Recensie van "wat gebeurt is maar de helft van het verhaal" - Lambert Wierenga

De dialectiek van feit en fictie

Lambert Wierenga
"wat gebeurt is maar de helft van het verhaal"
Uitgever: Kok
Jaar: 2015
ISBN: 9789043525640
Prijs: € 15,-
120 blz.
Lees deze tekst

In “wat gebeurt is maar de helft van het verhaal” bespreekt Lambert Wierenga op de manier die we van hem kennen van zijn beschouwingen voor Meander Klassiekers en uit zijn boeken Zo werkt poëzie en Ziezo Poëzie! twaalf gedichten van Menno van der Beek. Vijf zijn er afkomstig uit Waterdicht, de tweede van diens vier tot dusverre verschenen bundels, vijf werden er recent verspreid gepubliceerd en twee verschenen nog helemaal niet in druk, wat een bepaalde connectie tussen Wierenga en Van der Beek doet vermoeden.

De besprekingen zijn met overtuigingskracht geschreven. Wierenga heeft veel oog voor de technische aspecten, maar laat de inhoudelijke benadering altijd prevaleren, waarbij het opvalt dat hij iedere interpretatie in het betekenisveld verantwoordt met bewijsplaatsen uit de tekst; op ongefundeerde uitspraken kan hij niet betrapt worden. In veel van deze analyses toont hij zich een ideale leermeester en de poëzie van Van der Beek vaart daar wel bij. Het is alsof deze in de besprekingen groeit.

Maar voor de lezer aan die besprekingen kan beginnen, moet hij zich door het achttien bladzijden lange essay worstelen waarin Wierenga een poging doet Van der Beeks poëtica uiteen te zetten. Hij doet dat met zoveel vertoon van geleerdheid en met gebruikmaking van zoveel vakjargon, dat te vrezen valt dat de argeloze poëzieliefhebber lang voordat hij aan de gedichten kon toekomen verschrikt is afgehaakt.

Een voorbeeld. De inleidende paragraaf wordt nadat al zo’n vijftien niet alledaagse termen zijn gebruikt, als volgt afgesloten: “Globaal gezegd blijkt hij er in te slagen om […] de stereotype clichés waarmee poëzie vaak antipodisch of dilemmatisch – ‘feitelijk of poëtisch’? ‘observerend of participerend’? ‘letterlijk of metaforisch’? – wordt geassocieerd, in één geconstrueerd beeld met een verleidelijke evidentie te ontmaskeren en die innoverend in z’n werk te integreren. Via een strategie van sterke retoriek in de poëtische verbeelding van de dingen en de feiten, is er is geen ‘speld tussen te krijgen’ bij alles wat de dichter in z’n gedicht bedenkt en opschrijft.”

Bent u daar nog?

Ik ben ervan overtuigd dat voor hem het tegendeel geldt, maar het lijkt warempel wel alsof Wierenga zijn lezers wil selecteren om exclusief te schrijven voor wie niet door dit niveau wordt afgeschrikt.

Aan de hand van een aantal citaten uit Van der Beeks werk wil de auteur duidelijk maken hoe de dichter omgaat met feit en fictie. Enerzijds zou deze ze scherp tegenover elkaar stellen, maar anderzijds juist benadrukken dat er tussen beide in feite geen verschil bestaat. ‘Wat echt gebeurt is maar de helft van het verhaal’, schrijft Van der Beek en Wierenga gebruikt dit als motto voor zijn onderzoek. Het citaat ‘is apodictisch en autoritatief én van toon én van vorm én van locatie’, noteert Wierenga en vervolgt: ‘Dit sententiële statement lijkt, vooral op grond van z’n argumentatieve status, een principiële opvatting van de dichter weer te geven over wat hij nastreeft en uitvoert.’

Doodzonde dat de wetenschapper Wierenga hier de poëzieliefhebber zo in de weg lijkt te zitten. De discrepantie tussen de helderheid en directheid van Van der Beeks gedichten en de manier waarop Wierenga er in de inleiding over schrijft, kon niet groter zijn. Niettemin, wie doorleest wordt uiteindelijk beloond met een zorgvuldige analyse van de relatie tussen biografische feiten en verhalende constructies in Van der Beeks gedichten, de dialectiek van ‘feit’ en ‘fictie’, van – om Wierenga nog éénmaal te citeren – “de consistente ambivalentie van ‘auctorieel observeren’ en ‘actorieel participeren'”.

Het is duidelijk. Het inleidende essay is voor de dapperen. Aan de twaalf gedichten en de bijgaande besprekingen is voor alle geïnteresseerden in goede poëzie plezier te beleven.

