Skip to content.
Sections
Personal tools
You are here: Home » Publicaties » Albert Kuyle was fascist en rabiaat antisemiet (Poorthuis & Salemink)

Albert Kuyle was fascist en rabiaat antisemiet (Poorthuis & Salemink)

Oprichter en voorman van De Nieuwe Gemeenschap, de katholieke schrijver Albert Kuyle, was een fascist en een rabiate antisemiet.

Wie de studie van de verhouding tussen katholicisme en fascisme in het interbellum ter hand neemt, komt terecht in een woud van schrijvers, activisten, tijdschriftjes, groeperingen, onderlinge ruzies en afsplitsingen. Dat zou de indruk kunnen wekken dat het hier om een omvangrijk verschijnsel gaat. Dat is niet het geval. Dikwijls worden de redacties van al die tijdschriften gevormd door een beperkte groep van dezelfde personen en de oplage en levensduur van die tijdschriften was omgekeerd evenredig aan het lawaai dat zij produceerden. Intern was de groep sterk verdeeld. Dat gaf aanleiding tot heftige boutades en tot diepgaande ideologische meningsverschillen. Gemeenschappelijk was hun totale afwijzing van het kapitalisme in crisis, van de wankele democratie, van de liberale cultuur, het bedreigende socialisme en communisme, en ook van het verzuilde katholicisme dat als een handlanger van de status qua ervaren werd.. Dit vurige doorbraakkatholicisme ter rechterzijde kon overigens niet rekening op enige steun van de kerkelijke overheid.

Albert Kuyle

Wij richten nu de schijnwerper op Albert Kuyle. De redactie van het katholieke blad De Nieuwe Gemeenschap werd gevormd door Jan Derks, Henk Kuitenbrouwer en diens broer Albert Kuyle (1904-1958, pseudoniem van L.M.A. Kuitenbrouwer), Ad Sassen, A. den Doolaard en de dichter Gabriel Smit (1910-1981) die van oud-katholiek katholiek was geworden. Derks en de twee Kuitenbrouwers waren in 1932 betrokken geweest bij het beginselprogramma van het eveneens katholieke blad De Gemeenschap, samen met mensen als Anton van Albert Kuyle in 1926 Duinkerken, ir. F.Tellegen, de latere oprichter van de KRI dr. A.Ramselaar en Bernard Verhoeven.

De scheiding der geesten en de oprichting van De Nieuwe Gemeenschap werd tot stand gebracht door Albert Kuyle die het summum van antisemitische scheldkanonnades bereikte. Hij was een qua stijl moderne literator, zoals blijkt uit zijn dichtbundels Seinen (1924) en Songs of Kulua (1927). Kuyle had zich in de twintiger jaren positief uitgelaten over het mysterie van Israël, een term die door Leon Bloy en Jacques Maritain in Nederland enige bekendheid had gekregen. Van Duinkerken voelde zich eveneens geïnspireerd door deze volstrekt nieuwe theologische denkwijze die aan het jodendom een positieve plaats in de heilsgeschiedenis toekende. De invloed van de beweging Amici Israel, op initiatief van de joodse bekeerlinge Francisca van Leer, had eveneens bijgedragen aan meer begrip voor her jodendom, at was die beweging dan ook in 1928 door het Vaticaan opgeheven.

Albert Kuyle veranderde, in tegenstelling tot Van Duinkerken, in de dertiger jaren geheel van koers. Zijn rubriek ‘Hagel’ in De Nieuwe Gemeenschap (1935) richtte zich in onvervalst antisemitische stijl tegen het Amsterdamse weekblad De Groene Amsterdammer dat een vernieuwing had ondergaan:

