Duinbehoud
Nieuws
Publicaties
Word donateur
Flora en fauna
Excursies
Jaarverslag
Ecologisch netwerk
Relevante links
English text

 

Logo Duinbehoud

Stuur uw reacties naar:

Postbus 664
2300 AR Leiden
Tel: 071-5160490
Fax: 071-5160499

 

Logo Stichting Doen

Stichting Duinbehoud
 

De duinen van Nederland
ontstaan, geschiedenis, flora en fauna

1. Introductie
2.
Het ontstaan van de kust
3.
Bodem en klimaat
4.
De functie van de duinen
5.
Planten in het duin
6.
Dieren in het duin
7.
Bezoekerscentra

Introductie

De Nederlandse kust wordt gekenmerkt door brede zandstranden met daarachter vaak hoge en brede duinen. Een dergelijk kust met duinen en stranden is niet zo algemeen als veel Nederlanders denken. Van de meer dan 15.000 kilometer Atlantische kust in West-Europa bestaat slechts 3.000 kilometer uit duinen; hiervan ligt zo'n 250 kilometer langs de Nederlandse kust. Andere grote duingebieden in de nabijheid van Nederland zijn te vinden in Denemarken, België en Noord-Frankrijk en op de Duitse en Deense Waddeneilanden.
Het Nederlands duingebied heeft een omvang van ongeveer 40.000 ha oftewel 400 km2. Dit lijkt heel veel, maar in vergelijking methet totale Nederlandse grondgebied beslaat het slechts iets meer dan 1% van het Nederlands grondoppervlak. Het duingebied wordt aan de zeezijde begrensd door stranden en strandvlakten. Aan de landzijde vinden we veelal agrarisch of stedelijk gebied, maar op sommige plaatsen zijn nog stukjes natuur te vinden. Op de Waddeneilanden komen we aan de landzijde veelal kwelders of waddengebied tegen; in Holland en Zeeland komen we soms nog een natuurlijke 'duinzoom' tegen met bloemrijke, licht golvende graslanden en restanten van duinbeekjes.
Doorkijkje duin - zee Kenmerkend voor duinen is de enorme natuurlijke verscheidenheid. Het duinlandschap bestaat uit heuvels en dalen met droge en natte, zonbeschenen en schaduwrijke plekken, met plaatsen in de wind en in de luwte, met kalkrijke en kalkarme, humusrijke en humusarme grond. Dit landschap is zo rijk gevarieerd, dat er vele honderden soorten van planten en dieren in kunnen samenleven.
Eveneens kenmerkend voor de duinen is de grote dynamiek. Als gevolg van zand, wind, regen en plantengroei is het landschapvoortdurend in beweging. Langs het strand kunnen nieuwe duintjes ontstaan, die onder invloed van wind, regen en plantengroeisteeds groter worden. Deze duintjes kunnen aan de wandel gaan en oudere duinen overstuiven. Op deze wijze treedt voortdurende verjonging van het duinlandschap op en blijft het duingebied levend.
Ten opzichte van andere duingebieden in West-Europa onderscheidt het Nederlands duin-gebied zich, doordat het nog een lang aaneengesloten en relatief ongerept natuurgebied is met van oorsprong veel vochtige duinvalleien. De natuurlijke vochtige duinvalleien (waarvan er inmiddels veel zijn verdroogd) kenmerken zich door een rijke plantengroei met o.a. orchideeën.
De Nederlands duinen beslaan slechts een klein gedeelte van het Nederlands grondgebied, maar hier komen niet minder dan 850 verschillende soorten hogere planten voor (in totaal Nederland zijn dit er 1400). Ook broeden er in het duingebied 140 verschillende vogelsoorten (in totaal Nederland zijn dit er 190). Voor andere plant- en diersoorten, zoals mossen, korstmossen, vlinders of kevers, geldt eenzelfde verhaal.
Hoewel het duingebied voor Nederlandse begrippen nog redelijk ongeschonden is, hebben menselijke activiteiten toch duidelijk sporen achtergelaten. Door wateronttrekking, woningbouw, industrie, infiltratie van verontreinigd rivierwater en recreatie is er zeer veel van dit waardevolle gebied verloren gegaan.

omhoog

HET ONTSTAAN VAN DE KUST

Wie wel eens aan de westkust van Frankrijk is geweest of naar de kust van Engeland, is waarschijnlijk wel eens opgevallen dat lang niet overal duinen zijn. Duinen ontstaan niet overal langs de kust. Voorwaarden voor de vorming van duin zijn met name:
1. zanderige zeebodem langs de kust die geleidelijk oploopt;
2. aanvoer van zand over de zeebodem naar de kust;
3. golven en inlandse wind en
4. plantengroei waardoor jonge duintjes worden vastgelegd (biestarwegras).
Factoren duinvorming Door de branding wordt het zand in een soort golfpatroon neergelegd langs de kust. Zo vormen zich een aantal zandbanken vlak voor het strand. Onder gunstige omstandigheden wordt het zand met de vloedstroom net iets verder naar de kust gebracht dan het bij eb weer wordt teruggeduwd. Zo kan een zandbank langzamerhand het strand bereiken, waardoor het strand ineens zeer veelbreder wordt. Aan de vloedlijn spoelen vele resten van dieren bij elkaar.
Aan de hoogste vloedlijn ontstaat zo een opeenhoping van organisch materiaal, waardoor kleine planten een kans krijgen zich te vestigen. Waar pionierplanten enige stabiliteit hebben gebracht, krijgen echte duinvormers onder de grassen een kans om de eerste duintjes te vormen.
Die duintjes worden door de wind opgeworpen en bij verandering van richting door dezelfde wind weggevaagd. Als dat laatste nietgebeurt, kan er biestarwegras gaan groeien. Doordat het biestarwegras met zijn wortels het zand vasthoudt, krijgt het duintje meer stabiliteit en kan het zich handhaven en groter worden.
Biestarwegras groeit als het wordt ondergestoven dwars door het zand heen, en kan af en toe een zoute golf verdragen. Als het duin zo'n halve meter hoog is, gaat er helm groeien. Ook helm groeit met het zand mee en kan ervoor zorgen, dat een duin vele meters hoog wordt. Dergelijke jonge duinvorming treft men nu nog aan op de Waddeneilanden en op sommige plaatsen in Zeeland.
Brede stranden waar zich nieuwe duintjes vormen, komen langs de Nederlandse kust niet zo heel veel meer voor. Vaak heerst een tegenovergesteld beeld en is er sprake van kusten die afslaan. Bij een flinke, stormachtige wind is er van het strand weinig meer over. De zee 'hapt' dan de onderkant van het duin weg.
Jonge duinvorming wordt tegenwoordig ook bemoeilijkt door de recreatie op het strand. De jonge duintjes die in het voorjaar ontstaan langs de kust en begroeid raken met o.a. zeeraket (met die mooie lila bloemetjes), worden bij de eerste warme dagen plat gelopen door de badgasten.
Factoren duinvorming

