Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Codex Iuris Canonici - Wetboek van Canoniek Recht - 1983


auteur(s):
genre: Codex
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Gooi en Sticht
plaats: Hilversum
jaar: 1996
druk: 2 (licht herzien)
ISBN/ISSN: 9030403705
aantal pagina's: 855
Deze tekst is genomen uit de Latijns-Nederlandse uitgave in opdracht van de Belgische en de Nederlandse Bisschoppenconferentie verschenen in 1987. Ze fungeert als proeftekst en is nog niet geautoriseerd. Het copyright van de Nederlandse vertaling berust bij de Belgische en Nederlandse Bisschoppenconferenties. Plaatsing op deze website met toestemming van het secretariaat van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland.

  • Boek I-Algemene normen 1-203
  • Boek II-Volk Gods Dl.I 204-329
  • Boek II-Volk Gods Dl.II 330-572
  • Boek II-Volk Gods Dl.III 573-746
  • Boek III-Verkondigingstaak 747-833
  • Boek IV-Heiligingstaak 834-1253
  • Boek V-Tijdelijke goederen 1254-1310
  • Boek VI-Sancties 1311-1399
  • Boek VII-Processen 1400-1752
  • Boek II-Volk Gods Dl.II 330-572

    Boek II Deel II Hiërarchische inrichting van de kerk 330-572

    Afdeling I Hoogste gezag van de kerk 330-367

    Hoofdstuk I - Paus en Bisschoppencollege 330-341

    Can. 330 - Zoals door beschikking van de Heer de heilige Petrus en de overige Apostelen één College vormen, zijn de Paus, de opvolger van Petrus, en de Bisschoppen, de opvolgers van de Apostelen, op gelijke wijze met elkaar verbonden.

    Art. 1 - De Paus 331-335

    Can. 331 - De Bisschop van de Kerk van Rome, in wie het door de Heer alleen aan Petrus, de eerste van de Apostelen, verleende en aan diens opvolgers over te dragen ambt voortbestaat, is het hoofd van het Bisschoppencollege, Plaatsbekleder van Christus en Herder van de gehele Kerk hier op aarde; daarom bezit hij krachtens zijn ambt de hoogste, volledige, onmiddellijke en universele gewone macht in de Kerk, die hij altijd vrij kan uitoefenen.

    Can. 332 - § 1 De Paus verkrijgt de volledige en hoogste macht in de Kerk door de door hem aanvaarde wettige verkiezing samen met de bisschopswijding. Daarom verkrijgt een tot het pausschap gekozene, die met het bisschoppelijk merkteken getekend is, deze macht vanaf het ogenblik van de aanvaarding. Indien de gekozene het bisschoppelijk merkteken niet heeft, dient hij onmiddellijk tot Bisschop gewijd te worden.
    § 2 Als het voorkomt dat de Paus afstand doet van zijn ambt, is voor de geldigheid vereist dat de afstand vrij geschiedt en op de juiste wijze kenbaar gemaakt wordt, niet echter dat deze door wie ook aanvaard wordt.

    Can. 333 - § 1 De Paus bezit krachtens zijn ambt niet alleen macht over de Kerk als geheel, maar ook over alle particuliere Kerken en groeperingen ervan heeft hij de voorrang van gewone macht, waardoor evenwel tegelijk versterkt en gehandhaafd wordt de eigen, gewone en onmiddellijke macht die de Bisschoppen bezitten over de aan hun zorg toevertrouwde particuliere Kerken.
    § 2 De Paus is in de vervulling van zijn ambt de hoogste Herder van de Kerk altijd in gemeenschap verbonden met de overige Bisschoppen evenals ook met de gehele Kerk; hem komt evenwel het recht toe om, overeenkomstig de noden van de Kerk, de wijze van uitoefening van dit ambt, hetzij persoonlijke hetzij collegiale, te bepalen.
    § 3 Tegen een uitspraak of decreet van de Paus bestaat geen beroep of verhaal.

    Can. 334 - Bij de uitoefening van zijn ambt staan de Bisschoppen de Paus bij; zij kunnen met
    hem samenwerken op verschillende wijzen, waaronder de Bisschoppensynode. Bovendien staan de Kardinalen hem terzijde, alsook andere personen en eveneens verschillende instituten volgens de noden van de tijd; al deze personen en instituten vervullen in zijn naam en op zijn gezag de hun toevertrouwde taak voor het welzijn van alle Kerken, volgens de normen door het recht bepaald.

    Can. 335 - Wanneer de zetel van Rome vacant is of geheel en al verhinderd, mag in het bestuur van de Kerk als geheel niets veranderd worden: dan dienen de bijzondere wetten die voor deze omstandigheden uitgevaardigd zijn, in acht genomen te worden.

    Art. 2 – Bisschoppencollege 336-341

    Can. 336 - Het Bisschoppencollege, waarvan het hoofd de Paus is en waarvan de leden de Bisschoppen zijn krachtens hun sacramentele wijding en de hiërarchische gemeenschap met het hoofd en de leden van het College, en waarin het apostolisch corps bestendig voortduurt, is, samen met zijn hoofd en nooit zonder dit hoofd, ook subject van de hoogste en volledige macht over de gehele Kerk.

    Can. 337 - § 1 De macht over de gehele Kerk oefent het Bisschoppencollege op plechtige wijze uit in een Oecumenisch Concilie.
    § 2 Dezelfde macht oefent het uit door het verenigd handelen van de over de wereld verspreide Bisschoppen, dat als zodanig door de Paus in gang gezet of vrij aanvaard is, zodat een echte collegiale handeling tot stand kom.
    § 3 Het komt de Paus toe om volgens de noden van de Kerk de wijzen uit te kiezen en te bevorderen, waarop het Bisschoppencollege zijn taak betreffende de Kerk als geheel collegiaal uitoefent.

    Can. 338 - § 1 Alleen aan de Paus komt het toe een Oecumenisch Concilie bijeen te roepen, dit persoonlijk of door anderen voor te zitten, alsook het Concilie te verplaatsen, op te schorten of te ontbinden, en de decreten ervan goed te keuren.
    § 2 Ook is het de taak van de Paus de in het Concilie te behandelen zaken te bepalen en het in acht te nemen reglement vast te stellen; aan de door de Paus voorgelegde onderwerpen kunnen de Concilievaders andere toevoegen, die door de Paus goedgekeurd moeten worden.

    Can. 339 - § 1 Het is het recht en de plicht van alle en alleen de Bisschoppen die lid zijn van het Bisschoppencollege, met beslissende stem aan een Oecumenisch Concilie deel te nemen.
    § 2 Naar een Oecumenisch Concilie kunnen bovendien enkele anderen die niet met de bisschoppelijke waardigheid bekleed zijn, geroepen worden door het hoogste gezag van de Kerk, waaraan het toekomt hun aandeel in het Concilie te bepalen.

    Can. 340 - Als het gebeurt dat de Apostolische Stoel gedurende de viering van een Oecumenisch Concilie vacant wordt, wordt dit van rechtswege onderbroken, totdat de nieuwe Paus de voortzetting ervan verordend of het ontbonden heeft.

    Can. 341 - § 1 Decreten van een Oecumenisch Concilie hebben geen kracht van verplichting tenzij deze samen met de Concilievaders door de Paus goedgekeurd zijn, door deze laatste bevestigd en in zijn opdracht afgekondigd.
    § 2 Dezelfde bevestiging en afkondiging is, willen zij kracht van verplichting hebben, nodig voor decreten die het Bisschoppencollege uitvaardigt, wanneer dit een collegiale handeling in de eigenlijke zin stelt op een andere door de Paus ingeleide en vrij aanvaarde wijze.

    Hoofdstuk II - Bisschoppensynode 342-348

    Can. 342 - De bisschoppensynode is een vergadering van Bisschoppen die, uitgekozen uit de verschillende gebieden van de wereld, op vastgestelde tijden bijeenkomen om een nauwe verbondenheid tussen de Paus en de Bisschoppen te bevorderen en om de Paus tot het behoud en de groei van geloof en zeden en tot het onderhouden en versterken van de kerkelijke discipline met hun raad behulpzaam te zijn, alsook om overleg te plegen over vraagstukken die het handelen van de Kerk in de wereld betreffen.

    Can. 343 - De bisschoppensynode heeft tot taak de te behandelen onderwerpen te bespreken en
    hieromtrent wensen te uiten, niet echter om terzake beslissingen te nemen en decreten uit te vaardigen, tenzij de Paus in bepaalde gevallen aan de synode beslissende macht gegeven heeft, in welk geval het hem toekomt de beslissingen van de synode te bekrachtigen.

    Can. 344 - De bisschoppensynode is rechtstreeks onderworpen aan het gezag van de Paus, aan wie het toekomt:
    1. de synode bijeen te roepen zo dikwijls hem dit geschikt lijkt, en de plaats aan te wijzen waar de bijeenkomsten gehouden moeten worden;
    2. de verkiezing van synodeleden die volgens het bijzonder recht gekozen moeten worden, te bekrachtigen en andere synodeleden aan te wijzen en te benoemen;
    3. de inhoud van de te behandelen onderwerpen vast te stellen op een geschikte tijd volgens het bijzonder recht vóór de viering van de synode;
    4. de agenda vast te stellen;
    5. de synode persoonlijk of door anderen voor te zitten;
    6. deze synode te sluiten, te verplaatsen, op te schorten en te ontbinden..

    Can. 345 - De bisschoppensynode kan bijeengeroepen worden hetzij in algemene vergadering, waarin namelijk zaken behandeld worden die rechtstreeks het welzijn van de Kerk als geheel betreffen, welke vergadering ofwel een gewone ofwel een buitengewone vergadering kan zijn, hetzij in bijzondere vergadering, waarin namelijk aangelegenheden behandeld worden die rechtstreeks een bepaald gebied of bepaalde gebieden aangaan.

    Can. 346 - § 1 De bisschoppensynode die in een algemene gewone vergadering bijeengeroepen wordt, bestaat uit leden van wie de meesten Bisschop zijn, voor elke afzonderlijke vergadering gekozen door de bisschoppenconferenties op de wijze door het bijzonder recht van de synode bepaald; anderen worden krachtens ditzelfde recht afgevaardigd; anderen worden rechtstreeks door de Paus benoemd; hierbij komen enkele leden van clericale religieuze instituten die volgens hetzelfde bijzonder recht gekozen worden.
    § 2 De bisschoppensynode die in een algemene buitengewone vergadering bijeengeroepen is om aangelegenheden te behandelen die een spoedige beslissing vereisen, bestaat uit leden van wie de meesten, Bisschoppen, door het bijzonder recht van de synode afgevaardigd worden op grond van het ambt dat zij bekleden, anderen evenwel rechtstreeks door de Paus benoemd worden; hierbij komen enkele volgens hetzelfde recht gekozen leden van clericale religieuze instituten.
    § 3 De bisschoppensynode die in een bijzondere vergadering bijeengeroepen wordt, bestaat uit leden uitgekozen vooral uit die gebieden waarvoor de synode bijeengeroepen is, volgens het bijzonder recht waaronder de synode valt.

    Can. 347 - § 1 Wanneer een vergadering van de bisschoppensynode door de Paus gesloten wordt, eindigt de taak welke in die vergadering aan de Bisschoppen en andere leden toevertrouwd is.
    § 2 Wanneer de Apostolische Stoel na de bijeenroeping van de synode of tijdens de viering ervan vacant wordt, wordt de synodevergadering van rechtswege opgeschort, en eveneens de daarin aan de leden toevertrouwde taak, totdat de nieuwe Paus besluit de vergadering te ontbinden of voort te zetten.

    Can. 348 - § 1 Er is een permanent algemeen secretariaat van de bisschoppensynode, onder leiding van een door de Paus benoemde algemene secretaris; hem staat een secretariaatsdienst ten dienste, bestaande uit Bisschoppen, van wie sommigen volgens het bijzonder recht door de bisschoppensynode zelf gekozen worden, anderen door de Paus benoemd; de taak van hen allen echter eindigt bij de aanvang van een nieuwe algemene vergadering.
    § 2 Voor iedere vergadering van de bisschoppensynode worden bovendien een of meerdere secretarissen aangesteld, die door de Paus benoemd worden, en zij behouden het hun toevertrouwde ambt slechts tot de beëindiging van de synodevergadering.

    Hoofdstuk III - Kardinalen van de Heilige Kerk van Rome 349-359

    Can. 349 - De Kardinalen van de heilige Kerk van Rome vormen een bijzonder College waaraan het toekomt in de verkiezing van de Paus te voorzien volgens het bijzonder recht; eveneens staan de Kardinalen de Paus terzijde, hetzij door als college op te treden wanneer zij samengeroepen worden om vragen van groter belang te behandelen, hetzij afzonderlijk door in de verschillende ambten die zij bekleden de Paus bij te staan, vooral in de dagelijkse zorg voor de gehele Kerk.

    Can. 350 - § 1 Het Kardinalencollege is ingedeeld in drie orden: de bisschoppelijke, waartoe de Kardinalen behoren aan wie door de Paus de titel toegewezen wordt van een suburbicaire Kerk, alsook de Oosterse Patriarchen die in het Kardinalencollege opgenomen zijn; de presbyterale en de diaconale.
    § 2 Aan de Kardinalen van de presbyterale en diaconale orde worden door de Paus ieder hun eigen titel of diaconie in Rome toegewezen.
    § 3 De in het Kardinalencollege opgenomen Oosterse Patriarchen hebben hun patriarchale zetel als titel.
    § 4 De Kardinaal-Deken heeft als titel het bisdom Ostia, samen met de andere Kerk die hij reeds als titel had.
    § 5 Door een in een Commissie gemaakte en door de Paus goedgekeurde optie kunnen, met inachtneming van de voorrang in wijding en verheffing, Kardinalen van de presbyterale orde overgaan naar een andere titel en Kardinalen van de diaconale orde naar een andere diaconie en, indien zij tien volle jaren in de diaconale orde gebleven zijn, ook naar de presbyterale orde.
    § 6 Een Kardinaal die door optie van de diaconale orde naar de presbyterale orde overgaat, verkrijgt een plaats vóór al de Kardinaal-priesters die na hem tot het Kardinalaat verheven zijn.

    Can. 351 - § 1 Om tot Kardinaal verheven te worden, worden door de Paus vrij mannen uitgekozen die ten minste de priesterwijding ontvangen hebben en uitmunten in de leer, de zeden, in vroomheid en in wijs oordeel bij het behandelen van zaken; zij die nog geen Bisschop zijn, moeten de bisschopswijding ontvangen.
    § 2 Kardinalen worden gecreëerd door een decreet van de Paus, dat ten overstaan van het Kardinalencollege bekend gemaakt wordt; vanaf de bekendmaking zijn ze gehouden aan de plichten en genieten zij de rechten door de wet bepaald.
    § 3 Hij die tot de waardigheid van Kardinaal verheven is, wiens creatie de Paus aangekondigd heeft, de naam echter voor zich houdend, is in de tussentijd aan geen plichten van de Kardinalen gehouden en geniet geen enkel van hun rechten; nadat echter zijn naam door de Paus bekendgemaakt is, is hij gehouden aan die plichten en geniet hij die rechten, maar het recht van voorrang geniet hij vanaf de dag van het voorbehoud van zijn naam.

    Can. 352 - § 1 De Deken zit het Kardinalencollege voor en bij diens verhindering vervangt de Subdeken hem; de Deken, of de Subdeken, geniet geen enkele bestuursmacht over de andere Kardinalen, maar geldt als eerste onder zijns gelijken.
    § 2 Wanneer het ambt van Deken vacant wordt, dienen de Kardinalen die de titel dragen van een suburbicaire Kerk, en zij alleen, onder voorzitterschap van de Subdeken, indien deze aanwezig is, of van de oudste onder hen, een uit hun midden te kiezen om als Deken van het College op te treden; zij dienen zijn naam aan de Paus mee te delen, aan wie het toekomt de gekozene goed te keuren.
    § 3 Op dezelfde wijze als waarover in § 2, wordt onder voorzitterschap van de Deken zelf de Subdeken gekomen; ook de goedkeuring van de verkiezing van de Subdeken komt aan de Paus toe.
    § 4 De Deken en de Subdeken dienen, indien zij geen domicilie in Rome hebben, dit daar te verwerven.

    Can. 353 - § 1 De Kardinalen helpen door collegiaal handelen de hoogste Herder van de Kerk vooral in de Consistories, waarin zij in opdracht van de Paus en onder diens voorzitterschap bijeenkomen; er zijn gewone en buitengewone Consistories.
    § 2 Tot een gewoon Consistorie worden alle Kardinalen bijeengeroepen, ten minste zij die in Rome verblijven, ter raadpleging omtrent sommige ernstige aangelegenheden, die evenwel nogal regelmatig voorkomen, of om sommige zeer plechtige handelingen te stellen.
    § 3 Tot een buitengewoon Consistorie, dat gehouden wordt wanneer bijzondere noden van de Kerk of de behandeling van meer ernstige aangelegenheden dit raadzaam maken, worden alle Kardinale bijeengeroepen.
    § 4 Alleen een gewoon Consistorie waarin bepaalde plechtigheden gevierd worden, kan publiek zijn, wanneer naast de Kardinalen namelijk Prelaten, vertegenwoordigers van burgerlijke gemeenschappen en andere hiertoe genodigden toegelaten worden.

    Can. 354 - Aan Kardinalen aan het hoofd van dicasteries of andere permanente instituten van de Romeinse Curie en van Vaticaanstad, die hun vijfenzeventigste levensjaar voltooid hebben, wordt verzocht ontslag uit hun ambt aan de Paus aan te bieden, die na alles afgewogen te hebben daarin zal beslissen.

    Can. 355 - § 1 Het komt de Kardinaal-Deken toe de tot Paus gekozene tot Bisschop te wijden, indien de gekozene de wijding niet heeft; bij verhindering van de Deken komt dit recht toe aan de Subdeken, en bij diens verhindering aan de oudste Kardinaal van de bisschoppelijke orde.
    § 2 De Kardinaal-Protodiaken kondigt de naam van de nieuw gekozen Paus aan het volk aan; hij legt ook de Metropolieten het pallium op of overhandigt dit aan hun gevolmachtigden, in plaats van de Paus.

