Zelfs de machtigste mens kan diep vallen

Lees deze tekst
 

Kujtim Morina is een Albanese schrijver, vertaler en diplomaat. Hij behaalde een master in Europese studies aan de Universiteit van Graz, Oostenrijk, en is momenteel ambassadeur in Koeweit. Morina publiceerde verschillende dichtbundels in zijn vaderland en meerdere gedichten in het Engels. In 2013 won hij de literaire Naji Naamanprijs in Libanon. Sander de Vaan spr@k met hem en vertaalde drie van zijn gedichten.

Hoe belangrijk is poëzie voor u?
Het is een wezenlijk onderdeel van mijn leven. Als ik geen gedichten van anderen zou lezen of zelf geen gedichten zou schrijven, zou ik iets heel essentieels missen. In de poëzie gaat het, meer dan in andere teksten, om de essentie van het woord. Ik leef samen met de dichtkunst. Zo nu en dan citeer ik voor mezelf verzen van allerlei werelddichters en dat kleurt mijn leven en maakt mij gelukkig.

Waar zit volgens u het verschil tussen een goed gedicht en een uitstekend gedicht?
Een uitstekend gedicht komt na lezing spontaan terug in je brein, het beklijft. Een goed gedicht is leuk om te lezen, maar dat is dan ook alles.

De dichtkunst leidt in veel landen een marginaal bestaan. Hoe staan de zaken er in Albanië voor?
In mijn vaderland liggen dichtbundels meestal ergens in een hoekje van een boekwinkel. Veel Albanezen schrijven gedichten, maar er springen er maar weinig uit. We ondervinden de nadelen van een taal van een klein land. Zelfs goede Albanese poëzie klinkt in vertaling een stuk minder mooi. Gelukkig zijn veel belangrijke werelddichters wél heel goed in het Albanees vertaald.

Welke verzen van een door u bewonderde werelddichter zou u hier willen citeren?
De Russische dichter Joseph Brodsky schreef ooit: ‘alleen as weet wat het is om tot de grond toe af te branden’. Het is namelijk nooit makkelijk om in andermans schoenen te staan. In het Albanees klinken deze verzen zelfs nóg mooier, omdat as en vuur in de vertaling samengebracht worden, waardoor het beeld nóg tastbaarder wordt.

Hoe begint u normaliter een gedicht?
Het begint meestal als een gevoel dat langzaamaan tot een obsessie uitgroeit, zodat ik wel moét schrijven om eraan te ontsnappen. Dat gevoel omvat een beetje van alles: beelden, woorden, situaties, enzovoort. Normaal gesproken begin ik niet met het plan om poëzie te schrijven, ik wacht tot ze spontaan ‘tot mij komt’.

Ik vind uw gedicht ‘Dat licht’ mooi. Hoe ontstond die tekst?
Ik heb in dat gedicht getracht het lot van de mens te verbeelden. De mens die tegelijkertijd zo sterk en zwak, eeuwig en tijdelijk, onvervangbaar en eenvoudig te vergeten is. Met name machtige mensen (in regeringen, bedrijven, religies enz.) zouden zich daar goed bewust van moeten zijn. Zelfs de machtigste mens kan diep vallen. En het leven gaat dan gewoon verder.

De twintigste eeuw kende vele oorlogen. Onze huidige eeuw lijkt er wat geweld betreft niet veel beter op te worden. De filosoof Adorno zei dat het na Auschwitz ‘barbaars’ was om nog gedichten te schrijven. Wat vindt u van de functie van poëzie?
Ja, helaas vinden er ook momenteel zeer bloedige conflicten plaats. De functie van poëzie is die van de kunst. Men heeft niet alleen materiële dingen nodig, maar vooral ook spirituele zaken en de vrijheid om zich dingen te verbeelden die men in het ware leven niet kan realiseren. Als poëzie verdwijnt, verdwijnt de gedachte, iets wat mij onmogelijk lijkt. Dankzij de poëzie kunnen we mediteren over het leven en betere, vreedzame oplossingen zoeken. Veel lezers lezen geen poëzie meer, maar daar staat tegenover dat in deze tijd, met al die nieuwe technologieën, het makkelijker is geworden om de wereld der poëzie te betreden dan die van het proza. Het lezen van verzen is als het drinken van een glaasje whiskey of een biertje terwijl je naar een eindeloze horizon tuurt. De fles hoeft dan helemaal niet meer leeg.

Alsof brood ergens ‘groeit’

Lees deze tekst
 

Ofran Badakhshani (1982) kwam als 13-jarige vluchteling in z’n eentje uit Afghanistan naar Nederland. Hij studeerde hier politicologie en filosofie, doet momenteel promotieonderzoek en drijft een wijnzaak in Den Haag. Badakhshani publiceerde diverse dichtbundels in het Perzisch, voordat hij eind 2015 ‘debuteerde’ met het Nederlandstalige De banneling (Uitgeverij Kontrast). Sander de Vaan spr@k met hem over lange winternachten, ontwakende dichters, tarwe, bakkers met de handen onder het deeg, Nietzsche en nog veel meer.

Wat zijn je meest dierbare herinneringen aan je jeugd in Afghanistan?
De provincie, Badakhshan, waar ik vandaan kom, staat bekend als de wieg der literatuur en mystiek. Badakhshan heeft een eeuwenoude traditie van voorlezen, gedichten uit je hoofd leren en verhalen vertellen. Vooral in de lange winternachten verzamelt men zich rond vuren en beginnen jong en oud om de beurt te lezen en te vertellen. Daar schuilen mijn mooiste herinneringen: de strijd tussen mijn slaap en de zoetheid van de Perzische heldenverhalen, de kinderlijke nieuwsgierigheid en de begeerte om meer te weten te komen en te horen…
Als kind heb ik voor een redelijk grote familie moeten zorgen. Ook aan de arbeid heb ik mooie herinneringen. In arbeid zit waardigheid, zeiden de ouderen in het dorp. Als kind heb ik amper kunnen spelen. Daar was het leven te serieus voor. Maar ook dat harde werken heb ik lief gehad en ik kijk nu lachend terug op die zware dagen. Aan de gesprekken met mijn moeder, die zelf ongeletterd is maar veel gedichten en verhalen uit haar hoofd kent, heb ik eveneens mooie herinneringen.
Mijn reizen met mijn vader naar andere delen van Badakhshan, zijn lessen over hoe ik moest ploegen en zaaien, hoe en wanneer je het beste kunt enten – ook dat is mij allemaal dierbaar. Hij was een militair, maar hij heeft mij nooit leren schieten. Van hem heb ik geleerd het leven te respecteren.

