldaaten en Scheepsvolk, en ligte afsnyding en bezwaarlyke aftogt; daarentegen frischer en gezonder Lucht aan den Zeekant, grooter zamengetrokkene magt, en tot voorkoming van voorsz. als meer andere welgegronde zwarigheden: zy vermeenden, dat zonder verzuim moest worden vastgesteld de Dageraat te verlaaten en naar den Post St. Andries aftetrekken. Evenwel kon de Gouverneur, die in de grootste nooden den grootsten moedt betoonde, daar zo ligt nog niet toe overgaan, maar bleef standvastig in zyn voorneemen om de Dageraat bezet te houden schoon de Raaden mede van het zelfde begrip als de ge-

[p. 433]origineel

melde Officieren waren. Hy gaf 'er deeze reden van, dat hy wel onderricht was dat 'er ten minsten nog een voet Water in de Bosschen werd gevonden, en dat derhalve nog geen volkomene vereeniging der Rebelleerende Negers en gevolglyk ook zo gemakkelyk geene aanval van hunne gantsche Magt geschieden konde.

Men vernam vervolgens dat de Schaarsheid van Levensmiddelen by de Rebellen dagelyks vermeerderde, en dat daar aan reeds zo groot een gebrek was dat ze Honden en Katten aten, ja zelve de Paarden en Ezels begonnen te slagten; dat thans alles Muiter was wat de Naam van Neger had, echter dat het Volk van de Colonie-Plantagiën zo veel kwaad niet bedreven als 't Volk van de Vrylieden; zelf zou de Bomba van de Hoofdplantagie gezegd hebben dat hy en zyne onderhoorige Negers, de Christenen nog een goed hart toedroeg, en zeer verlangde dat die het Land weder in bezit mogten krygen. Voorts dat de Creoolen zich door de Muiters niet wilden laaten beweegen om tegens de Blanken te vechten, alzo hun voorneemen was, om wanneer de Bosschen opgedroogd waren als dan met hunne geheelen magt de Dageraat te komen aantasten.

Hier tegens werden alle mogelyke middelen ter verydeling hunner Oogmerken in het werk gesteld: op de Dageraat waren de beknopte Verschanssingen die men hier en daar had begonnen op te werpen, reeds voltooid: de toegangen met Indiaanen bezet, en eenigen van hen naar de Kreeken van Abary en Jakkada afgezonden om aldaar de wagt te houden. Doch de Zaaken stonden daarom niet te beter: want de sterfte nam dagelyks hand over hand toe: op de Schepen en Barken waren meest alle Officieren overleden, en de Raad Gillessen had mede het tydelyke met 't eeuwige verwisselt: de gebeterde Manschappen stortede op nieuws weder in, en het Schip de Standvastigheid geheel reddeloos liggende moest naar den Zeekant afgezonden werden. Dus was de verslagenheid algemeen; en de Dageraat in groot gevaar, byaldien 'er bespringers waren geweest die ze onbeschroomd hadden durven aantasten.

Doch kort daarna kwam 'er eenige uitkomst. De Mayor Ewyk, die in dienst van Suriname was, bragt de tyding, dat eenige Rebellen, die zich uit Canje naar de Corentyn hadden begeeven, meestendeels door

[p. 434]origineel

de Indianen omgebragt waren, dat zich daar een groot aantal van die Natie bevond, waar door de Bovenlanden, in de Kreek van Wikkie gelegen, wel bezet waren, dusdanig de Rebellen langs dien kant niet konden uitkomen. Ook gaf de Gouverneur van Demerary kennisse, dat hy van den Burger Capitein P. Berk uit Demerary vernomen had, dat de Caraïben de Plantagie de Savonette overvallen en alle de Muiters die zy daar vonden doodgeslagen hadden, behalve een Neger die hen ontsnapt was.

Middelerwyl kwamen vyf Schep-Corjaaren de Rivier van Boven afzakken met Negers en Negerinnen, benevens de Sloep met eenige Matroosen van de Bark de zeven Provincien, die hen geleidde. Men vernam by hunne aannadering dat het alle huis Slaaven waren ten getale van twee en twintig Stuks zo Mannen als Vrouwen en Kinderen, die in het Gouvernement gediend hadden, dewelke by het verlaten van 't Fort, met het Keukengereedschap en Meubilairen van den Gouverneur, door de Rebellen waren opgeligt: onder dezelven bevond zich mede de Timmerman Christaan genaamd, die met hen dien aanslag om te ontvluchten gesmeed had, waar op zy te samen met Pak en Zak de Muiters ontweeken waren. Onbeschryflyk was de Vreugde en blydschap die ze, aan Land tredende, uitgalmde. Zy verhaalden, datze terwyl de Rebellen joelden, uit de Negery gevaren en gelukkig voorby de Vigilantie geraakt waren, alwaar de Schildwagten hen hadden toegeroepen, maar waar zy door de donkerte niet ontdekt waren geworden; verders dat geduurende hun verblyf aan 't Fort veel wreedheid door de Muiters gepleegt was, die op Ordre van Coffy in vroeger tyd verscheidene van de Bokken vermoord en den Kop afgeslagen hadden; dat de Negers van de Vrylieden de kwaadsten waren, maar dat onder de Creoolen veele nog welgezind bleeven, en dezelve naaukeurig op gepast en bewaakt werden; dat in het Gevegt met de Caraïben en Acquewynen over de honderd Man van de Negers gebleeven waren, en dat het gebrek van Mondkost onder hen zeer groot was.

Men kreeg bericht dat den Mulat Jan Broer, die aan het Hoofd der Posthoudende Indiaanen by de Kreeken van Abary en Jakkada gesteld was, Ziek was geworden en overleden. Dit verlies werd zeer beklaagt want niet alleen wist deeze Man zyn Volk in ontzag te houden en

[p. 435]origineel

met hen wel om te gaan, maar was ook bovendien de wegen over al zeer kundig, 't welk by het herwinnen van de Colonie van veel dienst had kunnen zyn. De Mulat Klaas Broer die hem opvolgde, doch dat vermogen op hen niet scheen te hebben: kwam kort daar na met al de Indiaanen van voorsz: Posten onverwachts op de Dageraat aanzetten, ter oorsaake dat twee van hen zich wat te diep in het Bosch begeeven hebbende door de Wegloopers van de Vigilantie ontdekt wierden, waar door de een, zo zy zeiden, gevangen raakte, en de anderen, die het ontsnapt was, by zyne te rugkomst zodaanig de schrik onder de overige verwekte dat dezelve op haare Posten niet te houden waren. Zy keerden nogthans met goede woorden en na veel beloften weder derwaards te rug.

Naderhand kwam de gemelde Klaas Broer wederom te rug met vier Indiaanen waar onder de vermiste die zy meenden dat door de Muiters was opgeligt. Deeze Indiaan had vier zwaare wonden bekomen, en verhaalde dat hy ruim een Uur lang tegens twee gewapende Negers van de Vigilantie gevogten had, na dat zy op hem aangelegd maar de Snaphaanen geweigerd hadden; dat hy met zyn Mes den eenen den buik had opengehaalt en den anderen mede zwaar gekwetst hebbende, hen beide voorts had verlaaten. Dit voorval gaf onze Indiaanen veel moedt, en teffens een sterke verbittering tegens de Muiters: na een poos vertoevens vertrokken zy weder naar Abary.

De Bark de Demerary Pacquet, die onderweg had moeten blyven liggen vermids al het Volk daar op ziek geworden was: zich in beter staat bevindende, was eindelyk aan de Dubbelmine Kreek ten Anker gekomen, alwaar dezelve een Troep ongewapende Negers vernam welke, zo het scheen, in de Kreeken aan het Visschen was, maar op hunne aannadering de vlucht nam.

Onze Bespieders hadden al dien tyd geen verandering op de Vigilantie ontdekt, dan nu dat aldaar scherper wagt wierd gehouden; ook dat de Bosschen sterk begonnen op te droogen, en de kwaadste wegen begaanbaar waren. Weshalve men voor een bezoek van de Muiters thans zeer beducht werd, te meer om dat den 19den September des morgens om vier Uuren twee Soldaaten van de Post by de kleine Sluis met hun Geweer

[p. 436]origineel

werden vermist, beide Franschen, en de eene van de Surinaamsche Troepen. Zy hadden, Boschwaards in, den Weg naar de Rebellen genoomen, en waren dus vermoedelyk tot hen overgeloopen. De Gouverneur liet 'er de Indiaanen in de Kreeken van Abary en Jakkada, als mede de Bark de zeven Provincien ten eersten van verwittigen, met bygevoegd bevel hen op te zoeken, en, ontmoetende, dood te schieten.

Men was zeer in vreeze over die beide Wegloopers, wyl zy den bedroefden en zwakken toestand daar zich alles in bevond, aan de Muiters konden openbaaren, die waarschynelyk daar door aangespoord zouden werden om des te eerder op de Dageraat af te komen. Bovendien was men onzeker of onder de overige Surinaamsche Troepen geen dergelyke of andere gevaarlyke voorneemens schuilden, wyl dezelve hunnen oproerigen aart al meer dan eens tegens hunne Officieren hadden laaten blyken.

Kort daarna kwam de Mulat Klaas Broer met zyne Indiaanen uit de Kreek van Abary op de Dageraat vluchten, zeggende, dat zy aan den Mond van die Kreek twee weggeloopene Soldaaten bespeurd hadden, en zyn Volk daarop zo bevreesd geworden was, vermids het Christenen waren dat zy zich niet langer op den Post dorsten vertrouwen, in verbeelding zynde dat die twee Soldaaten hen den volgende nacht zouden komen Doodschieten; des zy Klaas Broer sterk hadden aangedrongen met hen naar den Gouverneur te gaan, om bystand te verzoeken. De Gouverneur bemerkte uit dat verhaal dat die twee Overloopers zich reeds in verlegenheid bevonden om weg te komen, en het hen, niet verder gevorderd zynde, zo gemakkelyk ook niet zou vallen, (voor al met den nacht en om dat de Bark de zeven Provincien, op de beide Kreeken reeds een waakend oog hield) door de Kreek of door het Bosch dat zeer dicht en overal met Distels en Doornen bewasschen was te geraaken: weshalve hy den Mulat met de Indiaanen, nevens een Officier met zes Man, naar den Post te rug zond met Order, aldaar en langs Abary naar Jakkada op hen te passen, en hen levendig of dood op te brengen. Voor dat Klaas Broer vertrok gaf de Gouverneur hem een vermaaning wegens de kleinmoedigheid van zyn Volk, en het gevaar dat daar uit voor hen te wachten stond: waar op hy antwoordde; ‘dat hy zich zeer ver-

[p. 437]origineel

wonderde hoe de Gouverneur hem zulke verwytingen kon doen, daar zyn Edele zelfs immers geen staat meer op zyne eigene Soldaaten konde maaken, en hoe hy dan begeeren of verwachten kon, dat de Indiaanen in dezelve vertrouwen zouden stellen, daar zy voor hunne oogen zagen dat ons Volk hen ook tot Vyanden werden, en zich by de Rebellen vervoegden.’ Welk schrander antwoord van deezen Man wy, om deszelfs gepastheid, niet hebben kunnen nalaaten tusschen beide aan te haalen.

De twee gemelde Overloopers werden vervolgens weder ontdekt, welke onze Indiaanen met eenige Militairen op hen ziende aanrukken daar op het Bosch inliepen en schielyk uit het oog raakten. De onzen hen nazettende verlooren door de sterke droogte het spoor. De Gouverneur hier van bericht, zond voort nog een Sergeant met drie gewapende Indiaanen derwaards af, nevens den getrouwen Neger Frederik dien de wegen daar rondsom bekend waren, en welke belast werd zo lang te blyven tot dat hy hen of levendig of dood in handen kreeg met beloften van honderd Gulden premie voor ieder hoofd. Doch men heeft hen na alle aangewende moeiten en na het Bosch wel doorkruyst te hebben, niet kunnen achterhaalen: waarom de twee Officieren en zes Gemeenen met den Neger Frederik na de Dageraat te rug werden ontboden.

Capitein Caunits in de Corentyn meldde, dat de Caraïben en Acquewynen zich hadden aangeboden om de Rebellen van Boven langs de Kreek Wikkie op 't Lyf te vallen; verders dat men in de Corentyn weinig Negers meer bespeurde, en dat de Indiaanen van de Zwervers, die zich nu en dan vertoonden, vyf hadden doodgeschooten.

Twee Warouwsche Indianinnen kwamen op de Dageraat de wyk neemen, die haare Wooningen achter Lelienburg hadden moeten verlaaten, en zich door de Bosschen op de vlucht begeeven, wyl haare Mans, zo zy zeiden, door de Rebellen waren omgebragt, die alle de Indianen welke zy gevangen kreegen ten eersten vermoordden: verder verhaalende, dat de Muiters gezwooren hadden eerstdaags op de Dageraat afte komen, zo dra hunne Pylen en Boogen klaar waren met welke zy hunne Medemakkers, die geen Geweer hadden, zouden Wapenen om ons Volk des te

[p. 438]origineel

gemakkelyker van kant te helpen; als mede dat 'er boven in de Rivier, van tyd tot tyd, nog vechteryen voorvielen tusschen de Rebelle-Negers en de Caraïben en Acquewynen. Hier uit bleek dat die twee Natiën nog goeden stand hielden: jammer was 't dat ter zelver tyd van onzen kant mede niet iets werd ondernomen; maar het geringe getal gezonde Manschap dat voorhanden was maakte zulks ondoenbaar: de ziekte bleef nog al even sterk aanhouden; verscheidene Officieren en Regerings Leden vertrokken naar beneeden tot herstelling hunner gezondheid: zo dat zelf de Justitie moest worden opgeschort, en de Rechtbanken genoegsaam stil stonden, wordende de meeste zaaken door den Gouverneur en de Raaden Abbensets en van Dalen alleenlyk afgehandeld.

Het scheen of alles te zamen vloeide om deeze reeds zo ongelukkige Volkplanting op het uiterste te brengen; en wel mogt de Gouverneur Hogenheim zeggen, wat zal my op het laast nog overkomen! wanneer hy met veel aandoening en niet minder verwondering door een Brief van den Lieutenant Pronk op den 22sten September vernam, dat Capitein Hattinga drie dagen te voren des avonds tusschen tien en elf Uuren met een gedeelte van deszelfs onderhoorige Militairen en eenige Burgers zyne Post op St. Andries had verlaten en de Rivier Canje was op gevaaren, zonder aan den Lieutenant Pronk te zeggen met wat voorneemen of tot welk een einde hy zulks ondernam. Dit gedrag was ten eenemaal strydende tegens de gegeevene Ordres van den Gouverneur. Deeze zond terstond Capitein van Ryssel (welke 'er zich vrywillig toe aanbood) naar beneeden om het bevel op den Post St. Andries over te neemen, en tevens naaukeurig te onderzoeken de handelwyze van gemelden Hattinga en hoe het verders met dat geval gelegen was; als mede denzelven indien hy daar was te rug gekeerd, voor eerst Arrest aan te zeggen. Aan Capitein Salvolanie, die met de Bark in Canje lag werd schriftelyke Last gegeeven, dat hy, om onheilen voor te komen tot nader order geen Krygstogten moest onderneemen, wyl die somtyds voor Land en Inwooners ongelukkig konden uitvallen. Men vernam van den Soldaat, die de Brief gebragt had, dat Hattinga zeer beschonken van den Post was vertrokken en geduurende drie dagen te vooren ook niet nuchteren geweest was; dat toen hy de Rivier

[p. 439]origineel

even opgevaaren was, zyn Commando verscheidene Schooten had gedaan, en dat hy op de Plantagie van de Heer Crombie komende, aldaar groote buitenspoorigheden gepleegd en op de Negers gevuurd had, die daar op gezamentlyk in het Bosch gevlucht waren. Van al dit verhaalde, werd den Raad Abbensets, die zich beneeden op 't Schip de Standvastigheid bevond, kennisse gegeeven, met verzoek dieswegens onderrichting te neemen en Capitein van Ryssel daar in mede behulpzaam te zyn.

De Gouverneur met reden in deeze tydsgesteltenisse zeer bekommerd zynde, liet door de Slaaven van de Dageraat in de Oelemerkoere Kreek, achter langs deeze Plantagie loopende, een Dam liggen om het Water, dat uit de Bosschen kwam, op te stoppen en vervolgens een doorshydinge te maaken die 't zelve in de Gragt, welke de Verschanssing omringde, kwam te brengen, met oogmerk om dus een kleine Watervloed te verwekken die de Vyanden ingeval zy aanvielen, zeer veel in het naderen zoude belemmeren en den aanval zelfs moeielyk maaken.

Capitein van Ryssel op St. Andries aangekomen zynde berichtte, dat Capitein Hattinga nog niet te rug was, en dat den Lieutenant Pronk een Expresse had afgevaardigd om hem in Canje op te zoeken en de Brieven, die door den Gouverneur aan hem geschreven waren over te geven; dat hy daarop den voorsz: Lieutenant Pronk in Canje afgezonden had met last zo hy Hattinga aantrof hem gevangen te neemen, en ingeval dat tegenstand ontmoette, hem te knevelen en dus aan den Post St. Andries op te brengen; als mede dat hy den Sergeant en de Overige Manschappen, door Hattinga medegenomen, ten spoedigste zoude afzenden.

Middelerwyl werd de Zaak van Hattinga in de Vergadering (die alleen uit den Gouverneur en twee Raaden bestond) voorgedraagen, en dezelve vermids de Zwakheid van 't Hof, en wyl de Fiscaal, door ziekte, mede afwezend was, (zonder gevolg) in handen van den Krygsraad gesteld om gevonnist te worden. Hier op begaven zich, den eersten October, de Mayor Ewyk en de Lieutenant Thielen naar de Post St. Andries, alwaar men de Krygsraad (waar in de Mayor Ewyk voorzat), om dat de meeste Officieren zich daar, wegens onpasselykheid, bevonden, zoude vergaderen: by welken Capitein Hattinga vervolgens, over zyn kwaad gedrag en toome-

[p. 440]origineel

loose onderneeming tegens alle Orders in Canje door hem uitgevoerd, werd ontslagen van zyn Capiteins plaats, voor Eerloos verklaard en voorts gebannen uit de Volkplantinge van Berbice. Welk vonnis, met goedkeuring van den Gouverneur, aan hem ter uitvoer is gebragt.

Ondertusschen ontving de Gouverneur een Brief uit Essequebo van den Gouverneur s'Gravenzande, welkers inhoud eenige hoop gaf dat de lang gewenschte Hulp uit het Vaderland niet lang meer zou achterblyven; verders behelsde dezelve een Verhaal van het gevecht dat den 26sten July op Savonette, tusschen de Caraïben en de Rebelle-Negers was voorgevallen, waar in van de laastgenoemden vyf en vyftig Man gebleeven waren, en twee Kinderen gevangen genomen die de Caraïben in Demerary gebragt hadden.

Men vernam dat de Muiters op de Vigilantie denzelfde stand hielden; terwyl een ander voorval nieuwe vreeze baarde, ontstaan door de Surinaamsche Soldaaten op de Dageraat, die grootelyks haar ongenoegen betoonden over het aan hun uitgedeelde Randsoen van Brood, zich tegens de Gouverneur en de Officieren in verregaande en zeer strafwaardige uitdrukkingen uitlaatende, en volstrekt ander brood begeerende: doch eindelyk lieten zy zich met veel moeite overtuigen, dat het uitgedeelde Brood zeer goed en geen de minste schimmel noch bederf daar aan te vinden was. Kort naderhand raakte dit zelve Volk in oneenigheid met de Slaaven van gemelde Plantagie, maar dit werd door tusschenkomst van den Gouverneur nog tydig gestild.

De Mayor Ewyk benevens de beide Capiteinen van Ryssel en Texier leverden aan den Gouverneur een Memorie over(a), inhoudende dergelyke zwarigheden als in de eerste Memorie voorgehouden waren, en dat dezelven sedert zodaanig waren toegenomen dat alles genoegsaam tot Wanhoop scheen te vervallen, en vermids geen Hulpe uit het Vaderland vernomen werd, dat zy ten sterkste op het verlaaten van de Dageraat en het aftrekken naar den Zeekant op de Post St. Andries bleeven aanhouden, oordeelende dat het behoud van de Dageraat de ondergang was van de

[p. 441]origineel

Colonie, en de bescherming van Canje derzelver behoudenis. De Gouverneur kon nogthans tot dat besluit niet overgaan, schoon hy wel overtuigd was dat zo wanneer de Muiters met vereende magt hem kwamen aantasten hy tegens hen niet bestand zoude zyn, maar hy was daarentegen op goede gronden verzekerd dat zo de Vyanden op hem afkwamen, hy dan altoos nog tyds zoude hebben om de Dageraat te verlaaten. Voornaamelyk werd hy tegengehouden door de Kostgronden. Indien hy deeze met zich naar beneden had kunnen voeren, zou hy geen oogenblik vertoefd hebben om zich naar het gevoelen der Officieren te voegen; maar het besef der elende en onheilen, welke uit het gemis dier Kostgronden voor de Blanken en Slaaven te wachten waren, deed hem in zyn voorneemen volharden. Onderwylen was de tyding van den Opstand en de slegte toestand dezer Colonie door de Schippers Spruyt van Suriname, en Richard Robberts van Essequebo, in het Vaderland aangebragt, het welk veel ongerustheid baarde.

De Heeren Directeuren van de Colonie de Berbice, mitsgaders een groot aantal Eigenaars en belang hebbende in de Plantagiën van voornoemde Colonie, (schoon zy nog geen directe Tyding van den Opstand hadden ontvangen) vervoegden zich op den 8sten Juny 1763 by Requeste aan de Algemeene Staaten met verzoek dat hun Hoog Mogende hen geliefde te ondersteunen met twee Fregatten van Oorlog, en ten minsten een getal van zes honderd Man gereguleerde Troepen derwaards te zenden, tot demping der voorsz. Muitery.

Waar op hun Hoog Mogende beslooten by de gezamenlyke Collegien ter Admiraliteit te vernemen of zy eenige Fregatten van twintig a vier en twintig Stukken by der hand hadden, of binnen korten verwachtende waren, en op het zenden van Militie te hooren de consideratien van de Afgevaardigdens tot de zaaken van de Westindische Compagnie, als mede van den Raade van Staaten, en het hoogwys advis van den Hertog van Brunswyk in te neemen.

By 't Collegie ter Admiraliteit in Zeeland werd verslag gedaan dat aldaar gereed lag het Schip van Oorlog Maartensdyk, gemonteerd met twintig Stukken onder bevel van Capitein Haringman, en dat zy het Schip de

[p. 442]origineel

Jonge Prins van Oranje Capitein Jan van Kruyne in het laatste der Maand uit de Middelandsche Zee te rug verwachtte. Hieröp werdt beslooten het voorsz. Collegie aanteschryven, ten spoedigste mogelyk Capitein Haringman naar de Berbice te doen zeilen en Suriname, des doenlyk aan te loopen, en aldaar, of anders in Berbice zelf, te verneemen naar den staat dier Colonie, de Ingezetenen zo veel mogelyk by te staan, en zo dezelve onverhoopt geheel verlaaten was, trachten met overleg van die van Suriname het oorbaarste gebruik van zyn Schip en byhebbende magt te maaken.

Doch by de overige Admiraliteiten geen Schepen van die Charter (dewyl zwaarer Schepen om de Ondieptes dier Rivier niet gebruikt konden worden) in gereedheid zynde, werd op den 20sten Juny vastgesteld dat de Admiraliteit op de Maaze zoude uitrusten een Snaauwschip van twaalf Stukken bemand met honderd Koppen; en de Admiraliteit te Amsterdam een Fregat van twintig stukken, te bemannen met honderd en vyftig Koppen, beide gevictualieert voor den tyd van tien Maanden. Ingevolge van dien, werdt by de Maaze uitgerust de Snaauw de Zephyr onder bevel van Capitein L.H. van Oyen met honderd en tien Koppen, en by Amsterdam het Fregat de Dolphyn van vier en twintig Stukken, onder Capitein Evert Bisdom.

Wyders werdt, op den 7den July, goedgevonden, tot behoud van 's Lands Bezittingen in dat Waereldsdeel, derwaards te zenden, een Regiment Voetvolk, in twee Bataillons bestaande en uitmaakende zes honderd Man, voor den tyd van achtien Maanden. Doch op voorslag van den Heere Hertog van Brunswyk werdt (om verscheide ongelegenheden te ontgaan) goed gevonden, dat getal Manschap vrywillig uit ieder Companie te lichten, met byvoeging van eenige Ingenieurs, Kanoniers en Timmerlieden; waar voor de Raad van Staaten een Eisch formeerde beloopende de Somma van ƒ706000. voor Transport, en onderhoudt van achtien Maanden; welke Militie Naarden tot hunne Verzamelplaats werdt aangeweezen. Verders werdt op voorstel van den meergenoemden Hertog bepaald, de Officieren, derwaards geschikt, met een hooger Rang te voorzien, dewelke zy na hunne te rugkomst uit die Gewesten zouden behouden

[p. 443]origineel

Het Commando over de twee Bataillons Vrywilligers, bestaande behalve de Officieren, in twee en zeventig Onder-Officieren, vier honderd en acht en zestig Gemeenen, twaalf Tambours en veertig Artilleristen: werd opgedragen aan den Colonel de Salve.

Zynde in het eerste Bataillon de Colonel de Salve. En het tweede Bataillon de Lieutenant Colonel Douglas.
Mayor de Brauw. Mayor Pusch.
Capitein Lutteke. Capitein Fourgeoud.
Capitein La Croix. Capitein Mouchy.
Capitein Blank. Capitein H. Douglas.
Capitein Syburg. Capitein Fisbach.

De Troepen zouden van Naarden naar Muyden optrekken, om van daar met Lichters naar Texel overgevoerd en vervolgens in zes Schepen, naamelyk vier Driemasten, een Fluitschip en een Snaauw, ingescheept te werden. De Instructie waar na, volgens Ordre van hun Hoog Mogende, de Colonel de Salve, en by zyne aflyvigheid de oudste Officier van het Corps, zich had te gedragen, was.

Art. I.