Oude Duinen
In de ogen van geologen, die veelal eerder in miljoenen dan in duizenden jaren rekenen, is onze kust nog piepjong. Wind, zon en zee zijn eigenlijk nog steeds bezig om met zand de kust te vormen.
ngeveer 20.000 jaar geleden, tijdens de laatste ijstijd, stond de huidige Noordzee grotendeels droog. Veel van het water was verzameld in de ijskappen, die net niet tot Nederland kwamen. Daarna is door het smelten van het ijs het waterpeil in de Noordzeegaan stijgen. Circa 7500 jaar geleden was het water genaderd tot enige kilometers ten westen van de huidige kustlijn. De kuststrookbestond toen uit drassig veengebied, een waddenlandschap met klei-afzettingen en een zandrug die dit gebied min of meer van dezee afsloot. Doordat het water bleef stijgen, werden steeds verder naar het oosten diverse strandwallen door de zee afgezet en later door dezelfde zee weggeslagen tot zo'n 5000 jaar geleden de kustlijn haar meest oostelijke punt bereikte. Daar is het eerste strandwallensysteem afgezet, waarvan resten zijn behouden: de zandrug waarop Rijswijk, Voorburg, Leidschendam en Voorschoten liggen. Daarna bleef de zeespiegel nog wel stijgen, maar langzamer. Bovendien werd de stijging van het waterpeil meer dan gecompenseerd door de dikte van de afzettingen. Zo drong de zee zichzelf naar het westen terug. De strandwallen die de zee nu evenwijdig aan elkaar naar het westen toe afzette, bleven behouden. In de van zee afgesloten landstroken tussen de strandwallen ontstond een zoetwatermilieu en werd veengroei mogelijk. De strandwallen zelf ontwikkelden zich tot lage duinen doordat de wind ze onderstoof met door de zee opgewoeld zand. Er vestigden zich planten die het zand vasthielden en in staat waren om door het opgestoven zand heen te groeien: eerst biestarwegras, later helmgras gevolgd door vele andere plantensoorten.

Jonge Duinen
De vorming van de oude duinen (of strandwallen) is rond het begin van de jaartelling tot stilstand gekomen: de aanvoer van zandvanuit de Noordzee stagneerde. In de vroege Middeleeuwen vond er echter geleidelijk een klimaatverandering plaats die leidde totde vorming van een nieuw duincomplex: de jonge duinen.
Het klimaat in de Middeleeuwen was guur met lage temperaturen en veel stormen. Het gevolg hiervan was veel kustafslag, waardoor de strandwallen werden afgebroken en het zand in zee terecht kwam. Dit zand spoelde na verloop van tijd echter weer aan land enwerd door de harde wind omhoog geblazen tot hoge duintjes. Deze duintjes groeiden met behulp van de helmplanten langzaam uit tot grote duinruggen en bewogen als "loopduinen" over de oude duinen heen naar het oosten, voortgedreven door de overheersende westelijke wind. Door de sterke winden en door de droogte veranderden deze duinen voortdurend van plaats. Aan de windzijde van het duin stoof het zand op, daarna werd het over de kop gegooid en daalde het aan de andere kant weer neer. De vegetatie van de oude duinen werd ondergestoven en was dood als het weer te voorschijn kwam. Dit proces van jonge duinvorming ging door tot ongeveer de 12e eeuw. Het klimaat werd toen geleidelijk aan milder en het duingebied raakte begroeid met honderden verschillendeplantensoorten.

Het vastleggen van de duinen
In de loop van de eeuwen was het duingebied door zaken als overbeweiding en houtkap weer steeds meer gaan stuiven. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden maatregelen genomen om het stuivende zand aan banden te leggen; in eerste instantie door het reguleren van het gebruik van de duinen en door helmaanplant. Biestarwegras Later werd ook op diverse plaatsen langs de kustgeëxperimenteerd met het planten van naaldbomen. Op enkele plaatsen mislukte dit door de zoute zeewind, die de knoppen deed uitdrogen en door konijnenvraat. Op veel plaatsen echter zijn in het begin van deze eeuw met succes op grote schaal naaldbossen aangeplant. Er werden naaldbomen in rechte rijen geplant voor houtproductie zonder enige fantasie. Tegenwoordig probeert men deze bossen aantrekkelijker en gevarieerder te maken, zo kapt men bomen om een doorkijk te maken en laat men hier en daar oudere exemplaren staan en mengt men het naaldwoud met loofbomen. Een aantal beheerders in het duingebied probeert zelfs omde oorspronkelijke duinvegetatie weer terug te krijgen.