***
Menno van der Beek (1967) publiceerde Vergezocht (1999), Waterdicht (2002), Kaddisj (2006), Een ziektegeschiedenis (2010). Van der Beek werd opgeleid tot organisch chemicus, maar is werkzaam als computerprogrammeur. Hij is poëzieredacteur van het christelijke literaire tijdschrift Liter en vanaf 2002 medewerker aan een langlopend her-vertaalproject van alle Hebreeuwse psalmen.
Dr. Lambert Wierenga (1934) was voor onderzoek en onderwijs in de literatuurwetenschap en in de Franse letterkunde verbonden aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Hij publiceerde bij KOK eerder enkele boeken over moderne poëzie: Zo werkt poëzie (2011) en Ziezo Poëzie! (2014). 

 

Recensie van Getijden - Hanneke van Schooten

Het woord dat redt en behoudt

Hanneke van Schooten
Getijden
Uitgever: AFdH uitgevers
Jaar: 2015
ISBN: 978907260342
Prijs: € 19,50
96 blz.
Lees deze tekst

In 2012 vertrok dichter Hanneke van Schooten voor een jaar naar Schiermonnikoog. Daar ontstond de bundel Getijden, 42 gedichten die elk bestaan uit twee kwatrijnen, ingedeeld in een ruim een jaar overspannende cyclus van winter-voorjaar-zomer-herfst-winter. Vooraf gaat deze cursief gezette opdracht:

Dit is voor jou
de zin die je leest
mijn hand die het schreef
het wit tussen de regels blauw.

Dit is het woord
dat redt en behoudt
het rood van de kou
en het blauw van de dood.

Los van de wat ongelukkige, ongewenste associaties gevende kleurencombinatie, is dit een intrigerend gedichtje. Het kan als voorbeeld dienen voor de geconcentreerde leeswijze die Getijden vereist.
Slaat het eerste ‘Dit’ op de bundel die voor ligt, of alleen naar de tweede regel? En verwijst ‘het’ naar ‘Dit’, naar regel 2, of naar ‘het wit tussen de regels’? In het laatste geval heeft de hand zich aan al dat ‘wit’, alles wat ongezegd moest blijven, dus blauw geschreven.
In het tweede deel lijkt ‘Dit’ naar zichzelf te verwijzen; wat redt en behoudt is ‘Dit': niet alleen het gedicht, de bundel, maar waarschijnlijk alles wat zich in het hier en nu aandient. Onduidelijk is wie er moet worden gered en behouden moet blijven. De ik of de jij of allebei – de mogelijkheden liggen open, maar de dood speelt er in ieder geval een rol in. Daarom ligt het ook niet voor de hand in de ‘jij’ de lezer te zien, al is die natuurlijk wel degene die het aangebodene onder ogen krijgt.

Wie de ‘jij’ wel is, blijkt gaandeweg de bundel, die één lange queeste is naar een geliefde ander, steeds hernomen zoektocht en ontmoeting ineen. ‘Hij’ kan worden afgehaald van de boot (‘Hij neemt de boot, ik haal hem af./ Ons scheidt geen vraag meer en geen graf,’), wandelt met haar in een gelijk ritme, praat met haar over de natuur en over de dood die hem niet deert, zingt een onwerelds lied, luistert met haar naar Bach – er is veel leven om te delen. Maar hij is tevens verbonden met kou en met gras dat hem toedekt en op een onverwacht moment in de bundel wordt ineens meegedeeld ‘We hebben hem begraven, vroeg in het jaar.’
Dat Van Schooten de gedichten schreef naar aanleiding van het feit dat zij enkele jaren daarvoor weduwe geworden was, is evident, maar die biografische achtergrond blijft grotendeels verhuld, zij is heel terughoudend in het prijsgeven van bijzonderheden over hem die nu ‘bevrijd van last’ is. Dit gedicht bevat wellicht een aanwijzing:

Nu wij stilstaan zie ik het rode
opbloeien achter de lijnen
van zijn gezicht dat nooit zozeer het zijne
was als hier, de ogen groot en opgetogen.

Hoog opgericht staat hij, dood deert
hem niet, tijd verspringt in zijn gedachten
zonder angst, niet langer bang
te meten wat niet was, niet is geweest.