“Er zijn nog meer schreeuwbekken bijgekomen, nog meer joden die met hun handen praten, nog meer lieden die maken dat men zich in den vreemde voor zijn Nederlandsche nationaliteit maar al te vaak moet schamen. (...) Het kop- en staartloze gemeier van Josephus Jitta (de joodse hoofdredacteur van De Groene, red.) doet geen vlieg kwaad zolang geen vlieg erdoor wordt opgeschrikt. Maar wel de uitgeweken en gederacineerde horde, de handpraters van Mokum en de van markt-internationalisme doortrokken Cohens en Jordaan’s en andere Brammen en Mozes’sen, al of niet onder pseudoniem schrijvend wanneer ze zich terecht schamen over hun nu eens niet (a, wonder!) te loochenen afkomst. De schrijvers en schrijvertjes er in zijn bezeten van dolle angst. Angst voor de dag waarop niemand meer hun blaadje, hun ‘kunst’, hun onwijze begeerten zal behoeven, en waarop ieder die ze nog wel nodig heeft ze zal moeten gaan kopen ergens over de grens. De angst zweept hen bijwijlen op tot een moed die men van godvruchtige Israëlieten niet verwachten zou, maar die blijkbaar deze spekjoden overvalt wanneer hun baantjes en hun, ten koste van beteren, gezwollen existentie op het spel staat.”

Hitler, een groot man

In het vervolg verwees Kuyle naar een grap over Hitler die hij in de tram van joden zou hebben opgevangen:

“Waarom hiertegen van regeringswege niet meer en sterker wordt opgetreden is een raadsel dat niet alleen ons bezighoudt. Want nog daargelaten de voor de hand liggende reden dat we hier met een bevriend staatshoofd te doen hebben, blijft het blamerend voor een land, wanneer een spleetbekkig deel van zijn scribenten hun kromme vingers niet van een groot man af kunnen houden. Wij hebben al meer en duidelijk gezegd: Wij hechten niets aan de hoog geroemde vrijheid. Wij zijn van meening dat de vrije meeningsuiting alles minder dan een recht is voor de meesten. (...) Al heeft het blad dan boven De Nieuwe Eeuw het voordeel dat het tenminste ronduit ongezond en verwerpelijk is, men mag toch met hoop en met blijdschap de dag verwachten waarop dit alles stil zal zijn gedecreteerd.”

Aan het slot leek Kuyle griezelig nauwkeurig het lot van de joden in Nederland te voorspellen.

"Misschien komt er dan nog eens een Kerstmis met verrukkelijk-romantische sneeuw op het prikkeldraad. In de barakken kan dan de kachel met de Dictatuur-nummer van den groenen handprater warden aangemaakt.’

Kuyle’s stuitende mengsel van racisme en sociaal antisemitisme was dubbel gevaarlijk vanwege zijn ontegenzeggelijke taalvirtuositeit die niet onderdeed voor die van Lodewijk van Deyssel of Leon Bloy. De schrijver A. den Doolaard en de dichter Gabriel Smit konden zich niet met deze tendens van De Nieuwe Gemeenschap verenigen, waarbij de eerste zich zelfs nadrukkelijk antifascist noemde. Hun plaats in de redactie werd overgenomen door rector H. van Schaick die kennelijk met het antisemitisme geen moeite had. Dat was nog maar het begin geweest en het bleef evenmin beperkt tot Kuyle.

Fascisme

De februaribrochure van De Nieuwe Gemeenschap becommentarieerde het afscheid van Gabriel Smit en A. den Doolaard en nam de gelegenheid te baat voor het formuleren van een eigen credo. Er vielen woorden vallen als ‘herstelde orde’, in ‘gesloten opmarsch verder strijden' en tenslotte viel het hoge woord: ‘Wij schrikken niet voor het woord: Fascisme, waarmee we langzamerhand getekend warden, al eisen wij tezelfdertijd het recht op zelf te bepalen wie en wat wij zijn.’

De affiniteit van De Nieuwe Gemeenschap met de fascistische organisatie Zwart Front was inderdaad duidelijk, maar de waarheid was dat, in elk geval wat antisemitisme betreft, de redactieleden de leider van Zwart Front,Arnold Meijer, allang hadden overtroffen. Er werd gesproken over het gevaar van een ‘Judeo-Marxistische regie' en over De Groene Amsterdammer die zedenbedervende theorieën spuide. Mr. Ad Sassen schreef een bijdrage speciaal gewijd aan het jodendom: “De Leeuw van Juda brult”. Hij stelde zich vierkant achter Kuyle’s Hagelstukje dat zich richtte op “het vaderlandsloze bijeenraapsel dat samenkorst rond het weekblad De Groene Amsterdammer”. Hij [Kuyle] had verder kunnen gaan, de keus is ruim genoeg, meende Sassen.