Landbouw Sinds halverwege de Middeleeuwen zijn de oude en jonge duinen voor een groot deel ontgonnen: er werd landbouwgrond vangemaakt. Dat gebeurde door het bos te rooien, de duinen vlak te maken en ze af te graven tot het grondwater dicht genoeg bij de gewassen was. Aanvankelijk werd de grond gebruikt voor alle soorten landbouw: akkerbouw, tuinbouw en veeteelt.
Vanaf de 17e eeuw konden door het aanleggen van polders en droogmakerijen de akkerbouw en veeteelt langzamerhand verplaatst worden naar grond die daar beter geschikt voor was. De zandige "geestgronden", zoals de afgegraven duinen worden genoemd, konmen daarna reserveren voor het telen van tuinbouwproducten. Nog later werd deze grond steeds meer gebruikt voor de bollenteelt, die het goed doet op deze zandige en vlakke bodem.

Zeedorpen
Rond de 11e en 12e eeuw ging men dichter bij zee wonen en ontstonden allerlei vissersdorpjes die we nu als badplaatsen kennen: Egmond aan Zee ontstond al in 970, Zandvoort in 1120 en Wijk aan Zee vóór 1300. Vanaf de Middeleeuwen tot aan het eind van de 19e eeuw heeft men het er moeilijk gehad, vooral door de vele stormvloeden. Beelden op boulevards van eenzame vrouwen, die altijd en tevergeefs naar de horizon staren, herinneren aan de vele vissers die nooit weer thuis zijn gekomen. Het zeedorpenlandschap is het 'landschap' van de vissersdorpen langs de Hollandse kust en het omringende duingebied. De duinen rond Katwijk aan Zee zijn hier een voorbeeld van. Vanaf de 15e en 16e eeuw was hier visvangst de grootste bron van inkomsten. De landbouw kwam pas in de tweede helft van de 18e eeuw op gang. In de directe omgeving van de vissersdorpen vond toen landbouw (vooral aardappelteelt) en veeteelt plaats. Om aan brandhout te komen hakte men bommen en struiken om. De voedselarme duingrond raakte snel uitgeput en men moest om de 2 à 3 jaar nieuwe perceeltjes ontginnen. Deze moesten ook diep uitgegraven worden, omdat de grondwaterstand door waterwinning in de 19e en 20e eeuw daalde. Met het uitgegraven materiaal werden zanddijkjes opgezet die de percelen van elkaar scheidden en aan de gewassen luwte gaven. In de loop van de tijd heeft zich in hetzeedorpenlandschap een kenmerkende flora en fauna ontwikkeld.
Roodborsttapuit Veel van de akkertjes zijn intussen verlaten. Door verschillende oorzaken zijn en worden veel sporen van het zeedorpenlandschap weggevaagd. Het economisch belang van de aardappelteelt op arme zandgronden werd steeds minder. Door het toenemend tourisme en behoefte aan woningbouw werden grote delen van het duingebied volgebouwd.
Toch zijn hier en daar nog fragmenten van dat zeedorpenlandschap te vinden. Vroegere aardappellandjes zijn te herkennen als ondiepe, rechthoekige valleitjes met een vlakke bodem. Sommige van deze landjes liggen zo laag dat ze zijn ondergelopen met water of vol gegroeid met riet. Andere zijn als volkstuin in gebruik. Ze zijn onder meer te vinden rondom Katwijk, Zandvoort, Wijk aanZee, Castricum en vooral Egmond aan Zee. Ze zijn niet alleen landschappelijk aantrekkelijk, maar trekken ook bijzondere bloemenen vogels aan. In de buurt van de teellandjes vinden we, naast veel algemene plantensoorten, ook enkele bijzondere planten zoals akkerviooltje, grote teunisbloem en blauwe zeedistel. Twee karakteristieke broedvogels van het zeedorpenlandschap zijn de geelgors en de roodborsttapuit. De geelgors is al zeldzaam geworden doordat het zeedorpenlandschap langzaam verdwijnt.

omhoog

BODEM EN KLIMAAT

Als we zomaar een willekeurige struik in de duinen zouden planten, dan zou die waarschijnlijk maar kort in leven blijven. Dit komt doordat de samenstelling van de bodem van plaats tot plaats erg kan verschillen en het klimaat in de duinen nogal extreem is. Behalve grote temperatuurschommelingen staan ook de veelvuldig voorkomende zand- en zoutstormen en de vaak voedselarme bodem de vestiging van de meeste plantensoorten in de weg.
Om leven, groeien en voortplanten van dieren en planten mogelijk te maken zijn bepaalde omstandigheden nodig: niet te warm en niet te koud, niet te nat en niet te droog, niet te zout en niet te zoet, niet teveel of te weinig kalk in de grond. Iedere plantensoort en dierensoort heeft zijn eigen voorkeur. Zo kennen we water-, moeras- en woestijnplanten en planten die een voedselarme of juist een voedselrijke grond nodig hebben.
Factoren die bij de ontwikkeling van planten en dieren onder andere een rol spelen zijn: wind, temperatuur, water, kalkgehalte en voedingsstoffen.

Wind
In Nederland overheerst de westenwind, een zeewind dus. Dit is vaak een erg harde wind omdat op zee de wind nauwelijks wordt afgeremd. Langs de kust komen dikwijls zandstormen voor. De planten (en dieren) aan de kust worden dus af en toe gezandstraald. De zeewind brengt ook zout mee; bijvoorbeeld door het zoute water dat opspat in de branding en in zeer kleine waterdruppeltjes doorde wind landinwaarts wordt geblazen. Meidoorn Als zout in grote hoeveelheid op planten terecht komt, onttrekt het water aan de knoppen,bladeren en stengels en die sterven af door verdroging. Het gevolg is:

  • Veel planten en dieren ontbreken bij zee.
  • Veel bomen en struiken groeien scheef landinwaarts.
  • Veel bomen en struiken hebben dode takken en groeien alleen waar de dode takken de wind afzwakken.
  • Veel bomen en struiken kunnen alleen groeien in de beschutting van een duin (luwte = oosthelling van de duin)
  • Bomen en struiken groeien minder snel, bloeien minder en dragen minder vruchten naarmate ze dichter bij zee staan.
  • Langs de zee komen heel specifieke planten en dieren voor die bestand zijn tegen wind en zout.

