De geschiedenis van Melick, Herkenbosch en Vlodrop

Melick en Herkenbosch.
Melick en Herkenbosch ligt op een heuvelrug langs het Roerdal, en kan terugzien op een oude en rijke historie. Naast de vele vondsten uit de prehistorie - vanaf het Paleolithicum - is het rijk aan overblijfselen uit het Romeinse verleden. Met name in Melick - het Romeinse Mederiacum - zijn enkele Romeinse grafvelden blootgelegd en zijn sporen aangetroffen van Romeinse bewoning.

Naast de oude schriftelijke vermelding van Melick op een Romeinse stafkaart, komen we het dorp tegen in een akte uit het jaar 858. Dan schenkt Lotharius II de Mons Petri (de kerk met heuvel van St. Odiliënberg) met tal van mansi in verscheidene dorpen, waaronder ook Malicolicol (Melick), aan Hungerus, de bisschop van Utrecht.

Onafscheidelijk.
In het begin van de elfde eeuw komen we voor het eerst Melika und Herckenbusch tegen, die vanaf dat moment onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn in één Schepenbank.

Tot 1494 behoorden beide dorpen tot het Hertogdom Brabant. Toen verwierf de Hertog van Gulick het pandschap van Wassenberg, waartoe ook Melick en Herkenbosch behoorden. In het Verdrag van Venlo in 1543 werd het land van Wassenberg definitief overgedragen aan de Hertog van Gulick. Deze situatie bleef zo tot het binnenvallen van de Franse troepen in 1794.

Tijdens de Franse periode werd de gemeente ingelijfd bij het Departement van De Roer. In deze periode werd de naam Melick en Herkenbosch veranderd in Mairie de Herkenbusch. Dat was maar van korte duur, want nog geen vijftien jaar later werd dat weer teruggedraaid.

Van Nederland naar België.
Na inlijving bij de Franse Republiek, kwam Melick en Herkenbosch in 1815 bij het koninkrijk van Pruisen. Op 16 oktober 1816 gingen Melick en Herkenbosch over naar het Koninkrijk der Nederlanden, onder de naam Gemeente Melick en Herkenbosch.

Tijdens de revolutie in de Zuidelijke Nederlanden was de gemeente van 1832 tot 1839 onder heerschappij van de koning van België, waarna ze terechtkwam bij het Hertogdom Limburg, als onderdeel van het koninkrijk Nederland.

Daelenbroeck.
Het Kasteel Daelenbroeck in Herkenbosch was in 1326 al zover voltooid, dat in de huiskapel een beneficie werd gesticht. De bouwer van dit kasteel was waarschijnlijk Jan III van Heinsberg. Door de Franse bezetting is het fraaie kasteel zozeer ontmanteld, dat er niet veel meer overbleef dan een ruïne. Alleen de gebouwen op de binnenplaats bleven redelijk intact en zijn na diverse verbouwingen geheel gerestaureerd.

Vlodrop (Floreb).
De volgende gegevens staan vermeld in Publications de la societé historique et archéologique dans le duché de Limbourg. (Deel 35 (1899), bladzijden 548-549, en deel 71 (1935), bladzijde 360.)

In een oorkonde (verklaring) van 24 juni 943 noemt Balderik, bisschop van Utrecht, Vlodrop als onderdeel van het stift (klooster) van St. Odiliënberg. Na de ondergang van dit stift in 1277 vormde Vlodrop met Posterholt één parochie, namelijk de parochie Vlodrop. (Dit duurde tot het einde van de 18e eeuw.)

In 1277 werd die nieuwe parochie ook één van de zes schepenbanken van het ambt Montfort. Dit was de schepenbank Vlodrop, die zeven schepenen telde: vier werden er door Vlodrop benoemd en drie door Posterholt.

Laatbank.
Vlodrop was ook de zetel van een laatbank, waaruit blijkt dat Vlodrop in de Middeleeuwen de voornaamste gemeente uit de omtrek was. (Een laatbank of laathof is een rechtbank, die de rechtspraak uitoefent in laatgeschillen, dus in geschillen tussen de leenheren enerzijds en de horigen en onvrijen anderzijds. Dit is enigszins te vergelijken met onze huidige ambtenarengerechten.)

In 1277 gaf Hendrik van Gelder, bisschop van Luik, Vlodrop aan zijn neef Reinoud van Gelder. De eerste bekende heer van Vlodrop is Renier van Flodrop geweest, grootvazal van Gelder, die omstreeks 1290 leefde. Ook de latere bezitters van de heerlijkheid Vlodrop hadden hoge rangen onder de Gelderse edelen, en later ook onder de rijksadel.

Historisch verband.
Er is nauwelijks enig historisch verband geweest tussen Melick en Vlodrop. Dat is niet verwonderlijk, want Vlodrop behoorde tot het overkwartier van Gelder, en was dus Nederlands. Melick behoorde tot Gülik, en was dus Duits. Melick en Herkenbosch hebben dit Güliks karakter behouden tot in de 18de eeuw.

Door de eeuwen heen bestond het grondplan van onze dorpen uit een lintbebouwing, zonder een duidelijke kern. De bevolking was aangewezen op de landbouw. Na de Tweede Wereldoorlog kwam hierin verandering door de mijnindustrie in Zuid-Limburg en het Duitse grensgebied. De typische lintbebouwing verdween en ieder dorp kreeg een duidelijk eigen hart met daaromheen diverse woonwijken.