Wilde je ook toen al dichter worden?
Als de ouderen in het dorp bijvoorbeeld over de Sjahnama (Het boek der Koningen) van Ferdausi, of over Rumi, Hafez, Sa’adi, Attar of andere Perzische grootheden spraken, zeiden ze: ‘Zij zijn ontwaakt’. Hoewel ik er als kind totaal geen idee van had wat dat inhield, wilde ik graag zoals zij ontwaken om voor de eeuwigheid aan de dood te ontsnappen. Dat werd namelijk over hen gezegd…
Dan las ik de verhalen uit de Masnavi van Rumi, of uit de De samenspraak van de vogels van Attar en probeerde zoveel mogelijk te begrijpen. Soms gingen we in groepen naar de ouderen om uitleg te vragen over bepaalde verhalen. Om een lang verhaal kort te houden: ik hoopte altijd wel een goede dichter te worden, maar dat durfde ik nooit hardop te zeggen. Want een goede dichter was en is ook bescheiden…

Kun je misschien een paar verzen citeren van bijvoorbeeld Rumi of een andere dichter die je bijzonder aanspreken?
Ik ken grote delen van hun werken uit mijn hoofd, in het Perzisch uiteraard. Het vertalen daarvan wordt een beetje lastig. Ook ken ik complete verhalen uit de Sjahnama, de ruggengraat van de Perzische taal en literatuur. Wat mij altijd is bijgebleven is het verhaal van de Samenspraak der Vogels. In dat verhaal komt een groot aantal vogels bijeen en één vogel probeert de rest ervan te overtuigen dat zij een Koning moeten hebben en dat zij op zoek moeten gaan naar hun Koning, Simorgh. Simorgh is een legendarische vogel in de Perzische literatuur en cultuur. Simorgh speelt ook in de Sjahnama een centrale rol en de naam betekent Si = dertig en Morgh = vogels.
Op zoek naar hun koning vliegen zij over de zeven valleien. Dat wil zeggen de zeven mystieke stadia, namelijk de vallei der zoektocht, de vallei der liefde, de vallei van de kennis/het inzicht, de vallei der absolute onaandoenlijkheid, de vallei der eenheid, de vallei der verbijstering en de vallei der armoede. Aan het einde van hun reis blijven er maar dertig vogels over. Ze vliegen over de zee en zien zichzelf in het water en komen zo tot de ontdekking dat zij zélf de Simorgh zijn… En er zijn nog veel meer mooie verhalen, zoals ‘Het verhaal van Rabia’, ‘Het verhaal van Rostam en Sohrab’…

Wat betekent poëzie voor jou?
Dit blijft een lastige vraag. Poëzie is voor mij het enige rijk waarin ik in alle vrijheid en onbegrensd mezelf kan zijn en blijven. Het is het enige rijk waarin ik aan de structuren kan ontsnappen, waarin ik niet hoef te buigen voor de regels van de taal, waarin ik de taal kan uitdagen. Het is het rijk waarin ik kan scheppen. En de vrijheid die dat met zich meebrengt is onbeschrijfelijk. Poëzie helpt mij om mezelf keer op keer te veroveren en te boven te gaan. Poëzie is een goede vriend, zowel in de zoektocht naar (en toch ook in) mezelf. Poëzie, kunst in het algemeen wellicht, is het bewijs dat het menselijke creatieve vermogen om schoonheid te scheppen onbegrensd en oneindig is.

En wat is volgens jou het verschil tussen een goed gedicht en een prachtig gedicht?
Voor mij is een prachtig gedicht één waarin de vrijheid niet aan de lezer ontnomen is. Een gedicht, denk ik soms, wordt pas volmaakt in de geest van de lezer. Ik geef enkel de middelen, in dit geval een aantal woorden, soms in een willekeurige volgorde en soms niet. Mijn gedichten zijn daarom nooit af, wanneer ik ze opschrijf. Om niet af te dwalen: gedichten worden in vrijheid geboren, terwijl de dichter onvrij kan zijn. Gedichten kiezen hun eigen weg en vorm.

In je nieuwste bundel, De Banneling , schrijf je dat je graag met Nietzsche koffie had willen drinken. Waarom juist met hem?
In mijn intellectuele opvoeding is Nietzsche ontzettend belangrijk geweest. Ik kwam zo rond mijn twintigste (vrij laat dus) in aanraking met zijn werken. Ik word graag aangetrokken door totale waanzin en een bepaald soort radicaliteit in het denken. Zijn belangrijkste ontdekking bijvoorbeeld is de dood van God, met als gevolg dat wij de zee leeg hebben gedronken en de horizon hebben weggeveegd. En de vragen die hij daarbij stelt: “Wat hebben wij gedaan toen wij deze aarde van haar zon los koppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? (…), dolen wij niet als door een oneindig niets? Is het niet kouder geworden? Is niet voortdurend de nacht en steeds meer nacht in aantocht? (…) God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood…,”.

Na de dood van God, probeert hij met zijn veel bediscussieerde notie van de Übermensch een beeld te schetsen van de mens die in staat is zichzelf te overwinnen. Deze toekomstsmens zal van de dood van God geen last hebben. De Übermensch omarmt de zinloosheid van het leven zonder eraan te lijden. In Also sprach Zarathustra, zien we hoe deze toekomstsmens steeds in staat wordt gesteld zichzelf te overwinnen. Daar leren we hem kennen. Zarathustra is de mens waar Nietzsche naar streeft.

Precies honderd jaar voor mijn geboorte werd het boek Die fröhliche Wissenschaft gepubliceerd, waarin God dood wordt verklaard. Vandaag, 133 jaar na de doodverklaring van God, blijkt de Übermensch er nog steeds niet te zijn. Het menselijke onvermogen vrij te zijn en het menselijke onvermogen te veranderen blijken de overhand te houden.

Onder het genot van een kop koffie, zou ik dit allemaal met hem kunnen bespreken. Misschien zou ik hem ook een beetje kunnen opvrolijken. Misschien zou ik hem ervan kunnen overtuigen hoe geweldig het Nederlandse kroegenleven is. Wie weet, misschien was hij bereid geweest om toch nog een biertje met mij te drinken.

Wat verderop schrijf je in een gedicht dat honger de moedertaal van kinderen in Afrika en Azië is:

Moeders van de wereld
huilen in een taal
maar het lachen
wordt nergens vertaald

Wij lijken zoveel op elkaar

De zorg over het dagelijks brood
in Afghanistan
Somalië
Sierra Leone
berooft vaders
op dezelfde wijze van slaap

Honger
de moedertaal van kinderen
in Afrika
en Azië
Wij lijken zoveel op elkaar

Jij woont inmiddels al twintig jaar in Nederland. Denk je dat wij Westerlingen ons eigenlijk wel voldoende bewust van onze rijkdom zijn?
Er zijn gelukkig nog steeds mensen die ook hier in Europa oorlog en armoede mee hebben gemaakt. Maar voor velen onder ons is alles zo vanzelfsprekend geworden dat wij amper stil staan bij ons doen en laten. Het is niet alleen oorlog en armoede, wij zijn zover van alles verwijderd. Wanneer hebben we, bijvoorbeeld, voor het laatst een bakker gezien met zijn handen onder het deeg? Wanneer hebben wij voor het laatst een graanveld gezien? Wij zijn vervreemd. Tarwe zien we amper. Het is soms alsof brood ergens groeit. We treffen het enkel voorgesneden en netjes verpakt aan in de supermarkt. Het was niet alleen de armoede die brood zo bijzonder maakte voor mij. Het was ook mijn betrokkenheid bij het ploegen, kweken, maaien, oogsten en malen dat dat brood tot zo’n mooi verhaal maakte. Trouwens wel een verhaal waar ik nooit genoeg van kreeg.