De Colonel de Salve zal het Commando op zich neemen over de Troepen welke op de gereed leggende Schepen in Texel staan ge-embarqueerd te worden, om vervolgens met den eersten goeden Wind die wayen zal, Zee te kiezen, en zonder, dan in tyd van nood, eenige andere plaatsen dan alleen Suriname te mogen aandoen, Zeilen naar de Berbice.

Art. II.

Alle de Schepen zullen zo veel mogelyk zich by malkander houden en geconjugeerd blyven, om in eene Vloot te zeilen; en zal hy Commanderende Officier ten dien einde voor zyn vertrek uit Texel, beraamen of doen beraamen, en aan de Commandanten der overige Schepen ter hand doen stellen de nodige rendevous en Zeinen van verkenning op diverse Plaatsen.

[p. 444]origineel

Art. III.

Doch in geval de Schepen door storm of onweer van malkander mogten geraaken, en zich niet spoedig ontdekten, zal men zig niet ophouden om naar malkander te zoeken, en te kruissen. Zo als men mede niet zal wachten indien zig onder de Schepen een traage Zeilder mogt bevinden, in welke gevallen de geconjugeerd gebleven zynde Schepen hun Cours zullen zeilen naar de Rivier van Suriname, zullende zyn de generaale Rendevous.

Art. IV.

Ten dien einde zal hy Commanderende Officier, zo veel mogelyk, spoed maken om aldaar het Eerst te arriveeren.

Art. V.

Op zyne aankomst op de hoogte van de Rivier van Suriname, zal hy door het detacheeren van een zyner Schepen of anderszins, terstond aan Gouverneur en Raaden kennis van zyn aankomst geeven, en zich informeeren op den staat in denwelken de Colonie de Berbice zo wel als de overige Coloniën van den Staat in de Westindiën zig bevinden; Hy zal aldaar advys inneemen, en met Gouverneur en Raaden als mede met den Commanderenden Officier van 's Lands Schepen van Oorlog, indien dezelven daar mogten zyn, overleggen op wat plaats en op wat wyze hy met zyne byhebbende Troepen van den meesten dienst aan de Colonie de Berbice of aan eenige andere Coloniën van den Staat zal kunnen weezen, voorts zal hy Commanderende Officier zonder daar zich op te houden en zonder die Schepen die mogten zyn agter gebleeven, langer dan acht dagen te wachten, zich terstond en direct begeeven naar de Rivier de Berbice, en als dan op Suriname agterlaaten zodanige Ordres voor de nakomende Schepen als hy nodig oordeelen zal.

Art. VI.

Te Suriname gearriveerd zynde, en zich onverhoopt daar moetende

[p. 445]origineel

ophouden, zal hy echter terstond aan de Capiteinen van 's Lands Oorlogschepen die in de Rivier van Berbice zullen leggen, als mede aan den Gouverneur van die Colonie kennis van zyn arrivement geeven, zullende aan hem Commanderenden Officier tot desselfs informatie werden gegeeven Copie van de Resolutie van hun Hoog Mogende van den 5den Augusty laastleden, vervattende de Instructie voor de Capiteinen van 's Lands Oorlogsschepen, gedestineerd naar de Berbice.

Art. VII.

In de Berbice gekomen zynde, zal hy met den Gouverneur, en met den Commanderenden Officier van 's Lands Schepen van Oorlog, overleggen, op wat wyze met de meeste aparentie van succes eenige onderneemingen tegens de Weggeloopene Slaven en Rebellen-Negers zullen kunnen worden gedaan.

Art. VIII.

Ook zal hy na ingenomen advys van Gouverneur en Raaden en met overleg van de Commandanten der Oorlogschepen, de nodige middelen beraamen en in 't werk stellen, om die Colonie tegens den aanval der Negers te verzekeren door het stellen van vaste of ambulerende Posten van gedetacheerde Troepen daar hy dienstig zal oordeelen, en om zulks te effectueeren, zal hy het noodige doen vervaardigen om de Troepen, dien hy op die Posten zal leggen te logeeren, en tegens allen overval te dekken, ook om dezelve van de vereischte subsistentie te voorzien.

Art. IX.

De Barken en Chaloupen, als mede de Negers, die hy Commanderende Officier het zy om te dienen tot de Militaire Expeditien, het zy om zyne Ordres over te brengen, mogt noodig hebben, zal hy van Gouverneur en Raaden requireeren en met overleg derzelven den prys van de huur der Barken en Slaaven reguleeren, dienende tot desselfs informatie, dat ten tyde van de Expeditie tegens de Weglopers in Suriname, voor ieder Slaaf is betaald twaalf stuyvers.

[p. 446]origineel

Art. X.

Indien de noodzaakelykheid het mogt vereisschen dat de operatien aan meer dan eenen kant moeten worden begonnen, zo zal het hem Commanderenden Officier vrystaan een of meerder Schepen of Manschap te mogen agterlaaten te Suriname, of te detacheeren naar Essequebo, Demerary, of Elders daar de noodzaakelykheid het zoude mogen vereisschen, en daar hy zal oordeelen dat dezelven van de meeste dienst zullen kunnen weezen.

Art. XI.

Wyders zal hy Commanderenden Officier, zo veel de toestand der zaake in de Colonie het zal permitteren, de Troepen terstond debarqueeren, en zich een Etablissement op de geleegenste Plaats formeeren. De Lootsen, die zo tot Logement als tot berging van de Vivres en Ammunitien zyn mede gegeeven, doen oprichten, alle de Goederen doen uitlaaden van de Schepen die hy oordeelt niet nodig te hebben, en dezelven vervolgens afdanken. Zullende aan hem Commanderenden Officier, ten dien einde, werden mede gegeeven Copiën van de Chertepartyen, met de Reders der Schepen gemaakt.

Art. XII.

Zo als ook aan hem Commanderenden Officier zullen werden ter hand gesteld de Lysten der Vivres en Ammunitien, en der overige Goederen, welke met deze Schepen worden mede gegeven, met Last om dezelve te stellen onder administratie van Commissarissen, by hem Commanderenden Officier zelfs uit het Corps der Officieren welke hy daar toe het bekwaamst zal oordeelen, te verkiezen, zullende aan dezelve eenige Onder-Officieren tot assistentie kunnen werden toegestaan, welke Officieren en Onder-Officieren gehouden zullen zyn van hunne administratie behoorlyke reekening en verandwoording te doen.

[p. 447]origineel

Art. XIII.

Alle betaalingen door hem Commanderenden Officier te doen, zullen kunnen geschieden in Wisselbrieven op de Solliciteurs Heeneman en de Vriend in s' Gravenhage, op welke hy ook per Wissel zal kunnen trekken de Penningen die hy zal noodig hebben, tot subsistentie van zyn onderhebbende Troepen, en tot andere zaaken en casueele onkosten, die men niet heeft kunnen bezorgen of voorzien, als het geeven van belooning tot encouragement en diergelyke, zullende van die Wissels te gelyk advys moeten werden gegeeven en aan ons kennis, tot welke eindens de Penningen zullen zyn ge-employeerd, wanneer op de prompte voldoening van die Wissels ordre zal werden gesteld.

Art. XIV.

Zo ras hy Commanderenden Officier van den toestand der Colonie grondig zal onderrecht weezen, zal hy by de eerste occasie daar van aan ons rapport doen, en indien hy mogt bevinden dat het getal der Troepen, die hy by zich heeft, niet toereikende is om de Negers of weggeloopene Slaaven tot hun pligt te brengen, en de Coloniën tegens derzelver invasien te verzeekeren, zal hy aanstonds daar van aan ons kennis hebben te geeven en ter zelver tyd requisitie doen van al het geen tot dat einde zo in Manschap als anderszins zou oordeelen nodig te hebben.

Art. XV.

Zo als hy ook te gelyk rapport zal doen van den staat der Forten, die de Colonie tegens Vreemde of Binnenlandsche invasien zouden moeten dekken, daar by voegende desselfs Consideratien of die Forten welke daar reeds zyn, zouden kunnen verbeterd werden, en of die met de noodige Artillery zyn voorzien, en of 'er ook nieuwe zouden moeten gemaakt werden en wat Artillery en Ammunitie dan tot dezelven zoude werden gerequireert.

Art. XVI.

De Commandeerende Officier zal zo veel doenlyk, met ieder Occasie

[p. 448]origineel

van het vertrek van Schepen uyt de Berbice of nabuurige Colonien herwaards kennis geeven van den Staat der Zaaken in de Colonie, en zorg dragen dat de orders die over Suriname aan hem geaddresseerd zoude mogen werden, hem aanstonds werden toegezonden.

Art. XVII.

De Commandeerende Officier zal zo veel mogelyk, vermyden en door zyne onderhoorige Officieren doen vermyden alle questien met de Gouverneurs en Raaden, en met de Officieren van de Schepen van Oorlog. Hy zal alle Zaaken in een vriendelyk concert met dezelven ten besten schikken en helpen overleggen, en van zyn kant zorge dragen dat het geen aan de Land Militie werd gedemandeerd, met alle promptitude en exactitude mogelyk, volgens de gemaakten Concerten, geëxecuteerd werde.

Art. XVIII.

Omtrent het Ceremonieel tusschen de Land en Zee Officieren zal met alle civiliteit moeten werden gehandeld, zonder dat het zelve zal strekken tot eenige Consequentie.

Art. XIX.

Eenige plaatsen van Officieren, geduurende zyn verblyf aldaar komende te vaceren, zal hy, die wederom met andere bekwaame subjecten mogen vervullen onder onzer approbatie.

Art. XX.

Eindelyk zal hy alles in 't werk stellen het geen tot beveiliging van de rust in de Colonien bevonden zal werden te behooren, en aldaar verblyven tot nader ordre.

 

Gegeeven in s' Gravenhage den eersten October 1763.

 

Ondertusschen was den Capitein Haringman op den 23sten July van Vlissingen in Zee geloopen, en werden op den 5den Augustus de Schepen

[p. 449]origineel

van de Maaze en Amsterdam gelast ten spoedigste te vertrekken, zonder naar malkander of de Land Militie te wachten, met ordre om buiten nood nergens dan te Suriname in te loopen: het voornaamste van hunnen Lastbrief behelsde: om de Colonie de Berbice te ondersteunen, en andere Coloniën, in diergelyk geval zynde, alle mogelyke hulpe te bewyzen: waarop de Capitein Bisdom den 15den Augusty in Zee stak en Capitein van Oyen hem schielyk volgde.

Vervolgens kwamen de Hulptroepen, onder Commando van den Mayor Pusch, tot Naarden byëen welke naar Muyden optoogen en met de Lichters afsteekende den 22sten October op de Rede van Texel kwamen, alwaarze op de voorsz. zes Schepen werden verdeeld. De Snaauw, op welke de Colonel de Salve zich bevond, voerde den Wimpel van boven.

Dit Esquadertje stak den 6den November in Zee, en vervorderde zyn Reis. Maar op den 14den December raakte het Schip de George Hendrik onder Capitein Visser, op 't welk de Mayor Pusch met drie Compagnien was, van de Vloot af; de overige Schepen kwamen den 19den derzelver Maand des avonds ten Anker voor de Rivier van Suriname, welke zy daags daar aan opzeilden wordende ter zelver tyd van het vermiste Schip gevolgd. Den 26sten weder Anker lichtende, zeilden zy de Rivier af streek zettende naar de Berbice. Directeuren van de Colonie de Berbice hadden op het einde van den Jare 1762 reeds een versterking van eenige Soldaaten derwaards gezonden, maar het Schip dat hen zoude overvoeren door de opgekomene vorst in zyn Vertrek verhinderd zynde, liep niet voor in April in Zee. Hun Edele lieten voorts, zo dra de tyding van den Opstand der Slaaven hier te Lande bekend werd, met allen mogelyken spoed een tweede Versterking in gereedheid brengen, bestaande in drie en vyftig Man voorzien met behoorlyke Krygs en Mond-Behoeften, waar mede de Koopvaardyschepen, derwaards bestemd, vervolgens vertrokken.

Doch het word tyd dat wy ons wederom begeeven naar de Berbice, alwaar de Gouverneur vervolgens vernam, dat de Muiters op de Vigilantie, rondom het Woonhuis en de Negery, een Borstweering gegraven, en daar achter eenige Schildwagten geplaatst hadden. Ook ontfing hy tyding van den Gouverneur van Essequebo, dat de gehoopte Versterking uit het Vaderland voor de Berbice alle ogenblikken verwagt werd.

[p. 450]origineel

Uit de Corentyn kwamen den 19den October op de Dageraat eenige Indiaanen met zekeren Mulatte Jongeling Paulus genaamd, den Zoon van eenen Lammert Lammertsen voorheen Posthouder in Abary; welke sedert den Opstand by en omtrent het Fort zich had opgehouden, maar korten tyd geleden naar de Corentyn gevlucht was. De gemelde Jongeling verhaalde wegens de Muiters onder anderen, dat het Opperhoofd Coffy, die hy als Jongen gediend had; zich zelfs had van kant geholpen, en dat de Neger Accara, die den naam van Capitein voerde, thans als Slaaf arbeiden moest, dat een Jonge Neger Atta genaamd, van de Plantagie van Mevrouw Boulé, zich als hun Opperhoofd had opgeworpen, en verders dat twee van de Corentynsche Overloopers over hun bedryf veel berouw hebbende, by de eerste gelegenheid zich van onder de Negers en naar den Gouverneur begeeven wilden met het grootste gedeelte der Slaaven van de Hoofdplantagie, welke Slaaven, volgens zyn zeggen, den Blanken altoos welgezind bleeven, maar door de Muiters naaukeurig bewaakt werden, inzonderheid sedert de ontvluchting van de twee en twintig Slaaven (door ons te voren verhaald) waarom zy aan weerskanten van de Rivier gestaadig goede wagt lieten houden, waar door de ontkoming langs die zyde byna onmogelyk was.

Onze Verspieders, welken de Neger Frederik gewoonlyk verzelde; tot by Abary en de Plantagie de Vigilantie geweest zynde, vernamen weinig beweeging onder de Muiters, maar voornoemde Neger Frederik had de groote Pont voor de Vigilantie liggende weeten stil los te maaken, met welken hy aan de Dageraat te rug kwam: op de Dageraat overleed, na een langduurige Ziekte, de Raad C.C. Schermeister.

Vervolgens ontving de Gouverneur op den 28sten October een Brief van den Capitein Haringman, meldende de aangenaame Tyding dat hy met zyn onderhebbend Schip van Oorlog St. Maartensdyk voor de Mond van de Rivier de Berbice was aangekomen, verzoekende een bekwaam Vaartuig om het Geschut over te neemen ten einde het Schip te lichten, en met het eerste Springty binnen te loopen. Waaröp de groote Lastdrager terstond werd afgezonden, met een Brief van den Gouverneur in antwoord; terwyl de Raaden van Dalen en Abbensets nevens den Secretaris zich aan

[p. 451]origineel

boord van dat Schip begaven, om zyn Edele te verwelkomen, en tevens te berichten, dat de onzen alleen in bezitting hadden (buiten de Plantagiën de Dageraat en de Herstelling) de benedenste Plantagie aan de Rivier Canje, toebehorende den Heer Crombie; verders van de slechte toestand der onzen, zo wegens ziekte en sterfte, als wegen de overmagt der Rebellen. Ook werd de Capitein Lieutenant Smit naar beneeden gezonden om den Capitein Haringman te verzoeken met het Oorlogschip op te komen tot voor de Dageraat.

Midlerwyl ontdekte men dat de Savaanen achter de Dageraat door de Muiters in brand gestooken waren, vermoedelyk om zich naar die Plantagie een weg te baanen. Ook hadden zy een Pont met eenige trouwe Slaaven, (die om Water te haalen afgezonden was) voor den Post St. Andries opgeligt; als mede eenige Burgers welke zich met hunne Familien in het Bosch, beneeden de Rivier Canje, in opgeslaage Hutten onthielden, genoodzaakt met achterlaating hunner Goederen, naar den voornoemden Post de wyk te neemen. Voorts hadden zy de Plantagie van den Heer Crombie in Assche gelegd, terwyl een andere Bende van hen op Aurora de Kost uit de Tuinen roofde. 't Welk by de Indiaanen van den Gouverneur zo veel vreeze baarde, dat zyn Edele geen een van hen konde beweegen, niettegenstaande zyne aanbieding om hen wel te zullen beloonen: om zich over Land door de Bosschen naar de Hoofdplantagie te begeeven, ter onderzoek of de Slaaven aldaar, zo als was voorgewend, getrouw bleeven, als mede de gelegenheid der Negers in die nabuurschap op te neemen. Vervolgens kwam de Lieutenant Pruys met veertig Man nevens een Vrywilligen Baron Kinkel genaamd, door Capitein Haringman afgezonden, den 3den November op de Dageraat aan; wordende kort daar op gevolgd door de beide Raaden van Dalen en Abbensets, die aan den Gouverneur verslag van hunne Commissie gaven en tevens berichtten, dat Capitein Haringman met zyn Schip van Oorlog dien zelfden dag voor den Post St. Andries was ten Anker gekomen, maar zwaarigheid maakte hooger op te loopen, vreezende voor de woedende Ziekte op de Dageraat, en dieshalve den Gouverneur verzocht by hem aan boort te komen; welke zich daarop ten eersten derwaards begaf, en het bevel voor dien tyd aan

[p. 452]origineel

den Capitein Lieutenant Smit overliet: aan voornoemde boort gekomen zynde betuigde hy zyne blydschap over de behoudene aankomst van den Capitein Haringman met zyn Schip; en gaf verder den slegten staat der Colonie te kennen; waaröp Capitein Haringman, na zynen Lastbrief vertoont te hebben, voorstelde of het niet het raadzaamste zyn zoude om, zonder uitstel, een onderneeming op de Rebellen-Negers te doen. De Gouverneur van oordeel zynde dat men in Berbice niets behoorde te onderneemen ten zy de Zaaken met allen ernst konden doorgezet worden, en daar toe noodwendig een grooter magt vereischt werd, gaf diesvolgens in bedenking of het niet best was dat men alvoorens trachten zoude zich meester van Canje te maaken, want, zulks gelukkende, dat als dan niet alleen de Corentyn daar door gedekt en de toegang derwaard open gemaakt, maar ook de Wegen na het Fort Nassau tot meerder gemak van de Hoofdonderneeming, zouden beveiligd worden. Deeze voorslag werdt na rype overweeging eenpaarig goedgekeurd, en voorts beslooten, ter uitvoeringe van dien, de noodige middelen ten spoedigste in het werk te stellen.

Waarna de Gouverneur, verzeld van Capitien Haringman, naar de Dageraat te rug trok, en vervolgens een Krygsraad deed beleggen van alle de zich daar bevindende Officieren, om hunne gedachten nopende de beraamde onderneeming op Canje te hooren, hen tevens in beraad geevende of mcn op den Vyand in de Berbice iets zouden kunnen aanvangen dat eenen beteren uitslag beloofde. Maar zy verklaarden van het eerste gevoelen te zyn, en dat men, na tydsgesteltenissen, niet wel anders konde doen dan met Canje te beginnen.

Ingevolge het gemaakte Plan, werden tot de onderneeming geschikt de gewapende twee Mast Schoener (welke onder Capitein Salvolani voor de Plantagie Wyburg in Canje reeds geposteerd lag) en de Colonie Bark de Hoop gemonteerd met twaalf Stukken, daar honderd en tachtig Koppen op zouden geplaatst werden, om daar mede de Rivier Canje op te vaaren, de afgeloopene Plantagiën te heroveren, vervolgens een sterk Commando te doen optrekken van de Plantagie Don Carlos (achter Magdaleenenburg en Olleron gelegen) na Stevensburg, zynde op een na de bovenste Plan-

[p. 453]origineel

tagie aan die Rivier, om van achteren dezelve aan te vallen, terwyl de Barken van den Rivierkant die Plantagie (waar op men onderstelde dat de meeste magt der Rebellen, die op Canje huishielden, gevonden zoude worden, om dat van deeze Plantagie een Weg naar 't Fort Nassau liep, en dezelve maar drie Uuren gaans daar van daan lag, en dus een vrye gemeenschap had met de Rebellen in Berbice) zouden aantasten, en hen dus tusschen twee Vuuren besluiten; dit verricht zynde, als dan een sterk Commando op die Plantagie te doen Posthouden, om de Muitelingen te beletten naar de Rivier Corentyn te vluchten, als men hen langs de Rivier de Berbice zoude aanvallen, en om hen ook te verhinderen zich van kost te voorzien op de Plantagiën aan Canje, die daar in Overvloed was. Tot deeze Onderneeming gaf de Colonie drie Officieren, vyf Sergeanten, twee Corporaals, één Chirurgyn en zeventig Gemeenen; en 's Lands Fregat St. Maartensdyk twee Officieren, één Sergeant en drie en negentig Gemeenen, terwyl nog negen Man van het voornoemde Fregat op de Dageraat zouden blyven om aldaar het Geschut te bedienen: voorts werden de twee St. Eustaciaansche Barken voor de Dageraat tot dekking geplaatst, één van welke, de zeven Provincien genaamd, ordre had om den 13den November (op welken tyd de Gouverneur staat maakte in Canje te zyn) de Rivier op te loopen voorby de Vigilantie tot dichte aan de Hoofdplantagie, om de Muiters te beletten naar de Dageraat af te komen, met bygevoegd bevel tegens dezelve geen Vyandlykheden te beginnen, ten zy, zy eerst door hen werden aangetast: de by Abary- en Jakkada-Kreeken Posthoudende Indiaanen werden de noodige onderrichting gegeeven waar naar ze zich te gedragen hadden. Voorts liet men tot bezetting op de Dageraat een Officier met vier en dertig Gemeenen nevens zes Burgers, welke met de voorsz. negen Geschut bediendens te samen een getal van vyftig Man uitmaakten: en de Capitein Lieutenant Smit werdt benoemd om ad Interim het Bewind aldaar waar te neemen.

Alles op de Dageraat beschikt zynde, voer de Gouverneur (die het oppergezag over deeze onderneeming had) benevens Capitein Haringman op den 8sten November naar beneden, gelyk de Bark de Hoop ook tot voor de Post St. Andries afzakte. Hier werdt het Geschut overgezet.

[p. 454]origineel

Twee dagen daar na arriveerden zy aan Boord van dat Vaartuig, lichten, na alvoorens van dien aanslag aan de Gouverneurs van Suriname en Essequebo kennis te hebben gegeeven, het Anker en zeilden de Rivier Canje in, alwaar zy verder werden geboegseerd, terwyl de andere Bark de Demerary Pacquet onder Capitein Salvolani zich by hen voegde. Tot by de Kreeken van de Peereboom en de Johanna genaderd, ontdekte men, wat verder op, aan eene kleine Waterplaats, eenige Bladeren Hutten, welke, zo het scheen, voor Wagthuizen van de Rebellen gediend hadden: voorts by de Kreek van Westsouburg, mede een Spoor van Negers, nevens eenige fraaie schep Cano's die men medenam. Van daar tot boven de tweede Kreek van Westsouburg en die van Vlissingen werd niets bespeurd, maar voor de Gouverneurs-Kreek (welke zeer Vischryk zynde, de gewoonlyke Vischplaatse der Rebellen was) vernam men eenige Negers in 't Bosch: de Spions daarop uitgezonden, berichtten weder aan boord komende, drie Corjaaren, en verscheidene Negers, die daar lagen te slaapen, gezien te hebben: waarop een Commando van dertig Man in kleine Vaartuigen derwaards vertrok, maar kwam spoedig te rug, alzo de Negers op hunne aannadering de vlucht namen, medebrengende vier kleine Corjaars benevens een menigte gezouten Visch en andere Levensmiddelen, die ze daar gevonden had.

Voorby de Kreek van Cabiary ontdekte men weder een versch Spoor; als mede eenige Negers die over Land naar Frederiksburg de wyk namen. Voor deeze Plantagie zag een Schildwagt, uit den Top van den Mast, dat daar in de Tuinen een party gewapende Negers liepen; welke de onzen op hen ziende naderen, Boschwaards in vluchten.

Vervolgens de Barken den 13den November voor Don Carlos ten Anker komende, werdt aanstonds de noodige toestel gemaakt om op deeze Plantagie eene Landing te doen met een Commando van honderd Man; welk daarop onder de Lieutenant Thielen, twee Officieren en één Vrywillige aan Land gezet werd. Zy hadden ordre om van deeze Plantagie te trekken door het Bosch achter Magdalenenburg en Olleron, en dan verder naar Stevensburg, om van achteren langs den Weg die naar het geweezene Fort Nassau liep, de Rebellen die men daar dacht te vinden, aantetasten, terwyl de Barken zich ter zelver tyd

[p. 455]origineel

ook daar zouden laaten vinden, om hen van den Rivierkant te beschieten: maar zy moesten hunnen marsch niet eer aanneemen, voor dat de gemelde Barken hen door twee Kanon schooten gewaarschouwd zouden hebben, tot een teken dat zy de Rivier open gevonden hadden, of anders, om de Negers door het geluid van het Kanon niet wakker te maaken, zou hen een schriftelyke last toegezonden worden.

De Gouverneur en Capitein Haringman op de Plantagie alles bezigtigd, en de Posten verdeeld hebbende, vertrokken met de Barken verder de Rivier op voorby de Postkreek en de verbrande Plantagiën, Guitarrenburg, Catharinenburg, la Patience, Petite Bretagne, en de Gennes; by welke laatste zy de Rivier niet gestopt vonden, zo als bericht was. (Men zag op geen van die Plantagiën een Neger te voorschyn komen, maar onderwegen eenige Houtvlotjes, daar de Wegloopers, by mangel van Vaartuigen, zich van bediend hadden om de Rivier over en weder te vaaren; welke mede genomen werden.) Waarop terstond order gezonden werd, aan het Commando op Don Carlos, om ten spoedigste op te komen, terwyl de Barken verder opvoeren tot voor de Plantagie Magdaleenenburg, alwaar men meende dat zich zekerlyk Rebellen zouden onthouden, in welk geval men voorneemens was hen van den Rivierkant in 't naauw te brengen, of zo zy mogten de vlucht neemen, hen in handen van het Detachement, dat te Land achter die Plantagie om marcheeren moest, te doen vallen, of wel te noodzaaken naar Stevensburg (als zynde geen andere weg voor hen naar 't Fort open) zich te begeeven, wanneer men hen 'er ongetwyfeld in de Fuyk zoude hebben gekreegen zo dra het voornoemde Commando daar aankwam. Doch 'er werden geen Negers vernoomen. De Wooning en verdere Gebouwen zo op deeze als op de bovengenoemde Plantagiën vondt men ten eenemaal verbrand en verwoest. Vervolgens voor Olleron naderende, zag men daar de Gebouwen nog in volle Vlam staan, en aan een Stelling drie Klokken hangen, vermoedelyk om Sein te doen voor de Negers op Stevensburg, die nier ver van deeze af lag. Men zag nog verder op een zwaaren brand opgaan; welke Stevensburg, ja zelfs Horstenburg (zynde de bovenste Plantagie aan deeze Rivier) scheen te gelden. Zo dat men duidelyk bespeurde dat de Rebellen geen

[p. 456]origineel

stand hielden, maar aan het vluchten waren; waarom alle mogelyke spoed in het opvaaren werdt gemaakt, om gelyktydig of een weinig laater als het Commando ter bestemder plaatse te komen; en de Muiters van weêrskanten te benaauwen.