Voor elck wat wils.
Niet alleen het uiterlijk veranderde, er kwamen ook tal van goede voorzieningen voor de inwoners. Denk dan aan sportparken en sporthallen in de drie dorpen; een overdekt zwembad, tennisbanen en ruiterpaden in de uitgestrekte bossen; bibliotheken en alle andere voorzieningen die bij een moderne gemeente horen. Daarnaast bestaat er een bloeiend verenigingsleven.

Voor elck wat wils in een levendige gemeente met rijk historisch verleden, ingebed in een fraai natuurlandschap.


De Meinweg, een nationaal park.
Het natuurgebied 'De Meinweg' is een prachtig natuurgebied in het noordoosten van onze gemeente. Het is internationaal bekend en geliefd, onder andere vanwege haar grootte, haar zeldzame planten en diersoorten, de vennen en het plateau-landschap. Redenen voldoende voor de rijksoverheid om het gebied de status 'Nationaal Park' toe te kennen.

Gemeenschappelijk gebied.
De naam 'Meinweg' is afgeleid van 'Gemeijn Weijde', wat zoiets betekent als 'gemeenschappelijke weidegrond'. Van oudsher hadden veertien dorpen aan weerszijde van de huidige rijksgrens het gebruiksrecht van het gebied. Tot die dorpen hoorden ook Melick, Herkenbosch en Vlodrop.

Toen in 1817 de rijksgrens met het toenmalige koninkrijk Pruisen werd vastgesteld, werd de oorspronkelijke verdeling van het natuurgebied gehandhaafd. Daarom wordt het Nederlandse deel van de Meinweg nog steeds aan drie zijden door Duits grondgebied begrensd: in het noorden, oosten en zuiden.

Geologie en natuur.
De Meinweg is een onderdeel van het veel grotere natuurgebied Schwalm-Nette, dat overwegend op Duits grondgebied ligt. Het gebied dankt zijn bijzondere betekenis aan een geologische storing, waardoor het westelijk deel van het hoogterras omlaag is gezakt. Hierdoor zijn drie grote terrassen ontstaan, met een hoogteverschil van ongeveer vijftig meter tussen het laagste en het hoogste terras.

In het terrein bevinden zich enkele vennen. Deze zijn botanisch en zoölogisch zeer bijzonder, met name omdat er voor Nederlandse begrippen zeldzame amfibieën voorkomen. Verder is het gebied bekend vanwege de adders, die in de rest van Nederland nauwelijks voorkomen.

De bossen in het Meinweggebied rekenen we tot het eiken-berken- of eiken-beukenbos, met de daarbij behorende kruidlaag. Ze zijn rijk aan zoogdieren en vogels. Ook het wild zwijn vindt in deze bossen zijn leefruimte.

De grens met Duitsland in het noorden wordt gevormd door de Boschbeek, en de rijksgrens in het zuiden door de Roode Beek. Deze twee beken voeren het zuiverste beekwater af dat in Nederland te vinden is, en herbergen een rijk en zeldzaam plantenleven.

De mens in het gebied.
Het gebied is van oudsher bewoond geweest; er zijn gebruiksvoorwerpen uit de Steentijd gevonden. Later werd het gebied voornamelijk gebruikt als weidegrond voor koeien en schapen. Hierdoor ging het oorspronkelijke berken- en eikenbos sterk achteruit, en veranderde langzaam in heide.

Door overbegrazing verdwenen grote gedeelten van het oorspronkelijk eiken-berken- en eiken-beukenbos en ontstond heide. In de dertiger jaren is een deel weer herbebost met overwegend naaldhout, dat moest dienen voor de papierindustrie en de mijnbouw. De mijnen in Zuid-Limburg en de Duitse grensstreek hadden een grote behoefte aan stuthout.

Op dit moment is het de bedoeling om deze naaldbossen meer als een onderdeel van het totale natuurgebied te beheren. Om die reden worden uitheemse soorten geleidelijk vervangen door eiken en beuken.

De randgebieden van het Meinweggebied zijn vooral in het begin van de twintigste eeuw ontgonnen en als landbouwgebieden in gebruik genomen. Ondanks de schade die het wild zwijn toebrengt aan gewassen, leeft het hier nog in de vrije wildbaan.

In 1879 werd dwars door het gebied een enkelbaans spoorlijn van Mönchengladbach naar Antwerpen aangelegd. Deze spoorlijn is niet meer in gebruik. Momenteel bestaan er plannen deze weer te gaan gebruiken.

Nationaal Park.
Van de ongeveer 1800 hectare van het 'Nationaal Park' zijn circa 1030 hectare eigendom van het Staatsbosbeheer, 550 hectare van de gemeente Roerdalen, circa 40 van de Waterleidingmaatschappij Limburg, circa 10 hectare van de Nederlandse Spoorwegen en ongeveer 170 hectare van particuliere eigenaren.

De Meinweg kon haar hoge natuurwaarden behouden doordat de eigenaren van oudsher erg zuinig zijn geweest op het Meinweggebied. Momenteel is echter de verdroging een grote bron van zorgen; deze bedreigt het dieren- en plantenleven in het hele gebied.