In het schrijven over een gestorven geliefde gingen velen haar voor. Vrij recent Pieter Boskma met Doodsbloei en het is haast onvermijdelijk dat de naam Achterberg valt. Opvallend is dat de bundel opent met ‘Weerbericht’, een van de twee gedichten met een titel in de verder titelloze bundel. (Het andere gedicht is het in het hart van de bundel geplaatste naar Kopland verwijzende ‘Onder de appelboom’.) In Achterbergs ‘Weerbericht’ (uit de bundel Sneeuwwitje, de titel ‘weer-bericht’ moet letterlijk genomen worden) kan de gestorvene zich in de dood met alles vermenigvuldigen; Van Schooten schrijft: ‘Plaats en tijd genoeg/ waar ik je zoek. Plaats en tijd voor beiden.’
Ook in het laatste gedicht van de bundel is er een Achterbergverwijzing. In Van Schootens ‘Uit het schrijven is het opgestaan/ en loopt je in het donker tegemoet.’ hoor je de echo van ‘Bekering’ uit En Jezus schreef in ‘t zand: ‘Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,/ schrijd ik U uit het donker tegemoet.’ Het is jammer dat ze de religieuze connotatie hierbij niet liet. Enkele gedichten daarvoor schreef ze ‘ik weet, een engel heeft je aangekeken,/ nu ben je boven alle kwellingen verheven/ in gods aanwezigheid.’ en dat is meteen een van de zwakste teksten uit een verder voortreffelijke bundel.

Gescheidenheid en onbereikbaarheid worden indringend verwoord, de aanwezigheid van de ‘jij’ op de grens van illusie en werkelijkheid, van inbeelding en verbeelding, weet zij overtuigend aannemelijk te maken, de gevoelens beheersbaar te houden.

We liepen in de winternacht als in een visioen.
Niets dat ons aan de aarde bond
dat onze voeten op besneeuwde grond,
stom geslagen door een roekeloze woede.

Wanhoop, tederheden en verdriet
lagen bevroren en zonder stem
te wachten tot je aarzelend een lied aanhief:
Waar ben je? Waar ben je?

Hoewel er niet een duidelijke lineaire voortgang is – de titel Getijden is wat dat betreft veelzeggend -, is er wel sprake van een zekere ontwikkeling. De ikfiguur groeit gaandeweg naar een vorm van acceptatie: ‘Een overkant is tussen ons begonnen.’, ‘Dit is het eiland waar gemis zijn intrek/ heeft genomen, waar jij woont/ in wat ik schrijf,’ en ‘Te zijn wie men is, daartoe besloten./ En jij daarin aanwezig bij verstek,’. Maar de ‘weifelmoed’ blijft sterk, en de gedachten en emoties volgen de patronen van de Brownse beweging, zoals zij zelf zegt. Juist die wisseling maakt je voortdurend nieuwsgierig naar het volgende gedicht, maar ik denk zomaar dat Van Schooten bij de indeling van haar bundel vaak getwijfeld heeft over de volgorde van de gedichten.

De bundel is evenzeer een fotoboek als een dichtbundel. Van frequent Schiermonnikoogbezoeker Martien Frijns (tevens Van Schootens uitgever) werden dertig foto’s opgenomen, waarvan er tien werden afgedrukt op een dubbele pagina. Ze hebben niets toeristisch, doen het vrijwel zonder mensen, de fotograaf had vooral oog voor wisselende ritmische patronen en structuren. Tekst en beeld gaan nooit op elkaar in, maar passen desondanks uitstekend bij elkaar.
In alle opzichten een prachtig boek.

***
Hanneke van Schooten (Enschede, 1946) debuteerde in 1990 als dichteres bij De Beuk met de bundel Dit landschap zien. Daarna verschenen o.a. Gedichten (1991), Anomalie (1993), Reisgenoot (1995), Buiten bereik (1998), Plaatsbepalingen (2003), De slapende stad (2008) en Buiten de tijd, 2011. In 2006 was zij winnares van de Poëzieprijs van de Stad Oostende.
Van Schooten studeerde rechten in Utrecht, promoveerde aan de Universiteit Twente en werkte vervolgens aan de Faculteit der Rechtswetenschappen van de Universiteit van Tilburg. Zij publiceerde over rechtstheoretische vraagstukken en schreef o.a. de boeken International Governance and Law en Jurisprudence and Communication.

Recensie van Kees van Duinen. Tegen de ruit - Hans Werkman

De weg is lang, het leven kort

Hans Werkman
Kees van Duinen. Tegen de ruit
Uitgever: Tiem
Jaar: 2015
ISBN: 9789079272594
Prijs: € 19,95
160 blz.
Lees deze tekst

Literator Hans Werkman (1939), die vooral veel publiceerde over de dichter Willem de Mérode, verzorgde voor de mooie Prominentreeks van de Baarnse uitgever Tiem een deeltje over Kees van Duinen, een protestants-christelijke dichter wiens werk nauwelijks bekend geworden is, maar die het in ieder geval volgens Wim Hazeu – mederedacteur van de serie – verdiende uit de marge van de literatuur te worden gehaald. Lidy van Eijsselsteijn (‘Het is prachtwerk’), Reinold Kuipers (‘Het werk van een talent dat zich door het harnas van een strenge overtuiging vrijzong’) en C. Rijnsdorp (‘Een rijke, maar bijna verstilde muziek op de achtergrond, en buiten het grote waaien van de wereldwind’) lieten zich al veel eerder in positieve zin uit.

In een uitvoerige levensschets schildert Werkman Kees van Duinen (1907-1950) als een wat schuwe, gedeprimeerde, met zijn gezondheid tobbende man, wiens existentialistische gevoelens van angst, eenzaamheid en uitzichtloosheid in wankel evenwicht waren met zijn christelijke godsvertrouwen. De in de Groninger kunstwereld invloedrijke Wob Meijer noemde hem bij zijn dood ‘Een onbekende bij zijn leven, een vereenzaamde in zijn sterven, een vergetene voordat hij begraven was.’

Van Duinen had wegens ziekte zijn gymnasiumopleiding niet kunnen voltooien (later haalde hij door zelfstudie veel in, hij verdiepte zich onder andere in Rilke)) en kwam in zijn maatschappelijke carrière niet veel verder dan slecht betaalde kantoorbaantjes, die hij combineerde met evangelisatiewerk en activiteiten als lekenprediker. Maar na een publicatie van een gedicht in Opwaartsche Wegen werd hij lid van de Noordelijke Kunstkring en deed daar vrienden op die hem niet alleen in een ander milieu brachten, maar ook maatschappelijk steunden, want het gezin Van Duinen had het met zes kinderen moeilijk het hoofd boven water te houden.
In het biografische gedeelte is de beschrijving van het gereformeerde milieu het boeiendst, vooral die van de implicaties van de kerkscheuring in 1944, toen de synodalen en vrijgemaakten uiteengingen.

Van Duinen publiceerde tijdens zijn leven nauwelijks. Behalve onzekerheid over zijn eigen niveau kan ook een bepaald schuldgevoel een rol gespeeld hebben, omdat hij zich, schrijvend over zijn moeizame relatie met het leven, voor zijn geluksverlangen niet exclusief wendde tot het heil dat zijn kerk bood. Dat hij geen stichtelijk dichter was, dat zijn dichterschap niet aan God gewijd was, had voor hem wel zijn prijs. Wob Meijer, begiftigd met een onwankelbaar gelijk, formuleerde het zo: ‘Het wroeten in eigen ziel, het ronddwalen en tollen in het eigen ik, het ankerplaats zoeken in een andere bodem dan die van het gelovig aanvaarden van Gods beloften móet tot radeloosheid brengen.’

De gedichten van Kees van Duinen verschenen door bemoeienis van vooral Lidy van Eijsselsteijn na zijn dood in 1951 in de bundel De Trap. Hij haalde wel een tweede druk, maar bleef in feite vrijwel onopgemerkt.
Omdat Van Duinen de bundel niet zelf had samengesteld, voelde Werkman zich vrij als het ware een nieuwe bundel te maken. Hij deed dat eigenzinnig. Hij schrapte twee al te ouderwets retorische gedichten en voegde vijftien gedichten uit de nalatenschap toe (in totaal telt de bundel nu zestig gedichten), herzag spelling en interpunctie, koos voor een andere, nu chronologische volgorde, en verving zelfs de titel, omdat Tegen de ruit vanwege het daarmee uitgedrukte isolement kenmerkender voor de bundel is dan De Trap.

Tussen de nacht en mij is dit dun glas.
Weer gaat het nooit bezworen raadsel komen,
dat als een zwarte vloed daarbuiten wast
en aanruist in een breed, verzwelgend stromen.

[uit: ‘Verwachting’]


Zijn de gedichten de hernieuwde aandacht inderdaad waard? Van Duinen schreef traditionele poëzie, zeker in het begin in de traditie van Gossaert, meer nog die van Bloem, al is de retoriek erin regelmatig net iets te pathetisch:

O droomziek hart, wat heeft uw rust bevangen?
Vergeet – en ruk u uit die wrede klem!

Ach, aan een diepe droom is geen ontkomen,
Herinneringen werden levensgroot.
Het leven mag in jaren langs ons stromen,
er blijft een wond, die bloedt als avondrood.

[uit: ‘Voor Ido Keekstra’]


En somberheid wordt soms in sentimentaliteit gesmoord:

Wij kunnen nooit geheel gelukkig heten,
het is te klein, dit hart, dan dat ‘t bevat
vervulling van het wild verlangen, dat
zich aan de sterren schreiend poogt te meten.

[uit: ‘Het was een hete najaarsdag’]


Bijna alle vroege gedichten zijn opgebouwd met vijfvoetige jamben en gekruist rijm. Verstechnisch is er niets op aan te merken, maar onwillekeurig hoor je er een ‘dreun’ in. Waar hij metrisch afwijkt en ritmiek het overneemt, wordt het vers interessanter:

Boven de verrassing van het water
schouwt de ziel haar eigen spiegelbeeld.
Alle onrust tussen nu en later
is: het dorsten naar dit evenbeeld.

[uit: ‘Narcissus’]


Te veel gedichten hebben de toon (en de zwakte) van ‘Nacht':

NACHT

Aan deze schaduw, op de wand getekend,
zie ik voor ‘t eerst wat of ikzelve ben:
een smalle schim, bijwijlen duister sprekend
in een gebaar dat ik niet meer herken,

een eenzaam man, diep en vermoeid genegen
naar het geheim dat zwijgend in mij ligt,
een silhouet, zwart en beangstend tegen
de muur, zonder een naam of aangezicht.

Als nu eens plotseling de kaars gaat doven,
is alles weg, dan ben ik er niet meer.
Hoe kan ik soms dan toch zo trots geloven
dat ik mij nog alom manifesteer?

Ik ben een schim, een ogenblik geworpen
door een onzeker kaarslicht aan de wand,
het duister zal mijn schaduwbeeld opslorpen
zodra de kandelaar valt uit de hand.


Het is ongetwijfeld een eerlijk gedicht, oprecht gemeend allemaal, maar met gezochte, clichématige beelden en met verschillende gebrekkige regels. Als Van Duinen zich van zijn zelfbeklag losmaakt en ook vrijer schrijft, klinkt hij ineens heel anders:

HET VENSTER

Spring driest door de beslagen ruit
wie zich nog wachtend hier bezint.
De wolken wapperen in de wind,
de hemel heeft de vlaggen uit.

[…]

De weg is lang, het leven kort
en als een water zwart en diep.
O, stem, die uit het duister riep,
vang wie zich naar U henenstort!


Gaandeweg krijg je sympathie voor Van Duinens pogingen zijn levenswaarheden zo te formuleren dat ze algemeen geldend konden zijn, juist in het besef dat hij de gedichten liever niet uit handen gaf. Vooral in die uit de laatste jaren staan strofen die treffen, omdat je er de wanhopige poging in voelt uitdrukking te geven aan een levensgevoel dat weinig strookte met zijn christelijke bedding, maar dat hij er toch mee in overeenstemming moest brengen:

Wij weten weinig af van zijn en worden,
wat kringloop is, wat eind, of wat begin.
Een hand strekt zich ten hemel, reeds verdorde
vingers schrijven er groot hun tekens in.

[uit: ‘Handen’]

 


Alles gaat langs, alles gaat langs ons heen.
We komen hoogstens op de weg iets tegen:
de wind, een vogel, God – dat tot op ‘t been
‘t gelaat striemt als de zweepslag van de regen.

[uit: ‘Het lijkt soms even…’]


Uitzichtloze somberheid streed bij hem met hoop en verwachting. Waar hij het ene moment kon schrijven ‘Niets is verloren wat niet kan herleven,/ zolang het hart voor dromen openstaat.’, kon hij tegen het eind van zijn leven een bitter gedicht schrijven, alsof – en dat is over meer schrijvers en dichters gezegd – een ziel in nood zich uitspreekt:

VERZAMEL WAT GIJ HEBT

Verzamel wat gij hebt en leg uw lege handen
in al hun schamelte en erbarmelijkheid ten toon.
Weeg welstand en bezit, besom uw scha en schande
en was in tranen u de blinde ogen schoon.

Noch daad, noch dierbaarst ding, bezitten noch verrichten
vult ooit de armoe op die ‘t hart tot weerzin krenkt.
Bestaan is: wreed gemis aan droom en vergezichten,
aan een doorlaaide kim waar de vervoering wenkt.

Er is geen andere keus dan in verbetenheden,
geen uitkomst dan waarin nooit een kwetsuur geneest:
een bloedig zelftorment in mummelende gebeden,
of een gebald verzet dat geen geboden vreest.

Verdraag uw doem gedwee en sla uw lege handen
in boete en berouw voor het gekerfd gelaat,
of grijp verwoed het mes van tussen uwe tanden
en stoot het tot aan ‘t heft in wie u ‘t naast bestaat.


Er zijn, met name in de tweede strofe, duidelijke echo’s van Bloem, maar van navolging is geen sprake, de uitdrukking, vooral van de turbulentie die in hem woedt, is authentiek. Alleen al op grond van dit gedicht verdient Kees van Duinen een dichterlijk voortleven.
Hans Werkman verdient dank dat hij dat mogelijk heeft gemaakt.

Recensie van Grondstoffen - Anneke Brassinga

Elke dag laven zich mijn oren en ogen

Anneke Brassinga
Grondstoffen
Uitgever: De Bezige Bij
Jaar: 2015
ISBN: 9789023492702
Prijs: € 17,50
176 blz.
Lees deze tekst

Je slaat een boek open en het eerste dat je leest, is dit:

Sinds mijn aankomst die een terugkomst was, om niet te zeggen thuiskomst, in deze hyperakoestische woonst uit radicaal voorbije tijden toen tafelen nog van steen waren en de uitvinding van de sofa nog eeuwen op zich zou laten wachten, sindsdien lukt het stilstaan beter dan ooit. Een leven lang heb ik geleden aan bewegingsdrang, chronische opspringneigingen, funeste onrust van het motorisch apparaat. Dat kwam, begreep ik bij het bereiken van de volwassenheid, door mijn ingeschapen gebrek aan rijbewijs.

Een volgend stuk begint aldus:

Denkend aan Noord-Holland ben ik terug in Bergen; het is weer juni, halfvijf, de vogels beginnen vlak voor het ochtendgloren hun jubelende oorlogsgezang – alle leven is oorlog – terwijl ik ontwaak in de vroegere slaapkamer van de Prins der Dichters, Adriaan Roland Holst. […] Vanaf de wand kijkt Roland Holsts fotoportret weemoedig, met haaks neerhangende mondhoeken mij niet aan – zijn blik is binnenwaarts gericht. Ook ik zou mijn blik naar binnen moeten keren. Ik ben hier immers om te schrijven, een maand lang, als eerste die dit heiligdom nieuw leven zal inblazen. Maar wat een vogelgezang en vooral: wat een luchten! Grauwgrijs laaghangend, of transparant zilveren motregenlicht, of donkerblauwe stormwolken, ijsblauwe diepte, korenbloemblauwe nabijheid. Het leven blaast hier zichzelf leven in. Hoog opgeschoten bloeiend gras golft in de polderwei, paardenstaarten van paarden en hun berijdsters golven bij het langsgaan over het fietspad, de rijzige kruipwilg naast het verlaten buurhuis laat de lange linten van zijn blad wapperen op de bries en buigt bij elk zuchtje. Ik ben hier om te schrijven maar het is juni, de dagen zijn almaar aan het lengen en het huis heeft zoveel ramen, elke dag laven zich mijn oren en ogen.

Aan wie zo vervoerend schrijft lever je je uit, van zo’n auteur wil je alles lezen.

Aan het woord is Anneke Brassinga, die in haar bundel Grondstoffen ruim drieëntwintig tussen 1998 en 2014 geschreven verspreide teksten verzamelde: een enkel krantenartikel, columns en essays, verschillende op verzoek geschreven gelegenheidsbijdragen. Het zijn vanuit haar persoonlijke leeservaring geschreven stukken over het schrijver- en kunstenaarschap, over poëzie in het algemeen en over specifieke dichters en gedichten in het bijzonder, over schrijvers van vroeger en nu. In alle teksten etaleert Brassinga een bijzondere, heel eigen dienstbaarheid aan de taal en de verbeelding, die zich in wederkerigheid aan haar schatplichtig mogen weten, want haar taalgebruik is op een volstrekt vanzelfsprekende wijze superieur.
De volgende alinea komt uit een stuk voor het Nederlands Letterenfonds:

Schrijvers en vertalers wonen in het juiste woord. Zij leven voor de geest, zij hoeden de taal, en weten zich op grond daarvan verplicht al hun woorden, komma’s en gedachtestreepjes op goudschaaltjes te wegen, striktelijk, gestreng, knijperig, angstvallig, maltentig, scrupuleus, bekommerd en zwaarhoofdig, en even vaak voelen zij zich geroepen alle regels en geboden van de taalzeden aan de laars te lappen; dat alles omwille van kostbare vrijheid van die reeds genoemde geest, belichaamd door de taal – het menselijk orgaan waaraan de letteren ontspruiten.

Veel van Brassinga’s korte essays gaan over vertalen en daarbij handelt het niet in de eerste plaats over de bijzondere eisen die iedere nieuwe tekst opnieuw aan de vertaler stelt en over vertaalproblemen die zich kunnen voordoen, maar zij voert ons direct de wereld van schrijver en boek in en neemt daarbij diverse keren lange vertaalfragmenten op. We gaan vaak eeuwen terug: Rousseau, Jean Paul, Goethe, Karl Philip Moritz (met tien bladzijden uit diens allegorie Andreas Hartknopf), Johann Peter Hebel (wat een juweeltje is zijn verhaal Een onverhoopt weerzien), Saint-Simon (met veertien bladzijden van zijn Memoires), Walter Benjamin (met een deel uit diens rede over Hebel en een fragment uit Berliner Kindheit), Robert Walser en heel veel anderen die zijdelings ter sprake komen.

Regelmatig reflecteert zij op haar metier als dichter en vertaler: ‘[…] en daar, bij dat gevoel van raadsel, bij het willen ontkleven van vorm en inhoud, daar zou het vertalen van een gedicht moeten kunnen beginnen.’ Maar dat veronderstelt dan wel, schrijft ze, en zij formuleert daarbij en passant haar eigen poëtica als dichteres, ‘dat het een goed gedicht is, een waarin de poëtische vorm zijn eigen inhoud met zich meebrengt, die, onder gebruikmaking van de dagelijkse omgangstaal, naar andere dingen verwijst dan de afspraak was, terwijl tegelijkertijd die dagelijkse, afgesproken betekenis óók blijft meespelen.’

En: ‘Wie een ook maar enigszins gecompliceerd gedicht begint te vertalen, belandt in een samenspel van klanken en betekenissen, ritmische patronen, echo’s – alles wat op het papier zo stillag, begint te schuiven en te verspringen, de kleinste wendingen worden geladen met vonkende, onverbiddelijke urgentie.’ Gewetensvoller kan een vertaler niet zijn, ook al beseft die ‘dat poëzie vertalen een van de ergste kwellingen is die een mens zichzelf – uit vrije wil! – kan opleggen.’

In het deel ‘Grondstoffen’, negen oorspronkelijk in het inmiddels ter ziele gegane De Leeswolf verschenen columns, schrijft Brassinga heel mooi over alles wat haar voedt; regels uit Een winter aan zee van A. Roland Holst bijvoorbeeld, ‘een noodrantsoen om een hele winter op te kauwen.’ In één moeite door gaat het dan over Multatuli, Jacques Hamelink, Lucebert. ‘En ook ik,’ schrijft ze, ‘laaglandse dichter uit de natijd van het verleden, voeg me graag bij de saamhorigheid van solitaire zonderlingen.’

In een ander stuk hinkt-stapt-springt zij van Proust naar Deleuze naar Gertrude Stein naar Euripides om na nog zeven namen uit te komen bij een door W.F. Hermans vertaald gedicht van Oscar de Milosz. Overdadig? Als je het zo opsomt wel, als je het leest geen moment en er gaat een enorme stimulans vanuit om dat ook allemaal te willen lezen.

‘Poëzie is een vorm van afzondering’, schrijft zij in nog weer een ander stuk, ‘een brug naar binnen’. Ondertussen weet zij te enthousiasmeren als weinig anderen.
Wat een heerlijk boek!

***
Anneke Brassinga (1948) is winnares van de P.C. Hooftprijs voor poëzie 2015. Zij debuteerde in 1987 met Aurora. In 2005 verscheen de verzamelbundel Wachtwoorden met haar poëzie tot 2003, onlangs kwam de nieuwe druk uit met alle tien haar bundels.
In 1993 verscheen Hartsvanger, een bundeling van dagboeknotities en reisverslagen, essays en brieven. Daarna publiceerde zij het prozaboek Hapschaar (1998, ECI-prijs 2001), gevolgd door de essaybundels Het zere been (2002) en Bloeiend puin (2008). In 2008 kreeg zij de Constantijn Huygens-prijs voor haar gehele oeuvre.

Recensie van Gedichten die mannen aan het huilen maken - Nick Muller (sam.)

Treur niet om mij

Nick Muller (sam.)
Gedichten die mannen aan het huilen maken
Uitgever: Prometheus
Jaar: 2015
ISBN: 9789044628302
Prijs: € 17,50
182 blz.
Lees deze tekst

Journalist Nick Muller (1992) maakte met Gedichten die mannen aan het huilen maken een Nederlandse variant van de succesvolle uitgave Poems That Make Grown Men Cry van Anthony en Ben Holden (Simon & Schuster, 2014).
Hij kopieerde simpelweg het Engelse recept door in zijn geval aan een flink aantal ‘vooraanstaande’ Nederlandse en Vlaamse mannen te vragen waarom een bepaald gedicht iets voor hen betekent, hen misschien wel elke keer als ze het lezen, ontroert.
Muller verstuurde ruim 150 uitnodigingen aan min of meer publieke figuren – auteurs, acteurs, muzikanten, kunstenaars, politici en sportmensen – en daarop kwamen 63 bruikbare reacties binnen. Het mooie aantal van honderd van de Engelse uitgave haalde hij dus bij lange na niet, wat vooral kwam door de geringe respons uit de twee laatste groepen; van de veertig aangeschreven sporters reageerde er zelfs niemand.

De gedachte achter deze bloemlezingen is dat dankzij de persoonlijke introducties de gedichten een bijzondere meerwaarde krijgen en de gekozen gedichten iets speciaals zeggen over degenen die ze kozen.

Lang geleden (1981) hoorde ik in Joop van Tijns middernachtelijke radioprogramma Rust zacht Joop den Uyl een gedicht voordragen dat me sindsdien niet meer verlaten heeft: het sonnet ‘Soms loop ik ‘s nachts naar het Victorieplein,’ van Ischa Meijer. Het was alsof de persoon van de politicus Den Uyl het gedicht een extra dimensie gaf, maar omgekeerd het gedicht ook iets vertelde over de man die het voorlas, alsof die zélf ‘een jongetje dat alles goed zou maken’ werd. (In een aflevering van De Avonden bij de dood van Meijer in 1995 werd het fragment herhaald - doorspoelen naar 1:16:00.) 

De combinatie gedicht – bekende Nederlander kán dus werken (in het geval van Den Uyl zelfs door het alleen maar te lezen), maar daarvoor moet niet alleen het gedicht van een bepaald niveau zijn, maar moet er ook interesse kunnen zijn in de persoon die de keuze deed en geloof in de oprechtheid van wat hij beweert. Niet het een of het ander, maar allebei, want anders had de bloemlezing geen zin.
Zo wil ik best benieuwd zijn naar wat Alexander Pechtold te zeggen heeft, maar hij maakt zijn nogal brave, politiek correcte opmerkingen bij een goed bedoeld maar nogal onbeholpen gedicht van de nauwelijks bekende Tim Stoop, een oom van hem. Hoe oprecht ook, het komt toch gekunsteld over.
De enige andere actieve politicus die reageerde was Emile Roemer. Hij koos voor Gorters ‘Mei’ en zegt daarover dat de kracht daarvan hem inspireert, iedere keer weer wanneer hij dit gedicht leest. ‘Iedere keer weer’? Ik denk dat Roemer hier wat overdrijft… Zij zijn de enigen bij wie ik het idee had dat het hier vooral om hun eigen imago ging.

Ik moet zeggen dat de bloemlezing waarover ik toen zij werd aangekondigd nogal sceptisch was, mij zeer meeviel. Er wordt weinig gehuild en er is weinig ijdel vertoon.
Natuurlijk wordt in het algemeen voor bekende gedichten gekozen, maar gelukkig niet op ‘Jonge sla’-niveau en regelmatig is er een verrassing. Matthijs van Nieuwkerk bijvoorbeeld, die verstandige dingen zegt over ‘Zelden heeft de sprong van een panter’ van Hans Faverey, acteur Gijs Scholten van Aschat, die een persoonlijke geschiedenis verbindt aan ‘je hebt me alleen gelaten’ van Hans Lodeizen of Willem Nijholt, voor wie ‘Kampbegrafenis’ van Willem Brandt nog altijd werkelijkheid is. Bennie Jolink bevestigt dat Willem Wilminks ‘Ben Ali Libi’ voor altijd verbonden is aan de voordracht door Joost Prinsen, die zelf koos voor ‘Dood’ van Eddy van Vliet.
Wilmink is met vijf gedichten trouwens duidelijk favoriet.

Eén gedichtje mag hier wel geciteerd worden, omdat het ooit in de krantenkolommen zal opduiken. Dries van Agt, die als oud-politicus ook nog altijd zorgvuldig zijn image bewaakt, koos voor een van de ‘Nestoriaanse kwatrijnen’ van de Surinaamse dichter Hugo Pos:

Beloof me, kind, als ik van hier verdwijn
treur niet om mij, straks bloeit weer de jasmijn
en geurt de kamperfoelie. Erger zou het wezen
als zij verdwenen waren, – ik er nog zou zijn.


Van Agt schrijft: ‘Wel curieus dat ik u dit schrijf op de dag dat ik 84 jaar word, besef ik nu. Dit is namelijk de tekst die straks op mijn eigen overlijdensannonce zal worden gezet.’

De bundel kreeg een nawoord mee van Remco Campert (Joost Zwagerman koos diens ‘Lamento’) en Muller zelf schreef het voorwoord. Daarin noemt hij versregels ‘strofen’. Dat Henk Schiffmacher en Ed van Thijn dat óók doen is opmerkelijk. Ik zie er het bewijs in dat Muller de bijdragen flink geredigeerd zal hebben. Dat mag, maar doe het dan zonder zo’n rare fout.
Los daarvan: Gedichten die mannen aan het huilen maken is een bloemlezing om veel plezier aan te beleven. In ieder geval is het niveau opmerkelijk hoog.