Hoe heb jij trouwens je komst naar ons koude kikkerlandje ervaren?
Ik schrok echt van de Hollandse gastvrijheid en dat er met ‘wil je een koekje’ ook echt één koekje wordt bedoeld. Verder moest ik wennen aan de directheid van de toen nog Nederlanders (nu landgenoten). Maar dat er zoveel boeken waren, dat ik onbeperkt naar de bibliotheek kon en dat ik boeken kon lenen, dat er altijd wat te leren viel, die leergierigheid en nieuwsgierigheid – wat ook erg Perzisch is – vond ik toch wel zalig!

Hielp de Hollandse regen en wind je te ‘ontwaken’ als dichter, of was je sowieso wel gedichten gaan schrijven?
Gedichten schreef ik al voor mijn komst naar Nederland. Ik ben hier blijven schrijven, maar in het Perzisch. Mijn mooiste gesprekken met Amsterdam heb ik in het Perzisch gevoerd. Amsterdam spreekt vloeiend Perzisch. Daar kent Amsterdam mij van. Ik ben haar Perzische herinnering.

Ofran Badakhshani: De banneling.
ISBN 978-94-90834-93-7
Uitgeverij Kontrast
€ 15,00

Interview met Herman Bianchi

Een vriendschap met God

Lees deze tekst

Op de voorlaatste dag van 2015 overleed criminoloog Herman Bianchi op 91-jarige leeftijd.
In mei 2007 interviewde Sander de Vaan hem voor Meander. Hieronder nogmaals dat interview.

Herman Bianchi (Rotterdam, 1924) baarde als hoogleraar criminologie opzien met zijn kritiek op het hedendaagse strafrecht. Ook vervulde hij – ongewild – als Karel Ravelli een bijrol in Voskuils Het Bureau. Na zijn pensioen nam Bianchi een nieuwe voornaam aan, Thomas, en legde hij zich toe op de mystiek en het schrijven van gedichten.

Foto (c) Mark Kohn
http://www.kohn.nl
 

Herman Bianchi staat bekend als een vooraanstaand criminoloog. Voor uw literaire publicaties heeft u nu een andere voornaam aangenomen. Vanwaar dit halve pseudoniem?
Ik had altijd een hekel aan die voornaam ‘Herman’. Dat is een Germaanse naam en het betekent ‘krijgsman’, ‘man in het heer’, en dat is niet leuk voor een oude antimilitarist. Mijn pensionering was een goed tijdstip om van naam te veranderen. Bovendien moest ik helemaal niks hebben van die Herman die de Romeinen versloeg bij het Teutoburgerwoud. Was dat maar nooit gebeurd. Overigens is de keuze van de naam Thomas weloverwogen gedaan. Thomas betekent ‘tweeling’ of ‘tweeheid’ in het Hebreeuws en dat zegt iets over mij. Het is niet alleen de bekende Thomas uit het Evangelie; het betekent vooral ook dat ik altijd zaken van twee kanten wil bekijken. Verder is het in het Sanskriet ‘dwaita': het midden willen kiezen tussen twee dualiteiten. Wel dat is nu precies Thomas. En hij was helemaal niet ongelovig…

Kunt u hier in het kort uw theorieën over het strafrecht samenvatten?
Ja, ik ben tegen opsluiting van mensen, behalve wanneer ze een direct en blijvend gevaar voor het leven van andere mensen opleveren. Opsluiting levert geen bijdrage tot het bestrijden van criminaliteit. We hadden in 1978 circa 1800 gevangenen en we hebben er nu bijna 18.000. Dat is niet zozeer vanwege de toegenomen criminaliteit, maar omdat de straffen veel langer uitvallen. Bovendien zijn er de kosten: een gevangene kost – het zijn uiteenlopende prijzen, van gewone opsluiting tot de veel duurdere TBS – per dag circa 250 tot 500 euro en dat dan vermenigvuldigd met 365 en vervolgens met 18.000. Dit loopt dus in de miljarden… En helpt het? Geen zier. Wat wel zou helpen is de crimineel verplichten de aangerichte schade goed te maken. Ik heb eens zowel in Amerika als in Nederland lezingen gegeven aan gevangenen. Die schrokken enorm, want wat ik vraag is veel zwaarder. Nu worden ze opgesloten en hoeven ze zich van de aangerichte schade niets aan te trekken. Bovendien zijn gevangenissen universiteiten voor criminaliteit: de zwaardere criminelen vertellen de lichtere hoe het de volgende keer beter te doen.

Maar wat moeten wij met de draaideurcrimineel?
Die ontstaat door de gevangenis. Als je niet opgesloten bent, zijn er ook geen draaideuren. Opsluiting is pure gemakzucht van de overheid: ‘Sluit ‘m maar op, dan zijn we even van hem af’. En daarna? ‘Nou ja, dan zien we wel weer.’

En de overvaller die zonder enige scrupule een bejaarde dame heeft mishandeld?
Nou die heeft heel wat goed te maken. Maar dat kan alleen als je hem niet opsluit. Er is reclassering om hem bij die wedergoedmaking te helpen. En dat kost ons heel wat minder dan opsluiting.

Bij mij in de buurt woonden twee knaapjes, uit nette gezinnen, die al heel jong crimineel gedrag vertoonden. Er kwamen onder anderen psychologen aan te pas, maar je hoefde geen profeet te zijn om te voorspellen dat ze nog ergere dingen zouden doen. Uiteindelijk bleek gevangenisstraf de enige oplossing om te voorkomen dat ze nieuwe geweldsdelicten zouden plegen.
Er zijn enkele mogelijkheden: a) die psychologen hebben hun werk niet goed gedaan, b) helaas zijn in ons recht ouders niet meer, zoals vroeger, verantwoordelijk voor de schade die hun kinderen berokkenen, c) sluit ze maar op, dan komen ze er als beroepscriminelen weer uit. Ga de levensgeschiedenis van grove criminelen maar eens na. Of je doet net als in de VS: zelfs bij geringe delicten krijg je er al levenslang en bij ernstige delicten 17 maal levenslang, of toch nog de doodstraf na 18 jaar afwachtende opsluiting. De criminaliteit in de VS behoort tot de ergste der wereld.
Maar ik herhaal: ik, Thomas Bianchi, doe niet meer aan criminologie. De strijd tegen de domheid werd mij teveel. Tegen de domheid vechten zelfs de Goden tevergeefs, zei men al in de oudheid.