    Temperatuur
    Naast wind is temperatuur een hoofdfactor die het leven in het duin bepaalt. Op zonnige zomerdagen loopt de temperatuur vlak bijd e grond al snel op tot meer dan 50°C, terwijl het er 's nachts in alle maanden van het jaar kan vriezen. Wel is strenge vorst zo dichtbij zee tamelijk ongewoon.
    Zuidhelling duin Als we door de duinen lopen, kunnen we het verschil zien tussen duinhellingen op het noorden en het zuiden. De noordhelling is meestal dicht begroeid met kruiden, struiken en als de zeewind dat toestaat, zelfs bomen. De zuidhelling is veel kaler en lijkt, op enkele mosjes en miniplantjes na, haast onbegroeid.
    Midden op een zomerdag valt het zonlicht loodrecht op de zuidhelling en kan de temperatuur oplopen tot ongeveer 80°C! terwijl de temperatuur bij de noordhelling, die dan nauwelijks zon vangt, niet hoger komt dan 15°C. Zo kunnen we op één moment, op korte afstand van elkaar twee plekken vinden in het duin met een verschil in temperatuur van 65°C! Een plant die leeft op de op het zuiden gerichte hellingen in de duinen, moet dus aangepast zijn aan de zeer extreme omstandigheden die daar heersen.

    Water
    Zonder water is leven niet mogelijk, maar teveel water is voor veel planten en dieren ook niet goed. In te droge grond krijgen wortels geen water, in te natte grond kunnen ze verstikken door zuurstofgebrek. Duinzand houdt water minder goed vast dan klei of veengrond. Op het duin zakt regenwater snel weg terwijl het dal tussen de duinen langer nat blijft. Veenlagen onder het duin houden het water soms langer vast waardoor sommige plekken minder gevoelig zijn voor veranderingen in regenval of grondwater. Door deze grote verschillen in vochtgehalte in het duingebied is er ook een grote variatie aan plantengroei: sommige planten zijn bestand tegen extreme droogte, andere planten houden van een beetje vochtige bodem en weer andere planten houden van open water.

    Kalk
    Het gehalte aan kalk, dat in de bodem aanwezig is, is ook weer bepalend voor het soort plant dat er kan groeien. Het kalkgehalte in de duinen is zeer gevarieerd, daardoor verschilt de begroeiing ook van plaats tot plaats. De kalk in duinzand bestaat voornamelijk uitresten van schelpen en die zijn niet gelijkmatig over het zand verdeeld. Kalk is oplosbaar in water en wordt door regen uitgespoeld. Dit proces verloopt zeer langzaam (± 0,1 % max. per jaar). In het algemeen zijn jonge duinen daarom kalkrijker dan oude duinen. Kalkarm zand is ook witter van kleur dan kalkrijk zand dat een beetje gelig is. Kalkarm zand is vooral te vinden ten noorden van Bergen en op de Waddeneilanden. Kalkrijk zand is te vinden ten zuiden van Bergen.
    Wind en duinvorming Ook humus (verteerde plantaardig en dierlijk materiaal dat in de bodem terecht komt) heeft invloed op het kalkgehalte van de bodem. Bij de vorming van humus komen namelijk zogenaamde humuszuren vrij. Die zuren doen kalk sneller oplossen en'uitspoelen'. Zure regen heeft hetzelfde effect op het kalkgehalte in het duin. Wanneer er teveel kalk uitspoelt (o.a. door de zure regen), dan verdwijnen de verschillen in kalkgehalte in het duingebied en daarmee ook een deel van de variatie in plantengroei. Verse kalk in het duingebied wordt aangevoerd door stuivend zand vanaf het strand of vanuit diepe stuifkuilen in het duin. Hiermee kunnen allerlei verschillen in het duingebied weer worden hersteld.

    Voedingsstoffen
    Planten hebben voedsel nodig: water en koolzuur uit de lucht maar ook fosfor, stikstof en zwavel. Duinzand is over het algemeen voedselarm, maar net zoals bij kalk varieert de hoeveelheid voedsel in de duingrond van plek tot plek. Dit heeft tot gevolg dat er een variatie van planten groeit: planten die met minder voedsel toe kunnen en de zogenaamde voedselminnende planten. Voedselrijke grond heeft hier overigens ook zijn nadelen omdat bij veel voedsel sommige voedselminnende planten de andere planten gaan overheersen. Op die manier worden er veel soorten verdrongen en verdwijnen uiteindelijk. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als er op onnatuurlijke wijze veel voedsel in de grond komt, zoals bij infiltratie (zie waterwinning), waarbij het te reinigen water voedingsstoffen in de duingrond achterlaat. Als er genoeg plantenvoedsel in de grond zit, vinden we bijna overal nog maar één soort, de grote brandnetel.

    'Zure' duinen
    Steeds meer wordt duidelijk hoe groot de gevolgen zijn van de zure regen. De neerslag is wel dertig maal zo zuur als het van nature is. De Hollandse duinen zijn redelijk kalkrijk en men dacht dat de zure regen daardoor in het duingebied weinig invloed zou hebben. Helaas worden sinds enige tijd de effecten van zure regen zelfs in het duingebied zichtbaar. Zure regen heeft twee verschillende kanten, te weten verzuring en bemesting. Kalk wordt opgelost in zuur. In de duinen worden de kalkdeeltjes dus opgelost en weggespoeld door de zure regen. Dit proces noemt men uitlogen.
    Zure regen bevat ook veel stikstof, terwijl de begroeiing van het duin aangepast is aan stikstofarme omstandigheden. Door de verhoogde aanvoer van stikstof ontstaan voedselrijke bodems. Een aantal plantensoorten in het duingebied, zoals duinriet, weet hier goed van te profiteren. Zij gaan zeer weelderig groeien en overwoekeren alle andere planten. Het gevolg is een verarming van het duingebied. Er blijven slechts enkele plantensoorten over.