Op den 14den November kwamen de Barken voor Stevensburg ten Anker, alwaar verscheidene Gebouwen nog in volle Vlam stonden. Het Commando was een ogenblik eerder op de Plantagie gearriveerd: de Lieutenant Thielen kwam terstond aan boord en verhaalde, dat zy op hun Marsch, een Uur of drie quartiers van Olleron, naar den kant van het Fort Nassau, vier of vyf Voorposten der Rebellen hadden ontdekt, welke hen toeriepen, wie is daar, waar op zy hunnen tred verdubbeld hadden, om hen, waar het mogelyk, te achterhaalen; doch te vergeefs: hebbende hen zelfs met het Schietgeweer niet konnen bereiken. Dat toen zy vervolgens naar Stevensburg waren voortgerukt, de Rebellen (die hen nu gewaar geworden waren) Olleron in de brand hadden gestooken, en daar na Stevensburg en Horstenburg; zonder dat het hen mogelyk was geweest dit te beletten, echter, door hunne verhaaste marsch, nog tydig op Stevensburg komende, door de wakkerheid van onze Matroozen den Brand, die reeds in het Woonhuis en eenige Pakhuizen geslagen was, nog gelukkig gebluscht hadden, niet zonder dat het gevaar liep van mede door de Vlam verteerd te werden. Dat mede door de onmaatige Hitte veelen van het Volk in flaauwte waren gevallen, en Een onderwegen daar aan gestorven was, dat zy aldaar gekomen verscheide Rondes hadden uitgezonden; doch niets ontdekt.

Hierop kreeg de Bark van Capitein Salvolani bevel de Rivier optevaaren naar de bovenste Plantagie Horstenburg, om te zien hoe het daar gesteld was, terwyl de Gouverneur met Capitein Haringman aan Land ging, om Stevensburg te bezigtigen en aldaar op alles de noodige ordre te stellen. Vervolgens werdt op deeze Plantagie, ingevolge het bevorens gemaakte Plan, een Commando van honderd en zes Man geplaatst, dat 'er zoude blyven Posthouden tot nader ordre, voorzien van de vereischte Krygs- en Mond-Behoeften. Dit Commando bestond in acht en veertig Gemeenen, een Officier en een Sergeant van St. Maartensdyk, en de overige in drie Officie-

[p. 457]origineel

ren, vier Sergeanten, een Chirurgyn en drie en veertig Gemeenen uit de troepen van Suriname en Berbice, waar by nog vyf Burgers gevoegd werden; allen onder het gezag van den oudsten Lieutenant Thielen.

Ondertusschen werden door een der kleine Vaartuigen twee Negers opgebragt, die zich vrywillig hadden overgegeven, zynde dezelfde welke met de Waterpont door de Rebellen voor St. Andries waren opgelicht geworden. Ondervraagt werdende zeiden zy weinig te weeten van de huishouding en voorneemens der Rebellen, vermids zy door hen niet vertrouwd waren, echter dat zy verstaan hadden dat zy kort voor de komst der onzen aldaar reeds kondschap van dit opvaaren hadden gekreegen door de gevluchte Negers uit de Gouverneurs-Kreek; dat zy toen sterk in overweeging hadden genomen of zy de onzen het hoofd zouden bieden of niet; dat zy evenwel naderhand al hun Reistuig met hunne Vrouwen en Kinderen afgezonden hadden naar den kant van het Fort Nassau, en dat zy even voor de aankomst der onzen insgelyks de vlucht genomen hadden naar de Plantagie Hollandia en Zelandia aan de Rivier de Berbice. Men vernam daar na dat 'er omtrent duizend zo Negers als Negerinnen en Kinderen langs de Rivier Canje gehuisvest waren geweest.

Capitein Salvolani met de Bark te rug komende berichtte dat op Horstenburg alles in Assche lag, en dat hy daar een Vrouwspersoon met een kind, half verbrand, had vinden liggen, en een Neger Jongen gevangen dien hy mede bragt nevens acht kleine Corjaaren; verders dat hy nog verscheidene groote Vaartuigen waar onder een kloek Jagt in de Kreek achter die Plantagie had gevonden, welke alle door de Rebellen afgebrand en vernield waren. De Heer Haringman liet op voornoemde Bark vyf Matroosen overgaan, wyl de Manschap die daar op was genoegsaam was uitgestorven.

Verders alles besteld en geordonneerd zynde, vertrok de Gouverneur en Capitein Haringman met de Bark de Hoop weder naar Beneeden, blyvende de Bark van Capitein Salvolani daar Post houden om het Commando, des noods, te dekken en tot een wykplaats te verstrekken. Zy kwamen, (zonder onderwegen verder iets gewaar te werden dan hier en daar in de Bosschen een enkelden zwervenden Neger, en voor Charlottenburg een klein Vuur) weder voor den Post St. Andries, alwaar Capitein Haring-

[p. 458]origineel

man zich aan boord van deszelfs Schip St. Maartensdyk begaf, en de Gouverneur aan Land stapte die vervolgens in een Vergadering aan de twee Raaden, welke zich daar bevonden, verslag deed van de onderneeming. Schoon nu dezelve aan den eenen kant niet volkomen beantwoord had aan het oogmerk dat men zich in deezen had voorgesteld, naamelyk om de Rebellen, die zich in Canje onthielden, uit te roeyen of gevangen te neemen, waren aan den anderen kant, echter, de eindens bereikt waar toe dezelve was geschied, te weeten, om de gemeenschap met Suriname open te krygen, de Plantagiën langs deeze Rivier van de Rebellen te zuiveren en te hernemen, dat gelukt was vermids, op de aankomst der onzen, zy dezelve allen verlieten en de Vlugt hooger opnamen.

Ten anderen, om een Commando te leggen op de Plantagie Stevensburg, ten einde te beletten, dat als de Rebellen aan den kant van de Rivier de Berbice aangetast werden, dezelve de Vlugt niet zouden kunnen neemen uit de Colonie naar de Rivier de Corentyn toe; wyl langs deeze Plantagie de eenigste toegankelyke weg naar die plaats liep.

Ten derden om door dat Commando, dat tevens ordre had om de naby gelegene Plantagiën te bewaaken, te beletten, dat zich de Rebellen niet meer van kost zouden voorzien, nademaal de langs deeze Rivier liggende Plantagiën daar van overvloed uitleverden.

En eindelyk om het Waterhaalen, zo voor het Oorlogschip als de Post St. Andries, vry en onbelemmert te houden.

De Gouverneur zich van den Post St. Andries naar de Dageraat spoedende kwam aldaar op den 19den November aan, en vond de Bezetting in een beklaaglyken toestand, zynde intusschen verscheidene van dezelve overleeden en de overige meestendeels ziek in 't Hospitaal liggende, hy vernam tevens ook dat alle de Gebouwen op de Vigilantie door de Rebellen verbrand waren.

Kort naderhand bragt de Capitein van de Bark de zeven Provincien (die dicht by de Vigilantie nog Post hield) een van de Corentynsche Overloopers gevangen, welke hy in een kleine Corjaar beneden deeze Plantagie verrast had; zynde den Chirurgyn Joan Carel Mangemeister: deeze verhaalde veel byzonderheden van de huishouding der Rebellen, als

[p. 459]origineel

onder anderen dat zy de meeste Huizen aan het Fort Nassau, en ook de Wooningen op de Hoofdplantagie en de Vigilantie in assche hadden gelegd, en dat zy voorgenoomen hadden alles verder door den brand te vernielen; dat zy zich naar de Peereboom zouden begeeven om de Blanken, zo die hen daar mogten komen op te zoeken, het hoofd te bieden; dat de Delmina-Slaaven den meester speelden, en dat deeze de Angola-Slaaven of meest vermoord of in de Bosschen verjaagd hadden, en de Creoolen dwongen om hun ten dienste te staan; dat zy al eenigen tyd lang in beraad hadden gestaan, om de Berbice te verlaaten, en door Canje naar de Corentyn en voorts na Copanama of Sarameca te trekken, om zich daar neêr te zetten, maar dat dit voorneemen telkens was verydeld door misverstand en tweedragt die onder hunne Hoofden heerschten.

Hy werd naar voornoemde Bark weder te rug gevoerd en daar in naauwe bewaaring gehouden, en den Capitein Marchant, die in de Corentyn geposteerd lag, aangekondigd, dat hy de Post achter de Kreek van Wikky zoude hebben te versterken met zo veel Indiaanen als 'er byëen te brengen waren, om de Rebellen te verhinderen door die Kreek naar de Corentyn en elders de wyk te neemen als men hen langs de Berbice zoude aantasten.

Vervolgens melde Capitein Haringman dat op den 22sten November twee Driemast Schepen de Rivier waren voorby gezeild, vermoedelyk naar Essequebo of Demerary bestemd; 't welk hoope gaf dat die van Demerary eerlang in staat zouden zyn om de Rivier de Berbice, bovenwaards by de Acquewynen, met een Detachement te bezetten ten einde de Rebellen aan dien kant mede te kunnen insluiten, gelyk dat altoos een voornaame zorg van den Gouverneur is geweest, om wanneer in 't vervolg iets met ge. wenschten uitslag tegens de Rebellen zoude ondernomen werden, vooral d'Insluiting van Boven moest werden voorzien, ten einde aan hen de uitkomst uit de Colonie te beletten, waar aan het behoud der Colonie wel meest afhing: want dit wel waargenomen zynde, zouden de Rebellen op 't Lyfgevallen werdende of om hals gebragt, of genoodzaakt werden zich gevangen over te geeven.

Ook berichtte de Lieutenant Thielen dat het in Canje vry zuiver bleef, en dat zyne Indiaanen hadden opgebragt twee oude Roode Slavinnen en

[p. 460]origineel

twee Negers die zich Vrywillig op Olleron en Petite Bretagne kwamen overgeeven; voorts dat hy tot meerder beveiliging, vermids onder zyn Volk reeds vyftien Man waren Ziek geworden, op Stevensburg een beknopte Verschanssing rondom de Wooningen had doen opwerpen.

Ondertusschen had de Neger Frederik ontdekt dat een menigte Negers zich op de Hoofdplantagie onthielden, en tevens ook door 't Savaan, dat naar het Fort Nassau liep, heele Hoopen van hen te voet en te paart zien marcheeren. De Mulat Klaas Broer kwam mede den Gouverneur kennis geeven dat zyne onderhebbende Indiaanen bespeurd hadden dat twaalf Negers met Schietgeweer en Houwers voorzien, aan den overkant der Rivier den weg naar de Dageraat opgaande, by den Nieuwen aanleg van Harkenroth geland waren en denkelyk by de Brandwagt zouden te vinden zyn. Waaröp terstond een Sergeant met twaalf Man derwaards werd afgezonden, benevens acht wel gewapende Indiaanen om hen op 't Spoor na te zetten; doch zy kwamen onverrichter Zaake te rugge: wyl de Negers hen gewaar wordende, zich op de vlucht begaven, zonder dat ze konden achterhaald werden.

Vervolgens ontving de Gouverneur een Brief van den Gouverneur s'Gravenzande, behelzende, dat te Essequebo waren binnen geloopen twee Scheepen uit Zeeland (dezelfde die men voorby de Rivier de Berbice had zien zeilen), welke zeventig Soldaaten hadden aangebragt; dat zyn Edele zich nu in staat oordeelde, om met deeze versterking de Rivier van Demerary voor een Inval der Rebellen te dekken, doch dat zyne Krygsmagt, niettegenstaande de gemelde onderstand, nog te zwak was of niet toereikende genoeg om daar van een Commando naar den Acquewynschen Post of naar de Savonette te kunnen afzenden, zonder Demerary daar door in gevaar te stellen; verders verhalende dat Boven in Berbice een gevegt was voorgevallen tusschen zeventig Berbiciaansche Indiaanen en eenige Negers die zich op de Plantagie van den Heer Perrotet ophielden; dat de Indiaanen vyf van die Negers hadden gedood, en de overige op de vlucht gedreeven naar de Plantagie de Debora; dat daaröp de Negers zo van Savonette, als die van Koncler, en van de Velde tot hulpe van de gevluchtenen op Debora waren toegeschooten en zy t'zamen het Woonhuis op dee-

[p. 461]origineel

ze Plantagie, dat met Planken was toegemaakt en met Schietgaten voorzien, in bezitting hadden genomen, maar dat de voornoemde Indiaanen zo dra zy 'er de lucht van weg hadden, andermaal op de Negers aldaar verwoedelyk waren aangevallen, en, ziende dat zy zich van het Huis niet konden meester maaken, het zelve in den brand hadden gestooken, en dat de Negers, die 'er niet wilden of durfden uitkomen, daar by allen waren omgekomen, behalve twee Arrowakke Indiannen, die uit de Vensters waren gesprongen, doch op 't zelfde oogenblik werden doodgeslagen, om dat ze by de Rebellen voor Bespieders gediend hadden; na welke stoute daad de overwinnende Indiaanen weder naar Essequebo waren te rug getrokken, mede brengende vier Neger-Kinderen, waar van twee aan de Plantagie Debora en twee aan die van Koncler behoorden.

Hier op volgde de zeer aangenaame Tyding dat op 't laaste van November, kort achter malkander, waren in de Rivier van Berbice binnen gekomen drie Koopvaardyschepen onder de Schippers van Dakam, Kraay en Kamp, ophebbende negentig Soldaaten, door de Edele Heeren Directeuren van de Colonie de Berbice gezonden; welke op den 3den en 5den December gevolgd werden van 's Lands Fregat de Dolphyn Capitein E. Bisdom met honderd en vyftig Man en twee en twintig Stukken, en 's Lands Snaauw de Zephier Capitein van Oyen met honderd en tien Man en twaalf Stukken. Met deeze Schepen kreeg men bericht, dat een Corps Troepen sterk zes hondert Man onder het bevel van den Colonel de Salve, door hun Hoog Mogende naar deeze Colonie zouden werden afgezonden, en dat dit Corps zich by Naarden verzamelde. De gemelde negentig Soldaaten, werden op ordre van den Gouverneur ten eersten vooruit gezonden, en op de Dageraat geinkwartierd.

De zaaken begonnen nu, door de aankomste van de voornoemde Schepen, een zeer gunstigen keer te neemen. De Gouverneur zag zich thans in staat gesteld, om de Hoofdonderneeming op de Rebellen, langs de Rivier de Berbice, ter uitvoer te brengen, en bevlytigde zich om alles dat tot dien aanslag vereischt werd, ten spoedigsten werkstellig te maaken. Hy maakte, tot dat einde, een Ontwerp met den Capitein Haringman (die inmiddels op de Dageraat was gekomen), hoofdzaakelyk hier in bestaan-

[p. 462]origineel

de: om eenige dagen voor dat men de Rivier zoude opvaaren en de onderneeming beginnen, een Officier met een Commando van zeventig Man, te Water, naar Demerary af te zenden, waarby, door den Gouverneur van Essequebo, den Heer 's Gravezande (met wien de Gouverneur Hogenheim in alle hachelyke omstandigheden geduurende den Opstand altoos heeft geraadpleegd gehad), nog zoude gevoegd worden een Engelsch Capitein met dertig Vrywilligers; welke zich met malkanderen moesten vereenigen op de bovenste Plantagie van de Rivier Demerary, en vervolgens van daar marcheeren naar de Plantagie de Savonette die boven aan de Rivier de Berbice ligt, om daar gekomen zynde, de Rebellen die 'er zich mogten bevinden op 't onverwachtste te overvallen en te verslaan, of gevangen te neemen, en dan aldaar Posthouden tot nadere order.

De Post op de Plantagie Stevensburg aan de Rivier Canje zou met vyftig Man bezet blyven, om (zo als meermaalen gezegd is) hen de vlucht na de Corentyn te verhinderen, en om de gemeenschap van daar met het geweezene Fort Nassau, zo dra de Rebellen genoodzaakt zouden werden die Plaats te verlaaten, met de onzen die aldaar dan Post moesten vatten: open te maaken, en te houden, ten einde elkander te ondersteunen.

De overige zes en vyftig Man van het Commando op Stevensburg zoude in de Onderneeming gebruikt werden.

Deeze Posten dus besteld zynde, zou men met de Schepen en Barken een dag of twee voor dat men giste dat het Commando op de Savonette aangekomen zoude zyn, de Rivier opvaaren van voor de Plantagie de Dageraat, en voorts de onderneeming beginnen. Hier toe zouden gebruikt worden de volgende Schepen en Vaartuigen.

Eerst 's Lands Fregat de Dolphyn Capitein Evert Bisdom, gemonteerd met twee en twintig Stukken en honderd en vyftig Man.

's Lands Snaauw de Zephier Capitein L.H. van Oyen, gemonteerd met twaalf Stukken en honderd en tien Man.

De Colonie Bark de Hoop gemonteerd met zestien Stukken van onderscheidene grootte, en bemand met acht en dertig Matroozen van 's Lands Fregat St. Maartensdyk: deeze Bark zou door Capitein Haringman zelve gecommandeerd werden, waar op zich insgelyks de Gouverneur der Colonie zou bevinden.

[p. 463]origineel

De Bark de zeven Provincien gecommandeerd door den Commandeur Stavorinus gemonteerd met elf Stukjes drie en vier ponders, en bemand met twee en veertig Koppen.

De Bark St. Eustacius met acht Stukken drie ponders en twintig Man, onder Commando van den Lieutenant Maurignault.

En de gewapende Barkas van de Dolphyn met acht Staartstukjes en twintig Man gevoerd door den Commandeur Huygens.

De Troepen die te Land zouden ageeren bestonden uit vyf en tachtig Soldaaten en vier Officieren, zo van Suriname als Berbice, waar by gevoegd zouden werden, als zulks noodig geoordeeld werd, nog zestig Man van het Fregat de Dolphyn, en tachtig Man van de Snaauw de Zephier: zo dat het voornoemde Fregat nog bemand zou blyven met veertig, en de Zephier met dertig Koppen, zullende van het Fregat de Dolphyn, behalve de voorsz. zestig Man, nog dertig Man geleverd moeten werden by het Commando dat over Demerary marcheeren moest, en twintig Man op deszelfs gewapende Barkas: t'zamen een getal van hondert en tien Hoofden uytmaakende: terwyl van het Fregat St. Maartensdyk het zelfde getal Manschap, zo op de Posten Stevensburg en de Dageraat als in de Onderneeming zoude gebruikt werden. En werd by den Zee-Krygsraad geoordeeld, dat de overige Manschappen op de gemelde Schepen voldoende zouden zyn zo tot beveiliging derzelve, als der Posten alwaar zy zouden werden geplaatst.

De plaatsing der Schepen langs de Rivier werd op de volgende wyse beraamd.

's Lands Fregat St. Maartensdyk zou voor de Post St. Andries blyven liggen, wyl het niet dan met veel moeite, over de Droogte (de Marepaan genaamd) konde gebragt werden, om de Troepen, die onder den Colonel de Salve verwacht werden, de behulpzaame hand te bieden.

Het Koopvaardyschip Zonnestyn Schipper J. Kamp voor de Dageraat; en de Hercules Schipper Kraay voor de Vigilantie, om voor beide die Plantagiën post te blyven houden.

's Lands Fregat de Dolphyn voor het geweezene Fort Nassau; terwyl de Snaauw de Zephier, en de andere Barken de Rivier verder op zouden

[p. 464]origineel

vaaren, en Post grypen daar het noodig bevonden werd, om dus de gemeenschap tot derzelver Mond open en vry te houden.

Verders was het Oogmerk dat de Gouverneur en Capitein Haringman zich in dit Plan voorstelden voor Eerst, om de Rebellen door het leggen van het Commando op Stevensburg in Canje, en door het Detachement dat op de bovenste Plantagie aan de Rivier de Berbice, genaamd de Savonette, post zou vatten, te beletten dat zy niet de Colonie zouden uitvluchten, om naderhand voor hunne geduurige Invallen niet bloot te staan, en hen dus in de Colonie besloten hebbende, naderhand des te gemakkelyker uit te roeijen.

Ten tweeden, Om de door hun afgeloopene Plantagiën weder in bezit te neemen en die voor verdere verwoesting, door kleine Detachementen, te behoeden.

Ten derden, Om de gemeenschap tot Boven toe open te maaken en te houden, ten einde in tyd van nood elkander te kunnen helpen.

En eindelyk, dit alles ter uitvoer gebragt zynde, het vornaamste doelwit in deezen: om hen de Kostgronden te betwisten, zo door dezelven te verwoesten Boven in de Rivier, als door het leggen van Detachementen op de andere Plantagiën, hen te verhinderen daarop te komen, als het eenigste middel zynde om hen te dwingen, was het nu niet, dan in den aanstaanden Regentyd, wanneer zy van zelfs zouden moeten opkomen en zich over geeven, of wel van of honger vergaan.

Het voorneemen niet zynde om de Negers te vernielen, maar wel door goedheid hen weder tot onderwerping te brengen; doch in gevalle zy hardnekkig mogten blyven hen als dan te verslaan, zo werd door den Gouverneur en Capiein Haringman diesvolgens bevel gegeeven, dat wanneer eenige Detachementen zo te Water als te Lande, eenige Rebellen mogten ontmoeten, zy zouden trachten met zachtzinnigheid hen tot ons over te haalen, met beloften van vergeeving hunner misdaad indien zy niet te groot was; maar tegenstand biedende dezelven, zo veel mogelyk was, te omsingelen, het ontvluchten te beletten, en zich met geweld van hen meester te maaken.

Midlerwyl was de Raad Abbensets naar beneden gevaaren, om de

[p. 465]origineel

Capiteinen Bisdom en van Oyen over hunne behouden aankomst uit naam van den Hove te verwelkoomen, zynde de Raad van Dalen, door aanhoudende ziekte, buiten staat om den Heer Abbensets by die plegtigheid te verzellen.

De Lieutenant Thielen op Stevensburg gaf ter zelver tyd bericht, dat de Rebellen uit Canje allen de wyk naar Boven hadden genomen, maar door hunne Medemakkers aldaar niet wel ontvangen waren, ja zelfs dat ze met elkander handgemeen waren geworden, en dat van de Canjesche een talryke menigte gesneuveld was. Ook was op de Dageraat, onder geleiding van een Detachement van de Bark de zeven Provincien, aangekomen veertien Stuks Colonie Slaaven, naamelyk zes Mans, vyf Vrouwen en drie Kinderen: welke in kleine Corjaaren de Rebellen ontvlucht waren. Zy verhaalden door de Rebellen zeer mishandeld te zyn; dat deeze de Creoolen altoos mistrouwden, en daarom naaukeurig gade sloegen, welke anders al van 't begin af zich van hen zouden begeeven hebben, maar echter de eerste gelegenheid daar toe in 't oog hielden; dat de Rebellen allengskens meer naar Boven trokken en zich versamelden omtrent de Kerk, op de Plantagie de Peereboom en die van wylen den Heer George, zeggende verders dat de Stad geheel was afgebrand, en dat zy niet geloofden zo wanneer de Christenen derwaards gingen zy eenig Gebouw daar meer staande zouden vinden, en dat de Plantagiën die nog niet vernielt waren mede 't zelfde lot te wachten hadden.

Vervolgens alles tot den Optogt in gereedheid zynde, gaf men bevel dat de Schepen, Barken en Vaartuigen zich tegens den 18den December klaar zouden houden, om op den volgenden dag den aanslag te beginnen. Inmiddels was op den zevende derzelver Maand het Detachement, dat op de Savonette moest post vatten, met twee Vaartuigen naar Demerary afgezonden, bestaande, volgens het Plan, in zestig Man, de helft Landtroepen gecommandeerd door den Lieutenant Cromby, en de helft Matroozen onder bevel van den Lieutenant Smeds.

Waar na de Troepen, volgens de gemaakte verdeeling, Scheep gingen; doch men kon op de Dageraat, zo als eerst bepaald was, vermids de Ziekte sedert weder sterker was toegenomen, geen Militie tot Bezetting

[p. 466]origineel

laaten, alwaar dan alleen, ter bewaaring van 't Magazyn, gesteld bleef de Burger Lieutenant de Graaf met acht Burgers, benevens vier Matroozen, door Capitein Haringman afgezonden, om by de Battery te waaken; blyvende voorts in 't Hospitaal vyf en twintig Zieken liggen.

Verders de noodige orders gegeeven zynde, begaf zich de Gouverneur met Capitein Haringman op den 19den December, des morgens vroeg, aan boord van de Bark de Hoop, lichtte het Anker en kreeg, een quartier Uur van de Vigilantie opgedreeven zynde, de Oorlogschepen (welke, benevens de andere Barken, den avond te vooren reeds af waren gevaaren) in 't gezigt, die de Bark mede gewaar wordende daaröp, volgens last, vooruit dreeven, om gezamenlyk voor de Vigilantie te komen, naamelyk het Schip van Capitein Bisdom, de voorhoede hebbende, gevolgd door dat van Capitein van Oyen, daar achter de Bark de Hoop, en vervolgens de twee Barken, de zeven Provincien, en St Eustacius, de achterhoede uitmakende. In deeze Ordre naderde de Vloot voor de Vigilantie: men zond eenige Verspieders derwaards af, welke wederaan boord te rug komende berichtten, dat de Gebouwen daar allen tot den grond waren afgebrand en het Vuur op eenige plaatsen nog smeulende was; maar dat zy geen Negers gevonden hadden dan alleen een Neger Jongen die in het Bosch wegliep. Ter zelve tyd ontving de Gouverneur bericht dat de Surinaamsche Capitein van Ryssel op den Post St. Andries overleden was; als mede dat voor de Rivier de Berbice was aangekomen het Slaaven-Schip van Schipper J. Bruyn met omtrent drie honderd Slaaven. Zyn Ed. over deeze aangebragte Slaaven eenigszins bekommerd zynde, gaf zulks aan de Raaden van Dalen en Abbensets welke op voornoemde Post hun verblyf hielden, met een Brief te verstaan, verzoekende dat zy met dien Schipper wilden spreeken, en overleggen wat daaromtrent het oorbaarste zyn zoude.