U bent nu dus teruggekeerd naar de mystiek, waarvoor u al in uw jeugd belangstelling had. Wat is dat eigenlijk, mystiek?
De kortste en duidelijkste definitie luidt als volgt: mystiek is alle kennis die je niet verkrijgt door het gebruik van de zinnen: dus niet door ‘horen, zien, ruiken, proeven of voelen’. Het is kennis van het verborgene. Mystiek komt van het oud-Griekse woord ‘myo’, dat ‘sluiten, blind waarnemen’ betekent, dus het sluiten van de zintuigen om zodoende kennis te verkrijgen van het goddelijke, bovenaardse, bovennatuurlijke, geestelijke etc. Het is helaas erg veel gevraagd om een zo omvangrijk gegeven als de mystiek in slechts een paar woorden uit te leggen.

Welke mystici spreken u in het bijzonder aan?
Er zijn in de loop der geschiedenis in alle godsdiensten erg veel mystici geweest – te veel om op te noemen… Maar de bloeitijd van de Europese christelijke mystiek ligt (in golven) tussen de vroege middeleeuwen en circa 1600. Tot de oudsten behoren Hermas en Dionysius de Pseudo-Aeropagita, Augustinus. Vooral de laatste twee hebben eeuwenlang een enorme invloed gehad. Daarna kwamen zeer vele mystici die erg beïnvloed waren door Plato en het Bijbelse Hooglied: zoals Bernard van Clairvaux, onze Nederlandstalige Hadewych, de Duitse Meister Eckhardt, de Spaanse Santa Teresa en San Juan de la Cruz. Daarna was dat hoogtij voorbij. Pas in de twintigste eeuw keert de grote belangstelling voor de mystiek weer terug. Ofschoon men tegenwoordig ook wel vaak van ‘spiritualiteit’ spreekt. En we mogen niet vergeten dat ook andere godsdiensten grote mystici gekend hebben: het jodendom, de islam, de oosterse godsdiensten.

Maar heeft u geen bijzondere belangstelling voor bepaalde mystici?
De vrouwelijke mystici uit de eerste periode hebben mij steeds het meest geboeid. Zij beleefden een hartstochtelijke ‘minne met God'; God was voor hen een geestelijke minnaar, en zij beleefden de omhelzing van God. Daarnaast en evenzeer waren er de overwegend mannelijke mystici die de ‘spirituele vriendschap met God’ beleefden. Dit kwam overigens ook al voor in de voorchristelijke heidense wereld. De bekendste mystici die de vriendschap met God beleefden zijn San Juan, Augustinus, de vroegmiddeleeuwse Engelse monnik Aelred van Rivaulx, Ignatius van Loyola, maar ook recente zoals Thomas Merton en zelfs onze eigen Titus Brandsma.

Een van de grootste Arabische mystici was de in Murcia geboren Ibn al Arabi. Kunt u wat meer over hem en zijn werk vertellen?
Er zijn twee islamitische mystici die ik bewonder, Al Arabi en Al Rumi. Beiden waren soefi’s, dat wil zeggen: zij die de extatische verbinding met God beleefden. Al Arabi werd in Zuid-Spanje geboren en ging later naar Damascus. Al Arabi was meer theoretisch bezig terwijl Al Rumi een echte dansende vriend van God was. Beide schreven prachtige gedichten en verhalen. Vooral Al Rumi wordt tegenwoordig in Turkije nog zeer vereerd.

Uit uw bijgesloten gedicht blijkt een grote vriendschap met God. Wanneer en hoe is die ontstaan?
Dat is bij vlagen gegaan. Ik had het al, geloof ik, toen ik 12 jaar was, want toen vroeg ik voor mijn verjaardag een psalmboekje cadeau. Mijn moeder wilde graag dat ik dominee zou worden en daarom ben ik naar een gymnasium gestuurd, waar ik haar eeuwig dankbaar voor ben. En ik had het rond mijn 24ste jaar en wilde toen zelfs een klooster ingaan. Ik leed toen nogal aan een oorlogstrauma dat 10 jaar na de oorlog opkwam. Ik wilde de wereld uitvluchten. Dat heb ik uiteindelijk dus niet gedaan. En ik heb het nu op mijn oude dag. Ik vind dat logisch: ik bereid me langzaam voor op mijn dood, ofschoon ik hoop dat dit leven nog enige tijd duurt. In dat afwachten heb je meer aan mystieke kennis dan aan medische, ofschoon ik dat laatste heus niet afwijs. En het is heel fijn om een ‘grote vriend’ te hebben met wie je zelfs praten kan. Ik hoop te leren van de grote mystici die dat ook hadden.

Wat raadt u een agnost of atheïst aan, opdat hij/zij die vriendschap ook kan ervaren?
Als je niet gelooft dat er een God bestaat, kun je er moeilijk vriendschap mee hebben. Dat zou een innerlijke contradictie zijn. Maar als agnost kun je wel zeer diepe spirituele gevoelens hebben, daar is genoeg over geschreven. Je kunt bijvoorbeeld steun zoeken in de natuur om je heen – zoiets heeft Spinoza al aangeraden; in en met de natuur. “Deus sive natura”, zei hij. Ook dát kan een mens innerlijke rust geven en dat is juist wat je zoekt als je ouder wordt. Natuur is ook levend en kan bij veel mensen vriendschappelijke gevoelens van rust opwekken en bevredigen.

DE VRIEND DER WIJDE VERTEN

Een mystiek verlangen

Het ligt voorwaar niet in mijn aard
Over oude platgetrapte paden door te gaan
Het is voor mij niet meer de moeite waard
Na te jagen wat nooit echt heeft bestaan

Liever mij aan die andere zoektocht overgeven
Die Vriend der Wijde Verten, een hemels medicijn
Dat wonderschone doel, daarnaar te streven
Ook als de wegen moeilijk vindbaar zijn

Die Wijde Verten zien er nu nog wazig uit
Maar langs het pad zijn tekenen te zien
Die lijken op littekens op mijn oude huid
Getuigen van wat ik heb beleefd voordien

Laat dit aardse lichaam zich niet meer vermoeien
Als om mij heen nieuw leven wil gaan bloeien

Met die vriend wil ik een ommegang beleven
Mijn diepste binnenst laten opengaan
En Hem vertellen wat mij heeft gedreven
Wat ik beleef en wat ik heb doorstaan

Hem te ontmoeten die de weg gaat wijzen
Tonen wat ik uit mijzelf nooit weten zal
Hoe naar die Wijde Verten heen te reizen
Een ontmoeting in dat eindeloos heelal

Dan gaan leven naar een ons bindend ideaal
Sprekend en vierend onze eigen taal

De Vriend die mij, waar nodig, helpen zal
Want van die hoge poort, waarvoor wij staan
Die moeilijk vindbaar is en altijd smal
Laat mijn Geleider de deuren opengaan

Wandelend ademt Hij in en door mij heen
Een absolute overgave aan elkaar
Twee wezens worden dan volkomen één
En aan elkaar verbonden, onwankelbaar

Mijn eindbestemming is nu vrij gemaakt
Daar waar de regenboog de aarde raakt

Quondam scripsit ~ Thomas Bianchi

Lees ook dit artikel van Thomas Bianchi.
Over de dichter Al Rumi verscheen eerder een artikel in Meander.

mei 2007

Interview met Joost Zwagerman

‘Alles mag gelukkig weer in de poëzie’

Lees deze tekst
Op 8 september 2015 overleed Joost Zwagerman.
In maart 2007 interviewde Sander de Vaan hem voor Meander.
Hieronder publiceren wij nogmaals dat interview.

Foto: Peter Boer

 

Joost Zwagerman (1963) mag met recht een literaire duizendpoot genoemd worden. Hij schrijft romans, korte verhalen, gedichten, columns, recensies en essays. Daarnaast stelt hij onder meer anthologieën samen en mengt hij zich regelmatig in het publieke debat over een keur aan maatschappelijke onderwerpen. De hoogste tijd dus voor Sander de Vaan om hem voor Meander te interviewen.

In je Kellendonklezing van vorig jaar brak je een lans voor het beëindigen van de literaire quarantaine die de Nederlandse literatuur ‘in een knellende greep houdt’. Je citeerde daarbij Michaël Zeeman: ‘Het dagelijks nieuws, hoe heftig ook, beïnvloedt de literatuur niet’. We zijn nu een jaar verder; denk je dat het literaire wereldje rijp is voor een omslag?
Ik hoop het. Eén jaar is natuurlijk wel erg kort om een omslag te bewerkstelligen of te signaleren. Romans schrijf je niet zomaar even in een paar maanden – of je moet Vestdijk heten. Het was in ieder geval uitstekend dat mijn Kellendonklezing zoveel discussie losmaakte. Jammer is wel dat, op basis van een fragment van de lezing in NRC Handelsblad, veel mensen denken dat ik vind dat schrijvers voortaan moeten schrijven over de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Dat vind ik natuurlijk niet. Om te beginnen ‘moet’ niemand iets, zo schreef ik in die lezing. Maar ten tweede zou het wel een heel enkelvoudige boodschap zijn om een hele Kellendonklezing mee te vullen: schrijvers moeten de moord op Van Gogh in hun romans verwerken. Dan had ik aan één zin of een column genoeg gehad. Maar ik beweerde dan ook iets heel anders: ik stelde vragen bij de algemeen geldende etiquette onder Nederlandse schrijvers, waarin staat dat maatschappelijke onderwerpen niet thuishoren in romans. Wie die literaire overtuiging huldigt, sluit in één klap een baaierd aan onderwerpen en literaire mogelijkheden uit, en dat is doodzonde. Zie de Amerikaanse literatuur, waarin deze etiquette helemaal geen opgeld heeft gedaan. Daar verweven veel schrijvers hun particuliere obsessies en fascinaties met de obsessies en fascinaties van hun tijd en hun samenleving. Dat levert vaak onvergetelijke literatuur op: zie het werk van Saul Bellow, Philip Roth, Norman Mailer, John Updike, Joyce Carol Oates, en nog veel anderen uit de VS. Maar momenteel lees ik Het schervengericht van A.F.Th. van der Heijden, over de denkbeeldige confrontaties tussen Roman Polanski en Charles Manson, en dat is nu eens een geweldige roman die inderdaad geheel buiten de door mij gesignaleerde literaire quarantaine valt. Nu was Van der Heijden altijd al een schrijver die zich gelukkig niets aantrok van die quarantaine, maar Het schervengericht is een triomf van de verbeelding. Via die fabel over filmregisseur en mythische moordenaar en sekteleider spreekt hij zich indirect ook uit over de roerselen van de moordenaar van Van Gogh. Er zijn vage parallellen tussen het sekte-denken van Manson en dat van de Hofstadgroep. Die onderliggende parallellen maken die roman nóg spannender. Zo zie je maar weer wat voor een prachtige dingen kunnen ontstaan als een schrijver zich niets gelegen laat liggen aan die literaire quarantaine.

Hoe denk je zelf gebeurtenissen als de moord op Theo van Gogh en op Pim Fortuyn een plaats in je literaire werk te kunnen geven?
In Transito staat een portret van de cineast Van Gogh. En ik blik terug op het ontstaan van de verfilming in Vals licht, door Theo van Gogh. Een van de thema’s van de roman Vals licht is hoe waarheid en verbeelding in elkaar overvloeien in het brein van een pathologische leugenaar. Dat thema fascineerde Van Gogh, en die fascinatie vind je terug in veel van zijn films. Verder heb ik er geen idee van of beide moorden in mijn werk nog zullen terugkeren. Zoals ik al zei: mijn Kellendonklezing ging helemaal niet over de vraag of die moorden ooit een plaats krijgen in de literatuur. Dat vind ik ook niet heel erg interessant. Het gaat mij om het veel bredere gegeven van een mogelijke verknoping van kunst en samenleving in het werk van auteurs. Hoe die verknoping er dan uit ziet is een tweede; maar dát er zo’n verknoping kan bestaan, is voor mij een interessante vraag.

Na de dichtbundels Langs de doofpot en De ziekte van jij wachtte je dertien jaar met het publiceren van een nieuwe bundel. Een criticus bestempelde Bekentenissen van de pseudomaan als een terugkeer naar je ‘oude liefde’. Is de poëzie een oude liefde voor je? Of ben je – zoals je zelf ooit aangaf – geen dichter, omdat poëzie voor jou geen noodzaak is?
Ik word wel vaker herinnerd aan die uitspraak dat poëzie voor mij geen noodzaak zou zijn. Ik weet niet meer in welk verband ik die uitspraak deed, maar ik snap mijn eigen uitspraak van toen in ieder geval helemaal niet! Roeshoofd hemelt is voor mij wel een van de noodzakelijkste boeken die ik heb geschreven. En wat dat interval van dertien jaar betreft: ik ben al die tijd gewoon doorgegaan met het schrijven van gedichten, alleen niet met het publiceren van gedichten.

Bij Pauw & Witteman memoreerde je vorig jaar een fragment uit de film American Beauty, waarin een plastic zakje voor het oog van de camera steeds weer opwaait. Wat maakt deze scène voor jou zo poëzierijk?
Het motto van American Beauty is: look closer. Goed kijken is het halve werk, zou ik willen zeggen. In die scène van dat opwarrelende plastic zakje laat een van de personages, Ricky, aan zijn aanstaande vriendinnetje zien wat hij zoal gefilmd heeft. Ricky heeft honderden videobandjes op zijn kamer, en als kijker verwacht je banden vol met nutteloze beelden van geklets van leeftijdgenoten, ik noem maar wat. Maar deze Ricky blijkt een soort dichter in de buitenwijk die de schoonheid van een stukje opwaaiend papier weet vast te leggen. Mooi vind ik dat.

Waaraan moet volgens jou een goed gedicht voldoen?
Dat is precies zo’n soort vraag waar je je, naarmate je zelf langer schrijft, steeds minder mee bezig houdt. Een gedicht moet voldoen aan de eisen die een dichter zelf aan zijn gedichten stelt. Laat duizend bloemen bloeien.

Onlangs heb je met een bloemlezing het korte verhaal nieuw leven ingeblazen. De poëzie leidt een zo mogelijk nóg marginaler bestaan. Wordt het niet tijd om daar ook iets aan te doen?
Vergis ik me, of bestaat er niet al een poëziebloemlezing? Er zijn er zelfs twee, die van Komrij, en die van Molengraaf, voorheen verzorgd door Hans Warren. Dat lijkt me wel genoeg, de lezer zit niet te wachten op een derde anthologie. Overigens denk ik niet dat de poëzie een zo mogelijk nog marginaler bestaan leidt dan het korte verhaal, hoor. Het gaat, denk ik, gelijk op. Er is een ongelofelijk levend poëziecircuit, en bij mijn weten bestaat er geen korte-verhalencircuit.

Na Bekentenissen van de pseudomaan was er in 2005 het overrompelende Roeshoofd hemelt. De ene recensent sprak van een ‘rockopera in gedichten’, de ander van een ‘schizofreen fantasy docudramagedicht’. Wat is het volgens jou?
Het is de bundel die ik al heel lang wilde schrijven.

Hoe ontstond dit lyrische relaas van de ‘vastklant R.’, die in een warenhuis voor alle mensenwensen een manisch-depressieve aandoening lijkt te jatten en daarna in de problemen komt?
Zo rond mijn achttiende las ik het verhaal ‘De aleph’ van Jorge Luis Borges. De aleph is een soort geheime steen waar je in kunt kijken, en als je het zeldzame genoegen mag smaken er in te kijken, dan zie je het totaal van de wereld van vroeger, nu en de toekomst in een overdonderende gelijktijdigheid. Je ziet, kortom, het Al. Toen ik dat las, dacht ik: als ik ooit ernst durf te maken met het schrijven, wil ik ook eens iets maken waar zo’n aleph een rol in speelt. Jaren later is dat dus Roeshoofd hemelt geworden, met het warenhuis T Mart als een soort kapitalistische variant op die aleph. De T Mart is een warenhuis waar het woord ‘nee’ niet bestaat, omdat al het denkbare er te koop is. Niet alleen materiële goederen, maar ook immateriële. Je kunt er dus een goed huwelijk kopen, maar ook mooie jeugdherinneringen, dronkenschap zonder drank en kater, ga zo maar door. De T Mart zou op het eerste gezicht een soort utopie zijn, maar het is natuurlijk een anti-utopisch onheilsbeeld. In onze tijd zorgen de multinationals er wel voor dat wij argeloze consumenten heel erg houden van iets wat in de verte op die T Mart lijkt. We worden geconditioneerd tot aankopen die een soort volledigheid van en in ons bestaan suggereren. Tv’s met wel tweehonderd kanalen, iPods met een capaciteit voor wel 10.000 liedjes. Hoeveelheden en mogelijkheden die geen mens kan behappen. En denk aan Second Life. Gaat die virtuele schaduwwereld niet in de richting van de wereld van de T Mart die ik in Roeshoofd hemelt schets? In Second Life leven mensen via hun schaduwgedaantes, hun avatars, levens waarover ze kennelijk in hun feitelijke leven, First Life, dromen en fantaseren. Het leven zou volmaakt zijn als de onbegrensde mogelijkheden uit Second Life werkelijkheid zouden worden in First Life, het eigen leven. Kortom: de wereld van en in Roeshoofd hemelt is ons nabijer dan we zouden vermoeden. Ik denk dat het alleen al daarom, samen met De buitenvrouw, mijn meest geëngageerde boek is.

Erik Jan Harmens haalde in zijn bespreking van de bundel een regel van Celine aan: ‘Het is de meerderheid die uitmaakt wie gek is en wie niet’. Ben je het met de Franse auteur eens?
Ja, dat heeft Harmens goed gezien. Wie of wat is er gekker en gestoorder: die patiënt R. van mij, die Roeshoofd, of de T Martwereld waarin hij zich bevindt?

In de Maximalen-tijd, eind jaren tachtig, schreef je ‘Het juk van het grote Niets’, waarin je onder andere het bloedeloze hermetisme in de vaderlandse poëzie hekelde. Het was een periode waarin een Maximaal een teiltje rotte vis over Michaël Zeeman heen kieperde, omdat deze jullie met dat onwelriekende goedje vergeleken had. Hoe kijk je nu op die wilde jaren terug?
Even over dat vis-incident. Dat was natuurlijk beschamend. Twee of drie maximale dichters moesten optreden in Delft. Daar zou ook Zeeman optreden, die toen inderdaad net een niet misse recensie over de bloemlezing Maximaal! had gepubliceerd. Ik dacht dat het Arthur Lava was die toen op het idee kwam om bij wijze van ludieke Dada-actie een teiltje vis over Zeeman heen te kieperen. Leuk om te verzinnen, maar heel vervelend als het je overkomt. Dat vond ik toen al, en ik vind dat nog steeds. Ik wist er ook helemaal niets van, van dat idee van die vis. Maar kennelijk had Michaël Zeeman redenen om aan te nemen dat ik de kwade genius was achter die vissmijt-actie, wat niet het geval was.
Maar voor het overige waren het prachtige jaren, met de Maximalen. Het waren de jaren waarin we met verhitte hoofden avondenlang over poëzie konden praten, over wat er wel en niet deugde aan de Nederlandse poëzie, en over wat er allemaal anders en beter kon. Vergis je niet, het waren toen verstikkende jaren in de poëzie. Rob Schouten heeft daar nog eens een mooi essay over geschreven, over de bijna Apartheid-achtige sfeer die toen in de Nederlandse poëzie heerste. Hermetische dichters die in Raster of De Revisor schreven, verbleven in het ene kamp, en neo-romantici en realisten, die door de Raster- en Revisormensen gezien werden als een soort Untermenschen, waren in het andere kamp. Over de beklemming en beknotting die van dit klimaat uitging schrijft Schouten heel beeldend. Precies tegen die beklemming probeerden de Maximalen zich te verzetten. En met succes, gelukkig.