    omhoog

    DE FUNCTIE VAN DE DUINEN

    Zeewering
    De duinen moeten in de eerste plaats voorkomen dat West-Nederland onder water loopt. De zeereep is het kwetsbaarste deel van deduinen omdat de wind er het krachtigst is, er weinig wil groeien en bovendien soms de klappen van de zeegolven moeten worden opgevangen. Helmaanplant zeereep Men probeert de zeereep tegen wind te beschermen door helmgras te planten of door rijen dicht bijeen staande boomtakken of riet in het zand te steken om verstuiving tegen te voorkomen. Deze bescherming tegen de wind leidt tot een kunstmatig landschap (een rechte zanddijk), waar geen plaats is voor andere plantensoorten.
    De invloed van de golven trachtte men vroeger in te tomen door de aanleg van een korte dam of palenrij, die loodrecht de zee insteken en de kracht van de golven breken. Tegenwoordig spuit men meestal extra zand op het strand om de kracht van de golven tebreken. Het opspuiten en aanvullen van zand lijkt "water naar zee dragen", maar uit proeven van Rijkswaterstaat is gebleken datdeze methode goedkoop is en bovendien enigszins natuurlijk.
    Het opgespoten zand breekt de kracht van de golven, ook als het zand na een storm voor een deel weer de zee in is gespoeld. Soms zorgt de wind ervoor, dat uit het opgespoten zand weer nieuwe duintjes worden gevormd.
    Het opgespoten zand kan ook zorgen voor verse aanvoer van kalk in het duingebied om de verzuring tegen te gaan.

    Waterwinning
    Naast een beschermende functie hebben de duinen sinds de vorige eeuw nog een andere belangrijke functie, die van waterwinning. Het duinwater werd voor het eerst hiervoor gebruikt in de strijd tegen cholera. De slechte kwaliteit van het drinkwater in de vorige eeuw in de steden speelde een grote rol bij de verspreiding van deze ziekte. Amsterdam begon in 1851 water te winnen uit de duinenten westen van Haarlem. Later zijn veel steden gevolgd, met name nadat bleek dat de cholera-epidemie van 1866 nauwelijks vat had gekregen op de Amsterdammers, terwijl van degenen die uit pomp, put of wel dronken 16,8% werd besmet.
    Hoewel het gebruik van zoet, helder water uit het duingebied voor de drinkwatervoorziening een zegen bleek voor de volksgezondheid, was het een ramp voor de natuur. Het watergebruik nam explosief toe en vochtige duinvalleien droogden met als gevolg, dat de bijzondere begroeiing ervan verdween. Later ging men het water op grotere diepte winnen, waarbij gebruik werd gemaakt van een zoetwaterreserve die maar zeer langzaam wordt aangevuld. Door deze potverteer-methode zijn grote delen van het duingebied ernstig aangetast.
    In 1940 liet men voor het eerst van elders aangevoerd water door de duinen filteren tot drinkwater. Dit werd gedaan voor de stad Leiden met water uit de Oude Rijn. De grootschalige toepassing van deze methode begon halverwege de jaren '50, eerst voor Den Haag en later voor Amsterdam. Hierbij wordt voorgezuiverd rivierwater naar de duinen gevoerd. Vanuit kunstmatig aangelegde infiltratiekanalen en -plassen zakt het water de duinen in. Het wordt door het zand gefilterd en ongeveer 30 meter van de infiltratieplaats weer opgepompt.
    Grondwaterwinkanaal Na nazuivering gaat het water naar de kranen in de huizen. Het 'ingevoerde' water laat echter stoffen achter, die de grondverontreinigen en voedselrijker maakt. Hierdoor worden rond de infiltratiekanalen en -plassen zeldzame planten, die met weinig voedsel toe kunnen (bijv. orchideeën en parnassia), verdrukt door vraatzuchtiger soorten zoals brandnetels en harig wilgeroosje. Om dit tegen te gaan wordt nu gepleit voor een nieuwe methode voor de bereiding van drinkwater: diepinfiltratie. Men brengt het water daarbij in 50 à 70 meter diepe putten en pompt het iets verderop in even diepe putten weer op. Door deze grote diepte treedt er aan de oppervlakte geen verstoring op en bovendien kan op deze wijze ook buiten de duinen drinkwater worden geproduceerd. Bij deze methode zal het drinkwater wel wat duurder worden, maar het geeft weer ruimte aan planten en dieren die in het duingebied thuishoren. Deze methode van diepinfiltratie wordt al op beperkte schaal toegepast in het Noord-Hollands Duinreservaat (nabij Castricum), de Amsterdamse Waterleidingduinen en in Meijendel. Voor de komende jaren staat een aantal grote projecten op het programma in en rond de duinen tussen Katwijk en Den Haag. Bij overschakeling op deze milieuvriendelijke methode van drinkwaterbereiding kunnen waardevolle vochtige duinvalleien weer worden hersteld.
    De waterleidingbedrijven hebben de afgelopen jaren veel geld geïnvesteerd om hun natuur/milieu-onvriendelijke imago op te vijzelen. Er is veel geld gestoken in een betere voorzuivering van het infiltratiewater en er zijn nieuwe technieken voordrinkwaterbereiding ontwikkeld (zoals diepinfiltratie). Ook zijn op diverse plaatsen de infiltratiekanalen op natuurvriendelijke wijze opnieuw ingericht met vogeleilanden, brede oevers en moerasjes. Een voorbeeld daarvan is te zien in het infiltratiegebied nabij Castricum.
    Sommige waterleidingbedrijven zijn bereid om nog een stapje verder te gaan en in een deel van het duingebied geen waterwinactiviteiten meer uit te voeren. In de Amsterdamse Waterleidingduinen is een waterwinkanaal dichtgegooid en in het duingebied tussen Katwijk en Den Haag zijn delen van de duinen vrij gemaakt van waterwinning. In al deze gebieden zal de natuurzich de komende jaren geleidelijk kunnen herstellen.