Zo was daar het ‘Hollandse Hollywood’ in Duivendrecht, waar “de Fientjes en de Heintjes en de Benno’s hun pikante geestige filmcomedie’s in eigen taal vervaardigen en het iedere werkloos cineast van onverdachte huize onmogelijk maken zijn brood in de film-pap te brokkelen”.Volkse waarden stonden tegenover de morele decadentie van de liberaal-esthetische literatuurkritiek van De Gemeenschap, dit in overeenstemming met Kuyle’s eerder geraas.

“Nog altijd kan men met weemoed terugdenken aan de boekverbrandingen, bij wier licht de eerste, enthousiaste dagmarschen werden afgelegd op weg naar het derde rijk.”

Dit alles deed overigens niet onder voor wat Ad Sassen voorhield aan de schrijver Jef Last, wiens roman Zuiderzee handelde over een homoseksuele verhouding:

“Een straatvuur te maken van deze boeken en een concentratiekamp voor bun schrijvers en gunstige beoordelaars’”

Bacillendragers

In het Amsterdams College van B en W behoorden tot voor kort “vijf tot het ras dat door de Katholieke Kerk in de middeleeuwen onwaardig werd geoordeeld over christenen de macht te oefenen”, vervolgde Sassen. Joden wensen rechten die ons in de Talmoed warden ontzegd, schreef hij. Curieus is hoe Sassen een heel aantal antisemitische auteurs opnoemde, zoals Schopenhauer, Pascal, Wagner en Weininger, maar daaruit niet concludeerde hoe hardnekkig het antisemitische kwaad was, maar dat her juist de legitimiteit van het antisemitisme van een Jan Derks staafde.

Het joodse probleem kan niet met sentimentaliteit warden opgelost, aldus Sassen, die vervolgens een raciaal perspectief hanteerde, want zelfs het doopsel heft “de nationale eigenschappen, het erfelijke complex” niet op. Toen greep hij naar de onheilspellend metafoor van besmetting en vergiftiging:

“De literatuur die in handen is van joden heeft de geslachtelijke reinheid van ons volk aangetast, joden zijn de bacillendragers van her cultuur-bolsjewisme die onze nationale lucht vergiftigen.”

Volgens Sassen was niet alleen Karl Marx een jood, maar was er geen revolutie zonder joodse hoofdrol geweest, ook in Nederland.

“De mislukte Haagse van David Wijnkoop, steeds kan men het brullen van de leeuw van Juda horen.”

Wereldheerschappij

Hij hanteerde vervolgens een theologisch antisemitisme dat ook bij de leider van Zwart Front, Arnold Meijer te vinden is:

“Moderne joden hebben het oeroude joodse verlangen, waarvan Christus hen tevergeefs heeft getracht te bekeren, naar een wereldheerschappij onder het teken van Juda bewust of onbewust omgezet in een proletarische wereldrevolutie.”

Het gaat hier om het oude theologische vooroordeel dat het joodse messianisme te aards en ‘dies-seitig’ is gebleven, gecombineerd met een veel recenter motief van de joodse samenzwering om de wereldheerschappij te veroveren.

Typerend voor het antisemitisme dat allerlei tegenstrijdigheden probleemloos weet te combineren, is dat die heerschappij nu eens door het kapitalisme, dan weer door joodse proletariërs, of ook wet door beiden samen, wordt gerealiseerd. Bij Sassen is met name het antimodernistische karakter van zijn antisemitisme dui-delijk: joden warden verantwoordelijk gehouden voor film, toneel, revolutie en seksuele voorlichting.

Kuyle verweet Menno Ter Braak dat hij “doodelijk bang is voor Hitler (...) en een jaloerse bewondering heeft voor eenieder die f link, krachtig, sterk, groat en machtig is”.

De schrijver E.du Perron, die allang genezen was van zijn waardering voor de intelligentie van Kuyle, schreef in die dagen aan Menno ter Braak.

“Ik vraag me toch af of het niet mogelijk is dit rapalje mores te leren. De straffeloosheid van al deze vuiligheid hindert me zoo.”