Wat vind je van het huidige poëzieklimaat in Nederland en Vlaanderen?
Onvergelijkbaar met die eerdergenoemde beklemming van zo’n twintig jaar geleden. Alles mag gelukkig weer in de poëzie. Apartheid is afgeschaft. De Maximalen hebben daartoe, geheel volgens de wetten van de revolutie, het ondankbare maar vruchtbare voorwerk voor verricht.

Na dat ‘vis-voorval’ ben je vaker met Michaël Zeeman in aanvaring gekomen. Toen Zeeman jouw roman Chaos en rumoer op tv negatief had besproken, sprak columnist Frits Abrahams zelfs van een ‘openbare executie’. Toch zijn jullie allebei literaire hoogvliegers, die in discussie met elkaar een bijdrage aan het culturele debat zouden kunnen leveren. Is er nog hoop dat het goed komt?
Literaire hoogvliegers, zei je? Ik denk dat het luchtruim beide hoogvliegers genoeg ruimte laat.

Naast romans publiceer je ook essays over allerlei onderwerpen. Zo bundelde je in Door eigen hand een reeks artikelen over zelfmoord, waarbij de nadruk lag op de ervaringen van de nabestaanden. Is je kijk op het verschijnsel zelfdoding veranderd na de gesprekken die je voor deze essays voerde?
Niet in essentie. Er wordt gelukkig steeds meer aandacht geschonken aan suïcide-preventie. De recente cijfers zijn schokkend. 94.000 zelfmoordpogingen per jaar, waarbij er 1600 slagen. Zullen die 92.400 pogingen niet serieus zijn geweest? Zullen dat verkapte schreeuwen om aandacht zijn geweest? Stel dat de pil van Drion voor iedereen beschikbaar zou zijn. De meeste pogingen tot zelfmoord komen voort uit een impuls, de zogeheten impulssuïcide. De impuls blijkt niet sterk genoeg te zijn geweest om de zelfmoord ook te laten slagen, en achteraf blijkt een overweldigend grote meerderheid opgelucht te zijn dat het niet is gelukt. Met een pil van Drion binnen ieders bereik zal er nooit meer een poging tot zelfdoding mislukken. Dat lijkt me een huiveringwekkend vooruitzicht.

Dichters lijken in dit verband een verhoogd risico te lopen. Waar zou dat aan liggen?
Er bestaan zelfs onderzoeken waarin mensen met creatieve beroepen, om het zo maar uit te drukken, zijn onderzocht op de mate waarin er binnen hun beroepsgroep zelfmoord en zelfmoordpogingen voorkomen. De dichters staan fier bovenaan. Dan de beeldend kunstenaars. Proza-schrijvers staan alweer een stukje lager. Helemaal onderaan in de lijst stonden de architecten. Die springen dus kennelijk uiterst zelden van het dak van hun zelfontworpen gebouw af. Onder dichters komt daarentegen bovengemiddeld vaak manische depressiviteit voor. Kay Redfield Jamison schreef daarover een heel interessant boek: Touched With Fire. Manic Depressive Illness and the Artistic Temperament. De eerste biografen van Virginia Woolf konden nog schrijven dat Woolf schizofreen was. Dat schreef men vroeger ook over Vincent van Gogh. De huidige diagnose luidt: manische depressiviteit. Kardinale vraag is nu: worden dichters vatbaarder voor manische depressiviteit doordat ze poëzie schrijven, of zijn mensen die aanleg hebben tot manische depressiviteit eerder dan anderen geneigd tot het schrijven van poëzie? Ik denk het laatste.

De Duitser Reiner Kunze schreef een kernachtig gedicht over zelfmoord: ‘De laatste van alle deuren// Maar nooit heeft men/ reeds aan alle deuren aangeklopt’. Kun je je hierin vinden?
Ja. Mooie uitspraak.

Inmiddels ligt je nieuwe essaybundel Transito in de schappen. Het is een soort wereldreis in essays, waarin ook de VS uitgebreid worden aangedaan. Wij Nederlanders lachen graag Amerikanen uit omdat ze denken dat Denemarken de hoofdstad van Nederland is, of vice-versa. Maar geen enkele Amerikaan lacht ons uit als wij denken dat de hoofdstad van Colorado Kansas heet. Is ons beeld van de VS en de Amerikanen vertekend?
Ik weet niet of dat beeld vertekend is. Ik ben mijn leven lang al gefascineerd door sommige aspecten van de Amerikaanse cultuur. Het cliché wil dat we worden overspoeld door de Amerikaanse massa-cultuur, maar wat we vaak geneigd zijn te vergeten is dat Amerika ook op verschillende gebieden het spannendste en indringendste uit de hoge cultuur voortbrengt. Wie ter wereld schrijft er momenteel beter dan Philip Roth? Ik ben het met Michaël Zeeman eens dat Roth als geen ander de Nobelprijs verdient. En neem de beeldende kunst: de twintigste eeuw is voor wat dat betreft de eeuw van de Amerikanen: Jasper Johns, Robert Rauschenberg, Mark Rothko, Jackson Pollock, Willem de Kooning, Andy Warhol niet te vergeten. New York werd het epicentrum van de beeldende kunst.

Wat kunnen we verder nog van je verwachten, de komende tijd?
Ik heb zojuist de samenstelling van het derde en laatste deel van mijn bloemlezing afgerond. De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 essays zal in oktober verschijnen. De eerstkomende decennia is er nu een bloemlezing die het korte verhaal en het essay vanaf 1880 in kaart heeft gebracht en heeft geconserveerd. Dat was noodzakelijk. De bloemlezingen van Warren en Komrij vormen al monumenten tegen het vergeten voor wat betreft de poëzie, maar voor het essay en het korte verhaal ontbrak het aan zo’n anthologie. Toen ik eraan begon, had ik besloten dat ik geen half werk zou verrichten, anders had ik het maar zonde van mijn tijd gevonden. Gelukkig zijn de delen één en twee ontvangen als een standaardwerk. Deel drie zal het standaardwerk compleet maken.
Verder ben ik bijgelovig en sta ik het mij nooit toe om te praten over werk waarmee ik bezig ben. Laat ik dit zeggen: ik werk aan drie boeken tegelijk, een essaybundel, een gedichtenbundel en een roman. Nu de gigantische bloemlezing-klus is geklaard, kan ik weer alle tijd besteden aan die drie boeken in wording. Maar eerst maak ik een klein boek over laten we zeggen ‘Nederland nu’. In dat boek komt onder meer een selectie van artikelen en columns van de afgelopen tijd. Werktitel is Hollands welvaren.