    Recreatie
    Gedurende deze eeuw nam de interesse voor het kustgebied als ontspanningsgebied toe. Eerst ging het hier nog om kleine aantallen recreanten, maar vanaf de jaren '50 is er een echt massatoerisme op gang gekomen. Naast het strand kwamen ook de duinen in de belangstelling. In de jaren '20 verschenen fiets- en wandelpaden en later campings, zomerhuisjes en bungalowparken in de duinen, en de boulevards van de badplaatsen werden steeds groter. Om de dagrecreatie naar het strand te bevorderen werden in de duinen grote parkeerplaatsen aangelegd. Ook enkele golfterreinen en een heus racecircuit moesten zo nodig in dit waardevolle natuurgebiedworden aangelegd.
    Recreanten: fietsers en paardrijders De plantengroei kan door al deze factoren ernstig worden beschadigd of zelfs geheel verdwijnen en ook schuwe of kwetsbare dierenhebben ernstig te leiden van een te hoge recreatiedruk. Sommige planten en vooral mossen en korstmossen zijn erg gevoelig voor betreding en hele hellingen kunnen dan worden vertrapt. Ook de vogels worden verstoord door recreatie. Sommige soorten, zoals de griel en de nachtzwaluw, zijn al geheel of vrijwel geheel verdwenen uit de duinen.
    Toch hoeven natuur en recreatie geen vijanden van elkaar te zijn. Vele vormen van recreatie, zoals wandelen en fietsen, zijn goed in te passen in het kwetsbare duingebied, als we ons maar aan de regeltjes houden en geen eigen baas gaan spelen.
    Door een goede inrichting van natuurgebieden is er ruimte zowel voor planten en dieren om te leven als voor de mensen om van dienatuur te genieten. Een slimme methode om dit voor elkaar te krijgen, is het zoneren van natuurgebieden. In sommige delen zijn veel fiets- en wandelpaden: hier kunnen veel mensen komen. In andere delen zijn weinig fiets- en wandelpaden of soms alleen maar zandpaden: hier komen maar weinig mensen en is er voldoende rust voor planten en dieren. Op deze wijze kunnen fietsers en wandelaars de natuur in de duinen ten volle beleven zonder de natuur al te veel te verstoren. Ze kunnen er de frisse lucht opsnuiven en van vergezichten genieten.

    omhoog

    PLANTEN IN HET DUINLANDSCHAP

    Wie vanuit zee in loodrechte lijn het land in gaat, doorkruist steeds oudere en verder ontwikkelde duinen en valleien. Door sterkwisselende omstandigheden zijn er overal andere soorten planten en dieren te zien. De begroeiing van het ene deel van de duinen is heel anders dan in het andere deel. De zeereep is bedekt met hoog gras; midden in het duin worden zonnige hellinkjes slechts bedekt door enkele kleine plantjes en aan de rand van de duinen vinden we bossen met hoge kruiden.
    Blauwe zeedistel Hieronder worden enkele plantensoorten besproken die je in de verschillende duinlandschappen tegen kunt komen.

    De blauwe zeedistel: dit is een beschermde plant. Deze distel, die soms in grote aantallen langs de boulevards groeien, dankt zijn naam aan de blauwe bloemen en blauwgroenige stengel en blad. De oorzaak van dat blauw-groene zit 'm in het waslaagje waar de blauwe zeedistel mee bedekt is en dat de plant beschermt tegen uitdrogen.

    De zeeraket: deze is te herkennen aan zijn lichtroze bloempjes. De zeeraket heeft dikke, vlezige bladeren waarin hij een watervoorraad kan opslaan. De zeeraket is vaak te vinden op het strand langs de duinvoet of langs de strandopgangen.

    Helm: helmplanten beschikken over een uitgebreid wortelstelsel om maar zoveel mogelijk water op te kunnen nemen. Dat waterverlaat de plant weer via huidmondjes op de bladeren. Bij helm liggen de huidmondjes diep weggestopt tussen de ribbels op het blad. Bij droog weer rolt het blad zich op tot een koker met huidmondjes aan de binnenkant, zodat de verdamping en vochtverlies worden beperkt. Helm is zeer goed in staat om zand vast te houden en steeds weer boven het opgestoven zand uit te groeien. Dankzij de helm kunnen duinen meters, en op de lange termijn tientallen meters, de lucht in groeien.

    Vlier: vlieren zijn donkergroene struiken die in juni roomwitte bloemschermen dragen. Als je een rij van vlieren in de zeestrook ziet, zal die er vaak dood uit zien en bedekt zijn met een laagje zand. Onder de beschutting van de dode takken vind je echter groen blad. De vlier leeft namelijk in de luwte van zijn eigen dode takken, om zich zo te beschermen tegen de zoute zeewind. Van de bloemschermen kun je een lekker fris drankje maken door de met zon beschenen bloemen enkele dagen in water met suiker en citroen te leggen (5 bloemschermen in 2 liter water met 1 uitgeperste citroen en 200 gram suiker 4 tot 6 dagen laten liggen).

    Duindoorn: duindoorns zijn tweehuizig, oftewel er zijn mannelijke en vrouwelijk struiken. Duindoorn In het najaar is de vrouwelijke duindoornstruik herkenbaar aan de grote hoeveelheid oranje bessen. Deze besjes zijn goed tegen de dorst en bevatten veel vitamine C. Aan het einde van het voorjaar krijgt de duindoorn smalle, grijsgroene bladeren. Die kleur wordt veroorzaakt door de 'haren' op hetb lad die de duindoorn tegen uitdroging beschermen. Duindoorn heeft geen last van het stuivende zand. Net als helm kan het boven het zand uitgroeien en wel met een snelheid van circa een halve meter per jaar. Zolang de bodem kalkhoudend is, kan hij zich goedhandhaven. Als er meer humus in de grond komt, verschijnen er andere soorten tussen de duindoorns, zoals de vlier. Eenmaal in de beschutting van de duindoorn kan de vlier behoorlijk hoog worden en de duindoorn het licht ontnemen waardoor de duindoorn afsterft.

    Dauwbramen: Vrijwel over in het kalkrijke duin is de dauwbraam te vinden, vooral in de duinen achter de zeereep, vandaar dat men dit gebied ook wel het dauwbraamlandschap noemt.

    Kruipend stalkruid: dit is een plant die van lichte, kalkhoudende grond houdt. Bladeren en stengels zijn bezet met een massaklierharen, waar langs vliegende zandkorrels aan vast blijven plakken. De plakkende afscheiding van de klierharen ruiken inderdaadvaag naar stallucht. Het heeft naar verhouding grote, fraaie rose-witte bloemen.

    Ruw vergeet-mij-niet: in het woestijnklimaat van de zuidhelling groeit het ruw vergeet-mij-nietje. Pas met een loep kan je zien dat het werkelijk een blauw vergeet-mij-nietjes bloem is met een geel hartje.

    Kandelaartje: deze is makkelijker te herkennen aan z'n witte bloemen op rood aangelopen steeltjes en vlezige, drietoppige blaadjes,die eveneens rood aangelopen zijn en in een rozetje aan de voet van de bloeistengel staan.
    Het kandelaartje behoort, net als het ruw vergeet-mij-nietje tot de winterannuellen. Hij brengt de zomer door als zaad en ontkiemt pas in het najaar. De winter is zijn groeiseizoen en in 't voorjaar komt hij tot bloei.

    Nachtsilene: deze plant groeit op de groenere noordhelling. De plant heeft een wat minder grote behoefte aan licht wat hem zeerg eschikt maakt voor de noordhelling. Het bijzondere van deze plant is de bloeitijd. Overdag heeft de plant wat verfomfaaide bloempjes en ziet eruit alsof hij uitgebloeid is. Aan het begin van de avond is de nachtsilene echter getooid met een wolk van witte sterretjes die een heerlijke geur verspreiden.

    De Meidoorn: de meidoornstruik is te herkennen aan z'n dondergroene, glanzende, diep ingesneden blaadjes en roomwitte bloemen. Meidoorns kunnen slecht tegen de zeewind en vertonen daarom soms een kromgebogen en opgeschoren vorm. De struiken trekken veel insecten aan en leveren broedplaatsen aan de vogels. Het duingebied Meijendel bij Den Haag heeft waarschijnlijk zijn naam te danken aan de fraaie wit bloeiende meidoorn. 'Meijendel' betekent letterlijk 'meidoornvallei'.

    Egelantier Egelantier: dit is een wilde rozensoort waarvan de blaadjes met klierharen een appelgeur afscheiden die vooral met nat weer sterkte ruiken is. De bloemen van de egelantier zijn donkerroze met een randje wit rondom het hart en de stekels zijn haakvormig met daartussen bovendien nog kleinere, rechte doorns. De egelantier kan gemakkelijk worden verward met een andere wilde rozensoort, de hondsroos. Deze laatstgenoemde heeft echter egaal lichtroze bloemen en heeft geen appelgeur.

    Duinroosje: het duinroosje is een soort dwergstruikje die klein wordt gehouden door knagende konijnen. De bloem is roomwit en nogal groot in verhouding tot de plant. In sommige duingebieden kan het duinroosje een duinhelling volledig bedekken.

    omhoog

    DIEREN IN HET DUIN

    Ook het dierenleven in het duin is rijk en gevarieerd. Het is het domein van de konijnen die zich vooral tijdens de schemering laten zien, maar hun aanwezigheid blijkt ook overdag duidelijk uit de holen en de talrijke keutels op zogenaamde latrines of keutelplaatsen. Ook de vos, die in de Middeleeuwen werd uitgeroeid door jagers, is op rustige tijden weer volop te zien in het duingebied. Kleurrijke vlinders en rupsen kunnen 's zomers worden waargenomen.
    In en rond de plassen leven groene en bruine kikkers naast andere waterdieren als kevers, wantsen, libellen en muggen. Op een warme zomeravond kunnen we hier luisteren naar het concert van de rugstreeppadden.

    Konijnen
    Het konijn is een zeer algemene diersoort in West-Europa en leeft vooral op zandgronden, waar het een diep en wijdvertakt hol kangraven. Het konijn is oorspronkelijk afkomstig uit Spanje/Portugal en heeft zich voor een deel op natuurlijke wijze, maar voor een deel ook door toedoen van de mens verspreid over Europa. In Nederland komt het konijn al voor sinds de 13e eeuw, vlak na het ontstaan van de Jonge Duinen.
    Konijn in de winter Het konijn is eeuwenlang intensief bejaagd door de mens om te dienen als konijnenboutje. Dankzij de snelle voorplanting van het konijn wist dit dier echter stand te houden en domineerde eeuwenlang het duingebied. Hieraan kwam een einde in 1954 toen de zeer besmettelijke en dodelijk ziekte 'myxomatosis cuniculis' in Nederland uitbrak. Deze ziekte was in 1952 door een Fransman vanuit Zuid-Amerika naar Europa gebracht en kostte het leven aan vele miljoenen konijnen.
    Sinds het decimeren van de konijnenstand zijn de duinen snel dichtgegroeid met struiken en duinriet ten koste van vele andere plantensoorten. Dit heeft geleid tot een verarming van het duingebied. Op dit moment wordt het konijn dan ook weer zeer gewaardeerd vanwege zijn bijdrage aan het open en gevarieerd houden van het gebied.