    Can. 356 - De Kardinalen zijn aan de verplichting gehouden met zorg samen te werken met de Paus; daarom zijn de Kardinalen die enig ambt in de Curie bekleden en geen diocesane Bisschoppen zijn, aan de verplichting gehouden in Rome te resideren; Kardinalen die de zorg hebben voor een bisdom als diocesane Bisschoppen, dienen zich naar de Stad te begeven zo dikwijls zij door de Paus bijeengeroepen worden.

    Can. 357 - § 1 Kardinalen aan wie een suburbicaire Kerk of een kerk in Rome als titel toegewezen is, dienen, nadat zij in het bezit daarvan gekomen zijn, het welzijn van deze bisdommen en kerken door hun raad en bescherming te bevorderen, waarover zij echter geen enkele bestuursmacht hebben en waarin zij op geen enkele wijze tussenbeide mogen komen in zaken die het beheer van de goederen ervan, de discipline of de dienst van de kerken betreffen.
    § 2 Kardinalen die buiten Rome en buiten hun eigen bisdom verblijven, zijn in aangelegenheden die hun persoon betreffen exempt van de bestuursmacht van de Bisschop van het bisdom waar zij verblijven.

    Can. 358 - Aan een Kardinaal aan wie door de Paus de taak wordt opgedragen om in een plechtige viering of bijeenkomst zijn persoon te vertegenwoordigen, als Legatus a latere, namelijk als zijn alter ego, evenals ook aan een Kardinaal aan wie de vervulling van een bepaalde pastorale taak wordt toevertrouwd als zijn speciale gezant, komt slechts toe wat hem door de Paus zelf opgedragen wordt.

    Can. 359 - Wanneer de Apostolische Stoel vacant is, beschikt het Kardinalencollege in de Kerk slecht over die macht die aan het College in een bijzondere wet gegeven is.

    Hoofdstuk IV - Romeinse Curie 360-361

    Can. 360 - De Romeinse Curie, waardoor de Paus de aangelegenheden van de gehele Kerk pleegt te behandelen en die in zijn naam en op zijn gezag haar taak vervult voor het welzijn en ten dienste van de Kerken, bestaat uit het Staatssecretariaat of Pauselijk Secretariaat, de Raad voor publieke aangelegenheden van de Kerk, de Congregaties, de Rechtbanken en de andere instituten; de inrichting en bevoegdheid van al dezen worden bij bijzondere wet bepaald.

    Can. 361 - Met de naam Apostolische Stoel of Heilige Stoel wordt in dit Wetboek niet allen de Paus aangeduid, maar ook, tenzij uit de aard der zaak of uit de context iets anders blijkt, het Staatssecretariaat, de Raad voor publieke aangelegenheden van de Kerk en de andere Instituten van de Romeinse Curie.

    Hoofdstuk V - Gezanten van de Paus 362-367

    Can. 362 - De Paus bezit het oorspronkelijk en onafhankelijk recht zijn Gezanten te benoemen en te zenden hetzij naar particuliere Kerken in de verschillende naties of gebieden, hetzij tegelijk naar de Staten en publieke Overheden, en tevens hen te verplaatsen en terug te roepen, met inachtneming evenwel van de normen van het internationaal recht wat betreft de zending en terugroeping van Gezanten bij Staten aangesteld.

    Can. 363 - § 1 Aan de Gezanten van de Paus wordt het ambt toevertrouwd de Paus zelf bestendig te vertegenwoordigen bij particuliere Kerken of ook bij Staten en publieke Overheden waarheen zij gezonden zijn.
    § 2 Vertegenwoordigers van de Apostolische Stoel zijn ook zij die voor een pauselijke Missie als Delegaten of Waarnemers afgevaardigd zijn bij internationale Raden of bij Conferenties en Bijeenkomsten.

    Can. 364 - Het is de voornaamste taak van een pauselijk Gezant ervoor te zorgen dat de banden
    van de eenheid die tussen de Apostolische Stoel en de particuliere Kerken bestaan, steeds hechter en doeltreffender worden. Het is derhalve de taak van een pauselijk gezant voor zijn gebied:
    1. naar de Apostolische Stoel bericht te zenden over de situatie waarin de particuliere Kerken verkeren, en over alles wat het leven zelf van de Kerk en het zieleheil betreft;
    2. de Bisschoppen met raad en daad terzijde te staan, waarbij echter de uitoefening van hun wettige macht onaangetast blijft;
    3. nauwe betrekkingen met de bisschoppenconferentie te bevorderen, door deze alle mogelijke steun te bieden;
    4. inzake de benoeming van Bisschoppen de namen van kandidaten aan de Apostolische Stoel door te geven of voor te stellen, alsook de informatieprocedure betreffende de te benoemen personen uit te voeren volgens de door de Apostolische Stoel gegeven normen;
    5. zich erop toe te leggen dat aangelegenheden bevorderd worden die betrekking hebben op de vrede, de vooruitgang en samenwerking van de volkeren;
    6. met de Bisschoppen samen te werken opdat passende betrekkingen bevorderd worden tussen de katholieke Kerk en de andere Kerken en kerkelijke gemeenschappen, maar ook met de niet-christelijke godsdiensten;
    7. wat betrekking heeft op de zending van de Kerk en van de Apostolische Stoel in gezamenlijk handelen met de Bisschoppen bij de bestuurders van de Staat veilig te stellen;
    8. bovendien de bevoegdheden uit te oefenen en de overige opdrachten te vervullen die hem door de Apostolische Stoel toevertrouwd worden.

    Can. 365 - § 1 Een pauselijk Gezant die tegelijk een gezantschap bij Staten volgens de normen van het internationaal recht bekleedt, heeft ook de bijzondere taak:
    1. goede verhoudingen te bevorderen en te behartigen tussen de Apostolische Stoel en de Overheden van de Staat;
    2. kwesties te behandelen die de betrekkingen tussen de Kerk en de Staat betreffen; en op bijzondere wijze zich bezig te houden met de totstandkoming van concordaten en andere dergelijke verdragen, en met de ten uitvoerlegging ervan.
    § 2 Bij het behandelen van de aangelegenheden waarover in § 1, mag de pauselijke Gezant niet nalaten, naar gelang de omstandigheden dit wenselijk maken, de mening en de raad te vragen van de Bisschoppen van het kerkelijk gebied, en hen op de hoogte te houden van de gang van zaken.

    Can. 366 - Gelet op de bijzondere aard van de taak van de Gezant:
    1. is de zetel van het pauselijk Gezantschap exempt van de bestuursmacht van de plaatselijke Ordinaris, tenzij het gaat over huwelijksvieringen;
    2. heeft de pauselijke Gezant het recht, zo mogelijk na voorafgaande mededeling aan de plaatselijke Ordinarissen, in alle kerken van zijn gezantschapsgebied liturgische vieringen, ook pontificaal, te houden.

    Can. 367 - De taak van de pauselijke Gezant houdt niet op wanneer de Apostolische Stoel vacant wordt, tenzij iets anders in de pauselijke brief bepaald wordt; zij houdt echter op wanneer de opdracht vervuld is, wanneer de terugroeping hem betekend is, wanneer zijn afstand door de Paus aanvaard is.

    Boek II Deel II Afdeling II Particuliere kerken en groeperingen ervan 368-572

    Titel I - Particuliere kerken en het daarin gestelde gezag 368-430

    Hoofdstuk I - Particuliere kerken 368-374

    Can. 368 - De particuliere Kerken, waarin en waaruit de ene en enige katholieke Kerk bestaat, zijn vooral de bisdommen waarmee, tenzij iets anders vaststaat, gelijkgesteld worden de territoriale prelatuur en de territoriale abdij, het apostolisch vicariaat en de apostolische prefectuur en ook de bestendig opgerichte apostolische administratie.

    Can. 369 - Een bisdom is een deel van het Volk Gods, dat aan een Bisschop wordt toevertrouwd om het in samenwerking met het presbyterium te weiden, zodat het, nauw verbonden met zijn herder, en door hem door het Evangelie en de Eucharistie in de Heilige Geest verzameld, een particuliere Kerk vormt, waarin de ene heilige katholieke en apostolische Kerk van Christus waarlijk aanwezig is en werkt.

    Can. 370 - Een territoriale prelatuur of een territoriale abdij is een bepaald deel van het Volk Gods, territoriaal omschreven, waarover de zorg, wegens bijzondere omstandigheden, toevertrouwd wordt aan een Prelaat of Abt die het, op de wijze van een diocesane Bisschop, als diens eigen herder bestuurt.

    Can. 371 - § 1 Een apostolisch vicariaat of een apostolische prefectuur is een bepaald deel van het Volk Gods, dat wegens bijzondere omstandigheden nog niet tot bisdom opgericht is, en dat te weiden toevertrouwd wordt aan een apostolisch Vicaris of een apostolische Prefect, die het in naam van de Paus besturen.
    § 2 Een apostolische administratie is een bepaald deel van het Volk Gods, dat om bijzondere en hoogst ernstige redenen door de Paus niet tot bisdom opgericht wordt, en waarvan de pastorale zorg toevertrouwd wordt aan een apostolisch Administrator, die het in naam van de Paus bestuurt.

    Can. 372 - § 1 Als regel dient te gelden dat het deel van het volk Gods dat een bisdom of een andere particuliere Kerk vormt, door een bepaald gebied omschreven wordt, zodat het alle gelovigen omvat die in het gebied wonen.
    § 2 Wanneer echter naar het oordeel van het hoogste gezag van de Kerk, na de bisschoppenconferenties die het aangaat gehoord te hebben, het nut dit wenselijk maakt, kunnen in hetzelfde gebied particuliere Kerken opgericht worden, onderscheiden naar de ritus van de gelovigen of om een andere vergelijkbare reden.

    Can. 373 - Alleen het hoogste gezag komt het toe particuliere Kerken op te richten; eenmaal opgericht, bezitten zij van rechtswege rechtspersoonlijkheid.

    Can. 374 - § 1 Elk bisdom of andere particuliere Kerk dient verdeeld te worden in onderscheiden delen, dit wil zeggen parochies.
    § 2 Om de pastorale zorg door gemeenschappelijk handelen te behartigen, kunnen meerdere naburige parochies verbonden worden in bijzondere groeperingen, zoals daar zijn dekanaten.

    Hoofdstuk II - Bisschoppen 375-411

    Art. 1 - Bisschoppen in het algemeen 375-380

    Can. 375 - § 1 De Bisschoppen, die krachtens goddelijke instelling in de plaats treden van de Apostelen door de Heilige Geest die hun geschonken is, worden in de Kerk tot Herders gesteld om ook zelf leraren van de leer, priesters van de gewijde eredienst en bedienaren van de leiding te zijn.
    § 2 De Bisschoppen ontvangen door de bisschopswijding zelf met de heiligingstaak ook de taken om te onderrichten en te besturen, welke zij echter uit de aard der zaak in hiërarchische gemeenschap met het hoofd en de leden van het College kunnen uitoefenen.

    Can. 376 - Bisschoppen worden diocesaan genoemd, wanneer hun de zorg voor een bisdom toevertrouwd is; de overigen worden titulair genoemd.

    Can. 377 - § 1 De Paus benoemt vrij de Bisschoppen of bevestigt de wettig gekozenen.
    § 2 Ten minste om de drie jaar dienen de Bisschoppen van een kerkprovincie of, waar de omstandigheden dit raadzaam maken, de bisschoppenconferenties, in gemeenschappelijk overleg en onder geheimhouding een lijst van priesters op te stellen, ook van leden van instituten van gewijd leven, die bijzonder geschikt zijn voor het episcopaat, en deze lijst aan de Apostolische Stoel door te geven, onverminderd het recht van iedere Bisschop om de namen van priesters die hij waardig en bekwaam acht voor het bisschopsambt, aan de Apostolische Stoel afzonderlijk kenbaar te maken.
    § 3 Tenzij wettig anders bepaald, is het de taak van de pauselijke Gezant, telkens wanneer er een diocesane Bisschop of Bisschop-coadjutor benoemd moet worden, bij de aan de Apostolische Stoel voor te leggen zogenaamde voordracht van drie naar ieder afzonderlijk een onderzoek in te stellen, en aan de Apostolische Stoel, samen met zijn oordeel, mede te delen wat voorgesteld wordt door de Metropoliet en de suffragane Bisschoppen van de provincie waartoe het te voorziene bisdom behoort of waarmee het in vergadering bijeenkomt, alsook door de voorzitter van de bisschoppenconferentie; de pauselijke Gezant dient bovendien enkelen uit het consultorencollege en het kathedraal kapittel te horen en, indien hij dit nuttig acht, dient hij ook, afzonderlijk en onder geheimhouding, de mening te vragen van anderen uit de seculiere en reguliere clerus alsook van leken die uitmunten door wijsheid.
    § 4 Tenzij wettig anders voorzien is, dient een diocesane Bisschop die van oordeel is dat aan zijn bisdom een hulpbisschop gegeven moet worden, een lijst met ten minste drie namen van bijzonder voor dit ambt geschikte priesters aan de Apostolische Stoel voor te leggen.
    § 5 In het vervolg wordt geen enkel recht en privilege van verkiezing, benoeming, voordracht of aanwijzing van Bisschoppen aan burgerlijke overheden verleend.

    Can. 378 - § 1 Voor de geschiktheid van kandidaten voor het Episcopaat is vereist dat de persoon:
    1. uitmunt door een vast geloof, een goede levenswandel, vroomheid, zielenijver, wijsheid, bedachtzaamheid en menselijke deugden, en de overige eigenschappen bezit die hem geschikt maken om het ambt waarover het gaat, te vervullen;
    2. een goede achting geniet;
    3. ten minste vijfendertig jaar oud is;
    4. ten minste sinds vijf jaar in de orde van het presbyteraat gesteld is;
    5. de doctorsgraad of althans het licentiaat in de heilige
    Schrift, de theologie of in het canoniek recht behaald heeft aan een door de Apostolisch Stoel goedgekeurd instituut voor hogere studies, of ten minste in die wetenschappen echt bekwaam is.
    § 2 Het definitief oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon komt toe aan de Apostolische Stoel.

    Can. 379 - Tenzij door een wettig beletsel ervan weerhouden, moet ieder die in het Episcopaat benoemd is, binnen drie maanden na ontvangst van het apostolisch schrijven de bisschopswijding ontvangen, en wel voordat hij van zijn ambt bezit neemt.

    Can. 380 - Voordat de benoemde canoniek bezit neemt van zijn ambt, dient hij de geloofsbelijdenis af te leggen en een eed van trouw aan de Apostolische Stoel volgens de door de Apostolische Stoel goedgekeurde formule.

    Art. 2 - Diocesane Bisschoppen 381-402

    Can. 381 - § 1 Aan de diocesane Bisschop komt in het hem toevertrouwde bisdom alle gewone, eigen en onmiddellijke macht toe, die voor de uitoefening van zijn herderlijke taak vereist is, uitgezonderd zaken die door het recht of door een decreet van de Paus aan het hoogste of een ander kerkelijk gezag voorbehouden zijn.
    § 2 Zij die aan het hoofd staan van de andere gemeenschappen van gelovigen waarover in can. 368, worden in het recht gelijkgesteld met een diocesane Bisschop, tenzij uit de aard der zaak of krachtens een voorschrift van het recht iets anders blijkt.

    Can. 382 - § 1 De tot Bisschop benoemde kan zich vóór de canonieke inbezitneming van het bisdom niet mengen in de uitoefening van het hem toevertrouwde ambt; hij kan echter de ambten vervullen die hij reeds op het tijdstip van zijn benoeming in hetzelfde bisdom had, onverminderd het voorschrift van can. 409, § 2.
    § 2 Tenzij door een wettig beletsel daarvan weerhouden, moet hij die tot het ambt van diocesane Bisschop benoemd is, indien hij nog niet tot Bisschop gewijd is, binnen vier maanden na ontvangst van het apostolisch schrijven canoniek bezit nemen van zijn bisdom; indien hij reeds gewijd is, binnen twee maanden na ontvangst van dit schrijven.
    § 3 Canoniek bezit van het bisdom neemt de Bisschop zodra hij in het bisdom zelf, in eigen persoon of door een gevolmachtigde, het apostolisch schrijven aan het consultorencollege getoond heeft, in aanwezigheid van de kanselier van de curie, die hiervan akte opmaakt, of, in nieuw opgerichte bisdommen, zodra hij aan de in de kathedrale kerk aanwezige clerus en volk het schrijven bekend heeft laten maken, waarvan de oudste aanwezige priester akte opmaakt.
    § 4 Ten zeerste wordt aanbevolen dat de canonieke inbezitneming met een liturgische handeling in de kathedrale kerk gebeurt, in aanwezigheid van clerus en volk.

    Can. 383 - § 1 Bij de uitoefening van zijn pastorale taak dient de diocesane Bisschop zijn zorgzaamheid te betonen voor alle christengelovigen die aan zijn zorg toevertrouwd zijn, van welke leeftijd, positie of natie zij ook zijn, zowel die in het gebied wonen als die daarin tijdelijk verblijven, waarbij hij zijn apostolische aandacht ook richt op hen die vanwege hun levensomstandigheden niet voldoende kunnen genieten van de gewone pastorale zorg, en ook op hen die het praktizeren van de godsdienst opgegeven hebben.
    § 2 Indien hij in bisdom gelovigen van verschillende ritus heeft, dient hij te voorzien in hun geestelijke behoeften, hetzij door priesters of parochies van deze ritus hetzij door een bisschoppelijk Vicaris.
    § 3 Jegens de broeders die niet in volledige gemeenschap met de katholieke Kerk zijn, dient hij zich met menselijkheid en liefde te gedragen en hij dient ook het oecumenisme, zoals de Kerk dit verstaat, te behartigen.
    § 4 Hij houde zich de niet-gedoopten aanbevolen in de Heer, opdat ook voor hen de liefde van Christus moge oplichten, wiens getuige voor allen de Bisschop moet zijn.