Van daar tot voor de Hoofdplantagie gekomen, zagen ze de Rebellen te voet en te paart, door de Savaanen langs den weg naar 't Fort Nassau, de vlucht neemen, en dat de Gebouwen op deeze Plantagie mede door de brand vernielt waren.

Vervolgens tot in het gezigt van de Plantagie de Velde opvaarende, zag men dat de Huizingen op dezelve te gelyk in den brand stonden.

[p. 467]origineel

Capitein Bisdom kort daar na Muiters ontdekkende deed hen de volle laag geeven, terwyl men een Commando derwaards zond om hen op te zoeken; doch te vergeefs; zeggende by hun te rug komst dat de Vyanden de Plantagie hadden verlaaten en naar 't Bosch geweeken waren.

Voor de Plantagie Dantzig vernam men geen Rebellen, maar eenig Volk, dat op den Voorloper boven in de Mast op den uitkyk was, zeide eenige Negers in 't Savaan, meest te paart, te kunnen zien. Inmiddels nam Capitein Bisdom een Corjaar weg, waar uit de Negers, na dat ze eenige schooten ter beandwoording van de onzen gedaan hadden, zich op de vlucht hadden begeven.

De Vloot kwam nog dien zelven dag des avonds voor de geweezene Stad Amsterdam, ter plaatse daar het Fort Nassau gestaan had, ten Anker. Men vond hier overal deerlyke verwoestingen, en dat geen steen op den anderen was gelaaten, behalve de Luthersche Kerk en het Predikants huis, welke de Negers, uit een soort van bygeloof, verschoond hadden; zeggende, dat de Blanken daar met God spraken en zo zy die verbrandden hen veel kwaad zoude overkomen.

De Rebellen van daar allen naar boven geweeken zynde, werdt, volgens de beraamde schikkingen, een Detachement van vyftig Soldaaten en vyftig Matroozen onder den Capitein Lieutenant Smit en den Vaandrig Rees, over Land, naar de Plantagie de Antonia opgezonden; gedekt wordende, van den Rivierkant, door de Bark de zeven Provincien gecommandeerd door den Commandeur Stavorinus; en voorts de noodige voorziening gedaan omtrent de plaatsing van 't Commando, dat aan den Wal zoude blyven posthouden, onder het Geschut van het Oorlogschip de Dolphyn. Capitein Bisdom had last om dagelyks eenige Manschappen te zenden, den Weg van Canje op, zo als de Posthoudende Officier in Canje insgelyks moest doen, ten einde de gemeenschap over en weder, en die met de Dageraat, open en vry te houden; wordende aan Capitein Bisdom nog toegevoegd een Vaartuig met vier Indiaanen en twee Negers die der wegen kundig waren.

Ondertusschen was een Sergeant met acht Man, benevens de Trouwe Neger Frederik op kondschap uitgeweest, welke berichtten, dat ze voor

[p. 468]origineel

het afgebrande Fort twee Stukken, en voor de geweezene Secretary drie Stukken op Affuyten hadden vinden liggen, maar geen Negers gezien hadden.

De Gouverneur en Capitein Haringman onderling alles geschikt, en de vereischte Orders gegeeven hebbende, vervoegden zich weder aan boord, van de Bark de Hoop, en lichtten met de overige Schepen het Anker om verder naar Boven op te vaaren. Zy dreven met den Vloed tot voor de Plantagiën de Geertruyd, en de Goede Hoop, en vonden de Gebouwen op dezelve in Assche gelegd.

Van daar voor Zublielust naderende zag men Negers op die Plantagie: een gewapende Boot met Volk van Capitein van Oyen, nevens de Lieutenant Thielen en eenige Gemeenen derwaards afgezonden zynde, keerde onverrichter zaake te rug, wyl de Negers op hunne aannadering in alleryl de vlucht hadden genomen.

Voor Oostermeer werdt Anker geworpen, om de gelegenheid daar op te neemen; doch men vond, na onderzoek, niet dan een klein vuur, waar uit vermoed werdt dat 'er een Voorpost van de Rebellen geweest was. 't Anker weder lichtende kwamenze voor Schermers Vergenoegen, en Maria Agnes: de Loopers daar na toe gezonden, zeiden, by hunne wederkomst, niets gevonden te hebben dan op Schermers Vergenoegen een Negerkind, welk hen verhaald had dat 'er eenige Negerinnen waren geweest en zy de vlucht naar 't Bosch genomen hadden: dit Kind werd, vermids het de Indiaansche Pokken had (die men bevond besmettelyk te zyn) daar gelaaten.

Vervolgens tot voor de Plantagie de Johanna oploopende, zag men de Wooningen daar nog in stand, en alles in goede orde: (zynde de Huizen en verdere Gebouwen op de reeds voorby gevaarene Plantagiën bevoorens door de Rebellen afgebrand en verwoest) waar op de Lieutenant Thielen nevens een Sergeant en zes Gemeenen als mede een Barkas met een Officier en eenige Bootsgezellen derwaards gezonden werd, die by hunne aankomst op deeze Plantagie verscheidene Negers in 't oog kreegen, doch welke hen gewaar wordende, terstond naar de Bosschen liepen, de Gouverneur hier van bericht, gaf bevel, dat de voornoemde Sergeant en zes

[p. 469]origineel

Gemeenen daar zouden post vatten en blyven tot nadere bevel, met aanbeveeling dat ze trachten zouden deeze Negers, die, zo als het toescheen, wel gezind, maar misschien uit benaauwtheid gevlucht waren: door goedheid weder tot de onzen te doen over komen: op de Plantagie de Berg, die tegen over de Johanna lag, vond men veel Gereedschap, dat mede genomen werd.

Voorby La Solitude (op welke alles in Assche lag) kwamen twee Negers Titus en Joris genaamd, nevens de Bokkin Elisabeth met haar Kind zich in een Corjaar vrywillig aan boord over geeven, zeggende Volk van de Goede Hoop te zyn, en dat de Negers van die Plantagie, onder welke zich een voornaam Rebel bevond, genaamd Mars, op het zien aankomen onzer Schepen ten eersten de wyk genomen hadden, en dat de meeste Rebellen naar Boven geweken waren, om zich by den Acquewynschen Post te nestelen; wyders, dat onder dezelven dikwyls geschil gereesen was, dat altoos met doodslaan van eenige hunner Makkers verzeld ging; dat de hongersnood hen reeds gedwongen had tot het eeten van Honden, Katten en Paarden, en dat toen de Neger Coffy gestorven was, twee Blanken op zyn Graf, by wyze van Offerhande, waren gedood geworden.

Eenig gewapend Volk van Capitein van Oyen met de Sloep intusschen uit Verspieden geweest zynde, was te rug gekomen; en verhaalde dat ze een Corjaar met Negers hadden achterna gezet tot in een Kreek, maar dezelve te ontdiep vindende omze tot het eind op te vaaren, waren de Negers hen ontsnapt, echter de Corjaar in den loop laatende, met een wit Hemd daarin, welke zy medebragten.

Vervolgens kwam de Commandeur Stavorinus by den Gouverneur aan boord om kennis te geeven, dat zyn onderhebbende Bark de zeven Provincien, eer dezelve voor de Antonia ten Anker was gekomen, op die hoogte tot drie reizen toe, door de Rebellen, uit de Bosschen van weerskanten van de Rivier, was beschooten geworden; doch dat zy eindelyk, door het Detachement, dat over Land op haar aanviel, na een geringen tegenstand waren verjaagd en op de vlucht gedreven, en dat hy hen by die gelegenheid verscheidene Vaartuigen, daar onder de Sloep van Schip-

[p. 470]origineel

per Pynappel, ontweldigd had; hebbende in die ontmoeting op de Bark maar één Gekwetsten bekomen.

De Schepen kwamen op den 21sten December voor de Antonia ten Anker, alwaar alle de Gebouwen nog stonden; het Detachement dat op dezelve Post hield had reeds zeven Zieken, welke aan boord van de Hoop gebragt en met een gelyk getal gezonde Manschappen vervuld werden: eenige Rebellen zich op deeze Plantagie nu en dan nog zien laatende, werd een Neger Ronde op hen afgezonden, die in de Kosttuinen een Negerin met haar Kind vonden en mede namen; dit Vrouwspersoon ondervraagd werdende, andwoordde in een Taal die voor een ieder onverstaanbaar was, dus men van haar niets verneemen kon: ook werden 'er nog eenige Producten gevonden, bestaande in acht Vaten en een losse hoop Koffy, een en een half Vat Cacao, en een Kist met Gereedschappen, welke in de Bark de Hoop gescheept werden.

Van daar weder afsteekende, kreeg men, omtrent een quartier Uurs van de Kreek Cimbia, eenige Vuuren en een grooten hoop Negers in 't gezigt: waaröp de Schepen terstond Anker wierpen, behalve het Schip van Capitein van Oyen dat voort dreef en zich recht voor deeze Kreek plaatste, om de Vyanden het uitkomen met hunne Corjaaren te beletten. Inmiddels liet men hen, tot drie maalen, in 't Creools toeroepen: dat Indien 'er goede Negers mogten zyn die genegen waren tot ons Volk over te komen, zy zulks gerustelyk doen konden en dat hen geen het minste leed geschieden zoude. Doch zy gaven geen antwoord: dieshalven werdt terstond ordre gezonden aan het Detachement op de Antonia, om ten spoedigste naar de gemelde Kreek aan te rukken, en van daar op te marcheeren naar de Plantagiën Altenklingen, Alexandria, of Hollandia, om op één van dezelve Post te vatten, terwyl men trachten zoude met de Schepen aldaar gelyktydig aan te komen, om, wanneer 'er zich Rebellen onthielden, hen te Water en te Land aan te tasten.

Ondertusschen was de Barkas onder den Commandeur Huygens de voornoemde Kreek ingevaren ter ontdekkinge van 's Vyands bedryven, en ten zelfden einde van de Schepen ook eenige Commando's uitgezonden, die by derzelver te rugkomst verhaalden, dat op Wessouburg alle de Ge-

[p. 471]origineel

bouwen in assche lagen, de Suiker-tuinen deels verbrand waren, en sommige nog in de Vlam stonden, en dat de Suiker altemaal vernield was; maar dat hy in de Kreek niets vernomen had. Ook berichtte de Sergeant, die op de Johanna bleef post houden, dat een groot getal Negers langs 't Pad dat naar de Cornelia Jacoba liep waren opgegaan: 't geen veel vermoeden gaf, of de Rebellen veelligt niet het voorneemen hadden om aldaar de onzen af te wachten.

Vervolgens Anker lichtende dreeven ze op tot voor Lelienburg, daar Negers gezien werden: men zond een Officier met eenige Gemeenen op hen af, maar zy namen op hunne aannadering voort de vlucht: men vond alleen eenen ouden Neger welke zeide dat de Rebellen eerst drie dagen te vooren de Gebouwen in brand gestooken en verwoest hadden: deeze Neger de Waterzugt hebbende en niet te vervoeren zynde, liet men achter.

Toen men de Hollandia naderde, waren daar de Wooningen nog blyven staan: Capitein van Oyen ging hier ten Anker liggen, om het Detachement, dat van de Antonia in aantogt was, zo het daar mogt aankomen te dekken: men vond op deeze Plantagie veel Geweeren, doch meest gebrekkelyk-

De overige Schepen, die onderwylen voort voeren, niet verre van Alexandria afzynde, zagen dat de Negers, die aldaar op de Stelling stonden, ylings de vlucht namen.

Voor dezelve ten Anker komende, vernam men van een Neger, die zich vrywillig kwam over geeven, dat nog een Neger op de Plantagie zich ophield; waaröp hy met eenig Volk, om denzelven te zoeken, te rug gezonden werd; doch hy werd niet vernomen, en men vond 'er niets dan drie gebrekkige Geweeren en een paar zilveren Schoengespen. Capitein van Oyen gaf bericht, dat het voornoemde Detachement onder den Capitein Lieutenant Smit op de Antonia gekomen was, zonder iets ontdekt te hebben dan een Graf, en daar in een Neger die 'er zo het scheen, niet lang in gelegen had: hierop gelastte de Gouverneur dat het zelfde Detachement van daar naar de Cornelia Jacoba zoude op trekken, en de tusschen beide liggende Plantagien aan doen: en aan Capitein van Oyen met zyn Schip zich weder by de anderen te voegen.

[p. 472]origineel

Waar na dezelven gezamenlyk verder op dreeven voorby de Juliana, Altenklingen, en Vlissingen, welke van de Rebellen verlaaten waren, doch waaröp deeze de Gebouwen verschoond hadden: op Altenklingen vond men een oude Negerin benevens twee Vaten Cacao, welke met haar naar boord gebragt werden; zynde de Rebellen, volgens het zeggen van deeze Negerin naar de Cornelia Jacoba geweeken, en met de Negers van die Plantagie handgemeen geweest.

Men kwam voor de Kreek Wironje ten Anker, alwaar de Kerk, en Huizingen van den Predikant en Koster, nog in staat stonden. De Bark St. Eustacius en de Barkas voeren met den Vloed de Kreek in, om voor de Cornelia Jacoba post te houden, tot dekking van het Detachement dat daar verwagt werd; terwyl een Neger Ronde de Rivier opwaards trok om te verneemen hoe het op de Peereboom gesteld was, welke te rug komende bericht deed, dat zy tot voor de Stelling geweest was, en daar gezien had een Neger met een wit Hemd aan, die daaröp ten eersten naar 't huis geloopen was; als mede een oude Negerin, welke zy toegeroepen had dat zy over zoude komen, maar dat de Negerin in plaats van zulks te doen meer Negers geroepen had: waarom zy, hen niet durvende afwachten, weder te rug gegaan was; voorts, dat de Gebouwen aldaar nog allen in goede orde stonden.

De Gouverneur en Capitein Haringman zich onderwylen aan Land hebbende begeeven om den toestand op te neemen, was door het Commando dat hen geleide, op den weg, niet verre van 't Predikants huis, een zilveren Kandelaar, waaröp de naam van Dominé Ramring stond, gevonden.

De Lieutenant Smith gaf bericht dat hy met het Detachement op de Cornelia Jacoba was aangekomen, en de Plantagie met deszelfs Gebouwen in goeden staat gevonden, maar geen Negers vernomen had. Men vernam ook dat de Moolen en het Kookhuis op de Peereboom sedert door de Rebellen in brand gestooken waren, dat zy op de stelling Schildwagts hadden uitgezet, en dat voor dezelve twee Vaartuigen lagen. De Uitkykers boven in de Mast zagen kort daar aan verscheidene Lichten, zo dat men voor verdere brandstichting bevreesd was. Waarom beslooten werdt om van 't Schip van Capitein van Oyen nog een Officier met vyftig Man,

[p. 473]origineel

ter versterking van het Commando op de Cornelia Jacoba, af te zenden; welke over de Kreek Wironje door de Savaan naar de Peereboom zoude trekken; om van achteren inkomende de Rebellen aan te vallen, terwyl de Barken, die in het opvaaren alle spoed zouden maaken om ter zelver tyd daar te komen, hen van den Rivierkant zouden beschieten. Maar de Bark de zeven Provincien kreeg ordre de Rivier regtsstreeks tot aan de Savonette op te vaaren zonder zich ergens op te houden, en ingeval van Vyandlyke ontmoetingen, hen alle mogelyke afbreuk te doen, nogthans daarom de Reis niet vertraagende, wyl zy voornaamelyk bestemd was, om het Detachement dat over Demerary naar de Savonette was vertrokken, en men giste dat daar reeds zyn zoude, te dekken, en, des noods, by te staan.

Waaröp de Schepen Anker lichtten en met den Vloed opdreeven, zynde de Lieutenant Thielen met vyf en twintig Man in een Vaartuig vooruit gezonden, om de gesteltheid op de Peereboom te ondertasten, van waar onze Indiaansche Bespieders te rug en hem te gemoet kwamen, berichtende, dat de Molen aldaar maar alleen in den brand stond, doch het Woonhuis en de verdere Gebouwen nog onbeschadigd waren; dat zy van twee Negerinnen vernomen hadden, dat de Rebellen sedert drie dagen deeze Plantagie reeds hadden verlaaten en hooger op waren getrokken, maar den tweeden dag weder afkomende, toen de Molen in brand gestooken, en vervolgens zich naar Boven begeeven hadden.

Vervolgens voor de Peereboom naderende, zagenze dat de Molen reeds afgebrand was: de voornoemde twee Negerinnen kwamen in een Corjaar zich vrywillig over geeven, en verhaalden dat de Negers van de Peereboom genoegsaam allen wel gezind, maar door de Rebellen gedwongen waren, met hen de vlucht te neemen. De Gouverneur bemerkende dat hy zyn doelwit hier niet bereiken zoude, begaf zich van daar hooger op: voor Engadina komende zag men de Gebouwen in volle Vlam staan: voor Philipsburg werd aan den Capitein Lieutenant Smith order gezonden met zyne Manschappen naar de Doornroos aan te rukken, op welke Plantagie (Philipsburg) als mede op de Lindeboom en die van Balguerie de Wooningen allen, schoon van weinig waarde, verschoond gebleeven waren, maar op

[p. 474]origineel

Landskroon lag alles in assche, behalve een klein Huisje 't welk door de Rebellen scheen gemaakt te zyn, en met Schietgaten voorzien was.

Voor Beerestein (toebehoord hebbende aan den Heer George), daar men ten Anker kwam, zag men de sierlyke Wooning op dezelve ten eenemaal afgebrand, en de overige Gebouwen nog smeulende. Een Commando derwaards afgezonden, bragt een van de Corentynsche Overlopers gevangen te rug, die daags te vooren van zyn Medemakkers was afgeraakt: hy verhaalde dat de Rebellen zich in groote vrees en bekommering bevonden, en dat zy naar boven vluchtende door ons Detachement op Savonette waren te rug geslagen: men vond 'er ook nog zeven Vaten Cacao en veel losse Koffy, nevens eenige Meubelen, Kisten, Kleederen enz., en een weinig Zilver bestaande in vyf Lepels, een Slot van een Kerkboek en een Zilveren greep van een Degen. Het voornoemde Commando begaf zich kort daar aan naar de Doornroos en kreeg onderwegen op die van Mevrouw Boulé een Neger aan dezelve, en een Negerin met een jong Kind, aan Beerestein behoorende, gevangen; welke beide bevestigden, dat de schrik en bevreestheid onder de Rebellen zeer groot was, en dat een sterke Hoop van hen zich op Markey verzameld had, met voorneemen aldaar den onzen het hoofd te bieden; wyders, dat zy met verscheidene Vaartuigen vol kostelykheden naar Boven gevlucht waren, welke, zo zy dachten, eindelyk in handen van de Blanken zouden moeten vallen.

De Gouverneur beducht zynde, dat de Rebellen somwylen trachten zouden (vermids alle hoop om Boven een uitkomst te vinden voor hen afgesneden was) om Benedenwaards een goed heen komen te zoeken, liet de Bark St. Eustacius te rug ontbieden, met verderen last, de Kreek Wironje weder in te vaaren en voor de Cornelia Jacoba post te houden, werwaards de Lieutenant Voet met twintig Man mede afgezonden werd, om zich op die Plantagie te posteeren, ten einde de gemeenschap tusschen die Kreek met het Fort Nassau veilig te houden, en teffens de Rebellen, zo die somtyds derwaards den aftogt mogten neemen, te beletten aldaar door te breeken.

Vervolgens ging zyn Edele met Capitein Haringman op Beerestein aan Land om dezelve te bezigtigen; daar nog eenige Kisten en Kasten, van

[p. 475]origineel

onder de Assche der afgebrande Wooningen, gered werden; zynde, volgens het verhaal van den gevangenen Corentynsche Overloper, al de Buyt van Goud en Zilver nog daags te voren aldaar by elkander geweest.

Inmiddels kreeg men van den Lieutenant Pronk uit Canje bericht, dat de gemeenschap tusschen die Rivier en het Fort volkomen open en vry was, en dat in Canje geen Rebellen meer bespeurd werden. Ook meldde de Sergeant op de Johanna dat vyf Colonie Slaaven zich vrywillig aan hem hadden komen overgeeven.

Daar na zich weder aan boord begeevende, werd de voornoemde Blanke Overlooper op 't Schip van Capitein van Oyen gevoerd, om daar in zekerder bewaaring te zyn; en voorts Anker gelicht, dryvende de Schepen met den Vloed op tot voor de Plantagie Doornroos, alwaar het voorsz. Commando reeds was aangekomen, 't welk vier Slaaven en een Slaavin, toebehoorende aan Mevrouw Boulé, den Heer Perrotet en de Plantagiën de Prosperiteit, de Lindeboom en die van P. Does, aan boord opzond, meldende verders dat het ook gevonden had een Koker met twee of drie zilvere Chirurgyns Instrumenten en een gebrookene zilvere Lepel: de Neger Officier Labou overhandigde eenig los Geld, benevens een Boog en Koker met Pylen, aan één dier vier Slaaven toekomende.

Het gezegde Commando, dat, vermids de ontoeganglyke wegen, daar niet verder over Land marcheeren kon, werd in eenige Cano's gescheept, en dreef met de Schepen verder naar Boven tot aan de Plantagie Markey, alwaar het weder aan Land ging, en de Schepen ten Anker kwamen. Op 't zelfde ogenblik kwam een Neger, Coffy genaamd, met zyn Wyf en twee kinderen, behoorende aan den Heer George, zich vrywillig overgeeven; welke verhaalde dat 'er nog meer goed volk in 't Bosch zich schuyl hieldt, en dat de Rebellen daags te vooren nog op Markey geweest en met Vaartuigen naar Boven vertrokken waren. Men vondt de Gebouwen op de gemelde Plantagie allen in goeden staat. De Neger Rondes bekwamen nog eenige Negers en Negerinnen, gedeeltelyk aan Zublielust en de overige aan de Prosperiteit behoorende; welke wegens de Rebellen geen meer byzonderheden verhaalden dan men van de voorigen reeds vernomen had: één van deeze Negerinnen had een zwaaren houw in 't Hoofd en was den

[p. 476]origineel

Arm op twee plaatsen genoegsaam afgekapt, 't welke haar door de Rebellen gedaan was om dat zy tot de Blanken had willen over komen: dezelve werd ten eersten door den Chirurgyn verbonden,

De Gouverneur bericht werdende dat de Plantagie van Klaas Balk, welke een quartier Uurs boven Markey lag, door de Rebellen was in de Vlam gezet, zond terstond een Officier met vyftig Man derwaards; doch de Negers hen ziende aanrukken namen voort de Vlucht, na alvoorens het Huis ook in den brand gestooken te hebben. Dit Commando vervolgens te rug komende bragt mede een jonge Negerin, Dina genaamd van de Plantagie Antonia, door hen in 't Bosch half dood gevonden en in 't Hoofd wel twintig Wonden hebbende, welke, niettegenstaande zy dus zwaar gekwetst was, nogthans, getracht had onze Soldaaten, uit vrees dat die haar zouden doodslaan, te ontloopen. Deeze Vrouwspersoon zeide, door de Delmina-Negers zo mishandeld te zyn; dat deeze haar Man met meer andere goede Negers vermoord hadden, en dat 'er zich nog veele welgezinde Negers van Markey achter den Berg in 't Bosch verhoolen hielden. Zy werd daadelyk in Chirurgyns handen gesteld.

De Gouverneur den toestand op Markey bezigtigd hebbende, had 'er verscheidene Grafsteden gevonden, daar de Lichaamen der Negers (door de Delmina-Negers vermoord) in begraven lagen. Hy gaf bevel dat een Detachement op deeze Plantagie zoude blyven, om den volgenden dag, met Vaartuigen, op de naastgelegen Plantagie te werden over gebragt en van daar op te trekken naar de Kreek Wikkie, werwaards de Schepen met den Vloed volgen zouden.

Midlerwyl kwam 'er tyding, dat de Bark de zeven Provincien voor de Cornelia Jacoba, en de Lieutenant Voet met zyne Manschappen, op dezelve was aangekomen, zonder onraad vernomen te hebben. Ook gaven de Loopers bericht dat de Paden, die naar 't Bosch liepen, allen met Voetangels naar de wyse der Negers, waren belegt: men liet 'er vyftig stuks van haalen, welke van een zonderlinge uitvinding bevonden werden.

Waarna men op den 25sten December Anker lichtte, gaande het voornoemde Detachement met Cano's vooruit. Voor de Plantagie van Klaas Balk komende werd het zelve daar aan Land gezet, om door die

[p. 477]origineel

van Sejourné en van Van Doorn naar de Kreek Wikkie op te marcheeren, alwaar het door de Vaartuigen weder ingewacht zoude werden; terwyl de Schepen voort spoedende, omtrent den middag die Kreek bereikten en voor dezelve ten Anker gingen leggen; zynde het voorneemen hier een Landing te doen, wyl de Gouverneur onderricht was geworden dat de Rebellen derwaards geweeken waren, en, zo het scheen, hun gantsche Magt by een verzameld hadden, om den onzen het hoofd te bieden; waar tegens zyn Edele de noodige maatregelen genomen had.

Het gezegde Detachement (dat op de Plantagie van Van Doorn nog vier Vaten Cacao gevonden maar daar gelaaten had, vermids de gelegenheid niet toeliet om dezelve mede te neemen) een ogenblik daarna ook aankomende, werden deeze Manschappen met het Volk van de Schepen terstond in vier partyen verdeeld, en in onderscheidene Roeyvaartuigen overgevoerd, om aan den Mond van voorsz. Kreek te Landen, en verders aan de Plantagie Hardenbroek (alwaar ondersteld werd dat de Rebellen zich ophielden) hen slag te leveren. De Kreek naderende, had de Capitein Lieutenant Smit neffens de verdere Officieren de onvoorzigtigheid met de kleine Tentboot voor uit te loopen, om in de Landing de eerste te zyn: wanneer door hen te laat ontdekt werd, dat de Vyanden zich aldaar in het Hout verborgen hadden, met dat gevolg, dat deeze daadelyk op hen geweldig Vuur gaven, waar door de Capitein Lieutenant Smit, de Lieutenant Thielen en de Vaandrig Rees kwamen te sneuvelen, en twee Zee Officieren met den Burger Lieutenant Solicoffre, benevens een Indiaan en de Neger Quassi zwaar gekwetst werden.

Inmiddels waren de onzen (die nu alleen de Sergeant Johan Carel Hofwaal voor Officier by zich hadden) vast genaderd, en schooten uit hunne Vaartuigen op de Vyanden zo hevig dat dezelven moesten te rug deinsen; voorts traden zy, onder een wederzyds gestaadig vuur, dat een quartier Uurs lang duurde, eindelyk aan Land daar ze de Rebellen, die in ontelbaare menigte, met eenige der Corentynsche Overlopers, aan hun hoofd, waren samen gevloeit, aantasteden, en in een korten tyd, (niet zonder verlies van veel Volk van onzen kant) op de Vlucht dreeven en versloegen, zodaanig dat onze Troepen zich meester van Hardenbroek zagen en op de-

[p. 478]origineel

zelve post vatteden, en onder Commando van den voornoemden Sergeant Hofwaal goede wagt hielden.

(Het Volk de Officieren zo ongelukkig omgebragt ziende had zich voort zeer neerslagtig betoond; doch het verlangen om zich over dat verlies op de Rebellen te wreeken had het weder moed doen grypen. De Gouverneur had den Lieutenant Thielen, toen hy hem voor op den Tentboot zag staan, wel gewaarschouwd, dat hy niet verder zoude hebben te naderen voor dat de gelegenheid door de Indiaanen eerst onderzocht was, maar hy riep daar wel bekend te zyn enz.)

De Tentboot keerde, na dat de onzen voet aan Land gezet hadden, met de drie Lyken en Gekwetsten naar boord te rug; zynde de Lieutenant Thielen, volgens het zeggen van den Neger Quassi, door één van de Corentynsche Overloopers doodgeschooten.

Kort daaröp kwamen eenige Soldaaten van Hardenbroek vier Negerhanden brengen, en berichtten dat in de Tuinen nog verscheidene doode Negers lagen; wyders dat, toen het Gevegt aanging, zy duydelyk gezien hadden, dat twee van de Corentynsche Overloopers zich aan 't hoofd der Negers bevonden, en wel gekleed waren, aanhebbende Camisoolen met goude en zilvere Boordzels; dat de Rebellen bevoorens zy de Plantagie verlieten de Wooning en meeste Gebouwen hadden in brand gestoken, dat niet was te blusschen, dewyl alles met Brandstoffen was opgevult.

Waaröp de Gouverneur onder het geleide van deeze Manschap zich derwaards begaf, en den brand onbluschbaar vond; zynde niets verschoont gebleven dan drie of vier Negerwooningen en een oude Loots, welke tot verblyf van 't Volk bestemt werd; de Gouverneur nam voorts het besluit, dat de gewapende Barkas en een groote Cano met twintig Man den volgenden dag de Kreek Wikkie zouden opvaaren om de Rebellen op te zoeken, en, was het mogelyk, zich van hunne Vaartuigen meester te maaken; alzo hun voorneemen was met dezelven (volgens het verhaal van eenen ouden Neger en twee Kinderen, die men had gevangen gekreegen) hooger op te vluchten. Verder werd den Sergeant Hofwaal, vermids geen andere Officieren, meer voor handen waren; het bevel opgedragen over het Commando dat, ten getale van vyf en twintig Soldaaten en vyf en veertig

[p. 479]origineel

Matroozen, op Hardenbroek blyven zoude; en hem de noodige orders gegeeven waar na hy zich, in geval van Vyandlyken aanval, te richten had.

Het Oorlogschip van Capitein van Oyen kreeg last, om voor de Kreek Wikkie Post te houden; en de gewapende Barkas zoude in dezelve geduurig Kruyssen, terwyl de Gouverneur en Capitein Haringman met de Bark de Hoop de onderneeming langs de Rivier naar Boven vervolgen zouden.

Men kreeg bericht dat de Barkas een quartier Uurs boven Hardenbroek de Kreek opgevaaren zynde, de Rebellen had ontdekt en sterk op dezelve uit haar grof Geschut gevuurd; waaröp zy hooger opgeweeken waren; ook dat de Sergeant Hofwaal ter zelvertyd een Commando van twintig Man over Land door een kleine Savaan achter het Woonhuis op hen had laaten aanrukken; maar te vergeefs; wyl zy reeds de vlucht genomen hadden.

Op Wessouburg werd een oude Negerin gevangen, welke verhaalde dat 'er groot gebrek aan Levensmiddelen onder de Rebellen was; dat dezelve hoopeloos en de gemoederen verdeeld waren; dat Atta zich aan het Hoofd van een afgezonderde Hoop had gesteld, en dat drie van de Corentynsche Overloopers, als zyne Raaden, hem verzelden; houdende de meeste goede Slaaven, die van Wessouburg, Hardenbroek, en het Fort in 't Bosch waren gevlucht, onder zyn magt en bedwang; doch dat de gezegde Slaaven trachten zouden om hem te ontwyken en tot de Christenen over te komen, zo dra de gelegenheid hen daar toe gunstig was.

Kort daaröp werd nog een Neger, Sibi genaamd, en twee Negerinnen gevangen genomen, welkers verhaal van de Rebellen met het gezegde van de oude Negerin overeen kwam: een van deeze Negerinnen zeide nog dat haar Zoon zich zelfs had van kant geholpen, om dat Atta hem gedwongen had onder de zynen te blyven.

Capitein Haringman door Koortsen aangetast zynde, begaf zich, tot meerder gemak, op 't Schip van Capitein van Oyen, die in plaatse van den Heer Haringman het bevel over het Zeevolk op de Bark de Hoop overnam.

Vervolgens alles dus beschikt; lichten zy Anker en naderde, met den Vloed opdryvende, de Plantagie Debora, alwaar men de Huizingen afgebrand vond; ter zelver tyd kwam eenen ouden Neger Gratia genaamd,

[p. 480]origineel

en aan Wessouburg behoorende, zich vrywillig overgeeven; dezelve verhaalde, dat een groote hoop Negers met hem in Vaartuigen naar Boven willende vertrekken, door ons Volk op de Savonette waren te rug gejaagd; dat zy daar op by oud Savonette waren aan Land gegaan, om het Padt dat naar Wikkie liep, op te zoeken en langs dien weg by hunne Medemakkers te komen; zeggende verders, dat onder hen veel verdeeldheid was, en dat zy aan Kost, als mede aan Kruid, groot gebrek hadden. Eenige Loopers aan den wal gezonden, berichtten by hunne wederkomst, op Debora in de Tuinen zes doode Negers, wier Hoofden afgekapt waren, gevonden te hebben, 't welk klaar deed zien dat zy malkander beoorloogden en vernielden. (De Gouverneur had gaarne een Commando van vyftig Man, langs het Padt, ter ontrustinge van de Vyanden, willen afzenden, maar de meeste magt was (gelyk wy gezegd hebben) hier en daar geplaatst, en de Bark de Hoop niet meer dan met tien Soldaaten en negen en twintig Matroozen bemand, dus men zich van dezelve niet wel kon ontblooten.)

Voor de Plantagie van den Heer Kunckler ten Anker komende, zag men veertien Vaartuigen, zo groot als klein, waar mede, zo het scheen, een groot getal Negers geland was: eenigen van de onzen derwaards gezonden, vonden in de Negery twee Roode Slaavinnen, van welke vernomen werd dat de Rebellen, die door ons Commando op Savonette waren te rug geslagen, zich naar Wikkie begeeven hadden: de voornoemde Plantagie lag bezaaid met een menigte van Cargazoen-Goederen, eenige Kleederen, en nieuw graauw Linnen; dat alles aan boord gebragt werd benevens nog eenig Zilvergoed en contant Geld.

Van daar vertrekkende kwamen ze voor Poelgeest, daar niets ontdekt werdt. Waaröp men een Commando van veertien Man naar de Savonette afzond om den toestand der onzen aldaar te verneemen. Doch een ogenblik daar aan, kwam de Commandeur Stavorinus (wiens onderhoorige Bark de zeven Provincien voor die Plantagie post hieldt) met een Corjaartje by den Gouverneur aan boord, en berichtte dat hy op den 25sten December voor de Savonette aangekomen was, en dat hy onderweg op de Plantagie Markey en die van Kunckler een groote menigte der Rebellen

[p. 481]origineel

gezien had; waaröp hy verscheide maal had gevuurd, en zy alle de vlugt genomen; als mede dat hy eenige Vaartuigen van de Rebellen was magtig geworden, en voor de Savonette gekomen zynde, aldaar gevonden had, den Lieutenant Crombie met deszelfs Detachement, benevens den Engelschen Lieutenant Smith van Demerary met de dertig Vrywilligers.

Men kwam op den 29sten December voor Savonette ten Anker, alwaar het Volk onder de Wapenen stond. De Gouverneur ging opdezelve aan Land en vernam van de Lieutenants Crombie en Smith dat zy den 22sten December kort na den Middag, na een moeilyke marsch van vyf Dagen, door het Bosch langs twee kanten boven en beneeden de Plantagie van achteren op waren ingekomen, alwaar zy ruim hondert Negers hadden gevonden die zich vrolyk maakten, en het Commando niet eer waren gewaar geworden voor dat het zelve hen onder 't bereik van het Geweer had; dat daar op de Negers met een groot geschreeuw allen naar den Waterkant de vlucht namen om met zwemmen te ontkomen, maar door de onzen zo kort op de hielen werden nagezet dat 'er tusschen de vyftig en zestig van dezelve werden doodgeschooten, en zeven en twintig gevangen genomen, onder welke eenige van zelfs na de onzen waren komen toeloopen; als mede dat de Corentynsche Overlooper, Jean Renaud met den Degen in de Vuist was gevangen genomen; wyders dat één van de Engelsche Soldaaten, Wiltz Carbwey genaamd, nog twee Negers in een Corjaar op de Rivier ziende, na dezelven was toegezwommen, en, een voor een, met zyn bajonnet had doodgestooken.

De voornoemde Officieren verhaaalden mede, een sterke uitwerking van Vergift opgemerkt te hebben, by gelegenheid dat één van hunne byhebbende Indiaanen zyn vergiftigde Pyl op een Negerin, die, met haar Kind op de, rug, in 't Water was gesprongen om haar leven met zwemmen te redden, afschoot, en zo als zy getroffen was op 't ogenblik stierf. En het Kind, dat nog levendig was en niet geraakt scheen, haar ten eersten afgenomen zynde, een kleine poos daar aan vreeslyk begon op te zwellen, en den volgenden dag mede den geest gaf, zonder dat men daar aan het minste teken van kwetsuur had kunnen bespeuren of ontdekken.

Zy hadden de Plantagie in goeden staat en de Gebouwen op dezelve nog

[p. 482]origineel

allen in weezen gevonden, behalve de Negery, die door de Caraïbische Indiaanen, welke gestaadig de Negers hadden komen ontrusten, in assche was gelegd: en terstond, na dat de Rebellen van daar gedreeven waren, een Verschanssing doen opwerpen, als mede het gezigt rondom de Woningen opgeruymd.

Onder de voornoemde zeven en twintig Gevangenen bevond zich een Neger Vogel genaamd, die volgens het zeggen van Renaud, de tweede Capitein onder de Rebellen was geweest en het bevel op de Savonette gevoerd had. Men vernam van gemelden Renaud ook veel byzonderheden nopens den slechten staat daar de Rebellen zich in bevonden, en welke middelen zy van gedachten waren in 't werk te stellen, om de vervolging der Blanken te ontkomen: 't geen aan den Gouverneur licht gaf om eenigermaaten zyne Maatregelen daar na te kunnen neemen: waaröp hy, benevens de Neger Vogel, op de Bark de Hoop in zekerheid gebragt werd, om naar beneeden gevoerd te werden, terwyl de overige Gevangenen op de Savonette, wel bewaakt zouden blyven, om voor het Commando aldaar Cassavebrood te bakken en Kilthum te stooken; wyl men met dezelven voor eerst geen naderen weg wist.

De Colonie dus verre van Rebellen gezuiverd, en de gemeenschap over de geheele Rivier, van de Savonette tot aan den Zeekant toe, open gemaakt zynde, verzocht de Engelsche Lieutenant Smith om met zyne onderhebbende Manschappen (onder welke eenige Zieken waren) over Berbice te Water naar Demerary te rug te keeren: dat hem werd toegestaan, en ten dien einde hem een Vaartuig zoude bezorgt werden. De Gouverneur nam vervolgen het besluit dat op Savonette een Bezetting zoude blyven van vyf en veertig Man zo Soldaaten als Matroozen, onder het bevel van den Commandeur Stavorinus: wyl de Lieutenant Crombie van meerder dienst in Wikkie geoordeeld werd, en derwaards met den Gouverneur zou vertrekken. Voorts dat de Bark de zeven Provincien zou bemand blyven met twee en dertig Koppen, de helft Soldaaten en de helft Matroozen, onder gezag van twee Zee Officieren, en voor die Plantagie blyven post houden, tot nadere Order.

Dit alles dus besteld en de noodige bevelen gegeeven zynde, begaf de

[p. 483]origineel

Gouverneur zich aan boord van de Bark de Hoop, en nam op den 31sten December de te rugreise weder aan. In het afdryven telde men van de Doodgeschotenen drie en twintig Lichaamen, die in de Rivier dreeven, waar onder één Blanken, zynde, volgens het zeggen van den gevangenen Renaud, den Soldaat Jean Pierre, die met nog een andere van de Dageraat (zo als door ons te vooren verhaald is) weggeloopen was, en welke in 't begin van het Gevegt op de Savonette mede gesneuveld is.

Voor de Plantagie goed Fortuyn en goed Land, (daar men onder Watereen Cano met Goederen ontdekte, die opgehaald en meest uit graauw Linnen bestaande aan boord gebragt werden) vernam men geen Negers, maar op 't Padt, waar langs zy gevlucht waren, vonden de Loopers verscheidene Kleederen en eenig Brood liggen. Ter zelver tyd kwam bericht, dat aan het geweezene Fort een Negerin gevangen was, en dat het Commando onder den Sergeant Schreuder op de Johanna mede acht en dertig Stuks zo Slaaven als Slaavinnen had opgedaan, waar van de meesten zich vrywillig hadden overgegeeven; aan het Oorlogschip van Capitein van Oyen waren ook eenigen door den getrouwen Neger Abram opgebragt. Ook meldde de Commandeur Huygens dat hy met de Barkas in de Kreek Wikkie gestaadig kruiste en telkens ontdekt had dat de Rebellen zich daar in de Bosschen schuyl hielden, en dat, om dezelve te ontrusten, dagelyks eenige Manschappen van Hardenbroek over Land werden uitgezonden. Langs deeze Kreek, die geheel tot in de Bovenlanden van de Corentyn loopt, zochten het de Rebellen (nu zy langs de Rivier Berbice niet weg konden) te ontvluchten, maar de uitgangen in dezelve door een menigte van Indiaanen, ondersteund met Militie uit de Corentyn wel bezet zynde, werd hen zulks onmogelyk gemaakt.

Vervolgens voor de Plantagie Debora komende, ontving de Gouverneur een Brief van den Colonel de Salve, meldende dat hy met zes Transportschepen, ophebbende zes hondert Man Staaten Volk, binnen en voor de Rivier de Berbice was aangekomen; tevens zyn verlangst betuigende om met den Gouverneur en Capitein Haringman onderling te raadpleegen nopens de schikkingen die men zoude neemen. Waaröp by Missive gemelde Colonel werd verzocht om de Rivier op te vaaren tot aan de Kerk, dat

[p. 484]origineel

aldaar nog verscheidene Gebouwen stonden om een goed gedeelte van deszelfs Troepen, benevens den Mond-voorraad in te kunnen plaatsen.

De aankomst deezer hulptroepen was den Gouverneur aller aangenaamst doordien het Volk, werkelyk by de onderneeming zeer vermoeid en afgemat zynde, nu de noodige rust zoude kunnen genieten, te meer, wyl de Rebellen niet alleen genoegsaam tot het uiterste gebragt waren, maar dezelve nu ook alle gelegenheid tot ontkomen was benomen, zodaanig datze, als in een Fuyk gevangen zittende, zich binnen een korten tyd of zouden moeten over geeven, of door honger en gebrek omkomen.

Waar na men voor de Kreek Wikkie ten Anker kwam, alwaar de Gouverneur op het Oorlogschip van Capitein van Oyen overstapte, en daar aan boord vond aangekomen de Dogter van zekeren Planter, welke Juffrouw verhaalde dat zy de Rebellen eindelyk ontvlucht was, en dat zy, na in groot Levensgevaar eenige dagen door de Bosschen gezworven te hebben, een muitende Neger Chocolaat genaamd, ontmoet had, die haar, (onder beloften dat zy voor hem vergiffenis zou verzoeken) in een Corjaartje aan 't voornoemde Oorlogschip gebragt had; zy deede ook een beschryving van menigvuldige grouwelstukken en byna ongelooflyke dingen die door de Rebellen bedreeven waren, en zeide verders dat de meeste Colonie Slaaven goed en welgezind bleeven; dat de zogenaamde Gouverneur Atta de Kreek Wikkie zeer hoog was opgegaan, om over het breede Water in Canje te komen, en dat onder de Rebellen groot gebrek aan kost was.

Nu en dan kwamen verscheidene Negers met Vrouwen en Kinderen in hunne Corjaaren zich vrywillig overgeeven, die eenpaarig bevestigden de Elende en groote Noodtdruft die 'er onder de Rebellen was: men besloot, ten einde dezelve nog meerder te benaauwen, dat de Barkas, benevens twee gewapende Sloepen, en een Cano, met een Commando van vyftig Man onder den Lieutenant Crombie de Kreek Wikkie zouden oploopen, zo hoog als doenlyk was, werdende voor zeven dagen met Mondkost voorzien: blyvende op Hardenbroek tot Bezetting een Sergeant en veertien Gemeenen,

Onderwyle werd Capitein Haringman, vermids zyne aanhoudende Ziek-

[p. 485]origineel

te, in een Tentboot naar deszelfs Schip gevoerd: waar na bericht kwam van den Colonel de Salve dat zyne Schepen te veel om den Westhoek waren geraakt om met de eerste Springvloed te kunnen binnen komen, en dieshalven aan den Gouverneur verzocht te willen afkomen, om met hem over de gesteldheid der zaaken, en 't geen diende verricht te werden, in gesprek te treeden. Waaröp de Gouverneur aan boord van de Bark de Hoop ging, en voorts naar Beneeden afzakte. Voor de Kreek Wironje komende, vond hy het gestelde Commando aldaar in een Ziekelyken staat en maar tien gezonde Manschappen hebbende, van welke hy vernam dat in die nabuurschap geen Rebellen meer bespeurd werden.

Van daar by Wessouburg naderende, zag men de Negers van die Plantagie aan den Waterkant staan, smeekende dat men hen, als welgezinde, en geen kwaad bedreeven hebbende Slaaven, toch wilde over neemen: waaröp dezelven in een Cano met eenige Manschap afgehaald, en aan boord gebragt werden, alwaarze een uitermaaten vreugde lieten blyken; zynde meestendeels Creoolen van Wessouburg, twee of drie van het Fort, en eenige van de Johanna; zy verhaalden dat de Rebellen hen met geweld onder hunne magt gebragt, en hun Meesterknegt jammerlyk vermoord hadden; als mede dat zy door dezelven aldien tyd zeer mishandeld waren geworden, doch dat zy, zo dra zy kondschap van het opvaaren der onzen hadden gekreegen, de Rebellen ontvlucht waren, en sedert in de Bosschen huisgehouden hadden. Ook meldde de Sergeant Schreuder dat het getal der opgebragte Slaaven op de Johanna tot acht en vyftig was vermeerdert, naamelyk drie en dertig aan de Colonie, en negentien aan Particulieren behoorende.

Voor la Solitude gevorderd zynde, kwam 'er tyding dat de zes Transportschepen binnen de Rivier waren, en dat de Colonel de Salve met twee van dezelven reeds tot de Dageraat opgeloopen was, alwaar voornoemde Colonel den Capitein Haringman ontmoet had, en, denzelven spreekende, had voorgeslagen om een sterken Post te plaatsen op of boven de Plantagie de Savonette, een tweeden om de Rivier en Plantagiën in Canje te dekken, en een derden te stellen by de Gereformeerde Kerk; en van die Posten van tyd tot tyd te doen patrouilleeren; als mede om het Staf-

[p. 486]origineel

quartier te plaatsen by het geweezene Fort Nassau: het welk door Capitein Haringman was goedgekeurd.

Vervolgens, na een poos vertoevens voor de geweezene Stad, (daar Capitein Bisdom zich by den Gouverneur aan boord voegde, en Capitein van Oyen zich reeds bevond, zynde te gelyk van Wikkie vertrokken) verder afzakkende, vernam men dat de Colonel de Salve met drie Schepen niet verre van de Hoofdplantagie ten Anker lag. Waaröp de Gouverneur benevens de Capiteinen Bisdom en van Oyen zich derwaards met een Sloep lieten brengen, en by den Colonel de Salve aan boord kwamen. Hier werdt onderling beslooten om den Post in Canje, zo spoedig mogelyk, te bezetten, en ten dien einde aan drie Compagnien onder den Mayor Pusch ordre gegeeven zich gereed te houden om derwaards te trekken. Teffens werd de Lieutenant Colonel Douglas gelast te blyven liggen aan den Post St Andries, en de noodige Mond-en Krygs-behoeften voor den Post in Canje in kleine Vaartuigen te doen laaden en met den Lieutenant Mekern, een Bombardier en eenige Artilleristen, de Rivier van Canje op te zenden naar Stevensburg, welke Plantagie door de Colonie Troepen bezet was, maar nu door het voornoemde Detachement stonden afgelost te werden: en vervolgens met zyn Schip op te komen.

Waaröp de Gouverneur met de Capiteinen Bisdom en van Oyen, benevens de Ingenieur de Vrye naar de Bark de Hoop te rug keerde, en met dezelve de Rivier weder opliep tot aan de geweezene Stad, daar zy aan Land gingen, om op te neemen of men bekwaamlyk by het Fort Nassau, als midden in de Colonie aan de Rivier, en maar drie Uuren van Canje, gelegen, zich zoude kunnen neder slaan, en, niettegenstaande daar niet dan afgebrande en vernielde Gebouwen stonden (behalve de Luthersche Kerk en Predikantshuis) het Stafquartier aldaar oprichten; het welk, na wel bezigtigd te zyn, doenlyk werd bevonden en goedgekeurd, en diesvolgens last gegeeven de Loges tot Magazynen, waar toe het Houtwerk in de Schepen was geladen, ten spoedigste op te slaan tegens over de Luthersche Kerk, welke voor een Gasthuis zoude dienen; en voorts de Savaan achter deeze Kerk schoon te maaken, om op dezelve de Hutten, tot berging der Troepen, op te richten. By een nader besluit werd

[p. 487]origineel

de Mayor de Brauw gelast om met vyf Compagnien de Posten aan de Kreeken Wikkie en Wironje, en die op de Plantagie de Savonette te gaan bezetten, en de Troepen aldaar af te lossen. Voorts werden, ingevolge het gemaakte Ontwerp, de Bezettingen geplaatst in deezer voege.

Vier Compagnien van het Stafquartier by de geweezene Stad Nieuw Amsterdam.

Drie Compagnien, onder den Mayor Pusch, in Canje.

Een Compagnie in de Wironje-Kreek by de Gereformeerde Kerk.

Drie Compagnien in de Kreek Wikkie.

Een en een halve Compagnie op de Plantagie de Savonette.

En op deeze Posten de Artilleristen, Chirurgyns, en vereischte Behoeftens en Medicamenten verdeeld, met last om de vrye toegang van alle die Posten met het Stafquartier, en langs de Rivier, door geduurige Rondes open te houden.

Dus, deeze ordres gesteld, de Rivier, beneden het geweezene Fort, van Rebellen gezuiverd, en dezelve uit malkander verstrooid zynde, zo datze met geen merkelyke groote Benden by elkanderen konden vergaderen: bevond men zich genoegsaam in staat de Colonie te dekken tegens de Invallen der Negers, en dezelven ten eenemaal ten onder te brengen: weshalve de Heeren Zee Capiteinen, ter bespaaringe van onnoodige kosten, voorstelden de drie Oorlogschepen te doen afzakken en weder naar het Vaderland te doen vertrekken. Deeze Voorstelling werd door den Gouverneur Hogenheim terstond goedgekeurd: doch den Colonel de Salve, alvoorens daar in toegestemd te hebben, maakte veele zwaarigheden, en was van begrip dat de Oorlogschepen blyven moesten, om als Uitleggers, of als Fortressen op de Rivier geplaatst te werden: maar hier toe konden de Transportschepen dienen, en dus was het geheel onnoodig, om de Oorlogschepen langer in de Colonie te houden, te meer wyl de zaaken zo verre gevorderd waren, dat men schier weinig of niets meer voor de Onderneemingen der Rebellen te vreezen hadde.

Vervolgens vertrok de Gouverneur met de Bark de Hoop weder naar Beneeden, en kwam den 9den January voor de Dageraat aan, daar hy het Schip van Schipper Kamp, door de Ziekte, in een reddeloozen staat

[p. 488]origineel

vond, als mede genoegsaam al het Volk op de Dageraat. Hier door raakte men in verleegenheid, die te grooter werd nademaal de Ziekte wyd en zyd heviger begon te woeden, en dagelyks verscheidene in 't Graf sleepte.

De Lieutenant Crombie berichtte, dat hy de Kreek Wikkie niet hooger dan vyf Dagreizens hebbende kunnen opvaaren, vermids dezelve door afgekapte Boomen versperd was, daaröp was te rug gekeerd, en met zes gevangene Negers op Hardenbroek aangeland; zynde onderweegs door zyne byhebbende Indiaanen eenige van de Rebellen dood geslaagen en veelen van derzelver Pleysterhuisjes vernield. Op de Johanna en meer andere plaatsen kwamen de Negers in menigte zich vrywillig overgeeven; waar door de magt der Rebellen geduurig afnam.

Aan boord van het Stafschip kwam een Capitein der Indiaanen met nog een van zyn Volk, welke verhaalden, dat zy boven de Kreek Wikkie woonende daar een schermutzeling hadden gehad met de Rebellige Negers, en tien van dezelven hadden doodgeschooten, hebbende de overige voor hen de vlucht genoomen naar Wikkie; verzoekende om eenig Kruid en Kogels; het welk hen de Colonel de Salve deed geeven, daarby voegende een Vereering van Kraalen, Messen, Spiegels en andere kleinigheden, wyl de Indiaanen de Wapenen tegens de Rebellen hadden opgevat en dezelven alom vervolgden. (Het geen een groot voordeel voor de Colonie tot demping van de Opstand geweest is) Op het zeggen van de voornoemde Indiaanen, zond de Colonel de Salve ordre aan den Mayor de Brauw, commandeerende het Detachement naar die Kreek geschikt; allen mogelyken spoed te maaken, en dan dertig of veertig Man onder den Capitein Commandeur Perrin de Salleneuve op de Negers af te zenden.

Om het Volk tot de Togten aan te moedigen, werd den 13den January ordre gegeeven dat alle Buit die door de Detachementen veroverd werden, naar het Stafquartier moesten opgezonden werden, om volgens de ordre van den Lande te werden verdeeld: teffens werd daar by gevoegd (op verzoek van den Collonel de Salve) de Resolutie der Regeering van de Colonie, op den 8sten May 1763 genomen, nopens de verdeeling der Buitgelden, de Premien op het dooden en gevangen neemen der Negers, Negerinnen en Kinderen, en mede van hunne Opperhoofden, mitsgaders

[p. 489]origineel

de Belooningen voor de geenen die door den Vyand mogten verminkt werden.

De Colonel de Salve bekwam tyding van den Mayor de Brauw op de Post Hardenbroek by de Kreek Wikkie, dat op den 18den January een Neger, vrywillig by de onzen overgekomen, bericht had, dat Atta met een groot getal Negers zich achter de Plantagie goed Land en goed Fortuin van den Heer Kunckler had neêrgeslaagen: waaröp de Capitein Commandeur Perrin de Salleneuve benevens de Lieutenant de Vrei zich had aangeboden om te ontdekken waar de Negers zich ophielden; die dan ook met een Sergeant, een Corporaal en een en dertig Vrywilligers derwaards werden gezonden in een gewapende Barkas, en onder het geleide van gemelden Neger die hen voor Gids zoude dienen: gemelde Perrin op de Plantagie van Kunckler geland zynde, trok recht door dezelve op de Savaan aan, liggende in 't midden van deeze Savaan een Boschje waar in de Negers zich onthielden; de Leidsman, ziende Rook in het Boschje opgaan, wenkte hen dat de Vyand voorhanden was; waaröp het Detachement in alle stilte naderde en eindelyk Vuur gaf; op 't welke de Negers een groot geschreeuw maakten, en zich, over de Savaan, in het daar achter gelegene groote Bosch begaven. Hier werd een aanzienlyk getal Vrouwen en Kinderen gevonden, benevens eenige Buit van Zilverwerk, Linnen en Wollengoed dat de Negers op de Plantagiën geroofd hadden. De Lieutenant de Vrei en de Sergeant oordeelden dat men zich met den Buit en Gevangenen moest te vreeden houden, en, aangezien het klein getal der onzen, de Negers niet vervolgen. (Intusschen dat zy daar een weinig rusten, kwam de Heer Pichot, Lieutenant ter Zee, met eenige Manschap van de Snaauw de Zephier, benevens eenige Verversching voor het Volk: welke Salleneuve by zich hield, maar de Manschap met de gevangene Negerinnen en Kinderen te rug stuurde) Doch Capitein de Salleneuve (laatende een Corporaal en vier Man by den Buit) gebood met al te veel stoutheid de Negers in het groote Bosch aan te tasten; alwaar ons Volk hun meeste patroonen in het wilt verschooten: de Capitein hier van door den Sergeant bericht, gelastte het overgebleevene Kruid en Lood te verdeelen, wyl sommigen twee en anderen een schot over had-

[p. 490]origineel

den, en te rug te trekken, het welk in goede orde geschiede; maar de Rebellen by het aftrekken hun gering getal bemerkende, vielen met groote verwoedheid op het kleine Bosch aan, dat de onzen genoodzaakt werden, met achterlaating van hun gemaakten buit, te verlaaten. Capitein Salleneuve beval het Volk allen mogelyken spoed te maaken, en, zelve de laatste voorttrekkende sloot het Corps in goede orde van achteren op: hy werd (volgens het zeggen van eenigen) met twee Kogels tusschen de schouders en vervolgens in den enklauw geschooten, waar door hy onder de voet geraakte en in handen der Negers verviel; een Soldaat verhaalde gezien te hebben, dat hy op zyne Kniën met gevouwen handen om quartier vraagde, doch dat een Neger hem by het Hair gevat, en met een Kapmes het hoofd had ingeslaagen, en dat hem vervolgens de Buik werd opgesneeden, het hart uit het Lyf gehaald en hem in het aangezicht geworpen. Dat hy gekwetst is geworden is zeker, maar op hoedanig een wyze, en op wat plaats van zyn Lichaam, zyn de berichten allen verschillende geweest, waarom het zeer vermoedelyk is, dat het alle gissingen zyn, en door niemand is gezien geworden, dat nog te meer waarschynelyk is, dewyl gemelde Capitein achter zyn Corps op geslooten heeft. En nopens de verdere omstandigheden, van dat hy op zyn Kniën om quartier zoude gesmeekt hebben, en vervolgens hoe hy om 't leeven gebragt is, daar van zyn nooit echte berichtten aan den Colonel de Salve noch aan den Gouverneur van de Colonie ingekomen.

Zy vervolgden by aanhouding ons Volk tot op de Plantagie van Kunckler, alwaar zy hen, met geweld, aanvielen, maar de Capitein Sieburg, op dezelve geposteeert, ontving hen zo wel dat zy genoodzaakt werden hals over kop, met verlies van eenige Dooden en Gekwetsten; te rug te trekken.

De Mayor de Brauw dit ongeluk verstaan hebbende, zond den Lieutenant en Adjudant Ribbers derwaards, die in het opvaaren verscheidene Soldaaten van Capitein Salleneuve aan den Waterkant in de Bosschen vond, daarze zich in verborgen hadden, (het geen doet zien dat de aftogt in groote wanorde geschied is) welke hy in zyn Vaartuig mede nam, voorts gaf hy verslag van het voorgevallene. De voornoemde Mayor zond, terstond den Capitein Blank om in plaats van Salleneuve te commandeeren.

[p. 491]origineel

Op deeze Tyding zond de Colonel de Salve den Capitein Hamel met de Lyf Compagnie naar den Post Hardenbroek, dien zy eenigszins versterkt hadden met Vriesse Ruiters en met Hout en Steenen verschanst, zynde twee Stukjes Kanon en vier Draaibassen op zekere hoogtes geplaaatst.

Vervolgens schreef hy aan den Gouverneur Hogenheim en Capitein Haringman dat dewyl de Rebellen nog magtiger waren dan hen was opgegeeven hy verzocht, dat de Schepen van Oorlog nog niet mogten vertrekken, veel min Capitein van Oyen van zyn Post geroepen werden.

Waaröp door den Krygsraad der Zee Officieren, vermids de menigvuldige Zieken, werd beslooten, dat de twee Schepen van de Capiteinen Haringman en Bisdom zouden vertrekken, en de Snaauw van Capitein van Oyen, voor als nog, in de Berbice blyven, met last, echter, om zyn Post aan de Kreek Wikkie te verlaaten en aan den mond der Rivier af te zakken: maar welke vervolgens bevel kreeg (op verzoek van den Gouverneur van Essequebo) naar Demerary te vertrekken. Terzelver tyd werden uit den dienst ontslagen de drie Transportschepen de George Hendrik, de Vrouw Susanna, en de Samuel Galey, blyvende de drie overigen in de Colonie, welke hunne vaste Posten in de Rivier hielden; zynde het zevende Proviandschip ten eersten na deszelfs ontlading ontslagen: ook werden de twee St. Eustaciaansche Barken afgedankt, en vervolgens de Surinaamsche Militie, op aanhouden van den Gouverneur aldaar, verlof gegeeven naar huis te trekken.

Ondertusschen kwamen gestaadig alom meer en meer Negers tot de onzen over, welke meestendeels by het Stafquartier te werk werden gesteld: twee getrouwe Colonie Negers bragten een Bok, Cupido genaamd, (die in vroeger tyd van Cofsy gebruikt was om de Brieven aan den Gouverneur te brengen) welken zy achter het Fort in 't Bosch hadden gekreegen: hy verhaalde dat de Rebellen zich van malkanderen scheiden en in menigte uit de Kreek van Wikkie afkwamen, zich overal aan de Rivier verdeelende, om kost te zoeken; wyl allerlei soort van Ongediertes hun eenigste spyze was.

De Sergeant Schreuder op de Johanna berichtte dat hy weder in de zestig

[p. 492]origineel

Negers had opgedaan, zo gewillig als gedwongen, waar onder sommige met Geweer, en dat hy 'er nog veele op het spoor had; voorts dat een groote menigte in de Bosschen voor hem gevlucht waren, die zich weigerden over te geeven. (Hier uit kan men afneemen hoe groot de verslagenheid was daar de Rebellen zich in bevonden, en geenszins meer te duchten waren, vermids zy in zulken grooten getale genoodzaakt werden zich te moeten over geeven aan zo een klein Detachement als dit was, slechts bestaande in een Sergeant en zes Gemeenen) De Colonel de Salve zond terstond hierop een Commando van het Fort op hen af, onder het geleide van de voornoemde twee trouwe Negers en den Bok Cupido voor wegwyzers; gelastende aan den Sergeant Schreuder de Gevangenen aftezenden, ten einde de goeden tot den arbeid te gebruiken, en de kwaaden in sterker bewaaring te neemen; welke vervolgens aankwamen. Onder dezelven bevond zich een Neger, Bouseraantje genaamd, die beschuldigd werd, van zyn Meester den Heer Perret benevens de Heer Carles de hoofden afgekapt, en, na dat hy met dezelve gedanst had, in het Vuur verbrand te hebben: deeze Booswigt werd met eenige andere Negers die op ons Volk hadden geschooten, en met geweld waren gevangen genomen, in de Boeyens geslooten.

Vervolgens vernam men, dat een groote hoop Negers hun Opperhoofd Atta in de Bosschen van Wikkie hadden verlaaten, en zich neêrgezet in de Kreek Cimbia op of by de Plantagie de Eenzaamheid, alwaar ze nog eenige Paarden vindende dezelve geslagt en opgegeeten hadden. De Heer de Salve zond ten eersten een Detachement van twee Officieren en dertig Gemeenen op hen af, het welk den weg nam langs de Savaanen tot op een half quartier Uurs van Cimbia aan een klein Kreekje, Addabe genaamd, om aldaar te vernachten, en door den Mulat Hendrik Broer, die voor Gids mede ging, de gelegenheid te laaten bespieden, en zo zy de Rebellen ontdekten dezelven met het aanbreeken van den dag te omsingelen en op 't Lyf te vallen: onderricht zynde dat de voornoemde Plantagie de Eenzaamheid op een Kruispadt in het midden van veele wegen, die van Wikkie zich derwaards overal verspreiden, was liggende; besloot hy verders aldaar een vasten Post, by wyze van Brandwagt, te leggen, en dezelve

[p. 493]origineel

om de acht dagen te doen aflossen, ten einde op de Muiters daar een waakend oog te houden.

Midlerwyl ontving de Mayor de Brauw tyding van Capitein van Oyen, dat een Neger van Atta, en een van Quacco en Baubé was overgekomen, zeggende dat zy wisten waar die Opperhoofden gelegerd waren: dat indien de Mayor eenig Volk wilde zenden, hy (Capitein van Oyen) bereid was daar eenige Manschappen by te voegen.

Waaröp de Capitein Hamel met twee Officieren, drie Sergeanten, een Tambour en zeventig Gemeenen werd gecommandeerd, met en benevens honderd Man met hunne Officieren, welke Capitein van Oyen daar by voegde; zo dat, dit Detachement bestond in vier Officieren, zeven Onder-Officieren en hondert drie en zestig Gemeenen, zynde ieder voorzien met zes en dertig Patroonen, last hebbende om eerst Quacco, en vervolgens Atta aan te tasten.

Hetzelve ging, den 26sten January op marsch; doch een Snaphaan by ongeluk afgegaan, en by de Negers gehoord zynde, deed het Leger van Quacco de Vlucht neemen: dus het onverrichter zaake te rug kwam. Maar vervolgens trok dit zelve Commando onder den Zee Capitein van Oyen van de Plantagie van Kunckler uit, om Atta te bevegten: het ontmoette een Neger met een Snaphaan, waarschynelyk op schildwagt gesteld, welke de wyk nam: toen zy tot aan de Legerplaats der Rebellen, daar het veel Kapmessen en ander goed van weinig waarde vond, genadert waren, koozen de Negers het haazenpad naar het Bosch, daar zy het Corps onder den Lieutenant Hinderson, dat hen vcrvolgde, besprongen, en den Zee Lieutenant Smeds door den Arm schooten: de Capitein van Oyen die vast genaderd was, tastte de Negers in het Bosch aan, die dapper op hem vuur gaven, roepende gestadig Atta, Atta: waar door één der onzen gedood, en één gekwetst werd.

Na dat ons Volk den nacht op de Savaan had doorgebragt, trokken zy des morgens weder het Bosch in, en na een marsch van omtrent zes Uuren, vonden zy een groote Legerplaats der Negers, die zy aantasten, zynde dit maar een Voorpost; welke terstond de vlucht nam na het groote Leger van Atta, die zo dra hy van de aannadering der Blanken bericht werd,

[p. 494]origineel

insgelyks zich op de vlucht begaf. Hier vonden zy een groote menigte Hutten, eenige bereide en onbereide Cassave die zy in het Water wierpen, en veele Snaphaanen die men aan stukken sloeg, eenig Geld, gemaakt Zilver en Goederen waar van zy het beste tot buit maakten, en het overige verbranden; zynde dit de laatste keer dat de Negers in zo grooten getale by malkander zyn geweest, werdende wel op vyftien hondert Koppen begroot.

Op de te rugreis werd het Lyk van den Capitein Perrin de Salleneuve nog gevonden met het bovenlyf boven de grond zitttende tegens een Boom: en een Soldaat van dat Commando, die zig geduurende twaalf dagen met het Sap uit zekeren Boom geneerd had. Zy staaken de Legerplaats daar Capitein Salleneuve de Negers aangetast had in brand, en kwamen vervolgens weder op de Plantagie van Kunckler te rug.

De Negers die zich van Atta verwyderd en in de Kreek Cimbia neergeslagen hadden, verlieten die Kreek, en kwamen zich meestendeels op de Johanna vrywillig over geeven; verlangende om weder op de Plantagiën en by de Christenen ontvangen te worden.

Voorts werden van tyd tot tyd Commando's afgezonden, die zelden te rug kwamen zonder eenige gevangene Negers, Negerinnen en Kinderen; welke ook van tyd tot tyd vrywillig over kwamen, zynde door honger zo uitgeteerd dat zy eerder Geraamtes dan levendige Menschen geleeken.

Inmiddels kwam de Mayor Pusch in Canje te sterven; en de Lieutenant Hamel verwierf als Capitein de Compagnie van voornoemde Mayor: ook werd de Mayor de Brauw gezonden om den Post op Savonette te Commandeeren onder den Oversten Lieutenant Douglas, die het bevel by de Kreek Wikkie zoude voeren, werdende de Bezettingen door brandende Koortsen en sterken Loop zeer afgemat.

De Colonel de Salve, die altoos nog op zyn Schip gebleeven was, voor de geweeze Stad Amsterdam, tot dat deszelfs Huisvesting en dat van de Troepen in gereedheid gebragt was, ging den 24sten January aan Land en heeft zyn Stafquartier aldaar opgerecht en gehouden.

Het Artillery perk bestond in een ronde Cirkel omzet met Vriesle Ruyters, tusschen beide met Kanon beplant, en achter dezelve in het Park met Handmortiertjes.

[p. 495]origineel

De Veldlegering was omzet met vyf Wagten, die allen avonden optrokken gecommandeerd door een Capitein, en naderhand om de Ziektes, door een Onder-Officier; bestaande dezelve in een Frontwagt voor het Camp.

Een dito, op de Rechtervleugel.

Een dito, op de Linkervleugel.

Een dito, aan de Magazynen, die rondom met Vriesse Ruyters voorzien waren.

Een dito, aan het Stafquartier.

Tusschen de Hoofdwagt en de Loges, was een Linie gemaakt, genaamd het Kielspit, en de Grond geslegt voor het Front door de Negers, tot achter de Loges: tusschen de Openingen mogt niets gemaakt werden.

De gevangene Negers naamelyk die van Moord en Brandstichten waren beschuldigd, zond men van tyd tot tyd naar de Dageraat, daar zy in de Boeyens geslooten en bewaakt werden. Een van deeze, die onder de Rebellen voor Beul gediend en verscheidene Christenen op de Peereboom en de Hollandia vermoord had, heeft echter weeten zyn Boeyen los te krygen en te ontkomen; terwyl dat een ander van hen getracht had met een verborgen Knipmesje zich zelfs het leven te beneemen.

Ondertusschen begaf zich de Gouverneur, op verzoek van den Heer de Salve naar het Stafquartier, alwaar kort te vooren twee Negers de eene Gousarie en de andere Accara genaamd, (de eerste een der grootste Moordenaars en Brandstichters die by de Negers bekend was) zich gevangen hadden gegeeven; welken door den Colonel de Salve vryheid was belooft indien zy hun best wilden doen om Rebellen te ontdekken en op te brengen. Zy hebben beide hun gegeeven woord gehouden, en, behalve een talryke menigte Negers die zy tot de onzen deeden overkomen, alle de Hoofden of Gouverneurs gevangen genomen.

De Overste Douglas op den Post Hardenbroek in Wikkie zond met twee Indiaanen bericht, dat Atta zich met de zynen over de Kreek Wikkie neêrgeslagen had. Waaröp beslooten werd een algemeene Onderneeming op de Rebellen te doen en hen van drie kanten, namelyk van Canje, van Wikkie en van het Fort, te gelyk aan te tasten: doch terwyl men de noodige schikkingen daar toe beraamde, kwam Accara met eenige Ne-

[p. 496]origineel

gers te rug, zeggende dat in de Bosschen, daar hy deeze had opgedaan, zich nog een menigte van dat Volk ophield, dat zeer genegen maar te beschroomd was om over te komen. Ook werden ter zelver tyd door den Lieutenant Hanewinkel in de vyftig Negers die zich vrywillig hadden overgegeeven, aangebragt; met bericht dat nog een groot getal achter het Predikants huis, en over de Plantagie de Arend zwervende waren: waarom de Gouverneur aan den Colonel de Salve in overweeging gaf, of door het uitvoeren van den voorgenomenen aanslag, of het afzenden van sterke Detachementen, niet somtyds den Negers al te veel schrik zou werden aangejaagd, daar men nu zag, dat ze dagelyks met heele Hoopen uit zich zelfs over kwamen; of het derhalve niet het raadzaamste zoude zyn daar mede te wachten zo lange tot dat de in het werk gestelde Middelen niet meer aan het Oogmerk voldoende zouden bevonden werden, en best was intusschen aan Atta en het gros der Rebellen eenigen tyd te geeven, om zich ergens neder te zetten, en voorts te ontdekken waar dezelven zich onthielden; dan hen gestaadig van de eene plaats na de andere te verjaagen: het welk goed gevonden zynde, vervolgens werd vastgesteld.

Voorts werdt tot voorkoming, zo veel mogelyk, van alle schaades voor de Colonie en de Planters, last gegeeven, om geen Negers neder te maaken, dan die tegenstand boden; maar dat men trachten zoude dezelven alomme te vangen, en op te brengen, of vrywillig te doen over komen, tot welk einde de Gouverneur aan den Neger Accara, een getekende Pas verleende, dat van zulk een goede uitwerking was, dat hy gestaadig met eenige Negers, ja altemets met dertig of veertig te gelyk, te rug kwam. Zo dat het getal daar van zeer sterk aangroeide, zelfs zo, dat het zeer lastig en bezwaarlyk viel dat Volk te moeten onderhouden, niet weinig toebrengende tot het verminderen der Levensmiddelen en Medicamenten. Om welke reden werd beslooten, dat men de Schuldigsten zoude straffen of in de Boeyens bewaren; de Colonie Slaaven op de Colonie Plantagiën plaatsen, en aan de particuliere Planters, zo veel daar waren: de hunnen onder Handschrift, en beloften van wedergeeving, des gevorderd werdende, over te geeven, naamelyk aan een Planter die meer dan twintig Slaaven heeft gehad zo Mans als Vrouwen en Kinderen, de helft, echter ongehouden in twee, vier of zes min of meer.

[p. 497]origineel

Intusschen bekwam de Overste Douglas ordre van het Stafquartier om een Capitein met eenige Manschap te zenden naar de Plantagie Oosterlee, dewyl men onderrecht was dat zich achter dezelve veele Rebellen ophielden. Deeze Capitein zoude twee Officieren met eenig Volk op die Plantagie vinden, die derwaards van de Staf waren gezonden.

Capitein Mayboom berichtende dat tusschen zyn Post in de Wironje en de Peereboom achter de Kerk, nog een groote hoop Negers werd vernomen, waar van de Hutten, Kost en Huisraat door zyn Volk vernield waren, werdt mede een Officier met twaalf Gemeenen afgezonden, om van de Peereboom langs de Savaan naar de Kreek Wironje de Ronde te doen, daar hem een ander Officier met gelyk getal Manschappen van de Cornelia Jacoba tot bystand zoude te gemoet komen; bevel hebbende om de Rebellen aan te tasten en al wat tegenstand mogt bieden neer te Sabelen. Ook meldde de Sergeant op de Johanna dat daar omstreeks ook nog veel kwaad Volk schuilde, die zich niet wilden overgeeven en op het zien van de onzen naar de Bosschen vluchtten.

Alzo men zeker wist dat de meeste magt der Rebellen, en Atta insgelyks zich ophielden tusschen het Stafquartier en Wikkie, en weinige, ten minsten geen kwaadwillige Negers, meer in Canje waren; zo werd één der drie Compagnien van den Post op Stevensburg naar het Stafquartier door den Colonel de Salve opontboden; welke voorzorge hy des te noodzaakelyker oordeelde, vermids het groot getal Negers, dat zich zo aan het Stafquartier als op de Dageraat bevond, zynde in veertien dagen tyds, en wel het meeste door de Detachementen, die in de buitenstreeken van de Plantagie Oosterlee, Atta onophoudelyk op de hielen zaten, omtrent de acht hondert Stuks aan het Stafquartier opgezonden, waar onder verscheide voornaame Belhamels en Officieren der Rebellen waren als de Broeder van Atta, en één van zyne Lieutenants, Quabi genaamd, die geboeid naar de Dageraat werden overgebragt, zo als naderhand mede is gedaan de gevangene Neger Capitein Quacco, en alle die van veel en grof kwaad betigt, of met geweer by zich zyn gevangen genomen.

De Lieutenant Colonel Douglas meldde onderricht te zyn, dat achter de Plantagie Engelenburg zich zoude ophouden een Bende Negers, Con-

[p. 498]origineel

goos genaamd, die alle andere Negers die zy bekwamen, opaaten: echter dat een Neger Capitein Baubé, die door ben gevangen was, dat Lot niet hadde ondergaan, om dat hy een Opperhoofd was, maar dat ze zyn Vrouw hadden opgegeeten.

Inmiddels werd door de berichten van de gedetacheerde Capiteinen Blank, Mayboom, La Croix en van den Lieutenant de Borguies meer en meer bevestigd dat die Congoos of eigenlyk Guango Negers, zich ophielden achter en omstreeks de Plantagiën Engelenburg, Landskroon, Markey en de Peereboom; met byvoeging dat zy zich verschanst, en de toegangen bestrooit hadden met Voetangels, gemaakt van een soort van Riet van een en een half Voet lang, Putuaalen genoemd, aan weêrskanten scherp met de punten voorwaards in den grond gestooken, welke de aannadering der Soldaaten beletten, die daar mede gekwetst zynde zeer vuurige en ontstooke wonden kreegen: als mede dat ze andere Negers gevangen krygende, die vet waren, slagteden en opaaten. Ter zelver tyd kwam naricht dat de Directeur van Landskroon door die Negers was overvallen; dat hy sterk gekwetst was, en dat ze zyn Wooning vernield, zyn Levensmiddelen geroofd, en vyf van zyne Negerinnen hadden mede genomen.

Op het eerste bericht van alle deeze Tydingen, besloot de Colonel de Salve een groote onderneeming te doen tegens de voornoemde Guango Negers: doch bevoorens dezelve uit te voeren, oordeelde hy noodig den Lieutenant Colonel van Brakel met de twee Compagnien uit Canje den 17den Maart naar het Stafquartier op te ontbieden, en in Canje op den Post Stevensburg alleen maar te laaten een Capitein, twee Officieren, twee Sergeanten en dertig Gemeenen: dewyl men aan die kanten geen Rebellen meer verneemende noch te duchten hebbende, deezen Post ook niet langer zo sterk behoefde bezet te blyven. Teffens werd aan den Mayor de Brauw ordre gegeeven om van de Savonette naar het Stafquartier over te komen, ten einde hem te belasten met het uitvoeren van voornoemde aanslag; dewelke op den 21sten Maart bepaald en dus geschikt werd, naamelyk.

Dat de Staf zoude leveren, en naar de Peereboom zenden een Capitein, vier Officieren, vier Sergeanten en vier en veertig Man, benevens twee Barkassen gemonteerd met Bassen, en op ieder twee Artillery bediendens.

[p. 499]origineel

Dat de Overste Douglas, commandeerende op de Post Hardenbroek by Wikkie, zoude geeven en in zyn grootste gewapend Vaartuig na de Plantagie Markey leveren een Capitein, drie Officieren, drie Sergeanten en veertig Gemeenen.