    Vogels
    Ontelbare vogels wonen, slapen, eten, rusten, broeden en voeden zich in het duingebied, juist vanwege de rust, die het gebied biedt. Er is een uitgebreide keuze aan voedsel aanwezig zoals bessen, insecten, vissen, schaaldiertjes, kadavers, eieren, eikels en zaden. Er is dus genoeg voedsel voor overwinterende, doortrekkende en broedende vogels.
    Het afwisselende landschap staat ook garant voor een goede nestgelegenheid: konijnenholen, dichte struiken, hoog gras of een gat in een boom.

    Verschillende categorieën vogels
    Vogels die het hele jaar bij ons vertoeven en dus ook in hun broedgebied overwinteren, de standvogels, zijn er niet veel. Enkele voorbeelden zijn: de patrijs, bosuil, kuifleeuwerik, boomklever, winterkoning en de nijlgans. Veel langer is de lijst van trekvogels.Erzijn verschillende categorieën trekvogels:
    Jaarvogels: deze vogels komen als soort wel het hele jaar in ons land voor maar trekken over kleine afstanden. Zo krijgen we 's winters bezoek van de Noordduitse en Deense spreeuwen terwijl de Hollandse spreeuwen naar Zuidelijk Europa trekken.
    Zomervogels: dit zijn broedvogels die in het zomerhalfjaar in Nederland voorkomen, zoals bijvoorbeeld de kleine karekiet, sterns, duiven, kwikstaarten, zwaluwen, lijsters en de koekoek.
    Wintervogels: dit zijn vogels die voornamelijk in het winterhalfjaar in Nederland aanwezig zijn zoals de sijs.
    Doortrekkers: deze vogels zijn in Nederland te vinden tijdens de voorjaars- en/of najaarstrek. Een voorbeeld is de visarend.

    Meeuwen: zilvermeeuwen leven van vis, afval, kadavers en soms een jong eendje of konijntje. Vroeger waren meeuwen in het openduin in enorme getale aanwezig in grote kolonies. Zij zochten hun voedsel eerst op het strand, maar later op de vele vuilnisbeltenrond de steden. Het grote aanbod van voedsel op de vuilnisbelten in combinatie met het ontbreken van natuurlijke vijanden in het duingebied leidde tot een grote toename van meeuwen. Dat is echter veranderd, nu vindt je slechts hier en daar een verspreidliggend nest. Dit komt niet alleen door een beter beheer van de vuilnisbelten. Ook het (voor een deel) stoppen van de jacht opvossen heeft dit veroorzaakt. Bergeend De terugkeer van de vos in het duingebied heeft het leven in de duinen voor de meeuw onaantrekkelijk gemaakt. Sinds een tiental jaren broeden zilvermeeuwen en mantelmeeuwen op de platte daken van huizen en fabrieken.

    Bergeend: de bergeend in makkelijk te herkennen aan zijn witte verenkleed met roodbruine en zwarte banden. Hij is te vinden in heto pen duin en broedt in konijnenholen. De grijs-witte jongen worden wel in een 'crèche' ondergebracht, zodat er groepen van tientallen jongen ontstaan die door het duingebied wandelen.

    Wulp: een van de schuwste vogels in de duinen is de wulp. Hij is goed te herkennen aan zijn lange neerwaarts gekromde snavel enzijn melodieuze, klagende roep. Vroeg in het voorjaar arriveren ze in de duinen. Het nest van de wulp is een tamelijk onopvallend kuiltje op heuveltopjes tussen het hoge gras. Ze gebruiken vaak ieder jaar dezelfde nestplaats. Na de broedtijd verzamelen wulpen zich in het wadden- en deltagebied en trekken zodra het stevig gaat vriezen richting zuiden.

    Tapuit: de tapuit valt direct op door een T-vormige witte vlek over stuit en staart. Tapuiten overwinteren in tropisch Afrika. Ze broeden hier in Nederland bijna altijd in verlaten konijnenholen.

    Reeën
    Reeën zijn, als gevolg van de intensieve jacht, lange tijd uit het duingebied verdwenen geweest. Door beperking van de jacht zien wede reeën langzaam weer in het duingebied terugkeren. Met name in de Amsterdamse Waterleidingduinen komen ze veel voor, maarook in andere duingebieden beginnen ze zich geleidelijk aan weer thuis te voelen.

    Vos
    Spiedende vos Sinds de duinmeiers in de Middeleeuwen op grote schaal jacht op de vos maakten, werd hij nauwelijks meer in het duingebiedgezien. De enkele die gesignaleerd werden, vielen ten prooi aan de jacht. Maar sinds eind jaren '70 is hij weer terug en neemt in aantal toe.
    De aanwezigheid van vossen blijkt vooral uit de holen, die iets groter zijn dan die van het konijn. Je zal echter overdag zelden een vos te zien krijgen, het zijn echte nachtdieren en weten mensen op sluwe wijze te ontlopen. Ze eten konijn, vogeltjes, insecten en vruchten. Het duinlandschap is een ideaal leefgebied voor vossen; genoeg voedsel (konijnen), ruig terrein met veel struiken als beschutting en nauwelijks concurrentie van andere grote roofdieren. In het najaar eten ze soms veel bramen, waardoor de vossekeutels paars kleuren.

    Duinhagedis
    De duin- of zandhagedis is een van de drie soorten reptielen die in de duinen voorkomen. Deze dieren zijn koudbloedig, wat betekent dat de lichaamstemperatuur afhankelijk is van de omgeving. Door in het hete zand te zonnen stijgt hun temperatuur en hun activiteit. Het wijfje legt in juni/juli op een warme plek (bijv. een zuidhelling) haar eieren, die onder het zand door zonnewarmte worden uitgebroed. Hagedissen vormen voedsel voor fazanten en verwilderde katten.

    omhoog

    BEZOEKERSCENTRA EN KUSTMUSEA

    kijk op de pagina: "excursies"