    Can. 384 - De diocesane Bisschop dient met bijzondere zorg de priesters te begeleiden, hen als medewerkers en raadgevers te horen, hun rechten te beschermen en er zorg voor te dragen dat zij de aan hun staat eigen verplichtingen op de voorgeschreven wijze vervullen, en dat hun middelen en instellingen ter beschikking staan die zij voor de behartiging van hun geestelijk en intellectueel leven nodig hebben; ook dient hij te zorgen dat voorzien wordt in hun passend levensonderhoud en sociale bijstaand, volgens het recht.

    Can. 385 - De diocesane Bisschop dient roepingen tot de verschillende bedieningen en tot het gewijd leven zoveel mogelijk te bevorderen, waarbij hij een bijzondere zorg besteedt aan priesterroepingen en roepingen voor de missies.

    Can. 386 - § 1 De diocesane Bisschop is gehouden de waarheden van het geloof die gelovig aanvaard en op het zedelijk leven toegepast moeten worden, aan de gelovigen voor te houden en te verduidelijken, door dikwijls persoonlijk te prediken; hij dient er ook voor te zorgen dat de voorschriften van de canones over de bediening van het woord, vooral de homilie en het catechetisch onderricht, met zorg in acht genomen worden, zodat de gehele christelijke leer aan allen overgedragen wordt.
    § 2 De gaafheid en eenheid van de geloofsleer dient hij krachtig te beschermen met de middelen die daartoe het best geschikt geacht worden, de rechtmatige vrijheid echter bij een nader onderzoek van de waarheden erkennend.

    Can. 387 - De diocesane Bisschop dient, indachtig dat hij gehouden is aan de verplichting een voorbeeld van heiligheid te geven in liefde, nederigheid en eenvoud van leven, zich de hoogste inspanning te getroosten om de heiligheid van de christengelovigen te bevorderen volgens ieders eigen roeping, en, omdat hij de voornaamste uitdeler is van Gods mysteries, zich er voortdurend op toe te leggen dat de christengelovigen die aan zijn zorg toevertrouwd zijn, door de viering van de sacramenten groeien in genade en dat zij het paasmysterie leren kennen en beleven.

    Can. 388 - § 1 De diocesane Bisschop moet na de inbezitneming van het bisdom iedere zondag en op de andere in zijn gebied verplichte feestdagen een Mis opdragen tot intentie van het hem toevertrouwde volk.
    § 2 De Bisschop moet de Mis voor het volk op de dagen waarover in § 1, persoonlijk voor die intentie celebreren; maar wanneer hij wettig verhinderd is voor deze viering, dient hij deze op deze dagen door een ander te laten opdragen, of op andere dagen persoonlijk op te dragen.
    § 3 Een Bisschop aan wie naast het eigen bisdom andere bisdommen toevertrouwd zijn, ook op titel van administratie, voldoet aan de verplichting door één Mis tot intentie van het gehele hem toevertrouwde volk op te dragen.
    § 4 Een Bisschop die aan de verplichting waarover in de §§1-3, niet voldaan heeft, dient zo spoedig mogelijk zoveel Missen tot intentie van het volk op te dragen als hij nagelaten heeft te doen.

    Can. 389 - Hij dient dikwijls in de kathedrale kerk of in een andere kerk van zijn bisdom voor te gaan in de viering van de allerheiligste Eucharistie, vooral op verplichte feestdagen en bij andere plechtige gelegenheden.

    Can. 390 - De diocesane Bisschop kan in zijn gehele bisdom pontificale plechtigheden verrichten; niet echter buiten zijn eigen bisdom zonder uitdrukkelijke of althans redelijkerwijze gepresumeerde toestemming van de plaatselijke Ordinaris.

    Can. 391 - § 1 Het komt de diocesane Bisschop toe de hem toevertrouwde particuliere Kerk
    met wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht te besturen, volgens het recht.
    § 2 De wetgevende macht oefent de Bisschop zelf uit; de uitvoerende macht oefent hij uit hetzij zelf hetzij door Vicarissen-generaal of bisschoppelijke Vicarissen volgens het recht; de rechterlijke macht hetzij zelf hetzij door de Gerechtsvicaris en de rechters volgens het recht.

    Can. 392 - § 1 Omdat de Bisschop de eenheid van de Kerk als geheel moet beschermen, is hij gehouden de gemeenschappelijke discipline van de gehele Kerk te bevorderen en daarom het onderhouden van alle kerkelijke wetten te urgeren.
    § 2 Hij dient te waken dat er geen misbruiken in de kerkelijke discipline binnensluipen, vooral betreffende de bediening van het woord, de viering van de sacramenten en sacramentaliën, de eredienst van God en de Heiligen, alsook betreffende het beheer van de goederen.

    Can. 393 - In alle juridische aangelegenheden van het bisdom vertegenwoordigt de diocesane Bisschop het bisdom.

    Can. 394 - § 1 De Bisschop dient de verschillende apostolaatsvormen in het bisdom te behartigen en te zorgen dat in het gehele bisdom, of in zijn onderscheiden districten, alle apostolaatswerken, met behoud van de eigen aard van elk daarvan, onder zijn leiding gecoördineerd worden.
    § 2 Hij dient de plicht te urgeren waartoe de gelovigen gehouden zijn, om, ieder overeenkomstig zijn situatie en geschiktheid, apostolaat uit te oefenen, en hij dient hen aan te sporen aan de verschillende apostolaatswerken, overeenkomstig de noden van plaats en tijd, deel te nemen en steun te verlenen.

    Can. 395 - § 1 Een diocesane Bisschop is, ook als hij een coadjutor of hulpbisschop heeft, gehouden aan de wet van persoonlijke residentie in zijn bisdom.
    § 2 Behalve om reden van een bezoek Ad Limina, of van Concilies, de bisschoppensynode, de bisschoppenconferentie, waarbij hij tegenwoordig moet zijn, of van een andere hem wettig opgelegde taak, kan hij om een billijke reden afwezig zijn, weliswaar niet langer dan een maand, hetzij aaneensluitend hetzij onderbroken, mits gewaarborgd is dat het bisdom door zijn afwezigheid geen enkel nadeel ondervindt.
    § 3 Met Kerstmis, in de Goede Week en op Pasen, Pinksteren en Sacramentsdag, mag hij niet afwezig zijn uit het bisdom, tenzij om een ernstige en dringende reden.
    § 4 Indien een Bisschop langer dan zes maanden onwettig uit zijn bisdom afwezig is, dient de Metropoliet de Apostolische Stoel omtrent diens afwezigheid in te lichten; indien het over de Metropoliet gaat, dient de oudste suffragane Bisschop dit te doen.

    Can. 396 - § 1 De Bisschop is gehouden aan de verplichting het bisdom jaarlijks geheel of gedeeltelijk te visiteren, zodat hij ten minste elke vijf jaar het gehele bisdom in eigen persoon of, indien hij wettig verhinderd is, door de Bisschop-coadjutor, of een hulpbisschop, of door de Vicaris-generaal of een bisschoppelijk Vicaris, of door een andere priester visiteert.
    § 2 De Bisschop kan als zijn begeleiders en helpers bij de visitatie clerici naar zijn goeddunken uitkiezen, waarbij elk strijdig privilege of elke strijdige gewoonte verworpen is.

    Can. 397 - § 1 Aan de gewone bisschoppelijke visitatie zijn onderworpen personen, katholieke instituten, gewijde zaken en plaatsen, die zich binnen de grenzen van het bisdom bevinden.
    § 2 De leden van religieuze instituten van pauselijk recht en hun huizen kan de Bisschop alleen visiteren in de in het recht uitdrukkelijk vermelde gevallen.

    Can. 398 - De Bisschop dient er zich op toe te leggen de pastorale visitatie met de geboden zorgvuldigheid te volbrengen; hij dient te waken dat de visitatie door overbodige onkosten voor niemand bezwaarlijk of lastig wordt.

    Can. 399 - § 1 Een diocesane Bisschop is gehouden elke vijf jaar een verslag aan de Paus voor te leggen betreffende de toestand van het hem toevertrouwde bisdom, in de vorm en op de tijd die door de Apostolische Stoel vastgesteld zijn.
    § 2 Indien het jaar vastgelegd voor het voorleggen van het verslag, geheel of gedeeltelijk valt binnen de eerste twee jaar na het begin van zijn bestuur van het bisdom, kan de Bisschop voor die keer het opstellen en voorleggen van een verslag achterwege laten.

    Can. 400 - § 1 De diocesane Bisschop dient in het jaar waarin hij gehouden is een verslag voor te leggen aan de Paus, tenzij door de Apostolische Stoel anders is bepaald, naar Rome te gaan om de graven van de Heilige Apostelen Petrus en Paulus te vereren en zich bij de Paus te melden.
    § 2 De Bisschop dient aan voormelde verplichting persoonlijk te voldoen, tenzij hij wettig verhinderd is; in dit geval dient hij er aan te voldoen door een coadjutor, indien hij er een heeft, of een hulpbisschop, of door een geschikte priester van zijn presbyterium, die in zijn bisdom woont.
    § 3 Een apostolisch Vicaris kan aan deze verplichting voldoen door een vertegenwoordiger, ook wanneer deze in Rome verblijft; een apostolisch Prefect is niet aan deze verplichting gehouden.

    Can. 401 - § 1 Een diocesane Bisschop die zijn vijfenzeventigste levensjaar voltooid heeft, wordt verzocht ontslag uit zijn ambt aan de Paus aan te bieden, die na alle omstandigheden onder ogen genomen te hebben, daarin zal beslissen.
    § 2 Een diocesane Bisschop die wegens een zwakke gezondheid of een andere ernstige reden minder goed in staat is zijn ambt te vervullen, wordt dringend verzocht ontslag uit zijn ambt aan te bieden.

    Art. 3 - Bisschoppen-coadjutoren en hulpbisschoppen 403-411

    Can. 402 - § 1 Een Bisschop wiens ontslag uit het ambt aanvaard is, behoudt de titel van emeritus van zijn bisdom en kan, indien hij dit wenst, zijn woonplaats in het bisdom behouden, tenzij in bepaalde gevallen wegens bijzondere omstandigheden door de Apostolische Stoel anders voorzien wordt.
    § 2 De bisschoppenconferentie moet ervoor zorgen dat voorzien wordt in een passend en waardig onderhoud van een aftredende Bisschop, ermee rekening houdend dat het bisdom dat hij gediend heeft, daartoe allereerst verplicht is.

    Can. 403 - § 1 Wanneer de pastorale noden van een bisdom dit raadzaam maken, dienen op verzoek van de diocesane Bisschop een of meerdere hulpbisschoppen aangesteld te worden; een hulpbisschop heeft geen recht van opvolging.
    § 2 In meer ernstige omstandigheden, ook van persoonlijke aard, kan aan een diocesane Bisschop een hulpbisschop gegeven worden met bijzondere bevoegdheden uitgerust.
    § 3 Indien het de Heilige Stoel geschikter voorkomt, kan deze ambtshalve een Bisschop-coadjutor aanstellen, die zelf ook met bijzondere bevoegdheden uitgerust wordt; een Bisschop-coadjutor bezit recht van opvolging.

    Can. 404 - § 1 Een Bisschop-coadjutor neemt bezit van zijn ambt wanneer hij de apostolische benoemingsbrief, persoonlijk of door een vertegenwoordiger, aan de diocesane Bisschop en het consultorencollege toont, in tegenwoordigheid van de kanselier van de curie, die er akte van opmaakt.
    § 2 Een hulpbisschop neemt bezit van zijn ambt wanneer hij de apostolische benoemingsbrief aan de diocesane Bisschop toont, in tegenwoordigheid van de kanselier van de curie, die er akte van opmaakt.
    § 3 Indien de diocesane Bisschop volledig verhinderd is, is het voldoende dat zowel een Bisschop-coadjutor als een hulpbisschop de apostolische benoemingsbrief aan het consultorencollege tonen, in tegenwoordigheid van de kanselier van de curie.

    Can. 405 - § 1 Een Bisschop-coadjutor en eveneens een hulpbisschop hebben de verplichtingen en rechten, die bepaald worden door de voorschriften van de canones die volgen, en die in hun benoemingsbrief vastgelegd worden.
    § 2 De Bisschop-coadjutor en de hulpbisschop over wie in can. 403, § 2, staan de diocesane Bisschop bij in het gehele bestuur van het bisdom en vervangen hem bij afwezigheid of verhindering.

    Can. 406 - § 1 De Bisschop-coadjutor, en eveneens de hulpbisschop over wie in can. 403, § 2, dient door de diocesane Bisschop tot Vicaris-generaal aangesteld te worden; bovendien dient de diocesane Bisschop hem vóór anderen datgene toe te vertrouwen wat rechtens een bijzonder mandaat vraagt.
    § 2 Tenzij in de apostolische brief iets anders voorzien is en onverminderd het voorschrift van § 1, dient de diocesane Bisschop zijn hulpbisschop of hulpbisschoppen tot Vicaris-generaal of ten minste tot bisschoppelijk Vicaris aan te stellen, alleen afhankelijk van zijn eigen gezag of van de Bisschop-coadjutor of hulpbisschop over wie in can. 403, § 2.

    Can. 407 - § 1 Om zo goed mogelijk het tegenwoordig en toekomstig welzijn van het bisdom te bevorderen, dienen de diocesane Bisschop, de coadjutor en de hulpbisschop over wie in can. 403, § 2, in meer belangrijke aangelegenheden met elkaar overleg te plegen.
    § 2 De diocesane Bisschop dient bij het afwegen van meer belangrijke aangelegenheden, vooral van pastorale aard, de hulpbisschoppen vóór anderen te raadplegen.
    § 3 Een Bisschop-coadjutor en een hulpbisschop, die immers geroepen zijn deel te hebben aan de zorg van de diocesane Bisschop, dienen hun taken zo te vervullen dat zij met hem eendrachtig in toewijding en gezindheid te werk gaan.

    Can. 408 - § 1 De Bisschop-coadjutor en een hulpbisschop die niet door een rechtmatig beletsel weerhouden zijn, zijn verplicht om, telkens als de diocesane Bisschop dit vraagt, pontificale plechtigheden en andere taken waartoe de diocesane Bisschop gehouden is, op zich te nemen.
    § 2 Bisschoppelijke rechten en taken die een Bisschop-coadjutor of hulpbisschop kunnen uitoefenen, mag de diocesane Bisschop niet habitueel aan een ander toevertrouwen.

    Can. 409 - § 1 Wanneer de bisschoppelijke zetel vacant is, wordt de Bisschop-coadjutor onmiddellijk Bisschop in het bisdom waarvoor hij aangesteld was, mits hij wettig bezit genomen heeft.
    § 2 Wanneer de bisschoppelijke zetel vacant is, behoudt een hulpbisschop, tenzij iets anders door de bevoegde overheid vastgesteld is, totdat de nieuwe Bisschop van de zetel bezit genomen heeft, alle en slechts die machten en bevoegdheden welke hij als Vicaris-generaal of als bisschoppelijk Vicaris had, toen de zetel bezet was; indien hij niet voor het ambt van diocesaan Administrator aangewezen is, dient hij deze macht, die hem namelijk door het recht verleend is, uit te oefenen onder het gezag van de diocesane Administrator die aan het hoofd staat van het bestuur van het bisdom.

    Can. 410 - De Bisschop-coadjutor en een hulpbisschop zijn, zoals ook de diocesane Bisschop zelf, gehouden aan de verplichting te resideren in het bisdom; behalve om reden van een taak die zij buiten het bisdom moeten vervullen of wegens vacantie, die niet langer dan een maand mag duren, mogen zij slechts voor korte tijd het bisdom verlaten.

    Can. 411 - Wat betreft het afstand doen van hun ambt, worden voor een Bisschop-coadjutor en een hulpbisschop de voorschriften van de canones 401 en 402, § 2 toegepast.

    Hoofdstuk III -Verhindering en vacatie van de zetel 412-430

    Art. 1 - Verhindering van de zetel 412-415

    Can. 412 - Een bisschopszetel wordt verhinderd genoemd als de diocesane Bisschop wegens gevangenschap, verbanning, ballingschap of onvermogen volledig verhinderd is zijn pastorale taak in het bisdom te vervullen, en daarbij zelfs niet schriftelijk met zijn diocesanen in verbinding kan treden.

    Can. 413 - § 1 Bij verhindering van de zetel komt het bestuur van het bisdom, tenzij de Heilige Stoel anders voorzien heeft, aan de Bisschop-coadjutor toe, als er een is; bij diens ontbreken of verhindering, aan een hulpbisschop of Vicaris-generaal of bisschoppelijk Vicaris of aan een andere priester, met inachtneming van de volgorde van personen volgens een lijst die door de diocesane Bisschop zo spoedig mogelijk na de inbezitneming van het bisdom opgesteld moet worden; deze lijst, die aan de Metropoliet meegedeeld moet worden, dient tenminste om de drie jaar vernieuwd en door de kanselier onder geheimhouding bewaard te worden.
    § 2 Wanneer er geen Bisschop-coadjutor is of deze verhinderd is, en de lijst waarover in § 1, niet voorhanden is, is het de taak van het consultorencollege een priester te kiezen om het bisdom te besturen.
    § 3 Hij die het bestuur van het bisdom volgens §§ 1 en 2 op zich genomen heeft, dient zo spoedig mogelijk de Heilige Stoel in kennis te stellen van de verhindering van de zetel alsook van het opnemen van zijn taak.

    Can. 414 - Ieder die volgens can. 413 geroepen is om tussentijds de pastorale zorg te dragen van het bisdom, en alleen voor de tijd dat de zetel verhinderd is, is in de uitoefening van de pastorale zorg van het bisdom gehouden aan de verplichtingen en bezit de macht, die in het recht aan een diocesaan Administrator toekomen.

    Can. 415 - Wanneer een diocesane Bisschop door een kerkelijke straf de uitoefening van zijn ambt verboden wordt, dient de Metropoliet of, indien er geen is of het over hem zelf gaat, de naar benoeming oudste suffragane Bisschop zich onmiddellijk tot de Heilige Stoel te wenden, opdat deze erin voorziet.

    Art. 2 - Vacatie van de zetel 416-430

    Can. 416 - Een bisschoppelijke zetel wordt vacant door de dood van de diocesane Bisschop, de door de Paus aanvaarde afstand, de aan de Bisschop betekende overplaatsing en ontneming.

    Can. 417 - Van kracht is alles wat door een Vicaris-generaal of een bisschoppelijk Vicaris gedaan is totdat dezen het zekere bericht van de dood van de diocesane Bisschop ontvangen hebben, en eveneens wat door een diocesane Bisschop of een Vicaris-generaal of een bisschoppelijk Vicaris gedaan is totdat zij het zekere bericht over de vermelde pauselijke handelingen ontvangen hebben.

    Can. 418 - § 1 Een bisschop moet binnen twee maanden na ontvangst van het zekere bericht van overplaatsing vertrekken naar het bisdom ad quam en er canoniek bezit van nemen; op de dag van de inbezitneming van het nieuwe bisdom is het bisdom a qua vacant.
    § 2 Vanaf het zekere bericht van de overplaatsing tot aan de canonieke inbezitneming van het nieuwe bisdom verkrijgt de overgeplaatste Bisschop in het bisdom a qua:
    1. de macht van een diocesaan Administrator en is hij gehouden aan diens verplichtingen, terwijl elke macht van een Vicaris-generaal en bisschoppelijk Vicaris ophoudt te bestaan, behoudens echter can. 409, § 2;
    2. de volledige vergoeding eigen aan het ambt.

    Can. 419 - Wanneer de zetel vacant wordt, gaat het bestuur van het bisdom, tot aan de aanstelling van een diocesaan Administrator, over op de hulpbisschop, en als er meerdere zijn, op de oudste in aanstelling; bij ontbreken echter van een hulpbisschop op het consultorencollege, tenzij door de Heilige Stoel anders voorzien is. Wie aldus het bestuur van het bisdom op zich neemt, dient onverwijld het bevoegd college bijeen te roepen om een diocesaan Administrator aan te wijzen.

    Can. 420 - In een apostolisch vicariaat of apostolische prefectuur neemt, wanneer de zetel vacant wordt, de Pro-Vicaris of Pro-Prefect, alleen hiertoe door de Vicaris of Prefect onmiddellijk na diens inbezitneming benoemd, het bestuur op zich, tenzij door de Heilige Stoel anders bepaald is.

    Can. 421 - § 1 Binnen acht dagen na het ontvangen van het bericht dat de bisschopszetel vacant is, moet door het consultorencollege, onverminderd het voorschrift van can. 502, § 3, een diocesaan Administrator gekozen worden om het bisdom tussentijds te besturen.
    § 2 Indien binnen de voorgeschreven tijd om welke reden ook geen diocesaan Administrator wettig gekozen is, gaat de aanwijzing van deze over op de Metropoliet en, indien de metropolitane Kerk zelf vacant is, of tegelijkertijd de metropolitane en de suffragane Kerk, op de in aanstelling oudste suffragane Bisschop.

    Can. 422 - De hulpbisschop of, indien deze er niet is, het consultorencollege dient de Apostolische Stoel zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van de dood van de Bisschop, en evenzo dient degene die tot diocesaan Administrator gekozen is, de Apostolische Stoel mededeling te doen van zijn verkiezing.

    Can. 423 - § 1 Er dient één diocesaan Administrator aangewezen te worden, waarbij elke daarmee strijdige gewoonte verworpen is; anders is de verkiezing ongeldig.
    § 2 De diocesane Administrator mag niet tegelijk econoom zijn; daarom dient de raad voor economische aangelegenheden, indien de econoom van het bisdom tot diocesaan Administrator gekozen is, voor deze tijd een andere econoom te kiezen.

    Can. 424 - De diocesane Administrator dient gekozen te worden volgens de canones 165-178.

    Can. 425 - § 1 Voor het ambt van diocesaan Administrator kan slechts geldig aangewezen worden een priester die zijn vijfendertigste levensjaar voltooid heeft en niet voor dezelfde vacante zetel reeds gekozen, benoemd of voorgedragen is.
    § 2 Tot diocesaan Administrator dient een priester gekozen te worden die uitmunt in de leer en in wijs oordeel.
    § 3 Indien de in § 1 voorgeschreven voorwaarden niet in acht genomen zijn, dient de Metropoliet of, indien de metropolitane Kerk zelf vacant is, de in aanstelling oudste suffragane Bisschop, na zich vergewist te hebben dat dit inderdaad het geval is, voor deze keer de diocesane Administrator aan te wijzen; de handelingen van degene die tegen de voorschriften van § 1 gekozen mocht zijn, zijn van rechtswege nietig.

    Can. 426 - Degene die, wanneer de zetel vacant is, vóór de aanwijzing van een diocesaan Administrator het bisdom bestuurt, bezit de macht die het recht aan een Vicaris-generaal toekent.

    Can. 427 - § 1 Een diocesaan Administrator is gehouden aan de verplichtingen en bezit de macht van de diocesane Bisschop, met uitsluiting van hetgeen uit de aard der zaak of van rechtswege uitgezonderd is.
    § 2 Een diocesaan Administrator verkrijgt met het aanvaarden van de verkiezing de macht zonder dat er bevestiging door iemand vereist is, onverminderd de verplichting waarover in can. 833, nr.4.

    Can. 428 - § 1 Tijdens de vacatie van de zetel mag er niets veranderd worden.
    § 2 Degenen die tussentijds voor het bestuur van het bisdom zorg dragen, is het verboden wat dan ook te doen dat het bisdom of de bisschoppelijke rechten enig nadeel kan berokkenen; in het bijzonder is het hun en verder ook alle anderen verboden, zelf of door een ander gelijk welke documenten van de diocesane curie te ontvreemden of te vernietigen of daarin iets te veranderen.

    Can. 429 - De diocesane Administrator is gehouden aan de verplichting in het bisdom te resideren en volgens can. 388 de Mis tot intentie van het volk op te dragen.

    Can. 430 - § 1 Het ambt van de diocesane Administrator houdt op te bestaan bij de inbezitneming van het bisdom door de nieuwe Bisschop.
    § 2 Een ambtsontheffing van een diocesaan Administrator is aan de Heilige Stoel voorbehouden; een afstand die hij evenwel zelf doet, moet in authentieke vorm aan het tot verkiezing bevoegd college voorgelegd worden en behoeft geen aanvaarding; wanneer een diocesaan Administrator van zijn ambt ontheven is of afstand ervan gedaan heeft of overleden is, dient een andere diocesane Administrator gekozen te worden volgens can. 421.

    Boek II Deel II Afdeling II Titel II – Groeperingen van particuliere kerken 431-459

    Hoofdstuk I - Kerkprovincies en kerkelijke regio's 431-434

    Can. 431 - § 1 Om een gemeenschappelijk pastoraal handelen van verschillende naburige bisdommen, overeenkomstig de omstandigheden van personen en plaatsen, te bevorderen en de onderlinge betrekkingen van de diocesane Bisschoppen beter te behartigen, dienen naburige particuliere Kerken verbonden te worden tot kerkprovincies, die door een bepaald gebied omschreven zijn.
    § 2 Als regel mogen er voortaan geen exempte bisdommen zijn; derhalve moeten de afzonderlijke bisdommen en andere particuliere Kerken die binnen het gebied van een kerkprovincie gelegen zijn, in deze kerkprovincie opgenomen worden.
    § 3 Het komt alleen aan het hoogste gezag van de Kerk toe, gehoord de Bisschoppen die het aangaat, kerkprovincies op te richten, op te heffen of er veranderingen in aan te brengen.

    Can. 432 - § 1 In een kerkprovincie bezitten gezag, volgens het recht, het provinciaal concilie en de Metropoliet.
    § 2 Een kerkprovincie bezit van rechtswege rechtspersoonlijkheid.

    Can. 433 - § 1 Indien het nuttig voorkomt, vooral in naties waar de particuliere Kerken vrij talrijk zijn, kunnen naburige kerkprovincies op voorstel van de bisschoppenconferentie door de Heilige Stoel in kerkelijke regio's samengevoegd worden.
    § 2 Een kerkelijke regio kan tot rechtspersoon opgericht worden.

    Can. 434 - De vergadering van Bisschoppen van een kerkelijke regio heeft tot taak samenwerking en gemeenschappelijk pastoraal handelen in de regio te behartigen; de machten echter die in de canones van dit Wetboek aan de bisschoppenconferentie toegekend worden, bezit deze vergadering niet, tenzij enkele haar door de Heilige Stoel speciaal verleend zijn.

    Hoofdstuk II - Metropolieten 435-438

    Can. 435 - Aan het hoofd van een kerkprovincie staat een Metropoliet, die Aartsbisschop is van het bisdom waarover hij aangesteld is; dit ambt is gebonden aan de bisschoppelijke zetel die door de Paus aangewezen of goedgekeurd is.

    Can. 436 - § 1 In de suffragane bisdommen komt het de Metropoliet toe:
    1. erover te waken dat zorgvuldig het geloof bewaard en de kerkelijke discipline in acht genomen wordt, en omtrent misbruiken, indien ze er zijn, de Paus op de hoogte te stellen;
    2. een canonieke visitatie te houden, om een reden die vooraf door de Apostolische Stoel goedgekeurd is, indien een suffragane bisschop de visitatie verwaarloosd heeft;
    3. een diocesaan Administrator aan te wijzen, volgens de canones 421, § 2 en 425, § 3.
    § 2 Waar de omstandigheden dit vereisen, kunnen door de Apostolische Stoel aan de Metropoliet bijzondere taken en macht verleend worden, die in het particulier recht bepaald moeten worden.
    § 3 Geen enkele andere bestuursmacht komt de Metropolieten toe in de suffragane bisdommen; hij kan echter in alle kerken, indien het de kathedrale kerk betreft na de Bisschop verwittigd te hebben, gewijde handelingen verrichten zoals een Bisschop in zijn eigen bisdom.

    Can. 437 - § 1 Een Metropoliet is gehouden aan de verplichting binnen drie maanden nadat hij de bisschopswijding ontvangen heeft of, indien hij reeds gewijd is, vanaf zijn canonieke aanstelling, persoonlijk of door een vertegenwoordiger aan de Paus het pallium te vragen, dat een teken is van de macht die aan de Metropoliet, in gemeenschap met de Kerk van Rome, in de eigen provincie door het recht verleend is.
    § 2 De Metropoliet kan, volgens de liturgische wetten, het pallium dragen binnen elke kerk van de kerkprovincie aan het hoofd waarvan hij staat, geenszins echter daarbuiten, zelfs niet met toestemming van de diocesane Bisschop.
    § 3 Als een Metropoliet naar een andere metropolitane zetel verplaatst wordt, heeft hij een nieuw pallium nodig.

    Can. 438 - De titel van Patriarch en Primaat brengt, buiten een erevoorrang, in de Latijnse Kerk geen enkele bestuursmacht met zich mee, tenzij voor sommigen krachtens een apostolisch privilege of een goedgekeurde gewoonte iets anders vaststaat.

    Hoofdstuk III - Particuliere concilies 439-446

    Can. 439 - § 1 Een plenair concilie, voor alle particuliere Kerken namelijk van dezelfde bisschoppenconferentie, dient gehouden te worden zo dikwijls dit de bisschoppenconferentie zelf, met goedkeuring van de Apostolische Stoel, noodzakelijk of nuttig lijkt.
    § 2 De in § 1 vastgestelde norm geldt ook voor een provinciaal concilie te houden in een kerkprovincie waarvan de grenzen met het grondgebied van de natie samenvallen.

    Can. 440 - § 1 Een provinciaal concilie voor de verschillende particuliere Kerken van dezelfde kerkprovincie dient gehouden te worden zo dikwijls dit naar het oordeel van de meerderheid van de diocesane Bisschoppen van de provincie geschikt lijkt, behoudens can. 439, § 2.
    § 2 Wanneer de metropolitane zetel vacant is, mag er geen provinciaal concilie bijeengeroepen worden.

    Can. 441 - Het is de taak van de bisschoppenconferentie:
    1. een plenair concilie bijeen te roepen;
    2. binnen het grondgebied van de bisschoppenconferentie een plaats te kiezen voor het te houden concilie;
    3. onder de diocesane Bisschoppen een voorzitter van het plenaire concilie te kiezen, die door de Apostolische Stoel goedgekeurd moet worden;
    4. de agenda en de te behandelen onderwerpen vast te stellen, het begin en de duur van het plenaire concilie te bepalen, het te verplaatsen, te verlengen en te beëindigen.

    Can. 442 - Het is, met toestemming van de meerderheid van de suffragane Bisschoppen, de taak van de Metropoliet:
    1. een provinciaal concilie bijeen te roepen;
    2. binnen het grondgebied van de provincie een plaats te kiezen voor het te houden provinciaal concilie;
    3. de agenda en de te behandelen onderwerpen vast te stellen, het begin en de duur van het provinciaal concilie te bepalen, het te verplaatsen, te verlengen en te beëindigen.
    § 2 Het is de taak van de Metropoliet en, wanneer hij wettig verhinderd is, van de suffragane Bisschop die door de andere suffragane Bisschoppen gekozen is, het provinciaal concilie voor te zitten.

    Can. 443 - § 1 Voor particuliere concilies moeten bijeengeroepen worden en hebben daarin het recht van beslissende stem:
    1. de diocesane Bisschoppen;
    2. de Bisschoppen-coadjutoren en hulpbisschoppen;
    3. andere titulaire Bisschoppen die in het gebied een bijzondere taak uitoefenen, hun door de Apostolische Stoel of de bisschoppenconferentie toevertrouwd.
    § 2 Voor particuliere concilies kunnen andere titulaire Bisschoppen opgeroepen worden, ook emeriti die in het gebied verblijven; dezen hebben dan het recht van beslissende stem.
    § 3 Voor particuliere concilies moeten opgeroepen worden met alleen raadgevende stem:
    1. de Vicarissen-generaal en de bisschoppelijke Vicarissen van alle particuliere Kerken van het gebied;
    2. de hogere Oversten van religieuze instituten en sociëteiten van apostolisch leven, wier aantal zowel voor mannen als vrouwen door de bisschoppenconferentie of door de bisschoppen van de provincie vastgesteld moet worden, respectievelijk gekozen door alle hogere Oversten van de instituten en sociëteiten die hun zetel in het gebied hebben;
    3. de rectoren van de kerkelijke en katholieke universiteiten alsook de decanen van de faculteiten van theologie en canoniek recht, die hun zetel in het gebied hebben;
    4. enkele rectoren van grootseminaries, wier aantal te bepalen is zoals in nr.2, gekozen door de rectoren van de seminaries die in het gebied gelegen zijn.
    § 4 Voor particuliere concilies kunnen opgeroepen worden, met alleen raadgevende stem, priesters en andere christengelovigen, zo echter dat hun aantal niet groter is dan de helft van degenen over wie in de §§1-3.
    § 5 Voor provinciale concilies dienen bovendien de kathedrale kapittels uitgenodigd te worden, en eveneens de priesterraad en de pastorale raad van elke particuliere Kerk, en wel zo dat elk daarvan twee van zijn leden zendt, die collegiaal door hen aangewezen zijn; zij hebben echter slechts raadgevende stem.
    § 6 Voor particuliere concilies kunnen, indien dit naar het oordeel van de bisschoppenconferentie voor een plenair concilie of naar dat van de Metropoliet samen met de suffragane Bisschoppen voor een provinciaal concilie nuttig is, ook anderen als gasten uitgenodigd worden.

    Can. 444 - § 1 Allen die in particuliere concilies bijeengeroepen worden, moeten daar aanwezig zijn, tenzij zij door een rechtmatig beletsel weerhouden zijn, waarvan zij de voorzitter van het concilie in kennis moeten stellen.
    § 2 Zij die in particuliere concilies bijeengeroepen worden en daar beslissende stem hebben, kunnen, indien zij door een rechtmatig beletsel weerhouden zijn, een plaatsvervanger zenden; deze plaatsvervanger heeft slechts raadgevende stem.

    Can. 445 - Een particulier concilie draagt er voor zijn gebied zorg voor dat in de pastorale noden van het volk Gods voorzien wordt; en het bezit bestuursmacht, vooral wetgevende, zodat het, altijd behoudens het universeel recht van de Kerk, kan beslissen over wat geschikt lijkt voor de groei van het geloof, voor het regelen van de gemeenschappelijke pastorale activiteit, voor het ordenen van het zedelijk leven en voor het naleven, invoeren of beschermen van de gemeenschappelijke kerkelijke discipline.

    Can. 446 - Na de beëindiging van een particulier concilie dient de voorzitter ervoor te zorgen dat alle akten van het concilie naar de Apostolische Stoel gezonden worden; de door het concilie uitgevaardigde decreten mogen niet afgekondigd worden dan nadat zij door de Apostolische Stoel beoordeeld zijn; het is de taak van het concilie zelf te bepalen op welke wijze de decreten afgekondigd worden en op welk tijdstip de afgekondigde decreten beginnen te verplichten.

    Hoofdstuk IV - Bisschoppenconferenties 447-459

    Can. 447 - De bisschoppenconferentie, een blijvend instituut, is een groepering van Bisschoppen van een natie of van een bepaald gebied, die gezamenlijk bepaalde pastorale taken voor de christengelovigen van hun gebied uitoefenen, om het hogere goed dat de Kerk de mensen aanreikt te bevorderen, vooral door vormen en methoden van apostolaat die aan de omstandigheden van tijd en plaats op geschikte wijze aangepast zijn, volgens het recht.

    Can. 448 - § 1 Een bisschoppenconferentie omvat als algemene regel de leiders van alle particuliere Kerken van eenzelfde natie, volgens can. 450.
    § 2 Indien evenwel naar het oordeel van de Apostolische Stoel, na de diocesane Bisschoppen die het aangaat gehoord te hebben, persoonlijke of zakelijke omstandigheden dit raadzaam maken, kan een bisschoppenconferentie opgericht worden voor een gebied van een kleinere of grotere omvang, zodat zij ofwel alleen de Bisschoppen van enige in een bepaald gebied gevestigde particuliere Kerken omvat ofwel de leiders van in verschillende naties particuliere Kerken; het komt aan de Apostolische Stoel toe bijzondere normen vast te stellen voor elk van deze.

    Can. 449 - § 1 Het komt alleen aan het hoogste kerkelijk gezag toe, na de Bisschoppen die het aangaat gehoord te hebben, bisschoppenconferenties op te richten, op te heffen of er veranderingen in aan te brengen.
    § 2 Een wettig opgerichte bisschoppenconferentie bezit van rechtswege rechtspersoonlijkheid.

    Can. 450 - § 1 Tot een bisschoppenconferentie behoren van rechtswege alle diocesane Bisschoppen in het gebied en zij die door het recht met hen gelijkgesteld zijn, en evenzo de Bisschoppen-coadjutoren, de hulpbisschoppen en de overige titulaire Bisschoppen die in hetzelfde gebied een hun door de Apostolische Stoel of door de bisschoppenconferentie opgedragen bijzondere taak vervullen; ook de Ordinarissen van een andere ritus kunnen uitgenodigd worden, zo echter dat zij alleen raadgevende stem hebben, tenzij de statuten van de bisschoppenconferentie iets anders bepalen.
    § 2 De overige titulaire Bisschoppen alsook een Gezant van de Paus zijn niet van rechtswege leden van een bisschoppenconferentie.

    Can. 451 - Elke bisschoppenconferentie dient haar door de Apostolische Stoel te beoordelen statuten op te stellen, waarin onder andere de te houden plenaire vergaderingen van de conferentie geregeld worden, en waarin voorzien wordt in een permanente raad van Bisschoppen en een algemeen secretariaat van de conferentie, alsook in andere taken en commissies die naar het oordeel van de conferentie het best bijdragen tot het bereiken van het doel.

    Can. 452 - § 1 Elke bisschoppenconferentie dient een voorzitter te kiezen, te bepalen wie bij wettige verhindering van de voorzitter het ambt van vice-voorzitter vervult, en een algemeen secretaris aan te wijzen, volgens de statuten.
    § 2 De voorzitter van de conferentie, en bij diens wettige verhindering de vice-voorzitter, zit niet alleen de plenaire vergaderingen van de bisschoppenconferentie voor, maar ook de permanente raad.

    Can. 453 - De plenaire vergaderingen van een bisschoppenconferentie dienen ten minste elk jaar één keer gehouden te worden, en bovendien zo dikwijls als bijzondere omstandigheden dit vereisen, volgens de voorschriften van de statuten.

    Can. 454 - § 1 Beslissende stem in de plenaire vergaderingen van de bisschoppenconferentie komt van rechtswege toe aan de diocesane Bisschoppen en aan hen die door het recht met hen gelijkgesteld worden, en ook aan de Bisschoppen-coadjutoren.
    § 2 Aan de hulpbisschoppen en de overige titulaire Bisschoppen die tot de bisschoppenconferentie behoren, komt beslissende of raadgevende stem toe overeenkomstig de voorschriften van de statuten van de conferentie; onverminderd echter dient te blijven dat alleen aan hen over wie in § 1, een beslissende stem toekomt, wanneer het gaat over het opstellen of veranderen van de statuten.

    Can. 455 - § 1 De bisschoppenconferentie kan slechts algemene decreten uitvaardigen in zaken waarin het universeel recht dit voorgeschreven heeft, of een bijzondere opdracht van de Apostolische Stoel dit hetzij uit eigen beweging hetzij op verzoek van de conferentie zelf bepaald heeft.
    § 2 De decreten waarover in § 1, moeten, om geldig uitgevaardigd te worden in een plenaire vergadering, door ten minste twee derde van de stemmen van de Kerkleiders die met beslissende stem tot de conferentie behoren, gedragen worden, en krijgen geen kracht van verplichting tenzij zij, na beoordeling door de Apostolische Stoel, wettig afgekondigd zijn.
    § 3 De wijze van afkondiging en het tijdstip waarop de decreten van kracht worden, worden door de bisschoppenconferentie zelf bepaald.
    § 4 In gevallen waarin noch het universeel recht noch een bijzondere opdracht van de Apostolische Stoel de macht waarover in § 1, aan de bisschoppenconferentie verleend heeft, blijft de bevoegdheid van iedere diocesane Bisschop afzonderlijk onverminderd behouden, en de conferentie of haar voorzitter kan niet namens alle Bisschoppen handelen, tenzij alle Bisschoppen, en wel ieder afzonderlijk, hun toestemming gegeven hebben.

    Can. 456 - Na de beëindiging van een plenaire vergadering van de bisschoppenconferentie dienen door de voorzitter een verslag van de handelingen van de conferentie alsook haar decreten aan de Apostolische Stoel toegezonden te worden, zowel opdat deze kennis kan nemen van de handelingen alsook opdat de decreten, als die er zijn, door hem beoordeeld kunnen worden.

    Can. 457 - Het is de taak van de permanente raad van Bisschoppen ervoor zorg te dragen dat de in de plenaire vergadering van de conferentie te behandelen zaken voorbereid worden en de in de plenaire vergadering genomen beslissingen naar behoren tot uitvoering gebracht worden; de raad heeft ook de taak andere aangelegenheden af te handelen, die hem volgens de statuten toevertrouwd zijn.

    Can. 458 - Het is de taak van het algemeen secretariaat:
    1. een verslag te maken van de handelingen en decreten van een plenaire vergadering van de conferentie en ook van de handelingen van de permanente raad van Bisschoppen, en dit aan alle leden van de conferentie te doen toekomen, en eveneens andere akten op schrift te stellen die het secretariaat in opdracht van de voorzitter van de conferentie of van de permanente raad moet opstellen;
    2. de aangrenzende bisschoppenconferenties de akten en documenten te doen toekomen die de conferentie in plenaire vergadering of de permanente raad van Bisschoppen besloten heeft aan hen toe te zenden.

    Can. 459 - § 1 De betrekkingen tussen de bisschoppenconferenties, vooral de meer naburige, dienen behartigd te worden om het hogere goed te bevorderen en veilig te stellen.
    § 2 Telkens echter wanneer conferenties handelingen stellen of betrekkingen aangaan die een internationale vorm aannemen, moet de Apostolische Stoel gehoord worden.

    Boek II Deel II Afdeling II Titel III – Interne ordening van particuliere kerken 460-572

    Hoofdstuk I - Diocesane synode 460-468

    Can. 460 - Een diocesane synode is een bijeenkomst van uitgekozen priesters en andere christengelovigen van een particuliere Kerk, die tot welzijn van de gehele diocesane gemeenschaap de diocesane Bisschop bijstaan, volgens de canones die volgen.

    Can. 461 - § 1 In elke particuliere Kerk dient een diocesane synode gehouden te worden wanneer, naar het oordeel van de diocesane Bisschop en nadat de priesterraad gehoord is, de omstandigheden dit raadzaam maken.
    § 2 Indien een Bisschop de zorg heeft voor meerdere bisdommen, of voor één bisdom de zorg heeft als de eigen Bisschop, van een ander evenwel als Administrator, kan hij één diocesane synode uit alle hem toevertrouwde bisdommen bijeenroepen.

    Can. 462 - § 1 Alleen de diocesane Bisschop roept een diocesane synode bijeen, niet echter degene die tussentijds een bisdom leidt.
    § 2 De leiding van een diocesane synode berust bij de diocesane Bisschop, die echter een Vicaris-generaal of een bisschoppelijk Vicaris voor afzonderlijke zittingen van de synode kan delegeren om deze taak te vervullen.

    Can. 463 - § 1 Voor een diocesane synode moeten als leden van de synode opgeroepen worden en zijn gehouden aan de verplichting eraan deel te nemen:
    1. de Bisschop-coadjutor en de hulpbisschoppen;
    2. de Vicarissen-generaal en de bisschoppelijke Vicarissen alsook de Gerechtsvicaris;
    3. de kanunniken van de kathedrale kerk;
    4. de leden van de priesterraad;
    5. christengelovigen-leken, ook leden van instituten van gewijd leven, die door de pastorale raad gekozen moeten worden op een wijze en in een aantal door de diocesane Bisschop te bepalen ofwel, waar geen pastorale raad bestaat, volgens een door de diocesane Bisschop vastgestelde regeling;
    6. de rector van het diocesaan grootseminarie;
    7. de dekens;
    8. ten minste één uit elk dekanaat te kiezen priester uit alle die daar een taak in de zielzorg hebben; tevens moet een andere priester gekozen worden, die bij verhindering van de eerste diens plaats inneemt;
    9. enkele Oversten van religieuze instituten en van sociëteiten van apostolisch leven die een huis in het bisdom hebben, te kiezen in een aantal en op de wijze door de diocesane Bisschop bepaald.
    § 2 Voor de diocesane synode kunnen door de diocesane Bisschop als leden van de synode ook anderen opgeroepen worden, hetzij clerici, hetzij leden van instituten van gewijd leven, hetzij christengelovigen-leken.
    § 3 De diocesane Bisschop kan, indien hij dit geschikt vindt, als waarnemers enkele bedienaren of leden van andere Kerken of kerkelijke gemeenschappen die niet in volledige gemeenschap met de katholieke Kerk zijn, voor de diocesane synode uitnodigen.

    Can. 464 - Indien een lid van de synode door een wettig beletsel weerhouden is, kan geen plaatsvervanger zenden om in zijn naam erbij aanwezig te zijn; maar hij dient de diocesane Bisschop van dit beletsel in kennis te stellen.

    Can. 465 - Alle voorgelegde kwesties dienen onderworpen te worden aan een vrije discussie van de leden in de zittingen van de synode.

    Can. 466 - De enige wetgever in de synode is de diocesane Bisschop, terwijl de andere leden van de synode slechts raadgevende stem hebben; alleen hijzelf ondertekent de verklaringen en decreten van de synode, die slechts op zijn gezag gepubliceerd kunnen worden.

    Can. 467 - De diocesane Bisschop dient de teksten van de verklaringen en de synodale decreten ter kennis te brengen van de Metropoliet en ook van de bisschoppenconferentie.

    Can. 468 - § 1 Het komt de diocesane Bisschop toe naar zijn wijs oordeel de diocesane synode op te schorten en ook te ontbinden.
    § 2 Wanneer de bisschoppelijke vacant of verhinderd is, wordt de diocesane synode van rechtswege onderbroken totdat de diocesane Bisschop die opvolgt, besloten heeft dat ze voortgezet wordt of haar beëindigd heeft verklaard.

    Hoofdstuk II - Diocesane curie 469-494

    Can. 469 - De diocesane curie bestaat uit de instituten en personen die de Bisschop bijstaan in het bestuur van het gehele bisdom, vooral in de leiding van de pastorale activiteit, in de zorg voor het beheer van het bisdom, alsook in de uitoefening van de rechterlijke macht.

    Can. 470 - De benoeming van degenen die ambten in de diocesane curie uitoefenen, komt de diocesane Bisschop toe.

    Can. 471 - Allen die voor ambten in de curie aangenomen worden, moeten:
    1. een belofte afleggen dat zij het ambt getrouw zullen vervullen, op de wijze die door het recht of de Bisschop bepaald is;
    2. geheimhouding in acht nemen binnen de grenzen en volgens de wijze die door het recht of de Bisschop bepaald zijn.

    Can. 472 - Betreffende zaken en personen die in de curie tot de uitoefening van de rechterlijke macht behoren, dienen de voorschriften van Boek VII Processen in acht genomen te worden; inzake die welke het beheer van het bisdom betreffen, dienen de voorschriften in acht genomen te worden van de canones die volgen.

    Can. 473 - § 1 De diocesane Bisschop moet zorgen dat alle aangelegenheden die het beheer van het gehele bisdom betreffen, naar behoren gecoördineerd en geordend worden om ze op de meest geëigende wijze ten goede te laten komen aan het hem toevertrouwde deel van het volk Gods.
    § 2 Het is de taak van de Bisschop zelf de pastorale activiteit van de Vicarissen, hetzij generale hetzij bisschoppelijke, te coördineren; waar het nuttig is, kan een Moderator van de curie benoemd worden, die priester moet zijn, wiens taak het is onder het gezag van de Bisschop de te behandelen aangelegenheden van het beheer te coördineren, alsook te zorgen dat de overige aan de curie verbonden personen de hun toevertrouwde taak op de voorgeschreven wijze vervullen.
    § 3 Tenzij plaatselijke omstandigheden naar het oordeel van de Bisschop iets anders raadzaam maken, dient de Vicaris-generaal tot Moderator van de curie benoemd te worden of, als er meerdere zijn, een van de Vicarissen-generaal.
    § 4 Waar hij dit nuttig acht, kan de Bisschop, om de pastorale activiteit zo goed mogelijk te behartigen, een bisschopsraad oprichten, namelijk bestaande uit de Vicarissen-generaal en de bisschoppelijke Vicarissen.

    Can. 474 - Akten van de curie die krachtens hun aard bestemd zijn een juridische uitwerking te hebben, moeten ondertekend worden door de Ordinaris van wie zij uitgaan, en wel voor de geldigheid, en tegelijk door de kanselier van de curie of een notarius; de kanselier is gehouden de Moderator van de curie van de akten op de hoogte te stellen.

    Art. 1 - Vicarissen-generaal en bisschoppelijke Vicarissen 475-481

    Can. 475 - § 1 In elk bisdom moet door de diocesane Bisschop een Vicaris-generaal aangesteld worden die, beschikkend over gewone macht volgens de canones die volgen, hem in het bestuur van het gehele bisdom terzijde staat.
    § 2 Als algemene regel dient aangehouden te worden dat er één Vicaris-generaal aangesteld wordt, tenzij de uitgestrektheid van het bisdom of het aantal inwoners of andere pastorale redenen iets anders raadzaam maken.

    Can. 476 - Telkens als het goed bestuur van het bisdom dit vereist, kunnen door de diocesane Bisschop ook een of meerdere bisschoppelijke Vicarissen aangesteld worden, die namelijk of in een bepaald deel van het bisdom of voor een bepaalde soort aangelegenheden of betreffende gelovigen van een bepaalde ritus of van een bepaalde groep van personen, over dezelfde gewone macht beschikken die krachtens het universeel recht aan een Vicaris-generaal toekomt, volgens de canones die volgen.

    Can. 477 - § 1 Een Vicaris-generaal en een bisschoppelijk Vicaris worden door de diocesane Bisschop vrij benoemd en kunnen door hem vrij ontslagen worden, onverminderd het voorschrift van can. 406; een bisschoppelijk Vicaris die geen hulpbisschop is, mag slechts benoemd worden voor een tijd in de aanstellingsakte zelf te bepalen.
    § 2 Bij afwezigheid of wettige verhindering van een Vicaris-generaal, kan de diocesane Bisschop een ander als plaatsvervanger benoemen; dezelfde norm wordt toegepast voor een bisschoppelijk Vicaris.

    Can. 478 - § 1 Een Vicaris-generaal en een bisschoppelijk Vicaris dienen priester te zijn, niet jonger dan dertig jaar, doctor of licentiaat in het canoniek recht of de theologie of ten minste echt deskundig in die wetenschappen, aanbevelenswaardig door een gezonde leer, rechtschapenheid, een wijs oordeel en ervaring in de behandeling van zaken.
    § 2 Het ambt van Vicaris-generaal en bisschoppelijk Vicaris kan niet samengaan met het ambt van kanunnik-penitencier en kan ook niet aan bloedverwanten tot in de vierde graad van de Bisschop gegeven worden.

    Can. 479 - § 1 De Vicaris-generaal komt ambtshalve in het gehele bisdom de uitvoerende macht toe die in het recht de diocesane Bisschop toekomt, om namelijk alle administratieve beschikkingen te treffen, met uitzondering van die welke de Bisschop zich voorbehouden heeft of krachtens het recht een speciaal mandaat van de Bisschop vereisen.
    § 2 Een bisschoppelijk Vicaris komt van rechtswege dezelfde macht toe waarover in § 1, maar alleen voor het bepaalde deel van het gebied of het soort van aangelegenheden of de gelovigen van een bepaalde ritus of groep waarvoor hij aangesteld is, met uitzondering van de zaken die de Bisschop aan zich of aan een Vicaris-generaal voorbehouden heeft, of die krachtens het recht een speciaal mandaat van de Bisschop vereisen.
    § 3 Een Vicaris-generaal en een bisschoppelijk Vicaris beschikken, binnen de omgrenzing van hun bevoegdheid, ook over de door de Apostolische Stoel aan de Bisschop verleende habituele bevoegdheden, alsook over de uitvoering van rescripten, tenzij uitdrukkelijk iets anders voorzien is of tenzij de keuze gebeurde omwille van de kwaliteit van de persoon van de diocesane Bisschop.

    Can. 480 - Een Vicaris-generaal en een bisschoppelijk Vicaris moeten aan de diocesane Bisschop verslag uitbrengen omtrent de belangrijkste aangelegenheden, zowel die nog behandeld moeten worden als die reeds behandeld zijn, en zij mogen nooit tegen de wil en de geest van de diocesane Bisschop handelen.

    Can. 481 - § 1 De macht van een Vicaris-generaal en van een bisschoppelijk Vicaris houdt op te bestaan door het verstrijken van de tijd van het mandaat, door afstand en eveneens, behoudens de canones 406 en 409, door het hun door de diocesane Bisschop betekend ontslag, alsook door vacatie van de bisschoppelijke zetel.
    § 2 Bij opschorting van het ambt van de diocesane Bisschop wordt de macht van een Vicaris-generaal en van een bisschoppelijk Vicaris opgeschort, tenzij zij de bisschoppelijke waardigheid bezitten.

    Art. 2 - Kanselier, andere notarii en de archieven 482-491

    Can. 482 - § 1 In elke curie dient een kanselier aangesteld te worden, wiens voornaamste taak het is, tenzij anders door het particulier recht bepaald wordt, te zorgen dat de akten van de curie opgesteld en verzonden worden, en dat deze in het archief van de curie bewaard worden.
    § 2 Indien het nodig geacht wordt, kan aan de kanselier een helper gegeven worden, die vice-kanselier genoemd wordt.
    § 3 De kanselier en ook de vice-kanselier zijn daardoor notarii en secretarissen van de curie.

    Can. 483 - § 1 Naast de kanselier kunnen andere notarii aangesteld worden, wier schrijven of ondertekening publieke betrouwbaarheid verleent wat betreft hetzij gelijk welke akten, hetzij alleen gerechtelijke akten, hetzij alleen akten van een bepaalde zaak of aangelegenheid.
    § 2 De kanselier en de notarii moeten van onbesproken naam zijn en boven elke verdenking verheven; in zaken waarin de goede naam van een priester gevaar kan lopen, moet de notarius een priester zijn.

    Can. 484 - De taak van notarii is:
    1. de akten en documenten op schrift te stellen betreffende decreten, beschikkingen, verplichtingen en andere zaken die hun medewerking vereisen;
    2. getrouw schriftelijk vast te leggen wat behandeld wordt, en dit met vermelding van plaats, dag, maand en jaar te ondertekenen;
    3. akten of documenten aan degene die deze wettig vraagt uit het register, met inachtneming van de voorschriften, voor te leggen en afschriften daarvan aan het authentieke stuk conform te verklaren.

    Can. 485 - De kanselier en de andere notarii kunnen door de diocesane Bisschop vrij uit hun ambt ontslagen worden, niet echter door de diocesane Administrator, tenzij met toestemming van het consultorencollege.

    Can. 486 - § 1 Alle documenten die het bisdom of de parochies betreffen moeten met de grootste zorg bewaard worden.
    § 2 In elke curie dient op een veilige plaats een diocesaan archief of bewaarplaats opgericht te worden, waarin documenten en geschriften die op diocesane aangelegenheden, zowel geestelijke als tijdelijke, betrekking hebben, duidelijk geordend en zorgvuldig afgesloten bewaard worden.
    § 3 Van de documenten die zich in het archief bevinden, dient een inventaris of cataloog gemaakt te worden, met een korte samenvatting van elk geschrift.

    Can. 487 - § 1 Het archief moet afgesloten zijn en een sleutel ervan mogen alleen de Bisschop en de kanselier hebben; het is niemand toegestaan er binnen te gaan, tenzij met verlof van de Bisschop ofwel van de Moderator van de curie samen met dat van de kanselier.
    § 2 Het is het recht van hen die het aangaat, een authentiek afschrift of fotocopie van documenten die naar hun aard publiek zijn en die de staat van hun persoon betreffen, persoonlijk of door een vertegenwoordiger te ontvangen.

    Can. 488 - Het is niet geoorloofd documenten uit het archief naar elders te brengen, tenzij slechts voor korte tijd en met toestemming van de Bisschop ofwel van de Moderator van de curie samen met die van de kanselier.

    Can. 489 - § 1 Er dient in de diocesane curie ook een geheim archief te zijn of ten minste in het gewone archief een kast of kist, geheel dicht en afgesloten, die niet van de plaats verwijderd kan worden, waarin namelijk documenten die geheim gehouden moeten worden, met de grootste voorzorgen bewaard dienen te worden.
    § 2 Elk jaar dienen documenten betreffende strafzaken op het gebied van de zeden, waarvan de aangeklaagden overleden zijn of welke sinds tien jaar door een veroordelende uitspraak gesloten zijn, vernietigd te worden, behoudens een korte samenvatting van het feit met de tekst van de definitieve uitspraak.

    Can. 490 - § 1 Alleen de Bisschop mag de sleutel van het geheim archief hebben.
    § 2 Wanneer de zetel vacant is, mag het geheim archief of de geheime kast niet geopend worden, tenzij in een geval van echte noodzaak door de diocesane Administrator zelf.
    § 3 Uit het geheim archief of de geheime kast mogen geen documenten naar elders gebracht worden.

    Can. 491 - § 1 De diocesane Bisschop dient te zorgen dat de akten en documenten, ook van de archieven van kathedrale, collegiale en parochiekerken en van andere in zijn gebied gelegen kerken, zorgvuldig bewaard worden, en dat inventarissen of catalogen opgesteld worden in twee exemplaren, waarvan het ene in het eigen archief en het andere in het diocesane archief bewaard dienen te worden.
    § 2 De diocesane Bisschop dient ook te zorgen dat in het bisdom een historisch archief bestaat en dat documenten die een historische waarde hebben daarin zorgvuldig bewaard worden en systematisch geordend.
    § 3 Voor de inzage en het naar elders brengen van akten en documenten waarover in de §§ 1 en 2, dienen de door de diocesane Bisschop vastgestelde normen in acht genomen te worden.

    Art. 3 - Raad voor economische aangelegenheden en de econoom 492-494

    Can. 492 - § 1 In elk bisdom dient een raad voor economische aangelegenheden opgericht te worden, waarvan de diocesane Bisschop zelf of diens gedelegeerde voorzitter is, en die bestaat uit ten minste drie door de Bisschop benoemde christengelovigen, die echt deskundig zijn in economische aangelegenheden alsook in het burgerlijk recht en uitmunten door integriteit.
    § 2 De leden van de raad voor economische aangelegenheden dienen voor vijf jaar benoemd te worden, maar na het verstrijken van de tijd kunnen zij voor andere termijnen van vijf jaar benoemd worden.
    § 3 Van de raad voor economische aangelegenheden zijn uitgesloten personen die met de Bisschop tot in de vierde graad van bloedverwantschap of aanverwantschap verbonden zijn.

    Can. 493 - Naast de taken die de raad voor economische aangelegenheden opgedragen zijn in Boek V Tijdelijke goederen van de Kerk, is het zijn taak om, volgens de aanwijzingen van de diocesane Bisschop, elk jaar een begroting op te maken van de inkomsten en uitgaven die voor het gehele bestuur van het bisdom voor het volgend jaar voorzien worden, alsook op het einde van het jaar de rekening van inkomsten en uitgaven goed te keuren.

    Can. 494 - § 1 In elk bisdom dient door de Bisschop, na het consultorencollege en de raad voor economische aangelegenheden gehoord te hebben, een econoom benoemd te worden, die echt deskundig is in economische aangelegenheden en die bijzonder uitmunt door rechtschapenheid.
    § 2 De econoom dient voor vijf jaar benoemd te worden, maar na het verstrijken van de tijd kan hij voor andere termijnen van vijf jaar benoemd worden; tijdens de ambtsperiode mag hij niet verwijderd worden tenzij om een ernstige reden, die door de Bisschop beoordeeld moet worden na het consultorencollege en de raad voor economische aangelegenheden gehoord te hebben.
    § 3 Het is de taak van de econoom, overeenkomstig de door de raad voor economische aangelegenheden vastgestelde begroting, de goederen van het bisdom onder het gezag van de Bisschop te beheren, en uit de vastgestelde inkomsten van het bisdom uitgaven te doen waartoe de Bisschop of anderen die door deze gedelegeerd zijn, wettig opdracht gegeven hebben.
    § 4 Bij de jaarwisseling moet de econoom aan de raad voor economische aangelegenheden rekenschap van inkomsten en uitgaven afleggen.

    Hoofdstuk III - Priesterraad en consultoren-college 495-502

    Can. 495 - § 1 In elk bisdom dient een priesterraad ingesteld te worden, een groep priesters namelijk die als het ware de senaat van de Bisschop is, het presbyterium vertegenwoordigend, wiens taak het is de Bisschop in het bestuur van het bisdom volgens het recht te helpen om het pastorale welzijn van het hem toevertrouwde deel van het volk Gods zo goed mogelijk te bevorderen.
    § 2 In apostolische vicariaten en prefecturen dient de Vicaris of Prefect een raad van ten minste drie priesters-missionarissen op te richten, wier mening zij, ook per brief, in meer belangrijke aangelegenheden dienen te horen.

    Can. 496 - De priesterraad dient eigen door de diocesane Bisschop goedgekeurde statuten te hebben, rekening houdend met de door de bisschoppenconferentie uitgevaardigde normen.

    Can. 497 - Wat de aanwijzing van de leden van de priesterraad betreft:
    1. dient ongeveer de helft vrij door de priesters zelf gekozen te worden, volgens de canones die volgen, alsook volgens de statuten;
    2. moeten enkele priesters, volgens de statuten, leden van rechtswege zijn, die namelijk krachtens het hun toevertrouwde ambt bij de priesterraad behoren;
    3. mag de diocesane Bisschop enkelen vrij benoemen.

    Can. 498 - § 1 Actief zowel als passief kiesrecht voor de samenstelling van een priesterraad hebben:
    1. alle in het bisdom geïncardineerde seculiere priesters;
    2. niet in het bisdom geïncardineerde seculiere priesters, alsook priesters die lid zijn van een religieus instituut of een sociëteit van apostolisch leven die, verblijvend in het bisdom, enig ambt ten dienste van het bisdom uitoefenen.
    § 2 In zover de statuten hierin voorzien, kan hetzelfde kiesrecht aan andere priesters gegeven worden die domicilie of quasi-domicilie in het bisdom hebben.

    Can. 499 - De wijze van verkiezing van de leden van de priesterraad moet door de statuten bepaald worden, zo echter dat de priesters van het presbyterium, in de mate waarin dit mogelijk is, vertegenwoordigd worden, vooral rekening houdend met de verschillende bedieningen en de onderscheiden gebieden van het bisdom.

    Can. 500 - § 1 Het komt de diocesane Bisschop toe de priesterraad bijeen te roepen, deze voor te zitten en de daarin te behandelen onderwerpen te bepalen of de door de leden voorgestelde te aanvaarden.
    § 2 De priesterraad bezit slechts raadgevende stem; de diocesane Bisschop dient de raad te horen in aangelegenheden van groter belang, maar zijn toestemming heeft hij slechts nodig in de door het recht uitdrukkelijk vastgestelde gevallen.
    § 3 De priesterraad kan nooit handelend optreden zonder de diocesane Bisschop, aan wie alleen het ook toekomt te zorgen dat hetgeen volgens § 2 bepaald is, bekend gemaakt wordt.

    Can. 501 - § 1 De leden van de priesterraad dienen voor een in de statuten bepaalde tijd aangewezen te worden, zo echter dat de gehele raad of een deel ervan binnen de vijf jaar vernieuwd wordt.
    § 2 Wanneer de zetel vacant wordt, houdt de priesterraad op te bestaan en worden zijn taken vervuld door het consultorencollege; binnen een jaar na zijn inbezitneming moet de Bisschop opnieuw een priesterraad instellen.
    § 3 Indien de priesterraad zijn tot welzijn van het bisdom toevertrouwde taak niet vervult of er ernstig misbruik van maakt, kan de diocesane Bisschop deze ontbinden, na overleg met de Metropoliet of, indien het over de metropolitane zetel zelf gaat, met de suffragane bisschop die de oudste in aanstelling is; maar hij moet deze binnen een jaar opnieuw instellen.

    Can. 502 - § 1 Uit de leden van de priesterraad worden door de diocesane Bisschop vrij enige priesters benoemd, niet minder in getal dan zes en niet meer dan twaalf, die voor vijf jaar het consultorencollege vormen, waaraan de door het recht bepaalde zaken toekomen; na het verstrijken van de vijf jaar blijft het de hem eigen taken uitoefenen totdat een nieuw college samengesteld is.
    § 2 De leiding van het consultorencollege berust bij de diocesane Bisschop; wanneer evenwel de zetel verhinderd of vacant is, bij degene die tussentijds de plaats van de Bisschop inneemt of, als deze nog niet aangesteld is, bij de naar wijding oudste priester van het consultorencollege.
    § 3 De bisschoppenconferentie kan bepalen dat de taken van het consultorencollege aan het kathedrale kapittel toevertrouwd worden.
    § 4 In een apostolisch vicariaat of prefectuur komen de taken van het consultorencollege toe aan de missieraad waarover in can. 495, § 2, tenzij iets anders door het recht bepaald wordt.

    Hoofdstuk IV - Kapittels van kanunniken 503-510

    Can. 503 - Een kapittel van kanunniken, hetzij een kathedraal hetzij een collegiaal kapittel, is een college van priesters waaraan het toekomt de meer plechtige liturgische diensten in de kathedrale of collegiale kerk te vervullen; een kathedraal kapittel behoort bovendien de taken te volbrengen die door het recht of door de diocesane Bisschop hieraan toevertrouwd worden.

    Can. 504 - De oprichting, wijziging of opheffing van een kathedraal kapittel zijn aan de Apostolische Stoel voorbehouden.

    Can. 505 - Elk kapittel, hetzij kathedraal hetzij collegiaal, dient zijn eigen statuten te hebben, bij wettige akt van het kapittel tot stand gekomen en door de diocesane Bisschop goedgekeurd; deze statuten mogen veranderd noch opgeheven worden, tenzij met goedkeuring van dezelfde diocesane Bisschop.

    Can. 506 - § 1 De statuten van een kapittel dienen, altijd behoudens de stichtingsbepalingen, de inrichting zelf van het kapittel en het aantal kanunniken te bepalen; zij dienen vast te leggen wat door het kapittel en door de afzonderlijke kanunniken gedaan moet worden voor het voltrekken van de goddelijke eredienst alsook van de bediening; de statuten dienen de bijeenkomsten te bepalen waarin de aangelegenheden van het kapittel behandeld worden en, behoudens evenwel de voorschriften van het universeel recht, de voorwaarden vast te leggen vereist voor de geldigheid en geoorloofdheid ervan.
    § 2 In de statuten dienen ook de inkomsten bepaald te worden, zowel de vaste inkomsten als die welke uit te betalen zijn bij gelegenheid van het vervullen van een taak, alsook, rekening houdend met de door de Heilige Stoel uitgevaardigde normen, welke de ambtstekenen van de kanunniken zijn.

    Can. 507 - § 1 Onder de kanunniken dient iemand de leiding van het kapittel te hebben, en dienen ook andere ambten overeenkomstig de statuten ingesteld te worden, ook rekening houdend met het in het gebied heersende gebruik.
    § 2 Aan clerici die niet tot het kapittel behoren, kunnen andere taken toevertrouwd worden waardoor zij, volgens de statuten, de kanunniken behulpzaam zijn.

    Can. 508 - § 1 De kanunnik-penitencier, zowel van een kathedrale als collegiale kerk, heeft ambtshalve gewone bevoegdheid, welke hij echter aan anderen niet kan delegeren, om in het sacramentele bereik te absolveren in van rechtswege opgelopen en niet verklaarde censuren die niet aan de Apostolische Stoel voorbehouden zijn, in het bisdom ook hen die van buiten het bisdom zijn, en de diocesanen ook buiten het gebied van het bisdom.
    § 2 Waar een kapittel ontbreekt, dient de diocesane Bisschop een priester aan te stellen om deze taak te vervullen.

    Can. 509 - § 1 Het is aan de diocesane Bisschop, na het kapittel gehoord te hebben, niet echter aan de diocesane Administrator, alle kanonikaten en elk afzonderlijk te verlenen, zowel in de kathedrale als in een collegiale kerk, waarbij elk daarmee in strijd zijnde privilege herroepen is; het is aan dezelfde Bisschop de door het kapittel zelf gekozen voorzitter te bevestigen.
    § 2 Kanonikaten mag de diocesane Bisschop slechts verlenen aan priesters uitmuntend door hun leer en rechtschapen levenswandel, die hun bediening lofwaardig hebben uitgeoefend.

    Can. 510 - § 1 Met een kapittel van kanunniken mogen geen parochies meer verenigd worden; waar er parochies bestaan die met een kapittel verenigd zijn, dienen deze door de diocesane Bisschop van het kapittel gescheiden te worden.
    § 2 In een kerk die tegelijk parochiekerk en kapittelkerk is, dient een pastoor aangewezen te worden, al of niet gekozen uit de leden van het kapittel; deze pastoor is gebonden door alle plichten en geniet de rechten en bevoegdheden die volgens het recht een pastoor eigen zijn.
    § 3 Het is aan de diocesane Bisschop nauwkeurige normen vast te stellen waardoor de pastorale plichten van de pastoor en de taken die het kapittel eigen zijn, naar behoren met elkaar in overeenstemming gebracht worden, daarbij vermijdend dat de pastoor de taken van het kapittel en het kapittel de taken van de parochie tot hindernis is; indien er conflicten zijn, dienen deze beslecht te worden door de diocesane Bisschop, die er vooral voor zorgt dat naar behoren voorzien wordt in de pastorale noden van de gelovigen.
    § 4 Giften die geschonken worden aan een kerk die zowel parochiekerk als kapittelkerk is, worden gepresumeerd aan de parochie geschonken te zijn, tenzij iets anders vaststaat.

    Hoofdstuk V - Pastorale raad 511-514

    Can. 511 - In elk bisdom dient, in zover de pastorale omstandigheden dit raadzaam maken, een pastorale raad ingesteld te worden, wiens taak het is onder het gezag van de Bisschop te bestuderen wat op de pastorale activiteiten in het bisdom betrekking heeft, hierover te beraadslagen en daaromtrent praktische besluiten voor te stellen.

    Can. 512 - § 1 De pastorale raad bestaat uit christengelovigen die in volledige gemeenschap met de katholieke Kerk zijn, zowel clerici als leden van instituten van gewijd leven, alsook vooral leken; zij worden aangewezen op de door de diocesane Bisschop bepaalde wijze.
    § 2 De christengelovigen die afgevaardigd worden naar de pastorale raad, dienen zodanig uitgekozen te worden dat door hen het gehele deel van het volk Gods dat het bisdom vormt, werkelijk weerspiegeld wordt, rekening houdend met de verschillende gebieden van het bisdom, de sociale posities en de beroepen, alsook met het aandeel dat zij ieder afzonderlijk of samen met anderen in het apostolaat hebben.
    § 3 Naar de pastorale raad mogen alleen maar christengelovigen afgevaardigd worden die uitmunten door een vast geloof, een rechtschapen levenswandel en een wijs oordeel.

    Can. 513 - § 1 De pastorale raad wordt ingesteld voor een bepaalde termijn, volgens de voorschriften van de statuten die door de Bisschop gegeven worden.
    § 2 Wanneer de zetel vacant wordt, houdt de pastorale raad op te bestaan.

    Can. 514 - § 1 Het komt alleen aan de diocesane Bisschop toe de pastorale raad, die slechts raadgevende stem heeft, bijeen te roepen volgens de noden van het apostolaat, en hem te leiden; aan hem alleen komt het ook toe wat in de raad behandeld is, bekend te maken.
    § 2 De raad dient ten minste eenmaal per jaar bijeengeroepen te worden.

    Hoofdstuk VI - Parochies, pastoors en parochievicarissen 515-552

    Can. 515 - § 1 Een parochie is een bepaalde gemeenschap van christengelovigen, in een particuliere Kerk duurzaam opgericht, waarover de herderlijke zorg, onder het gezag van de diocesane Bisschop, aan een pastoor als haar eigen herder toevertrouwd wordt.
    § 2 Parochies oprichten, opheffen of deze veranderen, komt alleen aan de diocesane Bisschop toe, die geen parochies mag oprichten of opheffen of deze in belangrijke mate veranderen, tenzij na de priesterraad gehoord te hebben.
    § 3 Een wettig opgerichte parochie bezit van rechtswege rechtspersoonlijkheid.

    Can. 516 - § 1 Tenzij iets anders door het recht voorzien is, wordt aan een parochie gelijkgesteld een quasi-parochie, die een bepaalde gemeenschap van christengelovigen in een particuliere Kerk is, aan een priester als eigen herder toevertrouwd, welke wegens bijzondere omstandigheden nog niet tot parochie opgericht is.
    § 2 Waar sommige gemeenschappen niet tot parochie of quasi-parochie opgericht kunnen worden, dient de diocesane Bisschop op andere wijze in de pastorale zorg daarover te voorzien.

    Can. 517 - § 1 Waar de omstandigheden dit vereisen, kan de pastorale zorg over een parochie of over verschillende parochies samen aan meerdere priesters hoofdelijk toevertrouwd worden, met de bepaling echter dat een van hen de moderator van de pastorale zorg is, die namelijk leiding geeft aan de gemeenschappelijke activiteit en daarvoor tegenover de Bisschop verantwoording draagt.
    § 2 Indien de diocesane Bisschop wegens een tekort aan priesters van mening is dat deelname in de uitoefening van de pastorale zorg over een parochie toevertrouwd moet worden aan een diaken of een andere persoon die niet getekend is met het priesterlijk merkteken, of aan een gemeenschap van personen, dient hij een priester aan te stellen die, voorzien van de machten en bevoegdheden van een pastoor, leiding geeft aan de pastorale zorg.

    Can. 518 - Een parochie dient als algemene regel territoriaal te zijn, die namelijk alle christengelovigen van een bepaald gebied omvat; waar het evenwel aanbeveling verdient, dienen personele parochies opgericht te worden, bepaald op grond van de ritus, de taal, de nationaliteit van christengelovigen van een gebied, en ook op andere grond.

    Can. 519 - De pastoor is de eigen herder van de hem toevertrouwde parochie; hij oefent de pastorale zorg over de hem toevertrouwde gemeenschap uit onder het gezag van de diocesane Bisschop, tot wiens deel aan het dienstwerk van Christus hij geroepen is, om voor die gemeenschap de verkondigingstaak, de heiligingstaak en de bestuurstaak uit te oefenen, ook met medewerking van andere priesters of diakens en met hulp van christengelovigen-leken, volgens het recht.

    Can. 520 - § 1 Een rechtspersoon mag geen pastoor zijn; de diocesane Bisschop evenwel, niet echter de diocesane Administrator, kan met toestemming van de bevoegde Overste, een parochie toevertrouwen aan een clericaal religieus instituut of een clericale sociëteit van apostolisch leven, ook door oprichting van een parochie in een kerk van het instituut of de sociëteit, met de bepaling echter dat één priester pastoor van de parochie is of, als de pastorale zorg aan meerderen hoofdelijk toevertrouwd wordt, moderator over wie in can. 517, § 1.
    § 2 Het toevertrouwen van een parochie waarover in § 1, kan geschieden hetzij voor een onbeperkte hetzij voor een bepaalde vastgestelde tijd; in beide gevallen dient dit te gebeuren door middel van een schriftelijke overeenkomst, aangegaan tussen de diocesane Bisschop en de bevoegde Overste van het instituut of de sociëteit, waarin onder andere uitdrukkelijk en nauwkeurig vastgelegd wordt hetgeen betrekking heeft op het te verrichten werk, of de daaraan te verbinden personen en op aangelegenheden van economische aard.

    Can. 521 - § 1 Opdat iemand geldig tot pastoor benoemd kan worden, moet hij de heilige priesterwijding ontvangen hebben.
    § 2 Bovendien dient hij uit te munten in de gezonde leer en door een rechtschapen levenswijze, te beschikken over zieleijver en andere deugden, en daarbij de eigenschappen te bezitten die, hetzij door het universeel hetzij door het particulier recht vereist zijn om zorg te dragen voor de parochie waarover het gaat.
    § 3 Om aan iemand het pastoorsambt te kunnen toewijzen, behoort met zekerheid vast te staan, op de door de diocesane Bisschop bepaalde wijze, ook door een examen, dat hij daarvoor geschikt is.

    Can. 522 - Een pastoor behoort stabiliteit te bezitten en dient derhalve voor onbepaalde tijd benoemd te worden; voor een bepaalde tijd kan hij door de diocesane Bisschop slechts benoemd worden indien dit door de bisschoppenconferentie bij decreet toegestaan is.

    Can. 523 - Onverminderd het voorschrift van can. 682, § 1, komt de toekenning van het pastoorsambt aan de diocesane Bisschop toe en wel door vrije toewijzing, tenzij iemand het recht heeft van voordracht of verkiezing.

    Can. 524 - Een vacante parochie dient de diocesane Bisschop aan diegene toe te wijzen die hij, na overweging van alle omstandigheden, geschikt acht de parochiële zorg aldaar te vervullen, zonder enig aanzien des persoons; om zich een oordeel te vormen over de geschiktheid, dient hij de deken te horen en gepast onderzoek te doen, waarbij hij eventueel bepaalde priesters alsook christengelovigen-leken hoort.
    Can. 525 - Wanneer de bisschoppelijke zetel vacant of verhinderd is, komt het de diocesane Administrator toe of een ander die het bisdom tussentijds bestuurt:
    1. de aanstelling of bevestiging te verlenen aan priesters die voor een parochie wettig voorgedragen of gekozen zijn;
    2. pastoor te benoemen, indien de zetel sinds een jaar vacant of verhinderd is.

    Can. 526 - § 1 Een pastoor dient de parochiële zorg over slechts één parochie te hebben; wegens een tekort aan priesters echter of andere omstandigheden kan aan dezelfde pastoor de zorg over meerdere naburige parochies toevertrouwd worden.
    § 2 In dezelfde parochie mag slechts één pastoor zijn of één moderator volgens can. 517, § 1, waarbij elke daarmee strijdige gewoonte verworpen en elk daarmee strijdig privilege herroepen is.

    Can. 527 - § 1 Wie aangesteld is om de pastorale zorg over een parochie te dragen, ontvangt deze en is gehouden deze uit te oefenen vanaf het moment van de inbezitneming.
    § 2 De plaatselijke Ordinaris of een door hem gedelegeerde priester stelt de pastoor in het bezit van zijn ambt, met inachtneming van de vorm die door een particuliere wet of wettige gewoonte aanvaard is; om een goede reden echter kan de Ordinaris van deze vorm dispenseren; in dit geval neemt de mededeling van de dispensatie aan de parochie de plaats in van de inbezitneming.
    § 3 De plaatselijke Ordinaris dient vooraf de tijd te bepalen waarbinnen de inbezitneming van de parochie moet plaatshebben; wanneer deze tijd onbenut verstreken is zonder dat er een rechtmatig beletsel in de weg stond, kan hij de parochie vacant verklaren.

    Can. 528 - § 1 De pastoor is gehouden aan de verplichting erin te voorzien dat het woord Gods onverkort verkondigd wordt aan hen die in de parochie verblijven; daarom dient hij er voor te zorgen dat de christengelovigen-leken in de geloofswaarheden onderwezen worden, vooral door de homilie te houden op zondagen en geboden feestdagen alsook door catechetisch onderricht te geven, en hij dient de werken te ondersteunen waardoor de evangelische geest, ook wat de sociale rechtvaardigheid betreft, bevorderd wordt; bijzondere zorg dient hij te hebben voor de katholieke opvoeding van kinderen en jongeren; hij dient er zich met alle kracht op toe te leggen, ook de inspanningen van christengelovigen erbij betrekkend, dat de evangelische boodschap ook tot diegenen komt die de godsdienstige praktijk opgegeven hebben of het ware geloof niet belijden.
    § 2 De pastoor dient er zorg voor te dragen dat de allerheiligste Eucharistie het middelpunt is van het parochiële samenzijn van de gelovigen; hij dient zich moeite te geven dat de christengelovigen door het vroom vieren van de sacramenten gevoed worden en in het bijzonder dat zij veelvuldig tot de sacramenten van de allerheiligste Eucharistie en van de boete naderen; eveneens dient hij er zich voor in te spannen dat zij ertoe gebracht worden zich ook in de gezinnen op het gebed toe te leggen en dat zij bewust en actief deelnemen aan de heilige liturgie, waaraan de pastoor namelijk onder het gezag van de diocesane Bisschop in zijn parochie leiding moet geven en waarover hij gehouden is te waken opdat er geen misbruiken insluipen.

    Can. 529 - § 1 Om zijn herdersambt met zorg te vervullen, dient de pastoor er zich op toe te leggen de aan zijn zorg toevertrouwde gelovigen te leren kennen; hij dient derhalve de gezinnen te bezoeken en daarbij te delen in de zorgen van de gelovigen, in hun angsten en droefheid vooral, en hen in de Heer te bemoedigen alsook, indien zij in een of ander tekortgeschoten zijn, met wijsheid terecht te wijzen; zieken, vooral hen die de dood nabij zijn, dient hij met alle liefde te helpen, met zorg te sterken door de sacramenten en hun ziel aan God aan te bevelen; hij dient bijzondere aandacht te besteden aan de armen, moedelozen, eenzamen, aan hen die uit hun vaderland verdreven zijn en eveneens aan degenen die gebukt gaan onder bijzondere moeilijkheden; hij dient zich ook moeite te geven dat echtgenoten en ouders ondersteund worden om de hun eigen plichten te vervullen en hij dient de groei van het christelijk leven in het gezin te behartigen.
    § 2 Het eigen aandeel dat de christengelovigen-leken in de zending van de Kerk hebben, dient de pastoor te erkennen en te bevorderen, waarbij hij hun verenigingen die op godsdienstige doeleinden gericht zijn, ondersteunt. Hij dient samen te werken met zijn eigen Bisschop en met het presbyterium van het bisdom, en zich ook moeite te geven dat de gelovigen zorg dragen voor de onderlinge verbondenheid in de parochie, dat zij zich ledematen voelen zowel van het bisdom als van de gehele Kerk en dat zij deelnemen of steun verlenen aan werken ter bevordering van deze onderlinge verbondenheid.

    Can. 530 - De taken in het bijzonder aan de pastoor toevertrouwd, zijn de volgende:
    1. de toediening van het doopsel;
    2. de toediening van het sacrament van het vormsel aan degenen die in stervensgevaar verkeren, volgens can. 883, nr.3;
    3. de toediening van het Viaticum alsook van de ziekenzalving, onverminderd het voorschrift van can. 1003, §§2-3, en de verlening van de apostolische zegen;
    4. de assistentie bij huwelijken en het geven van de huwelijkszegen;
    5. het verrichten van uitvaarten;
    6. de zegening van de doopvont in de paastijd, het leiden van processies buiten de kerk, alsook plechtige zegeningen buiten de kerk;
    7. de meer plechtige celebratie van de eucharistie op zondagen en geboden feestdagen.

    Can. 531 - Ook wanneer een ander een parochiële taak verricht heeft, dient deze de giften die hij bij die gelegenheid van de christengelovigen ontvangt, in de parochiekas te storten, tenzij wat de vrijwillige gaven betreft de tegenovergestelde wil van de gever vaststaat; het komt de diocesane Bisschop toe, na de priesterraad gehoord te hebben, voorschriften vast te stellen waardoor in de bestemming van deze gaven alsook in de vergoeding voor de clerici die deze taak vervullen, voorzien wordt.

    Can. 532 - In alle juridische aangelegenheden vertegenwoordigt de pastoor de parochie, volgens het recht; hij dient te zorgen dat de goederen van de parochie beheerd worden volgens de canones 1281-1288.

    Can. 533 - § 1 De pastoor is aan de verplichting gehouden woonachtig te zijn in een pastorie nabij de kerk; in bijzondere gevallen echter, indien een goede reden aanwezig is, kan de plaatselijke Ordinaris toestaan dat hij elders verblijft, vooral in een gemeenschappelijk huis voor meerdere priesters, mits in de vervulling van de parochiële taken op de voorgeschreven wijze en passend voorzien is.
    § 2 Tenzij een ernstige reden in de weg staat, is het een pastoor toegestaan elk jaar voor vacantie ten hoogste één maand, aaneengesloten of onderbroken, uit zijn parochie afwezig te zijn; in die vacantietijd zijn niet begrepen de dagen waarop de pastoor eenmaal in het jaar zich wijdt aan geestelijke inkeer; om meer dan een week uit de parochie afwezig te zijn, is de pastoor evenwel gehouden de plaatselijke Ordinaris hiervan op de hoogte te stellen.
    § 3 Het is de taak van de diocesane Bisschop normen vast te stellen waardoor geregeld wordt dat gedurende een afwezigheid van de pastoor voorzien is in de zorg over de parochie door een priester die met de vereiste bevoegdheden uitgerust is.

    Can. 534 - § 1 Een pastoor is na de inbezitneming van de parochie gehouden aan de verplichting om elke zondag en elke in zijn bisdom verplichte feestdag een Mis tot intentie van het hem toevertrouwde volk op te dragen; wie evenwel wettig verhinderd is voor deze celebratie, dient ze op die dagen door een ander te laten opdragen of op andere dagen persoonlijk op te dragen.
    § 2 Een pastoor die de zorg heeft over meerdere parochies, is op de dagen waarover in § 1, gehouden slechts één Mis tot intentie van het gehele hem toevertrouwde volk op te dragen.
    § 3 Een pastoor die niet voldaan heeft aan de verplichting waarover in de §§ 1 en 2, dient zo spoedig mogelijk zoveel Missen tot intentie van het volk op te dragen als hij nagelaten heeft te doen.

    Can. 535 - § 1 In elke parochie dienen er parochieboeken te zijn, namelijk een doopregister, een huwelijksregister, een register van overledenen, en andere volgens de voorschriften van de bisschoppenconferentie of de diocesane Bisschop; de pastoor dient er voor te zorgen dat die boeken nauwkeurig bijgehouden en zorgvuldig bewaard worden.
    § 2 In het doopregister dient ook het vormsel aangetekend te worden, alsook datgene wat de canonieke staat van de christengelovigen betreft, met betrekking tot het huwelijk, behoudens echter het voorschrift van can. 1133, met betrekking tot de adoptie, en ook met betrekking tot de ontvangen heilige wijding, de professie voor het leven in een instituut van gewijd leven afgelegd alsook met betrekking tot de verandering van ritus; en deze aantekeningen dienen in een doopbewijs altijd vermeld te worden.
    § 3 Elke parochie dient haar eigen zegel te hebben; getuigschriften die aangaande de canonieke staat van christengelovigen gegeven worden, evenals alle akten die een juridische betekenis kunnen hebben, dienen door de pastoor zelf of diens gedelegeerde ondertekend te worden en door het parochiezegel bekrachtigd.
    § 4 In elke parochie dient een bewaarplaats of archief te zijn waarin de parochieboeken bewaard worden, tezamen met de brieven van de Bisschoppen en andere documenten, die noodzakelijkerwijze of omdat het nuttig is, bewaard moeten worden; de pastoor dient erover te waken dat dit alles, dat door de diocesane Bisschop of diens gedelegeerde bij gelegenheid van de visitatie of op een andere geschikte tijd geïnspecteerd moet worden, niet in handen van buitenstaanders komt.
    § 5 Ook de oudere parochieboeken dienen zorgvuldig bewaard te worden, volgens de voorschriften van het particulier recht.

    Can. 536 - § 1 Indien naar het oordeel van de diocesane Bisschop, na de priesterraad gehoord te hebben, het geschikt voorkomt, dient in elke parochie een pastorale raad opgericht te worden, waarvan de pastoor de leiding heeft en waarin christengelovigen samen met hen die krachtens hun ambt in de parochie deelhebben aan de pastorale zorg, aan de behartiging van de pastorale activiteiten hun hulp verlenen.
    § 2 De pastorale raad bezit slechts raadgevende stem en valt onder de door de diocesane Bisschop vastgestelde normen.

    Can. 537 - In elke parochie dient een raad voor economische aangelegenheden te zijn, die behalve aan het universeel recht, ook onderworpen is aan de normen die door de diocesane Bisschop uitgevaardigd zijn en waarin christengelovigen, volgens dezelfde normen uitgekozen, de pastoor behulpzaam zijn in het beheer van de goederen van de parochie, onverminderd het voorschrift van can. 532.

    Can. 538 - § 1 Het ambt van een pastoor houdt op door een door de diocesane Bisschop volgens het recht voltrokken verwijdering of verplaatsing, door afstand om een goede reden door de pastoor zelf gedaan en, om geldig te zijn, door deze Bisschop aanvaard, alsook door het verstrijken van de tijd indien hij volgens de voorschriften van het particulier recht waarover in can. 522, voor een bepaalde tijd aangesteld was.
    § 2 Een pastoor die lid is van een religieus instituut of geïncardineerd in een sociëteit van apostolisch leven, wordt uit zijn ambt verwijderd volgens can. 682, § 2
    § 3 Een pastoor wordt bij de voltooiing van zijn vijfenzeventigste levensjaar verzocht het ontslag uit zijn ambt aan de diocesane Bisschop aan te bieden, die, na alle persoonlijke en plaatselijke omstandigheden bezien te hebben, dient te beslissen of dit aanvaard wordt of uitgesteld; in een passend levensonderhoud en woongelegenheid voor degene die ontslag neemt, moet door de diocesane Bisschop voorzien worden, rekening houdend met de normen die door de bisschoppenconferentie vastgesteld zijn.

    Can. 539 - Wanneer een parochie vacant wordt of de pastoor wegens gevangenschap, ballingschap of verbanning, onvermogen of zwakke gezondheid of om een andere reden verhinderd is zijn pastorale taak in de parochie uit te oefenen, dient door de diocesane Bisschop zo spoedig mogelijk een parochie-administrator aangewezen te worden, een priester namelijk die de pastoor vervangt volgens can. 540.

    Can. 540 - § 1 Een parochie-administrator is aan dezelfde plichten gebonden en geniet dezelfde rechten als een pastoor, tenzij door de diocesane Bisschop anders bepaald wordt.
    § 2 Een parochie-administrator mag niets doen wat afbreuk doet aan de rechten van de pastoor of schade kan berokkenen aan de parochiegoederen.
    § 3 Een parochie-administrator dient na beëindiging van zijn taak rekenschap af te leggen aan de pastoor.

    Can. 541 - § 1 Wanneer een parochie vacant is en evenzeer wanneer de pastoor verhinderd is zijn pastorale taak uit te oefenen, dient vóór de aanstelling van een parochie-administrator de parochievicaris tussentijds het bestuur van de parochie op zich te nemen; indien er meerdere zijn, hij die de oudste naar benoeming is, en als er geen vicarissen zijn, de pastoor die door het particulier recht aangewezen is.
    § 2 Wie het bestuur van een parochie op zich genomen heeft volgens § 1, dient onmiddellijk de plaatselijke Ordinaris mede te delen dat de parochie vacant is.

    Can. 542 - De priesters aan wie hoofdelijk, volgens can. 517, § 1, de pastorale zorg over een parochie of verschillende parochies tegelijk toevertrouwd wordt:
    1. moeten de eigenschappen bezitten waarover in can. 521;
    2. dienen benoemd of aangesteld te worden volgens de voorschriften van de canones 522 en 524;
    3. ontvangen de pastorale zorg eerst vanaf het ogenblik van de inbezitneming; hun moderator wordt in het bezit gesteld volgens de voorschriften van can. 527, § 2; voor de overig priesters evenwel neemt het wettig afleggen van de geloofsbelijdenis de plaats in van de inbezitneming.

    Can. 543 - § 1 Indien aan priesters hoofdelijk de pastorale zorg over een parochie of verschillende parochies tegelijk toevertrouwd wordt, is ieder afzonderlijk van hen, volgens de door hen zelf vastgestelde ordening, gehouden aan de verplichting de taken en functies van een pastoor waarover in de canones 528, 529 en 530, te vervullen; de bevoegdheid om bij huwelijken te assisteren, zoals ook alle macht om te dispenseren die van rechtswege aan een pastoor verleend is, komen hun allen toe, maar moeten uitgeoefend worden onder leiding van de moderator.
    § 2 Alle priesters die tot de groep behoren:
    1. zijn gehouden aan de residentieplicht;
    2. dienen in onderling overleg de ordening vast te stellen volgens welke één van hen de Mis voor het volk volgens can. 534 celebreert;
    3. alleen de moderator vertegenwoordigt in juridische aangelegenheden de parochie of parochies die aan de groep zijn toevertrouwd.

    Can. 544 - Wanneer het ambt van een priester uit de groep waarover in can. 517, § 1, of van de moderator van de groep ophoudt, alsook wanneer een van hen onbekwaam wordt om zijn pastorale taak uit te oefenen, worden de parochie of parochies waarover de zorg aan de groep toevertrouwd is, niet vacant; het is evenwel de taak van de diocesane Bisschop een andere moderator te benoemen; vóórdat echter een andere door de diocesane Bisschop benoemd wordt, dient de naar benoeming oudste priester van de groep deze taak te vervullen.

    Can. 545 - § 1 Zo dikwijls het voor het behoorlijk vervullen van de pastorale zorg over de parochie noodzakelijk of gewenst is, kunnen aan de pastoor een of meer parochievicarissen toegevoegd worden die, als medewerkers van de pastoor en deelhebbend aan zijn zorg, in gemeenschappelijk overleg en in gezamenlijke toeleg met de pastoor en onder diens leiding, werken in de pastorale bediening.
    § 2 Een parochievicaris kan aangesteld worden hetzij om te helpen in het vervullen van de gehele pastorale bediening, en dit ofwel voor de gehele parochie ofwel voor een bepaald deel van de parochie ofwel voor een bepaalde groep christengelovigen van de parochie, hetzij ook om zich te wijden aan het vervullen van een bepaalde bediening in verschillende parochies tegelijk.

    Can. 546 - Opdat iemand geldig tot parochievicaris benoemd kan worden, moet hij de heilige priesterwijding ontvangen hebben.

    Can. 547 - De diocesane Bisschop benoemt vrij de parochievicaris na, indien hij dit wenselijk acht, de pastoor of pastoors gehoord te hebben van de parochies waarvoor de vicaris aangesteld wordt, alsook de deken, onverminderd het voorschrift van can. 682, § 1.

    Can. 548 - § 1 De verplichtingen en rechten van een parochievicaris worden, behalve in de canones van dit hoofdstuk, ook bepaald in de diocesane statuten en eveneens in de brief van de diocesane Bisschop, meer in het bijzonder evenwel door de opdracht die de pastoor hem geeft.
    § 2 Tenzij iets anders uitdrukkelijk in de brief van de diocesane Bisschop voorzien wordt, is de parochievicaris ambtshalve aan de verplichting gehouden de pastoor in de gehele parochiële bediening bij te staan, met uitzondering weliswaar van het opdragen van de Mis tot intentie van het volk; alsook om, in een volgens het recht voorkomend geval, de pastoor te vervangen.
    § 3 Een parochievicaris dient de pastoor regelmatig op de hoogte te houden van zijn voorgenomen en ondernomen pastorale initiatieven, zodat de pastoor en de vicaris of vicarissen met vereende krachten in de pastorale zorg van de parochie, waarvoor zij samen instaan, kunnen voorzien.

    Can. 549 - Bij afwezigheid van de pastoor dienen, tenzij de diocesane Bisschop anders voorzien heeft volgens can. 533, § 3, en tenzij een parochie-administrator aangesteld is, de voorschriften van can. 541, § 1 in acht genomen te worden; de vicaris is in dit geval ook aan alle verplichtingen van de pastoor gehouden, met uitzondering van de verplichting de Mis op te dragen tot intentie van het volk.

    Can. 550 - § 1 Een parochievicaris is aan de verplichting gehouden in de parochie woonachtig te zijn of, indien hij voor meerdere parochies tegelijk aangesteld is, in een daarvan; de plaatselijke Ordinaris kan nochtans om een goede reden toestaan dat hij elders woont, vooral in een gemeenschappelijk huis voor meerdere priesters, mits het vervullen van de pastorale taken hiervan geen enkel nadeel ondervindt.
    § 2 De plaatselijke Ordinaris dient ervoor te zorgen dat, waar dit mogelijk is, er tussen de pastoor en de vicarissen een of andere vorm van gemeenschapsleven in de pastorie bevorderd wordt.
    § 3 Wat de tijd voor vacantie betreft, geniet een parochievicaris hetzelfde recht als een pastoor.

    Can. 551 - Wat betreft de giften die christengelovigen aan een vicaris bij gelegenheid van het vervullen van een pastorale bediening schenken, dienen de voorschriften van can. 531 in acht genomen te worden.

    Can. 552 - Een parochievicaris kan door de diocesane Bisschop of de diocesane Administrator om een goede reden uit zijn ambt verwijderd worden, onverminderd het voorschrift van can. 682, § 2.

    Hoofdstuk VII - Vicarii foranei of dekens 553-555

    Can. 553 - § 1 Een vicarius foraneus, die ook deken of aartspriester of ook anders genoemd wordt, is een priester die aan het hoofd van een dekanaat gesteld wordt.
    § 2 Tenzij door het particulier recht iets anders bepaald wordt, wordt een deken benoemd door de diocesane Bisschop, na volgens zijn wijs oordeel de priesters gehoord te hebben die in het betreffende dekanaat hun bediening uitoefenen.

    Can. 554 - § 1 Tot het ambt van deken, dat niet met het ambt van pastoor van een bepaalde parochie verbonden is, dient de Bisschop een priester uit te kiezen die hij gezien de omstandigheden van plaats en tijd geschikt acht.
    § 2 Een deken dient benoemd te worden voor een bepaalde tijd, die door het particulier recht vastgesteld is.
    § 3 Om een goede reden kan de diocesane Bisschop, overeenkomstig zijn wijze beschikking, een deken vrij uit zijn ambt verwijderen.

    Can. 555 - § 1 Een deken heeft, naast de bevoegdheden hem door het particulier recht wettig verleend, de plicht en het recht:
    1. de gemeenschappelijke pastorale activiteit in het dekanaat te bevorderen en te coördineren;
    2. ervoor te zorgen dat de clerici van zijn district een leven leiden in overeenstemming met hun eigen staat en dat zij zorgvuldig aan hun plichten voldoen;
    3. ervoor te zorgen dat de religieuze diensten volgens de voorschriften van de heilige liturgie gecelebreerd worden, dat de schoonheid en de luister van de kerken en van de gewijde gebruiksvoorwerpen, vooral in de eucharistieviering en in het bewaren van het allerheiligste Sacrament, zorgvuldig in stand gehouden worden, dat de parochieboeken op de juiste wijze bijgehouden worden en naar behoren bewaard, dat de kerkelijke goederen met zorg beheerd worden; tenslotte dat de pastorie met de vereiste zorg onderhouden wordt.
    § 2 In het hem toevertrouwde dekanaat dient de deken:
    1. ervoor te ijveren dat de clerici, overeenkomstig de voorschriften van het particulier recht, op vastgestelde tijden aanwezig zijn bij lezingen, theologische bijeenkomsten of conferenties, volgens can. 279, § 2;
    2. te zorgen dat voor de priesters van zijn district geestelijke bijstand voorhanden is; evenzeer dient hij heel bijzonder zorg te dragen voor degenen die in erg moeilijke omstandigheden verkeren of onder problemen gebukt gaan.
    § 3 De deken dient te zorgen dat de pastoors van zijn district van wie hij weet dat zij ernstig ziek zijn, niet verstoken blijven van geestelijke en materiële bijstand, en dat voor hen die overleden zijn, op waardige wijze de uitvaart gecelebreerd wordt; hij dient er ook op toe te zien dat bij gelegenheid van ziekte of dood, geen boeken, documenten, gewijde gebruiksvoorwerpen en andere zaken die de Kerk toebehoren, verloren gaan of weggenomen worden.
    § 4 Een deken is aan de verplichting gehouden, volgens de door de diocesane Bisschop getroffen regeling, de parochies van zijn district te visiteren.

    Hoofdstuk VIII - Rectoren van kerken en cappellani 556-572

    Art. 1 - Rectoren van kerken 556-563

    Can. 556 - Onder rectoren van kerken worden hier verstaan priesters aan wie de zorg opgedragen wordt voor een kerk die parochiekerk noch kapittelkerk is, noch verbonden aan een huis van een religieuze gemeenschap of een sociëteit van apostolisch leven die er haar diensten viert.

    Can. 557 - § 1 De rector van een kerk wordt vrij benoemd door de diocesane Bisschop, behoudens het recht van verkiezing of voordracht, indien dit iemand wettig toekomt; in dit geval komt het de diocesane Bisschop toe de rector te bevestigen of aan te stellen.
    § 2 Ook als de kerk aan een clericaal religieus instituut van pauselijk recht behoort, komt het de diocesane Bisschop toe de door de Overste voorgedragen rector aan te stellen.
    § 3 Rector van een kerk die verbonden is aan een seminarie of een ander door clerici geleid college, is de rector van het seminarie of college, tenzij de diocesane Bisschop anders vastgesteld heeft.

    Can. 558 - Behoudens het voorschrift van can. 262, is het een rector niet toegestaan de parochiële taken waarover in can. 530, nrs.1-6, in de hem toevertrouwde kerk te verrichten, tenzij met toestemming van de pastoor of, als de zaak het vereist, met diens delegatie.

    Can. 559 - Een rector kan in de hem toevertrouwde kerk ook plechtige liturgische vieringen houden, met behoud van de wettige stichtingsbepalingen, en mits zij naar het oordeel van de plaatselijke Ordinaris op geen enkele wijze afbreuk doen aan de parochiële bediening.

    Can. 560 - De plaatselijke Ordinaris kan, indien hij dit wenselijk acht, de rector opdragen bepaalde ook parochiële diensten in zijn kerk voor het volk te celebreren en ook dat de kerk toegankelijk is voor bepaalde groepen van christengelovigen om daar hun liturgische vieringen te houden.

    Can. 561 - Zonder verlof van de rector of een andere wettige overste, is het niemand toegestaan in de kerk de Eucharistie te celebreren, sacramenten toe te dienen of andere gewijde diensten te verrichten; dit verlof moet gegeven of geweigerd worden volgens het recht.

    Can. 562 - Een rector van een kerk is gehouden aan de verplichting om, onder het gezag van de plaatselijke Ordinaris en met inachtneming van de wettige statuten en verworven rechten, er zorg voor te dragen dat de gewijde diensten volgens de liturgische normen en de voorschriften van de canones in de kerk waardig gecelebreerd worden, dat de lasten getrouw voldaan worden en de goederen nauwgezet beheerd, dat voorzien wordt in de instandhouding en de luister van de gewijde gebruiksvoorwerpen en gebouwen, en dat er niets gebeurt dat, op welke wijze ook, niet strookt met de heiligheid van de plaats en de eerbied aan het huis Gods verschuldigd.

    Can. 563 - De plaatselijke Ordinaris kan een rector van een kerk, ook al is hij door anderen gekozen of voorgedragen, om een goede reden, overeenkomstig zijn wijze beschikking, uit zijn ambt verwijderen, onverminderd het voorschrift van can. 682, § 2.

    Art. 2 - Cappellani 564-572

    Can. 564 - Een cappellanus is een priester aan wie op duurzame wijze de pastorale zorg toevertrouwd wordt, ten minste ten dele, van een bepaalde gemeenschap of een bijzondere groep van christengelovigen, uit te oefenen volgens de normen van het universeel en particulier recht.

    Can. 565 - Tenzij iets anders door het recht voorzien is of bijzondere rechten iemand wettig toekomen, wordt een cappellanus door de plaatselijke Ordinaris benoemd, aan wie het ook toekomt degene die voorgedragen is aan te stellen, of die gekozen is te bevestigen.

    Can. 566 - § 1 Een cappellanus behoort over alle bevoegdheden te beschikken die voor een goede pastorale zorg vereist zijn. Naast de bevoegdheden die door het particulier recht of een bijzondere delegatie verleend worden, heeft een cappellanus ambtshalve de bevoegdheid om de biecht te horen van de gelovigen die aan zijn zorg toevertrouwd zijn, hun het woord Gods te verkondigen, het Viaticum en de ziekenzalving toe te dienen, alsook om degenen die in stervensgevaar verkeren het sacrament van het vormsel toe te dienen.
    § 2 In verzorgingsinstellingen, gevangenissen en tijdens zeereizen, heeft een cappellanus bovendien de bevoegdheid, alleen op die plaatsen uit te oefenen, om te absolveren van van rechtswege opgelopen censuren die niet gereserveerd en niet verklaard zijn, onverminderd het voorschrift van can. 976.

    Can. 567 - § 1 De plaatselijke Ordinaris mag niet overgaan tot de benoeming van een cappellanus voor een huis van een laïcaal religieus instituut, tenzij na raadpleging van de Overste, die het recht heeft, na de communiteit gehoord te hebben, een priester voor te stellen.
    § 2 Het is de taak van de cappellanus de liturgische diensten te celebreren of er leiding aan te geven; het is hem echter niet geoorloofd zich te mengen in het interne bestuur van het instituut.

    Can. 568 - Voor degenen die wegens hun levensomstandigheden de gewone zorg van de pastoors niet kunnen ontvangen, zoals migranten, ballingen, vluchtelingen, nomaden en varenden, dienen voor zover mogelijk cappellani aangesteld te worden.

    Can. 569 - Cappellani van militairen vallen onder speciale wetten.

    Can. 570 - Indien aan de zetel van een gemeenschap of groep een niet-parochiële kerk verbonden is, dient de cappellanus rector van deze kerk te zijn, tenzij de zorg voor de gemeenschap of de kerk iets anders vereist.

    Can. 571 - In de uitoefening van zijn pastorale taak dient een cappellanus het vereiste contact te onderhouden met de pastoor.

    Can. 572 - Wat betreft de verwijdering van een cappellanus dient het voorschrift van can. 563 in acht genomen te worden.