Dat de Capitein Mayboom Commandeerende den Post aan de Wironje, naar de Peereboom zoude zenden een Officier, een Sergeant en zestien Koppen; en, dat den Capitein La Croix, zynde gedetacheert met een Officier, een Sergeant en zestien Man op de Plantagie Oosterlee, zoude vaaren langs de Rivier tot aan de Plantagie de drie Gebroeders, over die van Engelenburg liggende, en zich daar posteeren, om de Rebellen het vluchten over die Rivier te beletten. Voorts werdt gelast, dat alle deeze Troepen moesten voorzien werden met Mondkost voor acht dagen, en zich by ieder Troep van acht Man bevinden drie Negers, als Lastdragers.

Ook werd tot deeze Onderneeming nog gecommandeerd de Lieutenant van de Artillery Sesseler, een Bombardier en acht Kanonniers, mede neemende vier Mortiertjes, Koehoorns genaamd, met de vereischte Granaten en Ammunitie.

Alle de noodige Orders waren dan op dien Voet gegeeven en hoe verder op ieder Post het Volk moest verdeeld werden op de naast gelegene Plantagiën; als mede hoe de Barkaffen langs dezelven in de Rivier zouden kruissen.

Doch de Mayor de Brauw by zyne aankomst op de Plantagie Oosterlee bericht krygende, dat die Negers zich bevonden in een klein Bosch, geplaatst op een Eiland, door een Moeras gemaakt, in een groote Savaan ruim drie Uuren van de Rivier, zo moesten zegt hy, de Schikkingen daar door eenigszins veranderd werden, alzo volgens dit nadere bericht, de Rebellen uit het Cordon, dat men meende om hen heen te trekken, zouden kunnnen uitgeslooten zyn. Hier van gaf hy kennis aan den Colonel de Salve, die zyn voorgesteld Plan goedkeurde, bestaande voornaamelyk hier in: dat dewyl aan de Rivier geen Troepen van dienst konden zyn, alle dezelven zouden werden gebruikt, om in drie partyen verdeeld, het Bosch daar de Rebellen zich in ophielden, van verscheidene kanten te gelyk te doen omsingelen.

[p. 500]origineel

Het geen dus is volbragt geworden in den nacht tusschen den 22sten en 23sten Maart, wanneer voor het aanbreeken van den dag op een Seinschoot door den Mayor de Brauw gegeeven, de aanval begonnen werd met het voorsz. Bosch te beschieten uit de Koehoorns, het welk ten eersten veel verwarring onder de Rebellen veroorzaakte, terwyl ons Volk vast het Bosch inrukte, met dat gevolg, dat het den Capitein of Opperhoofd dier Negers, Accabré genaamd, met de voornaamste van zyne Bende, en over de tachtig Gevangen in handen kreeg, en met hen te rug keerde, zynde na gissing ruim twintig van de Negers doodgeschooten, en vyftig of zestig ontsnapt: doch die kort daar na meestendeels gevangen genomen en opgebragt werden.

Voorts had men hunne Hutten ten getale van vyf en zestig verbrand: tot welke de toegangen zeer moeilyk waren gemaakt, zo door omgehouwene Boomen als door het schuins plaatsen der (voorverhaalde) Voetangels, waar aan de Mayor de Brauw en verscheidene Soldaaten zich hadden gekwetst, zynde anders in deeze Onderneeming geen een van de onzen verlooren noch vermist geworden, doch was al ons Volk zeer afgemat, doordien het geduurende twintig Uuren genoegsaam altyd op de Been geweest was.

De voornoemde Accabré (die, toen hy gevangen werd gebragt, op verzoek der Negers moest werden vastgebonden, wyl zy zeiden dat hy een Tovenaar was, waar aan zy veel geloof sloegen) was een Hoofd van omtrent zes hondert Congo-Negers, en werd na den dood van Coffy tot Capitein van hen gekooren. Hy verklaarde nooit iets kwaads gedaan of eenigen Blanken gedood te hebben of doen dooden (hy is nogthans van het tegendeel overtuigt, en is ten klaarsten by de Informatien dewelke door het Staf genomen zyn, gebleeken dat een Blanken, op zyn bevel van het Leeven is beroofd geworden. De Invasie die kort te vooren, op de Plantagie Landskroon geschied was, waar op zich reeds den Directeur Bagelyn met 'er woon had begeven, en by die gelegenheid zwaar gekwetst werd, was ook door zyn Volk en op zyn ordre gepleegt) en het Commando opgenomen te hebben, wyl hy anders als gemeen Neger had moeten dienen onder anderen; die de Blanken meerder kwaad zouden gedaan

[p. 501]origineel

hebben. Men getuigde van hem, dat hy een schoon en welgemaakt Karel was, hebbende de houding van een Vorst. Toen hy geboeid op de Dageraad aankwam vroeg hem de Gouverneur Hogenheim: Of hy geen Commandant en groot Heer onder de Rebellen was geweest? waaröp hy, met veel deftigheid antwoordde, van Ja; dat hy de Bende gecommandeerd had, maar nu een Slaaf van den Gouverneur was.

Dit soort van Negers voor Menscheneeters gehouden werdende, ondervroeg men de Gevangenen, die van hen opgebragt waren, daar over, welke zeiden dat zy de Negers door hen gevangen genomen, hadden geslagt en opgegeeten; maar van Christenen te eeten een groote afkeer hadden.

Inmiddels had men de te vooren gevangene genomen Negers, op de Dageraat in Boeyens zittende; door, van Gouverneur en Raaden, daar toe gestelde Commissarissen doen verhooren; van welke vervolgens op den 16den Maart by Vonnisse van den Hove, een getal van drie en vyftig werden ter Dood gedoemd, naamelyk, twee en twintig om gehangen, zestien om levendig geradbraakt en vyftien om verbrand te werden: welk Vonnis den volgenden dag op voornoemde Plantagie, achter de Suiker-Moolen is ter uitvoer gebragt. (zynde opgemerkt dat de Negers zo dra zy gehangen werden, daadelyk dood waren.) De overige Gevangenen werden vermids zy overtuigende blyken van hunne onschuld hadden gegeeven, en aan de Muitery geen deel gehad te hebben maar door de Rebellen overweldigd en zeer mishandeld te zyn geweest, wederom ontslagen: en alle de geenen die zich aan geen Moord of Brandstigten schuldig gemaakt hadden, zyn gepardoneerd, of ongestraft gebleeven; schoon het grootste gedeelte zich aan de Revolte had Schuldig gemaakt. Zoo dat zy weinigen uit gezonderd, by alle gelegenheden de Christenen bevogten hadden.

Vervolgens bekwam men van verscheidene kanten, weder een aanzienlyk getal Negers, daar onder sommigen die met geweld gevangen waren: zy gaven eenpaarig verzekering dat het verblyf hunner Makkers in de Bosschen, door het Regengetyde, byna onverdraaglyk was gemaakt en dat, door honger en gebrek, dagelyks veelen van hen stierven.

De Colonel de Salve gaf op den 3den April per Missive kennisse aan den

[p. 502]origineel

Gouverneur Hogenheim, dat dewyl hy door de berichten van zyne Posten, en door de Indiaanen, als mede door een Boode, uit Demerary afgezonden, onderrecht was, dat aan dien kant zo min als aan den anderen geen de minste vrees voor Onderneemingen der Rebellen meer overig was, hy voorgenomen hadde, het grootste gedeelte van zyne Troepen, de Magazynen en Hospitalen naar zich te trekken aan het Stafquartier, en de Posteeringen te stellen op de volgende wyze.

Op de Savonette, een Capitein, twee Officieren, twee Sergeanten, twee Corporaals, een Tambour en drie en twintig Gemeenen, benevens de noodige Artillery bediendens, met last om dezelven, verzeld van eenige trouwe Negers, met een gewapende Barkas langs de Rivier van daar, tot aan de Plantagie van den Heer Kunckler, te laten kruissen.

Op Hardenbroek aan de Kreek Wikkie, een Opper-Officier, een Capitien, twee Onder-Officiers, twee Sergeants, twee Corporaals, twee Tambours en negen en twintig Gemeenen, nevens het vereischte getal Artilleristen, met bevel dat ze insgelyks met twee gewapende Barkassen zouden hebben te kruissen, naamelyk, met de eene tot aan de voornoemde Plantagie van Kunckler, en met de andere tot aan de Plantagiën Engelenburg en Landskroon.

Op Landskroon, een Capitein, een Sergeant, twee Corporaals, een Tambour en dertien Gemeenen, van welken eenigen met getrouwe Negers, gestaadig de Ronde zouden moeten doen, tot aan de Plantagiën Markey en de Peereboom. Deeze drie Posten zouden alle staan onder het gezag van den gemelden Opper-Officier.

Voor den Mond van de Kreek Wikkie, het gewapende Schip de Samuel Galei gevoerd by Paulus Jansen, om aldaar Post te houden.

Aan den Mond van de Kreek Wironje, een Posteering van een Sergeant en vier Man, die van de Post op de Cornelia Jacoba (bestaande uit een Officier, twee Sergeanten, een Corporaal en veertien Gemeenen) zoude geleverd werden; met ordre aan den laastgenoemden Post om dagelyks door eenig Volk tot aan de Johanna te laaten bespieden.

De Plantagie Oosterlee bezet te laaten met de daar gestelde Officier, een Sergeant, twee Corporaals en dertien Gemeenen, en dat die mede de Ronde zouden doen.

[p. 503]origineel

Van het Stafquartier tot aan Engelenburg, zou voorts een gewapende Barkas langs de Rivier gestaadig blyven kruissen.

En op de Post Stevensburg, in Canje, tot Bezetting gelaaten werden, een Capitein, twee Officieren, twee Sergeanten, twee Corporaals, een Tambour en acht en twintig Gemeenen.

Met alle welke hoofdzaakelyke Schikkingen, de Heer de Salve oordeelde dat zo wel de geheele Rivier, als de daar langs gelegene Plantagiën volkomen beveiligd en gedekt zouden zyn, te meer, dewyl aan het Stafquartier nog een Krygsbende in gereedheid werd gehouden, om te laaten aanrukken ter plaatse, daar derzelver hulpe noodzaaklyk zoude bevonden werden.

Dewelken eenpaarig door den Heer Gouverneur Hogenheim werden goedgevonden, met betuiging in deszelfs Brief van antwoord, dat ze niet beter konden bedacht werden, en dat hy Gouverneur zorge zoude draagen, (zo als door den Colonel de Salve was verzocht geworden) dat by een Ordonnantie de Planters gelast werden, ter begeerte van de Commandeerende Officieren der Posten, eenige getrouwe Negers te moeten bezorgen, om met de Patrouilles mede te gaan. Zo als dan ook door Gouverneur en Raaden de Ordres daar toe ten eersten afgevaardigd zyn, met bygevoegd bevel, dat de Planters boven dien nog door hunne vertrouwde Negers, de Bosschen zouden hebben te laaten doorkruissen.

Aan het Stafquartier kwamen van Boven af twee gewapende Benden Indiaanen, mede brengende elf gevangene Negers, en zestien afgekapte Negerhanden, vertoonende teffens een Stokje met drie en veertig Kerfjes daar op, ten bewyze dat door hen nog zo veel Negers verslaagen en gedood waren. De Colonel de Salve zond deeze Indiaanen uit, om op de Rebellen, achter de Plantagie van Jeremias Broer, jacht te maaken. Wanneer ter zelver tyd, naamelyk den 14den April, by hem, door een Sergeant en zes Man van de Plantagie Oosterlee, werd opgebragt het beruchte Opperhoofd der Rebellen Atta, die (na dat hy reeds eenige dagen te voren door een getrouwen Neger, die hem in een Hut alleen vond, aangegreepen, doch wederom door het toebrengen van een kwetsuur aan denzelven ontkomen was, eindelyk was gekregen geworden in een Bosch,

[p. 504]origineel

door de twee Negers Accara en Gousarie, tegens wien hy zich tot het laatste toe met een Mes in de hand verweerd hadde, en Gousarie, die hem het eerste op het Lyf sprong terwyl hy bezig was iets uit den grond te haalen, ongetwyffeld zoude vermoord hebben, zo Accara niet was toegeschoten, die hem de tromp van den Snaphaan op de borst zette, waar op hy zich overgaf.

Atta, voor den Colonel de Salve gebragt zynde, zeide zonder de minste ontroering van geest, wel te weeten, dat hy den dood verdiend had, doch verzocht alvoorens wat drinken, en een weinig eeten, zeggende voorts dat hy dan zeer graag wilde sterven, daar by voegende-dat men zyn hooft zoude afhouwen, en op een Pen planten, dat daar door de Rebellie zoude gedempt zyn. Hy werd den volgenden dag wel gekluisterd en verzekerd naar de Dagerat opgezonden, daar hy, voor den Gouverneur komende, zich nederig ter Aarde wierp, en zyn Ed. de voeten wilde kussen. Men liet hem terstond opsluiten, wanneer Accabré, die altoos zyn grootste tegenparty is geweest; hem ziende, luydkeels begon te lachen, en den spot met hem te dryven.

De Colonel de Salve door den voornoemden Atta ook vernomen hebbende, dat nog eenigen van zyn Volk, doch zeer weinig in getal, in de Bosschen verstrooid waren, en dat zy wel haast van honger zouden moeten vergaan, liet terstond den Post van Oosterlee versterken tot een Capiteins Commando, als mede op de Plantagie Maria Agnes, plaatsen een Sergeant en twaalf Gemeenen, alzo gezegd werd, dat Baubé, die men meende zich aan het Hoofd der ontvluchte Guango Negers gesteld te hebben; zich achter dezelve ophield.

Doch welke Baubé, benevens twee en veertig Negers, door de meergenoemde twee Negers Accara en Gousarie, na dat deeze vier dagen waren uitgeweest, gevonden, en gevangen is geworden in de groote Savaan achter de Plantagie Landskroon, zynde allen aan het Stafquartier opgebragt in een Barkas, onder geleide van een Officier en vier Man, op denzelfden tyd dat de Heer de Salve ordre had gegeeven om hen op te zoeken. Baubé verhaalde dat de Guango Negers hem wilden opeeten, juyst op het oogenblik dat hy werd gevangen; en men heeft in der daad by het

[p. 505]origineel

vernielen van hunne Huizen en Kost, aldaar oneindig veel Doodsbeenderen, en verscheidene Potten met Negervleesch te vuur gevonden; zo als de Lieutenant Middelaar mede heeft gevonden gebraade Negervleesch in eenige Hutten, die hy over de Plantagie de Arend had ontdekt en verdelgd. Maar deeze Menscheneeters ook verstrooid en overal vervolgd zynde, zyn allen of van zelfs overgekomen of gevangen genomen en opgebragt, en dus t'eenemaal uitgeroeid.

Midlerwyl was op den 27sten April het Hof op de Dagerart byëen gekomen, om Vonnis te wyzen over de Negers, die aldaar gevangen zaten, van welken twee en dertig zynde de voornaamste Hoofden der Rebellen; ter dood werden veroordeeld, naamelyk zes om verbrand, (daar onder Atta) acht om Geradbraakt, (onder welke een Negerin was, Juffrouw Margeriet genaamd, die eenige Christene Vrouwen op de alleryslykste wyze had doen vermoorden, en derzelver bloed uit wraakzucht gedronken had.) zonder den slag van genade, en achttien om gehangen te werden.

De Executie nam den volgenden dag, op de Dageraat, des morgens ten acht Uuren een begin, en was even na den middag geheel volbragt, waar van wy eenige omstandigheden zullen aanhaalen.

Voor Atta was een afzonderlyke Houthoop gemaakt, in wiens midden een Paal stond, waar aan hy met een ketting vast gemaakt werd, in dier-voegen dat hy rondom den Paal loopen konde. De Justitie met hem beginnende, werd hy allereerst aan den Paal vastgemaakt, en hem werden op vier plaatsen een stuk Vleesch met een gloeyende Tang uit het lichaam gerukt; en dit werd hem vervolgens na verloop van ieder half quartier Uurs gedaan, tot 's middags ten twaalf Uuren.

Na dat hy de eerstemaal genepen was, werden acht van zyne Medepligtigen levendig geradbraakt, daar onder het voornoemde Vrouwspersoon. Dit ondier bleef ruim twee Uuren lang op 't rad leven, na dat haar alle de Beenderen waren in stukken geslagen. De Neger Hercules, na dat hy mede geradbraakt was, zyn Meester den Directeur Dell in 't oog krygende, begost hy op denzelven te schelden, hem verwytende dat hy de oorzaak was van zyn ongeluk, alzo hy zyne Negers altoos slecht behandeld, en reden gegeeven had, dat ze aan het Muitineeren geraakt waren.

[p. 506]origineel

Dit verricht zynde, werden 'er achttien opgehangen, waar by 't volgende zeldzaam geval gebeurde, te weten, één der Negers afgestooten zynde, viel van de Galg, vermids de Strop brak, en na eenige minuuten gelegen te hebben stond hy op; rondom zich ziende, zag hy naby zich één der geradbraakte Negers op het rad liggen, waar op hy derwaard liep, en hem uit al zyn magt drie of vier trappen op den buik gaf, uitschreeuwende deeze woorden, Verd...... Hond, 't is jou schuld dat ik moet hangen; dit gedaan hebbende, ging hy zelf de ladder weder op en liet zich gewillig ten tweedemaal ophangen.

Vervolgens werden vyf met klein Vuur verbrand, of om beter te zeggen gebraaden, en geduurig met Tangen geneepen, en een andere stond op den Houthoop en was ten eersten dood; waar na 't Vuur rondom Atta langzaam aangesteeken werd, op dat zyne smerten des te langer zouden duuren; waar door dan ook gebeurde, dat niettegenstaande men omtrent ten elf Uuren 't Vuur ontstak, hy echter nog tot half een Uur bleefleven. Verwonderenswaardig was in deezen, dat zy allen zich hebben laaten verbranden, radbraken, ophangen enz. zonder schreeuwen of kermen. Het eenige, dat Atta sprak, was jegens den Gouverneur, roepende hy dikwyls in zyn Negertaal, myn God, wat heb ik gedaan? de Gouverneur heeft gelyk, ik lyde 't geen ik verdient heb, ik dank hem. Dit was het einde van dat beruchte Monster, wiens bloeddorst en wreedheid den dood aan zo veele Christenen, en het byna onherstelbaar bederf van deeze Colonie heeft te weeg gebragt. Geen minder aanmerking verdiende het, dat ze by het leezen der Sententien, de tyding van hun Straf of Vryspreeking even onverschillig ontvingen.

De overige verhoorde Gevangene Negers, die niet ann Moord of Brandstichten schuldig waren, werden op vrye voeten gesteld. Kort naderhand werd de Neger Baubé benevens nog een groot getal Rebellen allen sterk geboeid, onder het geleide van een Detachement van het Stafquartier op de Dageraat overgebragt, en in de Boeyens geslooten.

De Colonie dus verre van Rebellen gezuiverd zynde, gaf zulks hoop dat men dezelve eerlang in de voorige ruste en veiligheid zoude hersteld zien: de Ingezetenen kwamen ook van tyd tot tyd weder op hunne Woon-

[p. 507]origineel

plaatsen, en het geene 'er aan de Plantagiën zo van de Colonie als Particulieren vernield was, werd allengs te regt gebragt: de onschuldig bevondene Slaaven had men aan hunne Eigenaars ter hand gesteld, weshalve het grootste gedeelte der Plantagiën reeds weder als te vooren werden bearbeid en behandeld, de Planters meenden alles verlooren te hebben; doch veelen van hen bevonden zig buiten verwachting met weinig verlies weder in staat, om de geledene schade door den tyd te kunnen te boven komen; alzo sommigen van hen meest alle hunne Slaaven hadden weder bekomen, alleenlyk beroofd zynde van de Gebouwen, die op de Plantagiën stonden, en andere minder gelukkig, hadden wel veele Slaaven verlooren, doch konden echter met de overgebleevenen voortarbeiden.

Maar onderwylen bleef de woedende Ziekte sterker dan ooit aanhouden, zodaanig dat de drie Hospitaalen en verscheidene Loges aan het Stafquartier als opgepropt met zieke Soldaaten lagen, en geen dertig gezonde Manschappen werden gevonden, om aan de Staf de wagt te betrekken. Waarom de Colonel de Salve genoodzaakt was, en de Gouverneur ook goedvond; om een vermindering in de Posten te maaken, en tot bezetting derzelver te laaten, naamelyk.

Op Savonette een Capitein, een Officier, een Sergeant, een Corporaal, een Tambour en twaalf Gemeenen.

Op Hardenbroek in Wikkie, een Capitein, twee Officiers, een Sergeant, een Corporaal, een Tambour en vyf en twintig Gemeenen.

Op Engelenburg, een Officier, een Corporaal en tien Gemeenen.

Op Oosterlee, een Officier, een Sergeant, een Corporaal en tien Gemeenen.

Op 't Schip de Samuel Galei, dat voor Wironje post hield, een Officier, een Sergeant, een Corporaal, en twaalf Gemeenen.

Op Stevensburg in Canje, een Capitein, een Officier, een Sergeant, een Corporaal, en achttien Gemeenen, t'zamen uitmakende drie Capiteinen, zeven Officieren, vyf Sergeants, zes Corporaals, twee Tambours en drie en negentig Gemeenen.

Bovendien bleeven by Savonette, Hardenbroek, en Oosterlee drie gewapende Barkassen, ieder met vier Roeynegers, om te kruissen; en by

[p. 508]origineel

de Plantagie de Johanna geen Rebellen noch zwervende Negers, zich meer laatende zien, zo werd de Post op dezelve ingetrokken, en geplaatst tot versterking op de Dageraat: alzo de Bezetting aldaar door Ziekte en sterfte mede zeer verzwakt was.

Voorts kwam men onderling nog overëen, dat wanneer de nog gevangen zittende Slaaven zouden verhoord zyn, die geenen, die van hen onschuldig aan grof kwaad werden bevonden, en daar zich geen Eigenaars voor opdeeden gebruikt zouden werden tot dienst van de Troepen, in de Hospitaalen, op de Vaartuigen, Magazynen enz.

De Caraïbische Indiaanen zich boven het geweezen Fort verzameld hebbende, deeden een bezending van twintig Man naar den Gouverneur; zich aanbiedende, om met hunne magt de Rebellen verder te helpen t'onderbrengen. Schoon deeze hulpe wat te laat kwam, vermids de Rebellen meest allen reeds waren t'ondergebragt, en hen de kracht ja zelfs het denkbeeld was benomen, om iets van eenig belang meer te kunnen onderneemen; besloot de Gouverneur met goedvinden van den Colonel de Salve, om echter daar van gebruik te maaken, en hen de Bosschen, om die verder te zuiveren, te laaten doortrekken. Ten welken einde de voornoemde twintig afgezondenen last kreegen, om benevens de twee Vrye Mulatten Hendrik- en Jeremias-Broer, en de Mulat Frederik, die hen voor Gidzen dienen zouden, den weg te neemen van de Dageraat door de Bosschen van de Vigilantie, naar de Plantagie Oostermeer; zich aldaar met de overige Caraïben te vereenigen, als dan te gelyk tot boven de Savonette op te trekken, en vervolgens langs den anderen kant van de Rivier weder te rug te komen. Wanneer het niet missen konde, dat de weinige Rebellen, die zich in dien Omtrek nog mogten verschoolen houden, of dood of levendig in handen van hen zouden moeten vallen.

De voornoemde Indiaanen hunnen Togt volbragt hebbende, kwamen van dezelven zestig of zeventig gewapend met Pyl en Boog, op de Dageraat te rug, om aan den Gouverneur daar van verslag te doen, zeggende dat ze de Bosschen altemaal hadden doorgekruist, en elf Negers gevonden, die door hen doodgeslagen waren, ten bewyze, een stokje vertoonende met zo veel kerfjes daar op getekend; verzoekende daar voor eenige belooning,

[p. 509]origineel

De Gouverneur gaf hunne Capiteinen, die zes in getal waren, ieder een Lap Salempouris, twee Pullen Kilthum, eenige Spiegeltjes en andere snuisteryen tot een vereering, daar mede zy wel voldaan zynde, hunne reis weêr naar boven aannamen.

Aan het Stafquartier waren ook aangekomen drie Capiteinen van de Indiaanen, aan den Colonel de Salve wederom brengende de Geweeren, die hy hen gegeeven hadde om tegens de Rebellen te gebruiken; zeggende, doordien men niets meer in de Colonie te vreezen had, en alles zuiver was, zy hunne Wooningen weder gingen opbouwen en bewoonen, aan de Rivieren en Kreeken, ter plaatse daar dezelven bevoorens hadden gestaan. Zo als mede reeds naar hun Land waren te rug gekeert de Arowaksche en Caraïbische Indiaanen, door den Gouverneur van Essequebo de Heer s'Gravenzande gezonden, welk Volk by twee Partyen in de Maanden February en April in de Berbice gekomen zynde, de Colonie by aanhouding doorkruist heeft, tot dat het Opperhoofd der Rebellen, Atta, was gevangen genomen, wanneer zy meenden van geen dienst meer te kunnen zyn.

Men bekwam den 4den Juny bericht uit Canje, dat achter de Plantagie Frederiksburg door eenige getrouwe Negers met vier Militaire Manschappen gevangen was, de Neger Fortuyn van de Plantagie Helvetia, zynde één der vermaardste Opperhoofden der Rebellen, die door hem by alle de Gevegten tegen de Christenen, waren aangevoerd geweest; maar dat die, zo zeer gevreesde Booswigt naauwlyks op Stevensburg in bewaaring zynde gebragt, des nachts, (terwyl de Schildwagt niet op zyn hoede moet gegeweest zyn) zyne Boeyens had weeten los te krygen, en wederom ontsnapt was. Ook werd gemeld dat in die Rivier nog twee Surinaamsche Slaaven van den Heer A. Crombie, en onder het Complot van Fortuin behoorende, zwervende waren.

Waaröp de Gouverneur beval, dat men hen in de Bosschen door vertrouwde Negers zouden laaten opzoeken; en aan de Planters op de beneden liggende Plantagiën, van op hunne Vaartuigen een waakend oog te houden, op dat die Rebellen geen gelegenheid bekwamen, met een derzelven de Rivier uit te komen.

Doch deeze Neger Fortuyn is benevens de Colonie Neger Prins, door

[p. 510]origineel

Accara en Gousarie, na dat zy eenige dagen waren uitgeweest, achter de Plantagie Helvetia gevonden, en weder gevangen geworden, en sterk geboeid op de Dageraat opgebragt, ter zelver tyd dat van het Stafquartier het Wyf van den voornoemden Fortuyn, en nog drie Rebellen mede gekluisterd aankwamen.

Het onderzoek der gevangene Negers, zo aan het Stafquartier als op de Dageraat, door Commissarissen afgehandeld zynde, vergaderde het Hof op den 15den Juny 1764 om dezelven te vonnissen, wanneer vervolgens een getal van twee en dertig ter dood verooordeeld werden, welk Vonnis aan hen den volgenden dag op de Dageraat is volvoert geworden, en de Vrygesprckene Negers ontslagen, die aan hunne Meesters zyn te rug gegeeven.

Voorts bleeven nog acht Negers, die van Christen moord en Brandstichten waren beschuldigd, in de Gevangenis zitten, om naderhand verhoord te werden.

Eenigen tyd te voren waren de Corentynsche Overlopers, die zo in Berbice als Demerary gevangen zaten; door een Commando van Suriname afgehaald om aldaar te recht gesteld te werden, welke na gerechtelyk onderzoek door den Krygsraad op Paramaribo op den 20sten July 1764, ter Straf-oefening werden verweezen naamelyk.

Johan Carolus Mangemeister, om zyn Rechterhand te werden afgekapt, hem daar mede in zyn aangezicht geslaagen, voorts levendig van onderen op geradbraakt te werden, het hoofd afgeslaagen en het zelve, nevens de Romp op het Galgeveld onder de Galg begraven.

Jean Renaud, om geradbraakt, het hoofd afgeslagen, en met den Romp op het Galgeveld begraven te werden.

Leonard Schuylen, om met de koorde gestrafd, dat 'er de dood na volgt en onder de Galg begraven te werden.

Mathias Deymens, om onder de Galg met de Strop om den hals strengelyk gegeesseld en gebrandmerkt, voorts ten eeuwigen dage uit de Colonie gebannen te werden. (Deeze was mede een Hoofd dier Oproermaakers geweest, en had zyn Snaphaan op Capitein Caunitz aangelegd gehad; doch was na vier Maanden verblyf onder de Negers, weder te rug gekeerd).

[p. 511]origineel

Jacques Montagnon, om twee achter een volgende dagen door de Spitsroeden te werden geleid door honderd Man, en voorts op nieuw vier Jaaren zyn dienst als Soldaat te hernieuwen.

Mathias Fiderei, bleef bevryd van alle lyfstraf, maar moest op nieuw, vier Jaren als Soldaat dienen, en de kosten en misen van Justitie betaalen. (deeze was mede, na vier Maanden onder de Negers geweest te hebben, naar Demerary gevlugt.) Deeze Vonnissen, werden denzelfden dag volvoerdt.

Maar wy wenden ons weder naar de Berbice, alwaar het nu alomme bleek dat de rust en veiligheid, haare vorige gedaante had erlangd: want de uitgezette Posten en rondom gaande Spions zo van Blanken en getrouwe Negers als Indianen, vernamen in de Rivieren, Kreeken, Bosschen, Savaanen, en achter de Plantagiën, geen Rebellen noch omzwervende Negers, zelfs geen spoor van dezelven meer.

Waarom de Colonel de Salve besloot, weder naar het Vaderland te keeren, gevende den 14den Augustus aan Gouverneur en Raaden, by Missive kennis, dat van den Heere Hertog van Brunswyk aanschryvens was gekomen, om met de onder deszelfs bevel staande Troepen naar Europa over te steeken, zo ras de Rebellie in de Colonie van Berbice geheel zoude gedempt, en de Rust in dezelve hersteld zyn.

En vermids het hem volkomen toescheen, dat niet alleen de Rebellie gedempt, en de Muitineerende Slaaven tot gehoorzaamheid waren gebragt, maar ook de Rust en Vrede door de Planters en Ingezetenen derzelver Colonie, met voorige veiligheid werd bezeeten. Zo had hy niet nagelaaten de noodige toebereidselen tot deszelfs Vertrek te maaken, doch, bevorens daar toe over te gaan, goedgevonden den Hove daar van te verwittigen, met verzoek hunne gedachten schriftelyk aan hem te willen inleeveren, zo ten aanzien der t'ondergebragte Rebellie, gehoorzaamheid der te rug gekeerde gemuitineerd hebbende Slaaven, als ook of eenige Directeurs of Planters nog reden hadden, om aan de trouwheid hunner Slaaven te twyffelen, en op wat gronden die twyfelingen steunden; voorts byaldien de Colonie volkomen gezuiverd en in rust werd bevonden, of

[p. 512]origineel

als dan de Troepen van den Staat niet zouden kunnen vertrekken, zonder voorsz. Colonie in gevaar te stellen: eindelyk ingeval de Ingezetenen eenige Goederen mogten ontvreemd zyn; of wangedrag onder de goede ordre, die 'er gehouden was; mogt plaats gehad hebben; men als dan een Commissie wilde benoemen, om deswegens onderzoek te laaten doen.

Waaröp door Gouverneur en Raaden werd geantwoord. ‘Dat de Rebellie ten eenemaale gedempt, en de tranquiliteit en gehoorzaamheid der gerebelleerd hebbende Slaaven, in volkomen rust en stilstand gebragt was. Dat omtrent de vraag, die door den Heer de Salve mede gedaan was, of 'er zich nog Rebellen in de Bosschen zouden kunnen ophouden? Gouverneur en Raaden betuigden, niets daar van te kunnen bespeuren. (dan alleen dat nog een Neger Taffy genaamd, zoude omzwerven, doch dat niet werd getwyfeld of deeze zoude binnen kort gevangen zyn) Dat zy aan de Directeuren en Planters een generaale aanschryving zouden doen, aangaande de getrouwheid hunner Slaaven, met ordre, in geval van achterdocht, die aan de Justitie over te geeven.

En op de Vraag of de Troepes van den Staat niet zouden kunnen vertrekken, zonder de Colonie in gevaar te stellen? was het antwoord van Gouverneur en Raaden. ‘Dat in Consideratie de magt der Militaire Manschap van de Colonie maar een zeer gering getal uitmaakte, en het te duchten zoude zyn, dat de Negers hunne Overwinnaars ziende weggaan, lichtelyk tot de eene of andere kwaade t'zamenspanning zouden kunnen overgaan, Zy Hem Colonel verzochten, een Corps Troepes ten getale van honderd Man sterk, in de Colonie te willen laaten: voegende daar by, Dat de ontvreemding van eenige Goederen, de Ingezetenen toebehoorende; of onbehoorlyke handel onder de goede Ordre, die 'er gehouden was, geen de minste plaats konde hebben, en dat zy, derhalve, het benoemen van een Commissie, tot het doen van het verzochte onderzoek, onnoodig achten: bedankende eindelyk voor de goede gehoude discipline, met aanbieding, des wegens ten allen tyde Verklaaringen te willen geeven.

[p. 513]origineel

Vervolgens werd, volgens de gedaane opgave, bevonden in de Colonie te zyn 1308 Negermans.

1317 Vrouwen.

En 745 Kinderen, behalve nog 116 Blanken.

De Colonel de Salve dus van de herstelde rust in de Colonie verzekerd zynde, zette de noodige toebereidzelen tot zyn vertrek, verder voort; doch de toestand zyner onderhoorige Manschappen was deerniswaardig, zynde zo wel onder de Officieren als Gemeenen, byna geen gezonde; van twaalf zo Opper- als Onder-Chirurgyns was 'er niet meer dan één in staat, dit groot getal Zieken by te staan, en behoorlyk op te passen; het welk door de besmettelykheid der Ziekte veroorzaakt werd.

Op de Schepen was het mede droevig gesteld: van meer dan zestig Man, uit welke de Equipagie moest bestaan; waren 'er naaulyks elf in staat om dienst te kunnen doen, en onder dezelven niet meer dan drie Matroozen.

Weshalve de Colonel de Salve aan den Gouverneur van St. Eustacius deed verzoeken, om een goed getal Matroozen: die hem ten dien einde op het spoedigste vier en twintig Zeelieden met een Bark toezond: doch deeze Bark Schipbreuk lydende tusschen de Eilanden de Granadilles, was 'er een gedeelte van dit Volk verloopen, en de overige met eenige nieuw aangeworvene kwamen eerst den 7den November in de Berbice aan.

Ook kwam ondertusschen het Schip de St. Martin, met Mondbehoeften voor de Troepen verzonden, op den Modderbank voor de Mond van de Rivier de Berbice te stooten, en te vergaan, (hoewel de Lading geborgen werd) van welk Schip de Equipagie werd overgenomen, en op de andere Schepen verdeeld.

Mede lande daar den 16den September des jaars 1764. het Schip de Christina Maria, met Mondbehoeften tot de te rug reize der Troepen geladen; en met een goed getal Zeevolk bemand, van welke eenige op de drie andere Schepen werden overgezet.

Waaröp de Troepen, op den 2den October des zelfden Jaars, op vier Schepen werden ingescheept; welke na veel sukkelens door tegenwinden, en gebrek van hoog water op den Modderbank voor de Rivier de Berbice, niet voor den 24sten November konden in Zee geraaken, met ach-

[p. 514]origineel

terlating van het Schip de Wakkerheid, 't geen, door verlies van Ankers, op een Zandbank gedreeven, daar was vastgeraakt.

De Colonel de Salve was voorneemens naar St Eustacius te stevenen, om zich aldaar te ververschen; doch werd door zwaare tegenwinden genoodzaakt, zynen streek na Curaçao te stellen; alwaar hy den 4den December aankwam, hier zynde, werden de Schepen buiten staat geoordeeld, om, zonder behoorlyke vertimmering; de Reize naar het Vaderland te onderneemen, behalve dat het niet raadzaam was met zo veel ziek en zwak Volk, tegens het kwaade Saizoen naar Europa te zeilen, waarom by genoodzaakt werd, eenige tyd daar te vertoeven, en zyne Zieken aan Land te laaten brengen.

In die tusschen tyd, naamelyk op den 5den January 1765. kwam daar het achtergelatene Schip de Wakkerheid aan.

De Schepen, nu weder in staat gebragt, en de Zieken hersteld zynde, vertrokken zy den 26sten January van Curaçao; doch, weinige dagen daar na, door zwaare Winden van malkanderen geraakt, kwamen zy niet te gelyk maar de eene voor, de andere na in de Maanden April en May in Texel, van waar de Troepen met Lichters naar Bergen op den Zoom, om aldaar Garnizoen te houden, werden gevoerd.

Ingevolge het Verzoek van Gouverneur en Raaden van de Colonie de Berbice, reeds te voren gemeld, had de Colonel de Salve, ter hunner verzekering, aldaar gelaaten.

  1 Mayor.
  2 Capiteinen.
  5 Onder-Officieren
  6 Sergeanten.
  6 Corporaals.
  2 Tambours.
  70 Gemeenen.
  8 Artillery Bediendens.
  1 Opper-Chirurgyn.
  1 Onder-Chirurgyn.
     
Dus te zamen 102 Hoofden

Waar over het Commando voerde de Mayor Fourgeoud; bestaande dit Corps geheel uit Vrywilligen die zich daar toe hadden aangeboden.

[p. 515]origineel

Vervolgens besloot de Gouverneur, om het Gouvernement van de Dageraat voor eerst, te plaatsen binnen de nieuw aangelegde Fortresse by de geweezene Stad Amsterdam, in het Huis dat door den Colonel de Salve bewoond was geweest; wordende de Colonie Bediendens, het Ambachtsvolk, benevens het Geschut en Oorlogsvoorraat, (als mede de acht Doodschuldige Negers,) derwaards vooruit gezonden. Waar na zyn Ed. op den 31sten October 1764, met de Bezetting volgde, en by zyne aankomst aldaar volgens de beraamde schikkingen, op alles behoorlyke ordre stelde.

De voornoemde acht Gevangene Negers nader verhoord, en van Christen Moord en Brandstichten overtuigd zynde; werden door het Hof, op den 14den December, diesvolgens veroordeeld, om levendig geradbraakt te werden, welk Vonnis aan hen den volgenden dag is ter uitvoer gebragt.

Waar na dien zelfden dag een algemeene Vergiffenis en kwytschelding werd afgekondigd, aan alle de Slaaven die zich in de Rebellie hadden ingewikkeld, met bygevoegde verzekering, dat van nu voortaan geen nader onderzoek deswegens meer zoude gedaan werden, en dat hen alles vergeeven werd, mits dat zy zich als goede en trouwgezinde Slaaven, in alle gehoorzaamheid zouden gedraagen. Deeze afkondiging in tegenwoordigheid van alle de Slaaven der Colonie en Vrylieden (ten dien einde door de Gouverneur derwaards opontboden) geschied zynde, verwekte onder hen een zo groote blydschap en geruststelling, dat zy eenpaarig met luyder stemme uitriepen Dankje, Dankje, Dankje.

Na deeze tyd begon de besmettelyke Ziekte watte bedaaren, en veele Soldaaten verzochten hun afscheid, om als Handwerkslieden, of als Onder Directeurs op de Plantagiën, gebruikt te werden: het welk hen gunstelyk werd toegestaan.

Onderwyl gelastten hun Hoog Mogende aan Directeuren van die Colonie, de noodige Manschappen aan te werven, en in te Scheepen; om de Troepen van den Staat aldaar af te lossen, en weder herwaards te brengen. Ten dien einde was het Schip de Albertina Christina den 17den December 1764. uit Texel vertrokken, doch kwam door Tegenwinden en Stormen, eerst in de Maand Maart in de Rivier de Berbice, zo ontreddert, dat het buiten staat was de te rug reize aan te neemen. Weshalve de Mayor Fourgeoud genoodzaakt was het Schip, de Staaten van Holland genaamd, dat beneeden in de Rivier in Lading lag, ter zyner overvoering aan te neemen.

[p. 516]origineel

Gaande, na alvorens van de aanhoudende rust verzekerd te zyn en voldoende Verklaringen van zyne gehoudene Krygstucht en goed gedrag, van de Regeering aldaar verkregen te hebben; op den 29sten Maart 1765. aan boord, doch, door Tegenwinden, niet voor den 24sten April in Zee: komende den 6den May op St. Eustacius, van waar hy zich den 11den Juny weder op reis begaf, en den 10den Augustus gelukkig ter Reede van Texel is aangekomen, van waar zyne onderhoorige Troepen met twee Lichters naar Bergen op den Zoom zyn overgevoerd.

Met voornoemde Mayor Fourgeoud zyn ook overgebragt de twee meer genoemde Negers Accara en Gousarie: wyl men niet raadzaaam geoordeeld had, dezelve in de Colonie te laaten. Deeze beide Negers (gelyk wy hier en daar gemeld hebben) waren mede in de Rebellie ingewikkeld geweest, doch weder Vrywillig tot de onzen overgekomen; op beloften dat men hen in het Leven zoude spaaren, en hadden den Heer de Salve aangeboden, om de gevluchte Negers in de Bosschen op te zoeken, en te vangen; waaromtrent zy hun woord hebben gehouden, hebbende meer dan zes honderd Negers doen overkomen, en de voornaamste Opperhoofden der Rebellen, Atta, Baubé en Fortuyn, die wel gewapend waren, gevangen genomen, en opgebragt. Waarom hun Hoog Mogende de toegezegde Vergiffenis van den Colonel de Salve hebben bekragtigd, en hen een redelyk onderhoud toegelegd als Soldaaten onder het Regiment van gemelde Colonel.

Zynde vervolgens, ter belooning der beweezene diensten, dit Corps Troepen opgericht tot een Regiment Mariniers, en in verscheidene Zeehavens geinquartierd, en voorts de Colonel de Salve verheven tot Generaal Mayor en hem het Commando van voorsz. Regiment, voor zyn betoond beleid, dapperheid en voorzigtige schikkingen, opgedragen.

Kort naderhand heeft de Gouverneur Hogenheim zyne Demissie verzocht en verkreegen, en is vervolgens by den Staat bevorderd tot Mayor, wordende door den Heer Mr. Johannes Heyliger Johs: Fils: als Gouverneur van Berbice opgevolgd.

Verders zyn vyf Ontwerpen door den Mayor de Veye gemaakt, van zodaanige Sterktes als in die Colonie zo tegens een binnenlandschen Opstand, als tegen een buitenlandschen Vyand, aangelegd zou-

[p. 517]origineel

den kunnen werden; aan hun Hoog Mogende ter hand gesteld, en aan de Directeuren van de Colonie de Berbice toegezonden.

Dus is deeze gevaarlyke Opstand der Slaaven, die den gantschen ondergang deezer Volkplanting dreigde te veroorzaaken; door de Genade des Allerhoogsten, den edelmoedigen bystand der Algemeene Staaten; de wyze schikkingen van zyne Doorlugtige Hoogheid den Hertog van Brunswyk, onder het bestier en beleid van den Colonel de Salve; de zeer voorzigtige Maatregelen van den Gouverneur van Hogenheim, (wiens geduld en standvastigheid ten hoogsten te verwonderen zyn, zich geen geduurige onaangenaamheden, moeite, en zwaare last ontziende of onttrekkende, maar alle ongemakken, rampen en elende geduldig verdraagende; daar hy alle regtmaatige vrees had, om in handen der woedende Rebellen te vallen, en of op 't wreedste vermoord, of tot een Slaaf gemaakt te werden; met gerustheid heeft uitgestaan, en alles tot het uiterste heeft afgewacht; ondertusschen alles toegebragt hebbende, wat tot behoud en welzyn der Colonie vereischt werd) met behulp der Zee Capiteinen Haringman, Bisdom, en van Oyen; die tot dit heilzaam werk niet weinig hebben toegebragt; en de hulptroepen der bygelegen Colonien, gelukkig gedempt, en de Planters wederom in staat gesteld, om hunne geleedene schades door den tyd te herstellen.

Ruim twee honderd Roeden boven het geweezen Fort Nassau, ter plaatse daar het Vlekje Amsterdam had gestaan, heeft men vervolgens een nieuw Retranchement aangelegd, spoelende langs deszelfs Bolwerken, ten Oosten, een Kreekje, en door het zelve aan de Westzyde, mede een Kreekje doch veel kleiner, over welke verscheide Bruggen werden geslaagen. Dit Retranchement was aan den Rivierkant vyf en veertig Roeden en aan de Landzyde vyf en twintig Roeden breed, aan de Oostkreek vyftig en aan den Westkant vyf en twintig Roeden lang: het zelve was aangelegd met vyf Bolwerken voorzien met haare Gragten, en met Palissaden aan een gekoppeld, naamelyk drie aan de Rivier en twee aan de Landzyde: naderhand zyn, tusschen de Bolwerken van de Rivier- en Landkant, nog twee Redouten of halve Maanen opgeworpen, en, aan de Rivierzyde, nog een Battery van tien Stukken Kanon geplaatst. Voor het geheele Fort werd de Grond schoon gemaakt en van Hout gezuiverd, en Rioolen,

[p. 518]origineel

tot lossing van het Water, gemaakt. Het gedachte Retranchement en de daar nog staande Gebouwen dienden voor het Hoofdquartier van den Colonel de Salve en zyn onderhoorige Manschappen, zo als wy in de nevensgaande Plaat hebben aangetekend. Vervolgens is, in den Jaare 1769, beslooten op deeze plaats wederom een Sterkte te bouwen van Steen, tegens alle binnenlandsche Vyanden: wyl de Aarde Werken in het Regensaizoen wcgspoelen, en de Palissaden ligtelyk in brand kunnen geschooten werden.

Den 22sten July 1764, 's morgens omtrent een quartier voor elf Uuren, werd men aldaar een Aardbeeving gewaar, die vry sterk was, en ruim vier Minuuten duurde, zynde het Weer op dat ogenblik zeer stil, warm en benaauwd, de Lucht dik en duister, met zwaare Wolken betrokken, zonder dat zich de Zon daar door heen liet zien. Vervolgens begon het sterk te regenen, en om twee Uuren na de Middag werd het goed en aangenaam Weer.

Een zeer zwaare Schudding viel 'er voor, op den 21sten October 1766, 's morgens te vyf Uuren, die, na de algemeene opmerking, vyftien Minuuten geduurd heeft: geduurende ruim vyf Minuuten was de beweeging op en neder met een geluid of 'er een roffel op den Trom werd geslaagen waar na dezelve in een heen en weder gaande, en golvende als de Zeebaaren, veranderde; zo dat men het met veel moeite, en achter- en voorwaards te treeden op de beenen kon houden. De Maan, die in het laatste quartier was, had een Oranje-Cirkel, die met het afneemen van de Schudding verminderde, en met het ophouden van dezelve geheel verdween; maar kort daaröp een tweede, doch mindere beweeging in het Aardryk komende, vertoonde zich dezelve wederom als op een oogenblik, en verdween andermaal toen de Schudding ophield. Deeze Aardbeeving heeft zich meer dan een geheele Maand, van tyd tot tyd, doen gevoelen; doch, niettegenstaande de hevigheid der Schuddingen, was door dezelven geen merkelyke schade veroorzaakt.

De Volkplanting de Berbice werd thans, hier te Lande, bestierd, door negen Directeuren, die uit en door de Hoofddeelgenooten gekooren werden. Zy hebben tot hunne hulpe één Secretaris en twee Boekhouders, en houden hunne Vergaderingen binnen de Stad van Amsterdam.

Wy laaten hier volgen de Naamen van de Edele Achtbaare Heeren

[p. t.o. 518]origineel



illustratie

[p. 519]origineel

Directeuren van de Geoctroyeerde Colonie de Berbice, beginnende met den Jaare 1720.

  Dirk van der Meer. 1720.   Jacob Boulé. 1738.
  Diederik van Buuren. 1720.   Joost van Eybergen. 1738.
  Nicolaas van Hoorn. 1720. Mr. Nicol Hend. van Hoorn. 1738.
  Hendrik van Hoorn. 1720.   René David de Gennes. 1742.
  Pieter Schuurman. 1720. Mr. Ernst Graafland. 1747.
  George Bruin. 1720. Mr. Arnoldus Elias. 1752.
  Jacob Voordagh. 1720. Mr. Daniel Deutz. 1757
  Jean Lucas Pels. 1720.   Josua van Ouderkerk. 1738.
Mr. Willem Buys. 1722.   Cornelis van Royen. 1758.
Mr. Jacob de la Bassecour. 1730.   Christiaan van Tarelink. 1760.
  Elias van Valencyn. 1730.   Jean Estienne Fizeaux. 1768.
  Philips van der Giessen. 1735.   Cornelis Hartsinck. 1768.
  Jacob Alewyn Ghyssen. 1736.   Jan Carel van Notten. 1769.
Mr. Abraham Buys. 1736.   En Secretaris.  
Mr. Salomon Dedel. 1738. Mr. Joan Hendrik van Groin. 1760.
  Mattheus Boendermaker. 1738.      

In de Volkplanting zelve, bestaat de Regeering uit den Gouverneur, welke, door de Directeuren, word verkooren, en by hun Hoog Mogende beëdigd, waar van hy zyne Commissie ontvangt; en zes Raaden van Politie en Crimineele Justitie, in welke Raadsvergadering hy voorzit: geadsisteerd met een Fiscaal die te gelyk Secretaris is; benevens de Raaden van Civiele Justitie, waar in hy mede voorzitting heeft: bestaande uit zes Raaden, die door denzelven Secretaris worden bedient.

Ook is 'er een Collegie van vier Weesmeesteren, uit ieder Divisie één: die hunnen byzonderen Griffier hebben.

De voornaamste Beamptens zyn de Boekhouder, en Opzigter Generaal over de Colonie Plantagiën; één Boekhouder van de Soldyen; de Vendumeester en Ontfanger van het Vendugeld; de Opzigter van de Colonie-Winkels en Ontvanger van de Leverantien aan de Vrylieden; de Ontvanger van de Hoofdgelden en Kerkelyke Contributien; de Ontvanger van de Casse der Modique Lasten: Ontvanger van de Lastgelden; de Ontvanger van de Hospitaal gelden; Waagmeester en Ontvanger van het Waag-

[p. 520]origineel

geld; één Landmeeter en verscheide andere Bedienden; één Chirurgyn Mayor en mindere Bedienden van het Hospitaal.

De Kerkenraad bestaat uit één Predikant, drie Ouderlingen, en twee Diakenen.

Ook hebben 'er de Luthersche één Predikant, vyf Ouderlingen, en één of twee Diakenen.

De Burgery is verdeeld in vier Compagniën, als één in de beneden Divisie, één in de Hoofd Divisie, één in de boven Divisie, en één in de Divisie in Canje: hebbende ieder één Capitein, Lieutenant, Vaandrig, en Sergeant; wordende uit ieder Compagnie één Burger tot Weesmeester, om drie Jaaren te dienen, aangesteld.

De Militie en Bezetting (die na den Opstand merkelyk is versterkt, zodaanig dat ook de buiten-Posten boven aan de Rivier, als aan de Wironje en in Canje, gelyk ook aan den Zeekant van behoorlyk Manschap voorzien zyn) bestaat uit één Compagnie, waar van de Gouverneur Colonel is: en verders uit één Capitein Commandant, twee Lieutenants, één Vaandrig, en zeven Sergeanten, behalven één Chirurgyn Mayor, één Artillery Meester, en drie Constapels.

De Gouverneurs over de Colonie de Berbice zedert den Jaare 1730. zyn de volgende.

Bernhard Waterham, by Haar Hoog Mogende Commissie verleend 22sten April 1733, ontslagen 6den April 1740.

Jan Andries Lössner, 8sten April 1740, ontslagen 2den May 1749.

Jan Fredrik Colier, 7den May 1749, ontslagen 5den May 1755.

Hendrik Jan van Ryswyck, 5den December 1755, overleden 21sten September 1764.

Wolfert Simon van Hogenheim, 4den April 1760, ontslagen 20sten September 1764.

Mr. Johannes Heyliger Johs. Fils. 6den. September 1764, ontslagen 23sten November 1767.

Stephan Hendrik de la Sabloniere 7den April 1768.

 

Einde van het Eerste Deel.