Meer informatie:
website Joost Zwagerman

(maart 2007)


Hans Puper besprak voor Meander de bundel Voor alles van Joost Zwagerman.
Interview met Ghayath Almadhoun

Laf, maar goudeerlijk

Lees deze tekst
 

De Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhoun werd in 1979 in het vluchtelingenkamp Al Yarmouk in Damascus geboren. Sinds 2008 woont hij in Zweden, vanwaar hij met lede ogen moest aanzien hoe zijn land in een gruwelijke geweldsspiraal belandde. Hij schreef er onder meer een reeks beklemmende gedichten over die vorig jaar in het Nederlands onder de titel Weg van Damascus bij Uitgeverij Jurgen Maas verschenen. Sander de Vaan spr@k met Almadhoun tijdens een verblijf van de dichter in een Belgisch schrijvershuis op uitnodiging van de organisatie PEN.

Damascus is in veel van uw gedichten aanwezig. Hoe zou u uw geboortestad omschrijven?
Damascus is geïnfecteerd met schizofrenie. Het is een stad vol contrasten: oud en nieuw, traditioneel en modern, gesloten en open, vol repressie en vol vrijheid. Het is de oudste stad ter wereld en alle wereldsteden, van New York tot Karachi, zijn een weerspiegeling van Damascus.

Zijn er bepaalde geuren die u aan Damascus doen herinneren?
Op de markten in Damascus wemelt het van de specerijen. En verder is er de geur van jasmijn in diverse wijken van de stad. En de luchtvervuiling… Meng dit allemaal met elkaar en je ruikt Damascus. Istanbul, Athene, Napels en Granada hebben veel geuren gemeen met mijn geboortestad.

 

En is er ook een bepaald beeld dat u aan uw geboortestad herinnert?
De enige beelden zijn die van Damascus zelf. Het is een unieke stad, maar soms als ik in Berlijn ben, moet ik aan Damascus denken en dat geeft mij hoop omdat we, net als indertijd met Berlijn na de Tweede Wereldoorlog gebeurde, de stad in de toekomst weer zullen kunnen opbouwen.

Wat mist u momenteel het meest? 
Mijn leven aldaar. Mijn familie en vrienden. Het moment waarop de avond valt na een warme zomerdag. De geluiden. De geuren. De drukke straten.

In uw gedicht ‘Hoe ik een dichter werd’, schrijft u een wondermooi ‘verhaal’ over iemand die een dichter werd, nadat hij het existentiële leed van iemand uit de zestiger jaren in handen kreeg. Vertel ons s.v.p. de waarheid: hoe bent ú dichter geworden? 
Dat ís de waarheid. Ik kreeg het tweedehandse existentiële leed van iemand uit de sixties en toen ik dat begon te gebruiken, werd ik dichter. Overigens begon ik met het schrijven van gedichten toen ik nog heel jong was. En dat heeft niks te maken met het feit dat mijn vader ook dichter is en dat mijn oom romans schrijft. Ik vind mijzelf terug in de dichtkunst.

Dus er is een waarheid wat betreft het leed van iemand anders én de waarheid dat u lang geleden met het schrijven van gedichten begon. In uw indrukwekkende gedichtenreeks ‘Ik kan niet aanwezig zijn’, vertelt u vele ‘waarheden’, maar uiteindelijk is er de mogelijkheid van nóg een andere, niet genoemde waarheid. Wat is waarheid voor u? 
In wezen spring ik in mijn gedicht ‘Ik kan niet aanwezig zijn’ van de ene leugen naar de andere, zodat ik mijn afwezigheid, mijn ongerechtvaardigde afwezigheid kan camoufleren, zodat ik de wáre reden voor het niet terugkeren naar Syrië tijdens de revolutie niet hoef te noemen. Ik ben namelijk een lafaard en bang voor de dood. 
 
Op de een of andere manier kreeg ik tijdens het lezen van ‘Ik kan niet aanwezig zijn’ het gevoel dat u meer dan ergens anders juist wél aanwezig bent in Damascus, omdat uw hart en geest daar vertoeven. Hebben deze gedichten u geholpen bij de acceptatie van het feit dat u niet terug bent gegaan? 
Ik heb er voor gekozen om tijdens de revolutie niet terug te keren en ik heb die beslissing gerechtvaardigd met valse pretenties en met leugens. In feite weerhoudt niets mij ervan om nu terug te keren naar Damascus, behalve dan dat ik een lafaard ben. 

Soms heb ik de indruk dat wij in het Westen vaak op zoek zijn naar dé Waarheid, alsof er niet meerdere opties zijn. Wat denkt u daarvan? 
Dat is niet zo vreemd. De waarheid wordt doorgaans in de machtscentra bepaald. Wij Arabieren zijn wat dat betreft geen haar beter. Tijdens de Arabische overheersing, duizend jaar geleden, van Spanje tot China, beslisten de Arabieren wat de waarheid was. 

In een ander gedicht spreekt u over de democratie voor de rijken, bloemen zonder geur, groenten zonder smaak, racisme dat verdoezeld wordt door een glimlach… Wat heeft u het meest geshockeerd toen u in Europa aankwam? 
Bedenk eerst dat democratie voor de rijken honderden malen beter is dan een dictatuur voor de rijken. En verder ben ik nergens door geshockeerd. Alleen vond ik het wel erg vreemd dat er in Europa veel misverstanden en clichés over Arabieren en de Islam bestaan.

Wat zouden wij in Europa kunnen doen om die misverstanden en clichés weg te nemen?
Dit is geen Europees probleem. De hele wereld tobt met hetzelfde probleem. En in het Midden-Oosten hebben we weer misverstanden en clichés over het Westen. De wereld zit vol grote misverstanden…
Je hebt in deze wereld bezettingen, patriarchaten, dictaturen, enzovoort. Maar we hebben vooral ook te maken met bevooroordeelde media die moordenaars steunen in plaats van slachtoffers. Ik denk dat de media een grote rol spelen in deze puinhoop.

Hou zou men de burgeroorlog in Syrië kunnen beëindigen?
Er is helemaal geen sprake van een burgeroorlog. Het betreft een revolutie tegen een fascistisch regime dat besloten heeft om de revolutie te stoppen door alle gearresteerde mensen te doden en burgers in meer dan 400 steden al vijf jaar lang te bombarderen. Het Syrische volk besloot enkel om zichzelf en haar kinderen te beschermen, en dat is geen burgeroorlog.
Het Syrische regime kan doen wat het doet omdat de rest van de wereld zwijgt en dit geldt zowel voor de regeringen als de burgers. De enige oplossing voor het conflict is dat het dictatoriale regime verdwijnt.

Als het morgen vrede wordt in Syrië, wat zal u dan als eerste doen en schrijven?
Ik zal slapen.