Neurenberger wetten

Albert Kuyle fulmineerde onafgebroken tegen alles: tegen De Groene Amsterdammer, “lispelend in het geestelijk Jiddisch, dat iedere dag meer de taal van de cultuurbolschewieken wordt”, tegen de priester-voorman Henri Poels die opkwam voor vervolgde katholieken in Duitsland, weer tegen De Groene, die gewag maakte van de racistische Neurenberger wetten, en vooral tegen de tekenaar L.J.Jordaan die in dat verband het gelaat van de lijdende Christus boven de stad Neurenberg had getekend; tegen kapelaan Drost die op een bijeenkomst in de Apollohal samen met een dominee en een rabbijn had geprotesteerd tegen de anti-joodse maatregelen in nazi-Duitsland, ja zelfs tegen uitbreiding van het gebouw van de Joodse Invalide.

De banden van De Nieuwe Gemeenschap met Zwart Front warden nog verder aangehaald. Albert Kuyle schreef in het partijblad Zwart Front onder het pseudoniem Van Oldenzael en wist het saaie blad om te vormen tot een echt agitatieblad. Op de valreep kreeg De Nieuwe Gemeenschap een nieuwe medewerker: Steven Barends, die onder het pseudoniem Dum-Dum (fragmentatiekogel) ook in Zwart Front schreef en zich zou ontpoppen tot een van de meest fanatieke SS’ers. Hij was de Nederlandse vertaler van Hitlers Mein Kampf en zou in de oorlog het werkje voor de jeugd Moeder, vertel eens war van Adolf Hitler vertalen.

Leedvermaak

Het feit dat Henri Poels zich in opdracht van het episcopaat als priester moest terugtrekken uit het antifascistische Comité van Waakzaamheid, evenals de literator Anton van Duinkerken, was voor de redactie reden tot groot leedvermaak. Waarschijnlijk was de pen van Kuyle verantwoordelijk voor de uitbundige vreugde in Zwart Front over dit voorval. In parafrase: dit Comité was een ‘ratjetoe van intellectuelen’ dat een ‘machteloos verbond van de negatie had gesloten en zijn naam had gezet onder een beginselloos fraai stuk onzin’. De leden van het comité werden als volgt betiteld, in parafrase: de verwarden domineeszoon Ter Braak naast de even God- als kunstgeleerde heer Gerard Brom. Pater Titus Brandsma naast de verdachte Sinjo du Perron, de onbenullige krantenvlooi Jan Greshoff, de arrivist Van Duinkerken, de handelsreiziger in Russische propaganda Van Ravensteyn, de louche dichter Jan Engelman en de door de Mannheimer affaire bekend geworden mgr. Dr. Poels, ‘naast joden, naast godloochenaars, naast verdachte sujetten’.

Ressentiment

In januari 1937 hield De Nieuwe Gemeenschap zonder opgaaf van redenen op te bestaan. Binnen enkele jaren hadden de medewerkers zich vanuit een ietwat elitair antidemocratisch overspannen katholiek kunstenaarschap geheel in fascistisch vaarwater gemanoeuvreerd en daarbij de kunst volstrekt uit het oog verloren. Het antisemitisme van Bruning, Kuyle, Derks en Sassen overtrof zelfs hier en daar wat in Zwart Front werd geproduceerd.

Opvallend is het ontbreken van enig theologisch anti-judaisme bij deze katholieke scribenten. Hun antisemitisme was een mengeling van racisme, van mythen over een joodse samenzwering en van de beeldvorming van het jodendom als dreiging van de moderniteit, maar zonder enige referentie aan het jodendom als religie. Alleen dient sporadisch de Talmoed (die slechts uit antisemitische uitlatingen erover gekend wordt) als mikpunt van anti-joodse tirades.

Wat antisemitisme betreft blijft Albert Kuyle daarbij nog een geval apart. Waarschijnlijk is er geen Nederlandse schrijver te vinden die zijn verbale begaafdheid zozeer in dienst gesteld heeft van ressentiment.

Auteur: dr. Marcel Poorthuis en dr. Theo Salemink

Bron: KRI/Kroniek 4/2004

Created by fbosman
Last modified 2005-08-26 07:00 PM
 

Powered by Plone

This site conforms to the following standards: